|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:12530 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.36401 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Geloofwaardigheid, Colombia, ELN, 15c, beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | san | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36401
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard over haar gestelde problemen gerelateerd aan haar stiefvader. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 juli 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is van Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 2002. Eiseres woonde met haar zus in Tumaco, Colombia, toen hun stiefvader moest vluchten in verband met een dreiging vanuit de paramilitaire/guerrillagroep ‘ELN’. De stiefvader van eiseres heeft asiel gekregen in Nederland. Eiseres en haar zus zijn daarom naar eigen zeggen telkens verhuisd, waaronder naar Bogota en Cali, om aan dezelfde dreiging te ontsnappen. Op enig moment in 2023 zijn eiseres en haar zus teruggegaan naar Tumaco maar daar zijn zij thuis bedreigd door mannen van de ELN, waarna zij hebben besloten te vluchten naar Nederland. Eiseres vreest bij terugkeer door de ELN te worden vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen gerelateerd aan de stiefvader van eiseres.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. De minister stelt zich op het standpunt dat de gestelde problemen van eiseres niet met objectieve documenten zijn onderbouwd, waardoor de minister dit asielmotief verder op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. De minister vindt dat dit asielmotief ongeloofwaardig is omdat de verklaringen van eiseres daarover geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Omdat de afkomst van eiseres uit Colombia volgens de minister niet voldoende is voor een verblijfsvergunning concludeert hij dat de aanvraag moet worden afgewezen.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres?
5. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Eiseres wijst erop dat zij verstandelijk jong is, beperkte scholing heeft gehad en moeite heeft om dingen te begrijpen. De minister is hier volgens eiseres onvoldoende op ingegaan. Eiseres wijst verder op punt 29 van de preambule van de Procedurerichtlijn en op Werkinstructie (WI) 2021/9 waaruit volgt dat asielzoekers onder omstandigheden behoefte kunnen hebben aan procedurele waarborgen tijdens het gehoor en dat deze signalen ook van de advocaat van een vreemdeling kunnen komen. De minister had zich daarvan rekenschap moeten geven. Eiseres heeft gepoogd een IQ-onderzoek te laten afnemen, maar zij zou de kosten voor dat onderzoek zelf moeten dragen, hetgeen niet mogelijk is gebleken.
5.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet wordt gevold dat eiseres verstandelijk gezien wat jong is en dat zij een IQ-onderzoek zou moeten ondergaan. Dit volgt niet uit het medisch advies, waaruit blijkt dat er geen beperkingen zijn voor het horen. Uit het gehoor volgt verder dat eiseres de tolk goed heeft verstaan en dat aan eiseres telkens meerdere vragen over ieder onderwerp zijn gesteld en waar nodig zijn ook korte en gesloten vragen gesteld. Eiseres heeft haar gestelde medische beperkingen niet met medische stukken onderbouwd. Hoewel eiseres wel betoogt dat zij verstandelijk jong of beperkt is, heeft de minister in de verklaringen tijdens de gehoren op zichzelf, zonder nader medisch bewijs, geen aanleiding hoeven zien om nader advies te vragen bij Bureau Medische Advisering. Niet is daarom gebleken dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres.
Heeft eiseres haar relaas onderbouwd met objectieve documenten?
6. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij haar asielrelaas niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Zij wijst op de door haar overgelegde kopie-aangifte van 9 april 2023. Het feit dat het hier om een kopie gaat maakt het document volgens eiseres niet minder objectief. De minister heeft volgens eiseres onvoldoende rekening gehouden met het betoog dat de Colombiaanse politie geen originelen verstrekt en dat uit WI 2024/6 bovendien volgt dat ook een kopie bij de beoordeling moet worden betrokken.
6.1.
Eiseres betoogt verder dat in de zienswijze meerdere arresten van het EHRM zijn aangehaald waaruit volgens haar blijkt dat de eis van de minister dat een asielmotief volledig wordt onderbouwd met objectief bewijsmateriaal in strijd is met rechtspraak van het Hof van Justitie en het EHRM.
7. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de kopie van de aangifte geen objectief document is, omdat de echtheid daarvan niet kan worden geverifieerd. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat de minister de kopie-aangifte niet bij de beoordeling heeft betrokken. Op het standpunt van de minister over de waarde die aan deze kopie-aangifte wordt gehecht gaat de rechtbank later in deze uitspraak in. De rechtbank ziet verder geen reden voor het oordeel dat het criterium dat een asielmotief volledig moet worden onderbouwd met objectieve documenten in strijd is met het Unierecht of rechtspraak van het Hof van Justitie of het EHRM. De rechtbank wijst kortheidshalve op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2025.
Vormen de verklaringen van eiseres een samenhangend en aannemelijk geheel?
8. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de problemen met de ELN in relatie tot haat stiefvader. De rechtbank bespreekt dit standpunt hieronder aan de hand van de gronden van eiseres.
Verblijfsplaats tussen 2019 en 2023
9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft betrokken dat zij sinds 2019 tot aan haar vlucht in 2023 iedere drie maanden is verhuisd wegens de dreiging van de ELN. Eiseres wijst in de eerste plaats op de verklaringen van haar stiefvader. Volgens eiseres blijkt uit de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor wel degelijk dat zij niet slechts zijn verhuisd naar Cali en Bogota, maar dat er sprake is van meerdere wisselingen van verblijfsplaats. Als de minister daarover twijfelde dan had hij eiseres op grond van artikel 3.113, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit daarmee moeten confronteren. Dit is volgens eiseres niet gebeurd.
9.1.
Het betoog slaagt niet. De minister werpt eiseres niet ten onrechte tegen dat zij onsamenhangend en onaannemelijk heeft verklaard over waar zij heeft gewoond in Colombia de laatste jaren voor haar vertrek. Bij de vreemdelingenpolitie heeft eiseres daarover verklaard dat zij altijd in San Andres De Tumaco heeft verbleven, terwijl zij in het aanmeldgehoor aangeeft dat zij ook in Bogota en Cali heeft verbleven. Nog los van deze inconsistentie klopt de door eiseres beschreven tijdlijn van de gebeurtenissen niet met haar gestelde verblijfsplaatsen. Eiseres verklaart in het aanmeldgehoor dat zij na haar gestelde verblijf in Bogota gedurende één of twee jaar toen zij naar eigen zeggen 16 of 17 was nog twee maanden in Cali heeft verbleven en nog één dag in Bogota voorafgaand aan de vlucht naar Nederland. Deze tijdlijn klopt niet omdat zij in 2023 op twintigjarige leeftijd Nederland is ingereisd. De verklaringen van eisers in het nader gehoor dat zij maar een paar dagen in Cali zou hebben gezeten zijn weer niet in overeenstemming met de verklaringen van eiseres in het aanmeldgehoor dat zij ongeveer twee maanden in Cali zou hebben gezeten. De minister heeft eiseres met deze tegenstrijdigheid geconfronteerd, waarop eiseres slechts aangaf ‘soms dingetjes te vergeten’. De minister wijst er niet ten onrechte op dat deze verhuizingen volgens eiseres asielgerelateerde redenen hebben en dat de verklaringen van eiseres daarom afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van dit asielmotief. Verder kan gezien de verklaringen van eiseres niet kloppen dat zij naar eigen zeggen een schooldiploma heeft gehaald in Tumaco toen zij 19 was, omdat zij blijkens haar eigen verklaringen in 2021, toen zij daadwerkelijk 19 was, niet in Tumaco verbleef. Dat betekent volgens de minister dat eiseres vanuit Bogota naar Tumaco had moeten reizen voor school, hetgeen een afstand van meer dan een paar honderd kilometer is. Ondanks de omstandigheid dat eiseres naar eigen zeggen op haar 19e is gestopt met school, verwacht de minister niet ten onrechte van haar dat ze uitgebreider en gedetailleerder kan verklaren over de laatste paar jaar dat zij in Colombia woonde. De minister wijst er verder niet ten onrechte op dat uit de zienswijze volgt dat de verhuizingen binnen Colombia ook andere dan asielgerelateerde redenen hebben, zoals de geboorte van een kind en financiële redenen.
