|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:11872 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.34921 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Geloofwaardigheid, Somalië, Al-Shabaab, herkomst ongeloofwaardig, taalanalyse, 15c, vereenzelviging, beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | vee | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34921
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Berger),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres asielrelaas ongeloofwaardig is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
Eiseres heeft op 29 juli 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
2.2.
De minister heeft met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.3.
Het beroep richt zich van rechtswege mede tegen het alsnog genomen besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij is van Somalische nationaliteit, stelt [eiseres] te heten, geboren op [geboortedag] 1999. Eiseres verklaart dat zij in het dorp in Centraal-Somalië ([naam dorp]), waar zij woonde met haar vader en moeder, te maken kreeg met Al-Shabaab. Leden van Al-Shabaab vroegen haar vader om eiseres uit te huwelijken aan (één van de leiders, een emir, van) Al-Shabaab. Toen de vader van eiseres dit weigerde is hij door Al-Shabaab meegenomen en gedood. Daarop is eiseres naar Mogadishu gevlucht. Zij heeft daar van een oom te horen gekregen dat hij haar wilde uithuwelijken en eiseres is daarop gevlucht. Eiseres vreest bij terugkeer voor Al-Shabaab, uithuwelijking door haar oom en voor de eventuele besnijdenis van haar (toekomstige) dochters.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met Al-Shabaab;
discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst niet met documenten heeft onderbouwd. De minister vindt haar nationaliteit geloofwaardig, maar vindt eiseres haar identiteit en herkomst ongeloofwaardig. Ook de door eiseres gestelde problemen met Al-Shabaab heeft eiseres volgens de minister niet met documenten onderbouwd en vindt hij ongeloofwaardig. De minister heeft een taalanalyse laten uitvoeren. De minister stelt zich mede op grond daarvan op het standpunt dat eiseres over het eerste en tweede asielmotief niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard en dat zij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiseres het derde asielmotief over discriminatie niet met documenten heeft onderbouwd, en dat dit motief verder ook niet geloofwaardig is omdat eiseres daarover eveneens niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. De minister telt zich tot slot op het standpunt dat eiseres haar afkomst uit Somalië niet voldoende is voor een verblijfsvergunning. De minister concludeert dat de asielaanvraag moet worden afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres de minister heeft willen misleiden over haar identiteit en herkomst.
Heeft de minister de asielmotieven juist vastgesteld?
5. Eiseres betoogt dat de minister de asielmotieven niet juist heeft vastgesteld. Daartoe voert eiseres aan dat de minister heeft miskend dat eiseres behoort tot de groep vrouwen die zich vereenzelvigen met de waarde van gelijkheid tussen vrouw en man zoals bedoeld in de paragrafen C7/3.2.5., 3.2.5.2. en 3.2.5.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Volgens eiseres heeft de minister de verklaringen die zij daarover in het gehoor heeft afgelegd ten onrechte niet getoetst in het kader van een apart asielmotief. Eiseres wijst op haar verklaringen over haar angst tot uithuwelijking en haar angst voor besnijdenis van haar toekomstige kinderen. Volgens eiseres had de minister daarin een beroep op vereenzelviging moeten lezen en daarover moeten doorvragen. Eiseres wijst op het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2024, K en L. Volgens eiseres volgt uit punt 61 van dat arrest dat de minister informatie had moeten verzamelen over de situatie in Somalië ten aanzien van vrouwen en vereenzelviging. Eiseres wijst er verder op dat het ook aan de rechter is om te beoordelen of eiseres behoort tot een sociale groep.
