Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3756 
 
Datum uitspraak:13-05-2026
Datum gepubliceerd:20-05-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25_6007
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Tweede besluit tot opleggen last onder dwangsom. Invorderingsbesluit. Beroep ongegrond. 8:57 Awb. Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
bestemmingsplan
buitengebied
gewassen
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/6007
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland, het college
(gemachtigde: mr. I. Nikkels).


Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de aan hem tweede opgelegde last onder dwangsom en het daaropvolgende invorderingsbesluit in verband met de door hem zonder omgevingsvergunning geplaatste bouwwerken en aangebrachte verharding op het perceel aan de [locatie] in [plaats]. Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college wederom heeft kunnen besluiten om eiser een last onder dwangsom op te leggen en terecht heeft besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

1. Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan eiser (het primaire besluit). Met het besluit van 9 juli 2025 heeft het college de volgens hem verbeurde dwangsom ingevorderd (het invorderingsbesluit). Met de beslissing op bezwaar van 26 november 2025 heeft het college het primaire besluit en het invorderingsbesluit in stand gelaten (de beslissing op bezwaar).


1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.



1.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?


2. Eiser is eigenaar van een perceel nabij de woning en het perceel aan de [locatie] in [plaats] (het perceel). Het perceel van eiser is gelegen binnen de grenzen van het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Berkelland’ (het omgevingsplan). Het perceel valt daarmee binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan, onderdeel bestemmingsplan ‘Buitengebied Berkelland 2020’ (tijdelijk deel van het omgevingsplan – Buitengebied Berkelland 2020). In dit tijdelijke deel van het omgevingsplan heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch’.


Eerste handhavingstraject




2.1.
Bij besluit van 18 januari 2019 heeft het college het verzoek van eiser om een wijzigingsplan vast te stellen, afgewezen. Eiser wil de bestemming van het perceel wijzigen, zodat hij een (zelfstandig) agrarisch bedrijf kan uitvoeren op het perceel. Bij besluit van 30 juli 2019 heeft het college het door eiser hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit laatste besluit is vervolgens in stand gelaten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 22 juli 2020.



2.2.
Op 23 augustus 2024 heeft het college eiser gelast om de bouwwerken (gebouw unit, presentatietafels, IBC container en de hekken) te verwijderen voor 15 oktober 2024, onder dreiging van een dwangsom van €20.000,- ineens. Verder heeft het college eiser gelast om de aangebrachte puinverharding te verwijderen voor 15 oktober 2024, onder dreiging van een dwangsom van €10.000,- ineens. Op 4 december 2024 heeft het college besloten om de verbeurde dwangsommen van in totaal €30.000,- in te vorderen bij eiser.



2.3.
In de uitspraak van 18 maart 2026 heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen voornoemde besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in deze uitspraak onder meer geoordeeld dat eiser geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt.


Tweede handhavingstraject




2.4.
Op 10 februari 2025 heeft het college eiser in kennis gesteld dat het college voornemens is om eiser een tweede last onder dwangsom op te leggen omdat eiser, zonder vereiste omgevingsvergunning en in strijd met het omgevingsplan bouwwerken heeft opgericht en puinverharding heeft aangebracht op het perceel. Eiser heeft tegen dit voornemen zienswijzen ingediend.



2.5.
Op 2 april 2025 heeft het college eiser wederom gelast om de bouwwerken (gebouw unit, presentatietafels, IBC container en de hekken) te verwijderen voor 15 mei 2025, onder dreiging van een dwangsom van €30.000,- ineens. Verder heeft het college eiser gelast om de aangebrachte puinverharding te verwijderen voor 15 mei 2025, onder dreiging van een dwangsom van €15.000,- ineens.



2.6.
Op 26 mei 2025 heeft een toezichthouder van het college nogmaals een controle uitgevoerd op het perceel. Tijdens deze controle heeft de toezichthouder vastgesteld dat de bouwwerken en puinverharding niet waren verwijderd. Daaropvolgend heeft het college op 12 juni 2025 eiser in kennis gesteld dat de dwangsommen uit het primaire besluit van rechtswege zijn verbeurd en op 9 juli 2025 heeft het college besloten om de verbeurde dwangsommen van in totaal €45.000,- in te vorderen bij eiser.



2.7.
Op 26 november 2025 heeft het college een beslissing genomen op het bezwaar van eiser. Het college heeft besloten om het primaire besluit en het invorderingsbesluit in stand te laten.