9.2.
Het betoog van eiseres dat haar onsamenhangende en onaannemelijke verklaringen worden veroorzaakt door haar lagere intelligentie of haar referentiekader, volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst daarvoor in de eerste plaats naar het onder 5.1. overwogene, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres De rechtbank ziet gezien het algehele verloop van het gehoor ook geen reden voor het oordeel dat de minister eiseres onvoldoende heeft geconfronteerd met tegenstrijdigheden. De minister heeft eiseres op punten met tegenstrijdigheden geconfronteerd en ook op punten doorgevraagd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het in de eerste plaats aan eiseres is om haar asielrelaas op een inzichtelijke manier aan te dragen en dat niet van de hoormedewerker kan worden verwacht dat hij eiseres ter plekke op alle tegenstrijdigheden wijst, zeker als die zich niet in hetzelfde nader gehoor hebben voorgedaan.
Het incident met de ELN
10. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij wisselend heeft verklaard over waar zij was toen de mannen van de ELN bij eiseres thuis kwamen. Eiseres wijst op haar leeftijd ten tijde van het incident en dat zij de vraag bij de vreemdelingenpolitie ten tijde van het aanmeldgehoor verkeerd heeft begrepen doordat een telefonische tolk werd gebruikt. Eiseres wijst erop dat zij geen belang heeft bij het verkeerd verklaren. Bovendien raken deze verklaringen volgens eiseres niet de kern van haar relaas omdat zij hoe dan ook niet thuis was ten tijde van het bezoek van de mannen van de ELN.
10.1.
Met betrekking tot het incident zelf betoogt eiseres dat de minister ten onrechte relevant heeft geacht dat eiseres niet duidelijk heeft verklaard over haar verblijfplaats voorafgaand aan het incident en dat de verklaringen van de stiefvader van eiseres ten onrechte terzijde zijn geschoven. Eiseres wijst er nogmaals op dat er ten aanzien van de ELN ook door de minister geen binnenlands vestigingsalternatief wordt aangenomen, waaruit blijkt dat eiseres nooit veilig zal zijn voor de ELN.
11. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres wisselend heeft verklaard over het incident in 2023. De minister mag eiseres tegenwerpen dat zij verklaart dat zij lag te slapen en dat haar eigen zoon thuis was gebleven terwijl zij later, in het nader gehoor, verklaart dat zij niet thuis (op straat) was. Anders dan eiseres lijkt te betogen raakt de verblijfsplaats van eiseres in het kader van haar eigen asielrelaas wel de kern van haar relaas, nu het bezoek van de ELN volgens eiseres reden was om te vluchten, zodat de minister daar waarde aan heeft mogen hechten. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met wat eiseres hierover in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Daarin komen meerdere punten naar voren betreffende zowel eiseres als haar zus. Onduidelijk is wat eiseres in beroep met de verwijzing naar de punten 15 en 19 van de zienswijze beoogt. Zij heeft dit betoog ook niet geconcretiseerd.
11.1.
Verder mag de minister eiseres tegenwerpen dat zij heeft verklaard minderjarig te zijn geweest gedurende het incident terwijl zij in 2023 meer dan 20 jaar oud moet zijn geweest. De minister stelt ook niet ten onrechte dat eiseres summier verklaart over de reden van de bedreiging door de ELN. Eiseres geeft aan niet te weten waarom zij werd bedreigd en kan niet verklaren waarom de ELN pas vier jaar na het vertrek van haar stiefvader weer bedreigingen heeft geuit. De minister vindt dit niet ten onrechte bevreemdend en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Daarbij komt volgens de minister ook nog dat eiseres geen verklaring heeft voor de wijze waarop de ELN haar en haar zus heeft gevonden.
11.2.