5.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het asielrelaas van eiseres onvoldoende aanknopingspunten volgen die maken dat vereenzelviging als asielmotief had moeten worden aangemerkt. Eiseres heeft daarover immers slechts verklaard dat zij niet uitgehuwelijkt wilde worden, dat zij zelf is besneden en daar erg veel leed van heeft ondervonden en dat zij niet wil dat haar toekomstige kinderen ook zouden worden besneden. De minister wijst er in dit kader niet ten onrechte op dat eiseres deze verklaringen heeft afgelegd binnen de context van haar vlucht voor de gestelde problemen met Al-Shabaab. Zoals blijkt uit eiseres haar verklaringen in het nader gehoor heeft zij daarmee willen uitdrukken dat zij naar eigen zeggen tot de realisatie kwam dat ook haar oom haar niet kon beschermen tegen Al-Shabaab en dat zij toen heeft besloten om Somalië te verlaten. Zij verklaart over haar eigen besnijdenis en over die van haar toekomstige kinderen dat zij angst heeft om naar Somalië terug te keren, omdat haar kinderen dan zouden worden besneden. Hoewel uit het relaas van eiseres inderdaad volgt dat zij bij terugkeer vreest voor de besnijdenis van haar toekomstige kinderen en dat zij vreest te worden uitgehuwelijkt door haar oom, heeft de minister in eiseres haar verklaringen niet ten onrechte geen aanleiding gezien om vereenzelviging als asielmotief aan te merken. Uit de verklaringen van eiseres blijkt immers dat de directe reden voor haar vlucht de dreiging van Al-Shabaab was. Daar komt bij dat eiseres vereenzelviging pas in haar zienswijze voor het eerst heeft genoemd en dat het pas in beroep nader is gemotiveerd. Als eiseres van mening is dat vereenzelviging (ook) behoort tot de kern van haar relaas dan waren de correcties en aanvullingen de aangewezen mogelijkheid geweest om dat te benoemen. Dat heeft eiseres niet gedaan. De minister heeft gezien voorgaande niet de samenwerkingsplicht geschonden en had vereenzelviging niet hoeven aan te merken als asielmotief.
Stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de identiteit en herkomst van eiseres ongeloofwaardig zijn?
6. De rechtbank beoordeelt hieronder de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling. Zij doet dit aan de hand van de gronden van eiseres.
Is de manier waarop de minister het relaas heeft beoordeeld in strijd met het Unierecht?
7. Eiseres betoogt dat de manier waarop de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres heeft getoetst niet in overeenstemming is met het Unierecht.
7.1.
Het betoog slaagt niet. Anders dan eiseres betoogt heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 8 september 2025 geoordeeld dat de wijze waarop de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling verricht op grond van Werkinstructie (WI) 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht. De rechtbank wijst op deze uitspraak en ziet in het betoog van eiseres geen reden om in dit geval anders te oordelen.
Identiteit en herkomst
8. Niet in geschil is dat eiseres haar verklaringen over haar identiteit en herkomst niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000.
Eiseres haar verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel
9. De minister heeft door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) bij eiseres een taalanalyse laten afnemen. De uitkomst van deze analyse is dat eiseres eenduidig niet is te herleiden tot de spraakgemeenschap in Centraal-Somalië en dat zij eenduidig is te herleiden tot de spraakgemeenschap in Noord-Somalië. Naar aanleiding van de gronden van eiseres in de beroepsfase heeft de minister TOELT om een weerwoord gevraagd. TOELT heeft gereageerd bij bericht van 19 maart 2026 (het weerwoord).
10. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte niet motiveert welk onderdeel van haar identiteit wel of niet wordt gevolgd en waarom. Volgens eiseres kan de minister niet haar identiteit ongeloofwaardig achten alleen omdat eiseres niet wordt gevolgd in haar herkomst. Wat betreft haar herkomst betoogt eiseres dat de minister zich niet louter heeft mogen baseren op de taalanalyse. Daartoe betoogt eiseres dat zij uit Noord-Somalië komt en gedurende de tijd die zij in Centraal-Somalië heeft doorgebracht niet naar school is geweest en nauwelijks heeft deelgenomen aan het maatschappelijk leven. Thuis spraken eiseres en haar ouders enkel Noord-Somalisch en zij heeft de taal die in Centraal-Somalië wordt gesproken dus nooit opgepikt. De analyse gaat volgens eiseres uit van een incomplete levensloop. In de analyse is geen rekenschap gegeven van de omstandigheid dat eiseres geen opleiding heeft genoten in Centraal-Somalië en dat zij nauwelijks in contact kwam met de buitenwereld. De minister mag zich volgens eiseres niet zonder onderbouwing van een linguïst op het standpunt stellen dat het niet onredelijk is om te verwachten dat eiseres Centraal-Somalische spraakkenmerken zou opdoen gedurende de 13 jaar dat zij daar naar eigen zeggen heeft verbleven. De minister had zich gezien voorgaande moeten vergewissen van de conclusies van het taalonderzoek, maar heeft dit volgens eiseres ten onrechte niet gedaan. Daarom is volgens eiseres sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
10.1.
Eiseres wijst ter onderbouwing van haar betoog op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 18 maart 2025. Verder heeft eiseres ter zitting kritische kanttekeningen geplaatst bij de door TOELT gebruikte bronnen in het weerwoord. Eiseres wijst tot slot op een rapportage van Clear Global van april 2023 waaruit volgens haar volgt dat Noord-Somalisch ook wordt gesproken in Centraal-Somalië.
