Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3768 
 
Datum uitspraak:13-05-2026
Datum gepubliceerd:20-05-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/251
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Boete opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet. Oppervlakte landbouwgrond is juist vastgesteld. Geen aanleiding om de boete (verder) te matigen. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
derogatie
dierlijke meststoffen
gebruiksnormen
huurovereenkomst
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
landbouwbedrijf
landbouwer
landbouwgrond
melkveehouderij
meststoffen
meststoffenwet
natuurterrein
perceel
subsidies
tuinbouw
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/251
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),

en


de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur


(gemachtigden: mr. B. de Haan en mr. M. Leegsma).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die de minister aan eiseres heeft opgelegd voor overtreding van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2020. Eiseres is het niet eens met de opgelegde boete en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister deze boete terecht aan eiseres heeft opgelegd. De rechtbank beoordeelt ook of de boete (verder) moet worden gematigd.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de bestuurlijke boete aan eiseres heeft opgelegd en dat er geen aanleiding is om deze boete (verder) te matigen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 17 juni 2024 heeft de minister de derogatievergunning voor 2020 ingetrokken en eiseres voor 2025 uitgesloten van deelname aan derogatie. Verder heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 46.402 voor overtreding van de Msw in 2020. Ook heeft de minister eiseres een waarschuwing gegeven, omdat zij zich niet heeft gehouden aan een administratieve verplichting.


2.1.
Met het bestreden besluit van 11 december 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en de hoogte van de boete vastgesteld op € 37.778.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


De totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres exploiteert een melkveehouderij. Een toezichthouder van de NVWA heeft gecontroleerd of eiseres zich in 2020 heeft gehouden aan de meststoffenregelgeving. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 21 april 2022.


3.1.
Bij brief van 20 februari 2024 heeft de minister, naar aanleiding van de bevindingen in het rapport van 21 april 2022, eiseres het voornemen meegedeeld om de derogatievergunning voor 2020 in te trekken en om eiseres voor 2025 uit te sluiten van deelname aan derogatie, om een bestuurlijke boete op te leggen van € 48.902, en om een waarschuwing te geven. Eiseres heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.



3.2.
Met het besluit van 17 juni 2024 heeft de minister de derogatievergunning voor 2020 ingetrokken en eiseres voor 2025 uitgesloten van deelname aan derogatie. Verder heeft de minister eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 46.402 wegens het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 6.986 kilogram stikstof. In dit bedrag is op grond van het door de minister gehanteerde boetebeleid een matiging van 10% verwerkt wegens het overschrijden van de redelijke beslistermijn. Ook heeft de minister eiseres een waarschuwing gegeven, omdat zij niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt.



3.3.
Met het bestreden besluit van 11 december 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 17 juni 2024 herroepen voor wat betreft de hoogte van de opgelegde boete. De minister stelt de hoogte van de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen vast op € 37.778. Deze gebruiksnorm is met 5.754 kilogram stikstof overschreden. Ook in dit bedrag is een matiging van 10% verwerkt wegens het overschrijden van de redelijke beslistermijn.


De omvang van het geding

4. De rechtbank stelt met partijen vast dat zij niet bevoegd is om een oordeel te geven over het bestreden besluit, voor zover de minister daarin de derogatievergunning voor 2020 heeft ingetrokken en eiseres heeft uitgesloten van deelname aan derogatie in 2025.De rechtbank stelt verder vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de gegeven waarschuwing. De rechtbank beoordeelt deze waarschuwing daarom niet. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak alleen de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete.

Het beoordelingskader en de bewijslastverdeling

5. De voor de beoordeling van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.



5.1.
In de Msw staat dat het verboden is om in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. Dit verbod geldt niet als de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen én de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen niet overschrijdt. De hoogte van de gebruiksnormen hangt af van het aantal hectaren tot het bedrijf behorende landbouwgrond.

6. Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) ligt de materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen volgens het systeem van de Msw primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen. Uit de artikelen 7 en 8 van de Msw en de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen)’ blijkt dat het gebruiksnormensysteem uitgaat van een algeheel verbod van het op of in de bodem brengen van meststoffen (mestgebruik). Een landbouwer kan alleen aan dit verbod ontkomen door bij zijn mestgebruik geen van de in artikel 8 van de Msw bedoelde gebruiksnormen te overschrijden. Om een geslaagd beroep op de opheffing van het verbod te kunnen doen, moet hij feiten stellen en bewijs aandragen die aannemelijk maken dat hij de gebruiksnormen niet heeft overschreden. Deze bewijslast geldt niet slechts voor de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid meststoffen, maar ook voor het aantal hectaren tot het bedrijf behorende landbouwgrond. De wet regelt niet alleen aan de hand van welke elementen wordt bepaald hoeveel stikstof of fosfaat op of in de bodem is gebracht, maar verplicht de landbouwer ook een administratie te voeren en over te leggen van de meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf. Het voorgaande neemt niet weg dat de landbouwer met ander bewijs aannemelijk kan maken dat hij de gebruiksnormen niet heeft overschreden. Dat bewijs moet wel voldoende zijn onderbouwd en betrouwbaar zijn. Dat de landbouwer zelf aannemelijk moet maken dat hij de gebruiksnormen niet overschrijdt, neemt niet weg dat de minister, als hij een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden moet aantonen dat de landbouwer de gebruiksnormen heeft overschreden.



6.1.
Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel uitgaan van de juistheid van een ondertekend rapport van een toezichthouder en de daarin vermelde bevindingen. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van de betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Het ligt dan op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn.


Heeft de minister de oppervlakte van de landbouwgrond juist vastgesteld?

7. Eiseres betoogt, samengevat, dat de minister bij de vaststelling van de oppervlakte van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond – en daarmee bij de berekening van de gebruiksruimte – ten onrechte de oppervlakte van de percelen 27 en 71 buiten beschouwing heeft gelaten.

8. Uit de begripsomschrijvingen in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel h, q en r, van de Msw volgt dat landbouwgrond grond is waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend. Grasland is landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer. Bouwland is landbouwgrond, niet zijnde grasland.



8.1.
Uit de begripsomschrijving in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) volgt dat grasland of bouwland dat de hoofdfunctie natuur heeft, natuurterrein is. In artikel 3, tweede lid, van de Msw is bepaald dat hoofdstuk III, waarin de gebruiksnormen zijn neergelegd, niet van toepassing is op natuurterreinen die de hoofdfunctie natuur hebben.



8.2.
In de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Bgm staat over het onderscheid tussen landbouwgrond en natuurterrein het volgende vermeld. ‘Gegeven de ruime definitie van landbouwgrond in de Meststoffenwet, namelijk grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend kan, ingeval natuurterrein voor enige vorm van landbouw in gebruik is, de vraag rijzen of sprake is van landbouwgrond, dan wel van natuurterrein. Ingeval sprake is van een beheersregime dat een aanmerkelijke inperking van de landbouwactiviteit en het daarmee samenhangende gebruik van meststoffen met zich brengt, zal dat in het algemeen leiden tot de conclusie dat geen sprake is van landbouwgrond, maar van natuurterrein. De met het oog op bescherming van natuurwaarden gestelde voorwaarden aan beheersregimes betreffen enkel soorten beheer waarbij geen normaal landbouwkundig gebruik aan de orde is en waarbij dus geen sprake kan zijn van landbouwgrond.’ Dit betekent volgens vaste rechtspraak dat aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld of sprake is van een zodanige inperking van de landbouwactiviteit dat geen sprake is van landbouwgrond, maar van natuurterrein.



8.3.
Uit de begripsomschrijving in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van de Msw volgt dat sprake is van tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wanneer deze in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is. Dit betekent volgens de memorie van toelichting en vaste rechtspraak dat degene die het landbouwbedrijf voert de feitelijke beschikkingsmacht moet kunnen uitoefenen over de grond. Een dergelijke beschikkingsmacht veronderstelt de aanwezigheid van een geldige juridische titel. Verder is voor het hebben van de feitelijke beschikkingsmacht vereist dat de landbouwer in de praktijk in staat is het teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren.


Is perceel 27 tot het bedrijf behorende landbouwgrond?

9. Eiseres betoogt dat de minister dit perceel ten onrechte niet heeft aangemerkt als landbouwgrond, maar als natuurterrein met de hoofdfunctie natuur. Eiseres gebruikte dit perceel in 2020 voor landbouwkundige doeleinden op basis van een gebruikstitel waarin geen beperkingen staan. Het perceel is in eigendom van Rijkswaterstaat en ZLTO pacht dit perceel al sinds 1968 op basis van een schriftelijke pachtovereenkomst waarin geen beperkingen zijn opgenomen. Eiseres pacht het perceel op basis van een mondelinge overeenkomst, eveneens zonder beperkingen, van ZLTO. Volgens eiseres betekent de enkele omstandigheid dat het perceel is aangewezen op de natuurbeheerkaart, niet dat geen sprake kan zijn van landbouwgrond. Ter onderbouwing wijst eiseres op de uitspraak van het CBb van 19 augustus 2025. Eiseres betoogt verder dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij niet de feitelijke beschikkingsmacht had over dit perceel.