Ook verklaart eiseres vaag over de achtervolging die zou hebben plaatsgevonden na het incident van 2023. Eiseres kan niet verklaren hoe de mannen die haar en haar zus achtervolgden eruit zagen en hoe zij wist dat zij werd achtervolgd of dat de mannen die hen achtervolgden van de ELN waren. Verder werpt de minister eiseres niet ten onrechte tegen dat haar verklaring dat zij tot haar 19e in Tumaco naar school ging en deel uitmaakte van het openbare leven niet in overeenstemming is met de dreiging die zij naar eigen zeggen sinds 2019 ervoer.
11.3.
De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat haar leeftijd en het gebruik van een telefonische tolk tijdens het gehoor bij de vreemdelingenpolitie ten grondslag liggen aan haar tegenstrijdige verklaringen over haar verblijfsplaats ten tijde van het incident en over het incident zelf. Eiseres heeft dit betoog niet nader onderbouwd of geconcretiseerd.
De aangifte en de overige door eiseres overgelegde landeninformatie
12. Eiseres betoogt verder dat de minister zich in het bestreden besluit bedient van een cirkelredenering en dat hij de stukken waarnaar eiseres in de zienswijze heeft verwezen ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Eiseres wijst in de zienswijze op de overgelegde kopie-aangifte, de stukken uit het asieldossier van de stiefvader, het landgebonden beleid voor Colombia, een artikel van de NOS en informatie van de NCTV over de ELN en het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024 (ambtsbericht). De minister mag zich volgens eiseres niet op het standpunt stellen dat deze stukken niet worden gevolgd omdat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard, omdat uit die stukken nu juist blijkt dat zij wel geloofwaardig heeft verklaard. De minister heeft volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd waarom de kopie-aangifte niet in positieve zin is meegewogen. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt verder dat een dreiging van de ELN onder omstandigheden kan overslaan op familieleden. Eiseres betoogt dat de minister zich niet heeft gehouden aan wat er in WI 2024/6 is opgenomen over het betrekken van documenten bij de vraag of de verklaringen van de vreemdelingen samenhangend en aannemelijk zijn. Uit deze WI volgt volgens eiseres dat alle informatie die eiseres heeft overgelegd in onderlinge samenhang moet worden meegenomen in de beoordeling, waaronder dus ook de stukken en verklaringen van haar stiefvader in zijn asielprocedure. Eiseres wijst in de aanvullende gronden nog op landeninformatie over de veiligheidssituatie in Tumaco, een rapport van de EUAA. Het beeld dat eiseres schetst komt volgens haar overeen met deze landeninformatie.
13. Het betoog slaag niet. De minister wijst er niet ten onrechte op dat hij eiseres op meerdere punten tegenwerpt dat hij haar asielrelaas op basis van haar eigen verklaringen ongeloofwaardig vindt en dat het uitgangspunt bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van een asielrelaas de eigen verklaringen van een vreemdeling zijn. Dat de verklaringen van eiseres passen binnen de door haar aangeleverde landeninformatie of binnen de verklaringen van haar stiefvader die in Nederland asiel heeft gekregen, heeft de minister niet ten onrechte onvoldoende gevonden voor een ander standpunt over de verklaringen van eiseres. Eiseres heeft immers op meerdere punten wisselend, tegenstrijdig en vaag verklaard. De door eiseres aangehaalde landeninformatie en het artikel van de NOS kunnen aan die tegenwerpingen op zichzelf niet afdoen. De minister stelt ook niet ten onrechte dat de in de zienswijze overgelegde verklaring van de moeder van eiseres niet zwaarder weegt dan de eigen verklaringen van eiseres, waarvan de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat deze ongeloofwaardig zijn. Met betrekking tot de kopie-aangifte heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet alleen eiseres, maar ook haar zus in strijd met de tekst op deze aangifte hebben verklaard. Eiseres heeft daarover immers verklaard dat zij reeds toen haar stiefvader uit Colombia vertrok op de hoogte was van de omstandigheid dat hij in Nederland was en dat zij ook wist dat haar moeder naar Nederland vertrok. Dit wijkt af van de verklaringen van de zus van eiseres in de kopie-aangifte, waar staat dat de stiefvader van eiseres haar en haar zus uit veiligheidsoverwegingen nooit op de hoogte heeft gesteld van zijn precieze verblijfplaats. De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat het bovendien een kopie betreft die niet op echtheid kan worden onderzocht. Het betoog van eiseres dat de Colombiaanse autoriteiten alleen kopieën afgeven maakt dat niet anders.