10.2.
Ook is in dit kader volgens eiseres ten onrechte niet meegewogen dat zij verifieerbare en juiste verklaringen heeft afgelegd over haar herkomstregio en dat het dorp [naam dorp] waar eiseres woonde wel degelijk onder controle stond van Al-Shabaab. De minister heeft dit ten onrechte niet kenbaar meegewogen in de besluitvorming.
11. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een advies van TOELT een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
11.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiseres over haar identiteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. De minister heeft bij eiseres een taalanalyse afgenomen. Het rapport dat naar aanleiding van deze taalanalyse is opgesteld is een deskundigenbericht. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aangevoerd en de minister mag dus uitgaan van de taalanalyse. Uit deze taalanalyse blijkt dat de taalanalist van mening is dat eiseres eenduidig is te herleiden naar de spraakgemeenschap in Noord-Somalië en eenduidig niet te herleiden is naar de spraakgemeenschap in Centraal-Somalië. De minister heeft naar aanleiding van de zienswijze nog navraag gedaan bij TOELT, waarop TOELT een weerwoord heeft geschreven. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiseres dat de minister zich onvoldoende zou hebben vergewist van de inzichtelijkheid en de concludentie van het rapport taalanalyse.
11.2.
Het betoog van eiseres dat zij naar eigen zeggen nauwelijks deelnam aan het maatschappelijk leven en de taal leerde van haar Noord-Somalische moeder is geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de zorgvuldigheid of de totstandkoming van het rapport taalanalyse. De minister wijst er niet ten onrechte op dat eiseres in het gehoor tijdens de aanmeldfase heeft verklaard wel degelijk buiten te komen omdat zij haar ouders meehielp met het vee en in het theehuis. Dit is dan ook vermeld in het rapport taalanalyse en de taalanalist heeft van deze verklaringen mogen uitgaan. Niet is daarom gebleken dat in de analyse wordt uitgegaan van een onjuiste levensloop. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiseres dat de taalanalist er niet zonder nadere motivering of hulp van een linguïst van had mogen uitgaan dat eiseres delen van de Centraal-Somalische spraak had moeten oppikken gedurende de 13 jaar dat zij naar eigen zeggen in Centraal-Somalië woonde. Het betoog van eiseres ter zitting dat uit het rapport taalanalyse niet blijkt wat precies de afkomst is van eiseres haar moeder en dat daarom ook niet blijkt welk gewicht aan die omstandigheid moet worden gehecht maakt dit niet anders, nu uit eiseres haar eigen verklaringen niet volgt dat zij nauwelijks buiten kwam en de taal dus voornamelijk meekreeg van haar moeder.
11.3.
De kritische kanttekeningen van eiseres bij het door TOELT gebruikte bronmateriaal en verwijzing van eiseres naar de rapportage van Clear Global maken het oordeel van de rechtbank evenmin anders. Over de rapportage van Clear Global heeft TOELT in het weerwoord namelijk verklaard dat deze uitgaat van onjuiste taalkundige en wetenschappelijke aannames, dat de gebruikte onderzoeksmethodiek niet inzichtelijk is en dat de resultaten, door gebruik van respondenten die buiten Somalië verbleven, vrijwel niets zeggen over de daadwerkelijke taalsituatie in Somalië. De rapportage van Clear Global en de overige kritische kanttekeningen van eiseres kunnen zonder nadere onderbouwing niet afdoen aan het rapport taalanalyse en het weerwoord. De rechtbank wijst er nogmaals op dat het rapport taalanalyse van TOELT en het weerwoord deskundigenberichten zijn en dat door deze deskundige nadrukkelijk is gereageerd op het rapport van Clear Global. Het rapport van Clear Global en de kritische kanttekeningen van eiseres zijn daarom op zichzelf niet voldoende om te twijfelen aan de inzichtelijkheid en concludentie van het rapport taalanalyse en het weerwoord. De rechtbank volgt daarom niet de verwijzing van eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht.
11.4.
Het betoog van eiseres dat zij verifieerbare en juiste verklaringen heeft afgelegd over haar gestelde leefomgeving en de controle van Al-Shabaab, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de conclusies van het rapport taalanalyse.
11.5.