9.1.
De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van landbouwgrond, maar van natuurterrein. Alleen als deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, komt de rechtbank toe aan beantwoording van de vraag of eiseres feitelijke beschikkingsmacht had over dit perceel.



9.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat – vanwege het geldende beheertype en de daarvoor geldende voorwaarden, in combinatie met de feitelijke omstandigheden op het perceel – de landbouwactiviteiten van eiseres zodanig beperkt zijn dat perceel 27 moet worden beschouwd als natuurterrein met de hoofdfunctie natuur. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe. Vaststaat dat op het perceel beheertype N11.01 ‘Droog schraalgrasland’ rust. Het doel van dit beheer is dat het grasland voor minimaal 60% bestaat uit lage grassen en kruiden met een hoog aandeel kortlevende soorten van open en droge grond. Droge schraallanden worden één keer per jaar gemaaid en (matig) extensief begraasd, waarbij geen tot weinig bemesting met stalmest plaatsvindt. Verder heeft de toezichthouder in het rapport van bevindingen van 21 april 2022 geconstateerd dat het perceel in de uiterwaarden direct aan de rivier de Waal ligt en dat op het perceel sprake is van ruigte, struiken en hoogteverschillen. Eiseres heeft deze feitelijke omstandigheden niet betwist. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat geen sprake is van beperkingen van haar landbouwactiviteiten, omdat in de mondelinge pachtovereenkomst met ZLTO geen beperkingen zijn afgesproken. Nog afgezien van de omstandigheid dat een dergelijke afspraak niets verandert aan de feitelijke situatie op het perceel, hebben eiseres en ZLTO niet schriftelijk – en dus niet controleerbaar – vastgelegd dat mag worden afgeweken van de beperkingen van de landbouwactiviteiten zoals die voortvloeien uit het geldende beheertype. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van het CBb van 19 augustus 2025 is in dit verband onvoldoende. In die procedure was namelijk, anders dan in dit geval, wel sprake van een schriftelijke pacht- en huurovereenkomst tussen de maatschap en de pachter waarin geen beperkingen ten aanzien van het landbouwkundig gebruik waren opgenomen.



9.3.
Uit het voorgaande volgt dat de vraag of de minister terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van landbouwgrond bevestigend moet worden beantwoord. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of eiseres feitelijke beschikkingsmacht had over dit perceel. Het betoog van eiseres slaagt niet.


Is perceel 71 tot het bedrijf behorende landbouwgrond?

10. Eiseres betoogt dat zij in 2020 de feitelijke beschikkingsmacht over dit perceel had. Zij had vrij toegang tot dit perceel. De in artikel 3.4 van het pachtcontract opgenomen voorwaarden zijn enkel opgenomen om de subsidie voor het agrarisch natuurbeheer te continueren. Het is nooit de bedoeling van de verpachter geweest dat hiermee een beperking op het perceel zou komen te liggen. Ter onderbouwing heeft eiseres een verklaring van de verpachter van dit perceel overgelegd.



10.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet voldoet aan de, onder 8.3 genoemde, vereisten voor het hebben van feitelijke beschikkingsmacht. Weliswaar is sprake van een geldige juridische titel, maar niet is gebleken dat eiseres in de praktijk in staat was het teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren. In de pachtovereenkomst zijn namelijk voorwaarden opgenomen die het landbouwkundig gebruik van het perceel in hoge mate begrenzen. Het perceel mag bijvoorbeeld niet worden bemest, onbeperkt weiden is alleen maar toegestaan in de wintermaanden (van 1 oktober tot 1 maart) en het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid. Vanwege deze beperkingen kan eiseres het perceel niet naar eigen inzicht gebruiken. De omstandigheid dat deze voorwaarden, zoals eiseres stelt, alleen zijn opgenomen om de subsidie voor het agrarisch natuurbeheer te continueren, maakt dit niet anders. Eiseres kan zich namelijk niet onttrekken aan deze voorwaarden en heeft, anders dan een landbouwer die een perceel in juridisch eigendom heeft, niet de vrije keuze om het agrarisch gebruik al dan niet te beperken vanwege subsidieverlening voor agrarisch natuurbeheer. Ook de omstandigheid dat het nooit de bedoeling is geweest van de verpachter om beperkingen op te nemen in het pachtcontract, maakt dit niet anders. Het gaat immers om de inhoud van het pachtcontract en om de feitelijke omstandigheden. Het betoog van eiseres slaagt niet.