13.1.
Gezien het voorgaande volgt de rechtbank dan ook niet het betoog dat de minister niet voldoende zou hebben gemotiveerd waarom hij de kopie-aangifte niet in het voordeel van eiseres zou hebben betrokken.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
14. Eiseres betoogt dat gezien het rapport ‘Colombia: Country Focus’ van de EUAA van december 2025 in Colombia sprake is van een hogere mate van willekeurig geweld dan uit het landgebonden beleid van de minister volgt. In samenhang met de individuele kenmerken van eiseres – zij is een vrouw met een klein kind en haar stiefvader is bedreigd en heeft asiel in Nederland – is daarom volgens eiseres sprake van een reëel risico op ernstige schade.
15. Het betoog slaagt niet. De minister heeft ter zitting gewezen op het meest recente landgebonden beleid uit paragraaf C7/10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en op de brief van de minister van 30 januari 2025. In die brief staat - kort gezegd - dat het landgebonden beleid naar aanleiding van het ambtsbericht wordt gewijzigd, in die zin dat (onder andere) het departement Nariño, waaronder Tumaco valt, wordt aangemerkt als gebied waar sprake is van een relatief lage mate van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. De minister heeft de door hem gehanteerde mate van willekeurig geweld blijkens het ambtsbericht gebaseerd op een verscheidenheid aan landeninformatie. De verwijzing van eiser naar het rapport van het EUAA is op zichzelf onvoldoende om aan het Landgebonden beleid ten aanzien van Colombia af te doen. De in het rapport beschreven situatie verschilt namelijk niet wezenlijk van de informatie uit het ambtsbericht. Verder heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ze vanwege de omstandigheid dat ze een alleenstaande afro-Colombiaanse vrouw is met een kind, een verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Kennelijk ongegrond
16. De rechtbank merkt ten overvloede op dat in het bestreden besluit door de minister is aangegeven dat de aanvraag is afgewezen als ongegrond, en niet als kennelijk ongegrond. In het besluit is desondanks, naar de rechtbank aanneemt abusievelijk, een rechtsmiddelenclausule opgenomen waarin aan eiseres een beroepstermijn van één week is gegeven. De rechtbank zal uitgaan van de ongegrondverklaring van de aanvraag door de minister en een hoger beroepstermijn van vier weken aanhouden.
Conclusie en gevolgen
17. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
WI 2021/9 onder 3.3.
WI 2024/6 onder 4.1.
ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Proces verbaal vreemdelingenpolitie en aanmeldgehoor.
Aanmeldgehoor, pagina 13.
Nader gehoor, pagina 8.
Proces verbaal vreemdelingenpolitie en Nader gehoor, pagina 4-5.
Zienswijze, punten 15 en 19.
Nader gehoor, pagina 4.
Nader gehoor, pagina’s: 5-10 en 8.
Paragraaf C7/10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
NOS, 7 mei 2024, ‘Colombiaanse ELN gaat weer mensen ontvoeren voor losgeld’.
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.
Eiseres wijst nog op het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478 (LH).
Zie WI 2024/6 onder 4.2.
EUAA,16 december 205, ‘Colombia: Country Focus’, pagina’s 59, 64, 78 en de samenvatting.
Dat volgt uit paragraaf C1/4.3.2.3 Vc 2000 en uit onderdeel 4.2. onder c van WI 2024/6.
Nader gehoor, pagina 13.
De rechtbank wijst in dit kader ook op de uitspraak van de zus van eiseres, zaaknummer NL25.36400.
Zie de brief van 30 januari 2025 (kenmerk: 5865377). Zie ook de beslisnota bij het landenbeleid voor Colombia, Kamerstukken II, 2024-2025, 19 637, nr. 3345. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|