Met betrekking tot eiseres haar gestelde identiteit heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze, mede gezien haar niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden verklaringen over haar herkomst, niet geloofwaardig is. De minister wijst er niet ten onrechte op dat eiseres naar eigen zeggen ruim twee maanden in Mogadishu heeft verbleven. Het betoog van eiseres dat zij geen paspoort kon aanvragen omdat zij op het platteland woonde gaat daarom niet op. De minister werpt eiseres niet ten onrechte tegen dat zij aldus in staat moet zijn geweest om een paspoort te verkrijgen om haar identiteit te onderbouwen, maar dat zij haar identiteit desondanks niet met objectieve documenten heeft onderbouwd.
Eiseres kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd?
12. De minister stelt zich gezien voorgaande niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres misleidende verklaringen heeft gegeven over haar herkomst. De minister stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiseres heeft tegen deze tegenwerping geen gronden gericht.
Heeft eiseres haar asielaanvraag zo spoedig mogelijk ingediend?
13. De minister werpt eiseres tegen dat zij niet direct bij aankomst in Griekenland in 2023 asiel heeft aangevraagd. Uit haar antwoorden blijkt dat zij hier geen goede reden voor had. Eiseres is daarna doorgereisd naar België en Nederland. Eiseres heeft tegen deze tegenwerping geen gronden gericht.
Tussenconclusie
14. Gezien voorgaande heeft de minister de identiteit en herkomst van eiseres uit Centraal-Somalië niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de identiteit van eiseres ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht louter in verband met haar herkomst, nu de minister daaraan mede ten grondslag heeft gelegd dat eiseres geen identificerende documenten heeft overgelegd, dat uit de taalanalyse volgt dat eiseres eenduidig is te herleiden naar Noord-Somalië, dat eiseres in grote lijnen niet geloofwaardig is en niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd.
Stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn?
15. Niet in geschil is dat eiseres haar verklaringen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000. De minister heeft ter zitting toegelicht dat zijn primaire standpunt is dat eiseres haar herkomst en identiteit ongeloofwaardig zijn en omdat haar relaas zich naar eigen zeggen afspeelt in het dorp [naam dorp] in Centraal-Somalië, de problemen met Al-Shabaab en de dood van haar vader daarom ook ongeloofwaardig zijn.
16. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de minister de identiteit en herkomst van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Nu het asielrelaas van eiseres met betrekking tot de gestelde dood van haar vader door Al-Shabaab, haar vlucht, en de gestelde gevreesde uithuwelijking door haar oom direct samenhangen met haar gestelde afkomst uit [naam dorp], heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt geteld dat het asielmotief over de problemen met Al-Shabaab reeds om deze reden niet geloofwaardig is. Aan een bespreking van de daartegen door eiseres gerichte gronden komt de rechtbank daarom niet toe.
Stelt de minister terecht dat eiseres niet te vrezen heeft voor vervolging/een reëel risico op ernstige schade loopt?
17. De minister heeft de wel geloofwaardig geachte asielmotieven van eiseres verder getoetst op zwaarwegendheid. De minister gelooft alleen dat eiseres een vrouw is van Somalische nationaliteit die tot een minderheidsstam behoort.
18. Eiseres betoogt met betrekking tot het risico op ernstige schade bij terugkeer dat de minister bij de beoordeling ten onrechte geen landeninformatie heeft betrokken. Het risico op vervolging vanwege het behoren tot een minderheidsstam is volgens eiseres een kwestie van zwaarwegendheid en niet van geloofwaardigheid. De minister moet volgens eiseres cumulatief beoordelen welke gevolgen het zijn van een vrouw voor eiseres betekent binnen de context van de omstandigheid dat zij behoort tot een minderheidsstam. Eiseres wijst op een brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 21 oktober 2025. Ook wijst eiseres op het meest recente rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA), County Guidance: Somalia van 2 oktober 2025.
18.1.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat de verklaringen van eiseres over discriminatie, omdat zij tot een minderheidsstam behoort, eigenlijk bij de beoordeling van de zwaarwegendheid hadden moeten worden betrokken en dat er met betrekking tot dit asielmotief ten onrechte een geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet in deze constatering echter geen gebrek, omdat het hier vooral een verschil betreft in woordgebruik en de minister wel heeft beoordeeld of eiseres persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege haar Gabooye achtergrond. De inhoud van het besteden besluit zou ook niet anders zijn wanneer het onderdeel wel alleen bij de zwaarwegendheid was besproken. De rechtbank ziet daarom geen reden om het bestreden besluit op deze grond te vernietigen.
18.2.