Conclusie

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de percelen 27 en 71 terecht buiten beschouwing heeft gelaten en de oppervlakte van de landbouwgrond juist heeft vastgesteld.


Had de minister in de berekening van de gebruiksnormen rekening moeten houden met beweiding van perceel 27?

12. Eiseres betoogt in beroep dat perceel 27 werd beweid en dat de minister hier in de berekening van de gebruiksnormen ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden.



12.1.
De minister heeft toegelicht dat de percelen 26 en 27 feitelijk werden gebruikt als één perceel. Er is immers geen afrastering tussen de percelen, waardoor de dieren die werden uitgeschaard naar perceel 26, ook op perceel 27 konden komen. De minister heeft in het bestreden besluit rekening gehouden met de beweiding op perceel 26 en daarmee feitelijk ook met de beweiding op perceel 27. Dit betreft immers dezelfde dieren.



12.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. Niet is gesteld of gebleken dat er op perceel 27 meer dieren zijn uitgeschaard dan de dieren waar de minister, zoals volgt uit de hiervoor weergegeven toelichting, al rekening mee heeft gehouden.


Is er aanleiding om de boete te matigen wegens bijzondere omstandigheden?

13. Eiseres betoogt dat de boete moet worden gematigd omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Er was slechts sprake van een geringe overschrijding van de verhoogde gebruiksnorm van 250 kilogram stikstof per hectare landbouwgrond, namelijk van 1.010 kilogram. Door de intrekking van de derogatievergunning – en daardoor de toepassing van de reguliere gebruiksnorm van 170 kilogram stikstof per hectare – wordt de overschrijding en daarmee ook de boete veel hoger.



13.1.
De aan de eiseres opgelegde boete is aan te merken als een punitieve (bestraffende) sanctie, die valt onder het bereik van artikel 6 van het EVRM. Dat brengt mee dat de rechtbank moet toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.



13.2.
De hoogte van de bestuurlijke boete voor het overschrijden van de gebruiksnormen is vastgelegd in artikel 57 van de Msw. Volgens vaste rechtspraak van het CBb vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het kader waarin de op artikel van het 6 EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet al bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden.



13.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet in de door eiseres genoemde omstandigheden geen aanleiding om de opgelegde boete te matigen. Door de wetgever is namelijk juist beoogd dat wordt uitgegaan van de reguliere gebruiksnorm bij het niet voldoen aan de derogatievoorschriften, en deze omstandigheid geldt voor alle landbouwers van wie de derogatievergunning wordt ingetrokken. Bovendien is, anders dan eiseres stelt, ook geen sprake van een geringe overschrijding van de verhoogde gebruiksnorm. Het betreft namelijk een overschrijding van ruim 17 kilogram stikstof per hectare. Uit het matigingsbeleid van de minister volgt dat als er sprake is van een geringe overschrijding (maximaal 10 kilogram stikstof per hectare) de boete gedeeltelijk wordt gematigd.




Is er aanleiding om de boete verder te matigen wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn?

14. Eiseres betoogt dat de boete verder moet worden gematigd. De minister heeft de boete op grond van zijn beleid gematigd met een gemaximaliseerd bedrag van € 2.500, omdat tussen de dagtekening van het boeterapport en de oplegging van de boete meer dan 26 weken zijn verstreken. In het geval van eiseres is tussen de dagtekening van het boeterapport en de oplegging van de boete ruim twee jaar verstreken. De matiging van € 2.500 doet geen recht aan de lange periode waarin eiseres al in onzekerheid zit.



14.1.
In artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, als van de overtreding een rapport is opgemaakt, het bestuursorgaan binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport beslist omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete. Deze termijn van dertien weken is een termijn van orde. Dat betekent dat een bestuursorgaan nog steeds een boete kan opleggen als deze termijn verstreken is, en geen schadevergoeding is verschuldigd. De minister voert echter desondanks het beleid dat de boete wordt gematigd als deze termijn met meer dan 26 weken is overschreden. In het geval van eiseres heeft de minister de boete ook gematigd met 10%, waarbij een maximum is gehanteerd van € 2.500. De rechtbank ziet daarom geen reden om de boete vanwege overschrijding van de termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb verder te matigen.


Is er aanleiding om de boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM?

15. Eiseres betoogt dat de boete moet worden gematigd, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden.



15.1.
Bij zaken waar het gaat om bestraffende sancties geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel is overschreden als die procedure langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat zowel de bestuurlijke fase als de beroepsfase in beginsel een jaar mag duren. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.