Beroepsgronden

3. Eiser betoogt dat in de beslissing op bezwaar ten onrechte geen acht is geslagen op de stukken uit het voortraject en de besluiten inzake de eerder gedane aanvragen voor het toestaan van de activiteiten. Eiser stelt dat hij overeenkomstig een eerder gegeven advies handelt. In dit advies is opgenomen dat hij een aanvang diende te maken met begin van het bedrijf, zodat kon worden vastgesteld of er duurzaamheid, levensvatbaarheid en dergelijke aan de orde zou kunnen zijn. Dit handelen heeft eiser ook als zodanig gemeld bij het college.


3.1.
Voor de bespreking van deze beroepsgrond hanteert de rechtbank het stappenplan zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019. Dat bestaat uit drie stappen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die betreft de belangenafweging. In het kader daarvan moet de vraag worden beantwoord of geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan.



3.2.
De rechtbank overweegt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

De rechtbank stelt vast dat de stichting advisering agrarische bouwplannen op 4 oktober 2018 een advies heeft uitgebracht over het verzoek van eiser om een wijzigingsplan te laten vaststellen (het SAAB-advies van 2018). In het SAAB-advies is onder meer het volgende opgenomen:

Ad 12. nog geen gewassen


(…)


De S/A/A/B/ is van mening dat gewassen als genoemd wel degelijk geplant kunnen worden voordat een agrarisch bouwperceel is toegewezen. Voor de goede orde; er zijn bedrijven met wel 10 hectare bessen op afstand zonder directe toezicht en bouwperceel. Wellicht dient er een container geplaatst te worden om te voorzien in een pompsysteem voor de bevloeiing, maar om te stellen dat het zonder bouwperceel direct faalt gaat de S/A/A/B te ver. Waar een wil Is, is een weg.


(…)


Ad 14. volwaardigheid en betrekken [locatie]


Gesteld is dat er in de huidige situatie geen sprake is van een (eigen) agrarische


bedrijfsvoering, laat staan een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf. Dit hoeft


niet logisch te zijn, daar naar mening van de S/A/A/B al wel een aanvang met de teelt


had kunnen worden genomen. Het is niet zo dat direct beschikt hoeft te worden over


bedrijfsgebouwen. Wanneer de gronden kunnen worden betrokken van het agrarisch


bedrijf op [locatie], kan naar mening van de S/A/A/B toch ook wel gebruik


worden gemaakt van deze locatie bij de opstart van de teelt.’




3.3.
In het besluit van 18 januari 2019 waarin het verzoek om een wijzigingsplan vast te stellen is afgewezen door het college, is onder meer het volgende opgenomen:

‘Wij onderschrijven het advies van de SAAB dat er op dit moment al begonnen zou kunnen worden met de kweek. Met de dan verkregen informatie en ervaring over de kosten en opbrengsten ontstaat een beter beeld of inderdaad sprake is en kan zijn van een volwaardig en duurzaam bedrijf. Het toekennen van een nieuw bouwperceel met de mogelijkheid om daar bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning te bouwen vereist een zorgvuldige benadering. Bebouwing richt je immers niet voor enkele jaren op. Mocht de teelt niet datgene opbrengen wat de verwachting is, dan Is dat eenvoudig te stoppen. In dat geval blijft de bebouwing staan. Op voorhand is het niet met zekerheid te zeggen of het bedrijf zich zodanig ontwikkelt dat sprake is van een duurzaam bedrijf. Omdat de gronden in eigendom zijn van Te Poele staat er niets in de weg om al een begin met de teelt te maken. Met de ervaring die dan opgedaan wordt kan de volwaardigheid en duurzaamheid nader onderbouwd worden.’




3.4.
Zoals deze rechtbank reeds in haar uitspraak van 18 maart 2026 heeft geoordeeld kan eiser geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel, omdat geen sprake is van een toezegging. Eiser mocht aan de eerder gedane uitlating/advies van het college dat hij kan beginnen met teelt uit de weigeringsbesluiten van 2019 en 2022 redelijkerwijs niet afleiden dat hij bouwwerken mocht plaatsen op het perceel en een verhard pad mocht aanleggen. De rechtbank leidt daarentegen uit beide besluiten af dat het college uitdrukkelijk geen toestemming heeft gegeven voor bebouwing of verharding. Beide besluiten houden immers een weigering in van het verzoek om een bouwvlak toe te voegen aan het perceel. Door het plaatsen van bouwwerken en aanbrengen van verharding heeft eiser dan ook niet overeenkomstig de gegeven adviezen en weigeringsbesluiten gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op












griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1734..


Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 18 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2100.


Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 18 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2100, r.o. 4.7.


Dit is in strijd met de artikelen 3.2, aanhef en onder 1 en 3.7.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan. Gelet hierop is vervolgens op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet een omgevingsvergunning nodig.


Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2822, r.o. 10.2.
Link naar deze uitspraak