De minister heeft zich daarover terecht op het standpunt gesteld dat uit eiseres haar verklaringen slechts blijkt dat zij weleens werd uitgescholden om haar stamachtergrond maar dat daaruit niet blijkt van stelselmatige of ingrijpende discriminatie zoals uitsluiting van onderwijs, onderdak, gezondheidszorg en werk. Ter zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door eiseres aangehaalde landeninformatie weliswaar volgt dat van discriminatie en marginalisering sprake kan zijn, maar dat het uitgangspunt van de beoordeling is de verklaringen van eiseres over dit onderwerp en dat uit deze verklaringen niet afdoende blijkt van discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsgroep. In de door eiseres genoemde landeninformatie heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor een ander standpunt.
18.3.
De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vanwege haar Somalische nationaliteit. De minister erkent dat eiseres weliswaar een vrouw is, maar stelt terecht dat niet is gebleken dat zij een alleenstaande vrouw is. Alleenstaande vrouwen zijn in het landenbeleid van Somalië aangemerkt als risicogroep. De minister wijst erop dat eiseres haar identiteit en herkomst niet geloofwaardig zijn gevonden en dat eiseres haar relaas verder ook in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Dat betekent dat uit eiseres haar verklaringen niet kan worden vastgesteld dat zij een alleenstaande vrouw is. Verder blijkt uit eiseres haar eigen verklaringen dat zij in Somalië nog een gootfamilie heeft in de vorm van een moeder, zus, broers en ooms. Daarbij is van belang dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiseres van deze familie te vrezen heeft voor uithuwelijking. Verder blijkt volgens de minister uit de eigen verklaringen van eiseres dat zij op mensen uit haar eigen clan heeft kunnen terugvallen voor opvang en bescherming, nu eiseres zelf heeft verklaard dat zij gedurende twee maanden opvang heeft genoten bij een stamgenoot van haar moeder in Mogadishu.
18.3.1.
De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiseres ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vanwege een reëel risico op ernstige schade. De minister stelt voorop dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij uit een gebied komt dat onder controle staat van Al-Shabaab nu haar herkomst uit Centraal-Somalië niet geloofwaardig is bevonden. De minister wijst er bovendien terecht op dat niet aannemelijk is dat Al-Shabaab eiseres wil uithuwelijken. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar ooms haar gedwongen willen uithuwelijken. De minister wijst er in dit kader op dat eiseres ook andere mannelijke familieleden heeft zoals broers en dat zij is geholpen door een oom in Amerika en dat uit haar verklaringen volgt dat zij het slechts over één oom heeft die haar zou willen uithuwelijken. De vrees voor besnijdenis van haar kinderen leidt volgens de minister ook niet tot een reëel risico op ernstige schade, omdat eiseres geen kinderen heeft en niet is gebleken van een concrete kinderwens. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de minister de door eiseres gestelde identiteit, herkomst en problemen met Al-Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. Dit minister heeft daarom in de door eiseres overgelegde landeninformatie geen aanleiding hoeven zien voor een ander standpunt.
Beroep wegens het niet tijdig beslissen
19. Het onderhavige beroep was aanvankelijk een (opvolgend) beroep wegens het niet tijdig beslissen. Nu de minister echter een besluit heeft genomen heeft eiseres bij de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen geen belang meer. In zoverre is het beroep daarom niet-ontvankelijk.
Kennelijk ongegrond
20. Eiseres heeft geen gronden gericht tegen de kennelijk ongegrondverklaring van haar aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000.
Conclusie en gevolgen
21. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Voor zover het zich richt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is het niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de afwijzing van eiseres aanvraag in stand blijft.
21.1.
Omdat eiseres vanwege het niet tijdig beslissen op haar aanvraag terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres ter hoogte van € 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000
Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiseres voldoet daarmee volgens de minister niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, e, van de Vw 2000.
Artikel 30b, eerste lid, onder c en e, van de Vw 2000.
Nader gehoor pagina’s 6, 8 en 20.
ECLI:EU:C:2024:487.
Nader gehoor, pagina’s 6, 8 en 20.
Nader gehoor, pagina 8.
ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2025:4505.
Clear Global, April 2023, ‘How can we speak the truth if
they can’t understand us? Failure to address language barriers compounds challenges
accessing assistance for internally displaced people in Somalia,
especially for vulnerable groups and marginalized Maay and Benadiri
ethnic groups’.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566.
Voetnoot 11.
Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000.
Paragraaf 7/30.3.2. van de Vc 2000.
Zie artikel 6:20, derde lid van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|