15.2.
In dit geval is de redelijke termijn begonnen op 20 februari 2024, de datum van het voornemen om eiseres de bestuurlijke boete op te leggen. Dit betekent dat, op het moment van het doen van deze uitspraak, de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met ongeveer drie maanden.



15.3.
De minister heeft, zoals al eerder vermeld, de boete op grond van het door hem gehanteerde boetebeleid al gematigd met 10% wegens het overschrijden van de redelijke beslistermijn. Volgens vaste rechtspraak wordt in dat geval geen verdergaande matiging toegepast voor de overschrijding van de redelijke termijn tot zes maanden. De rechtbank ziet daarom in het geval van eiseres geen aanleiding om verdergaande matiging toe te passen voor de overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer drie maanden.

De herhaling van de gronden in bezwaar

16. Eiseres heeft voor het overige verzocht om wat in bezwaar is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiseres deze gronden, anders dan hiervoor besproken, in beroep niet verder heeft toegelicht, leidt de enkele verwijzing niet tot het daarmee door haar beoogde resultaat.




Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage


Algemene wet bestuursrecht


Artikel 5:4
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.

Artikel 5:46
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het
bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk
maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Artikel 5:51
1. Indien van de overtreding een rapport is opgemaakt, beslist het bestuursorgaan omtrent
het opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het
rapport.


Meststoffenwet


Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
h. landbouwgrond: grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt uitgeoefend;
m. tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond: in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is.
q. grasland: landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer;
r. bouwland: landbouwgrond, niet zijnde grasland.

Artikel 3
2. Hoofdstuk III van deze wet is niet van toepassing op natuurterreinen die de hoofdfunctie natuur hebben.

Artikel 7
Het is verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen.

Artikel 8
Het in artikel 7 gestelde verbod geldt niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt:
a. de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen;
b. de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen;
c. de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen.

Artikel 9:
1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, is 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
2. Bij ministeriële regeling kan een hogere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen worden vastgesteld, die van toepassing is in de gevallen en onder de voorwaarden en beperkingen, bepaald bij de regeling.

Artikel 51
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7, 9, tweede en derde lid, 11, vijfde lid, 13, vierde lid, 14, eerste lid, 15, 21, eerste lid, 33a, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, 33b, vijfde lid, 33d, eerste lid, 34, 35, 36, 37, 38, derde lid, of 40.

Artikel 57
1. Ingeval van overtreding van artikel 7 bedraagt de bestuurlijke boete:
a. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel a, bedoelde gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is overschreden.


Besluit gebruik meststoffen (zoals deze gold ten tijde van belang)


Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
c. grasland: grond die voor ten minste 50 procent is beteeld met gras dat blijkens het gebruik van de grond is bestemd om te worden gebruikt als veevoer door beweiding van de grond met dieren of door de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren;
d. bouwland: grond waarop ten minste een deel van het jaar een gewas wordt geteeld, niet zijnde grasland;
e. natuurterrein: grond met een houtopstand die de hoofdfunctie natuur heeft, heideveld, ven, hoogveenterrein, zandverstuiving, duinterrein, kwelder, schor, gors, slik, riet- en ruigtland, griend en laagveenmoeras, alsmede grasland of bouwland dat de hoofdfunctie natuur heeft.



Voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.


Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.


Boetebeleid Meststoffenwet RVO. Op grond van dit beleid wordt een boete bij overschrijding van de redelijke beslistermijn met meer dan 26 weken met 10% gematigd, met een maximum van € 2.500 per onderdeel.


Dit volgt uit artikel 4 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht).


Artikel 7 van de Msw.


Artikel 8 van de Msw.


Artikel 9, 10 en 11 van de Msw.


Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 930, nr. 3, p. 67-72 en 112-113.


Zie onder meer CBb 26 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:343) en CBb 16 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:471).


Zie onder meer CBb 27 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:754) en CBb 26 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:190).


Zoals deze regeling gold ten tijde van belang.


Staatsblad 2005, 548, p. 28.


Zie onder meer CBb 6 juli 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:259) en CBb 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:427).


Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 930, nr. 3, p. 108.


Zie onder meer CBb 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:427) en CBb 16 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:462).


Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie.


ECLI:NL:CBB:2025:427.


[website].


Zie onder meer CBb 28 februari 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BV8605), CBb 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:2) en CBb 22 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:263).


Zie onder meer CBb 23 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:500) en CBb 18 november 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:613).
Link naar deze uitspraak