|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:2757 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 22-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | C/08/346870 / KG ZA 26-94 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Eiser is eigenaar van een tweetal paarden. Partijen hebben afgesproken dat gedaagden de paarden verzorgt en traint, om ze zo hoog mogelijk uit te brengen in de sport en dan te verkopen, waarna de verkoopprijs 50/50 wordt verdeeld. Eiser stelt dat zij de overeenkomst heeft beëindigd. Zij vordert afgifte van de paarden en medewerking aan een veterinair onderzoek. Eiser erkent dat zij een vergoeding voor de verzorging en training moet betalen. Zij vordert dat wordt bepaald dat zij een bedrag van € 40.000,00 in depot zal storten ter zekerheid van betaling. Gedaagden voeren verweer. Zij doen een beroep op hun retentierecht en stellen dat zij € 110.000,00 aan kosten hebben gemaakt.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiser de overeenkomst niet rechtsgeldig kunnen beëindigen. Partijen zijn het er echter over eens dat zij niet meer willen samenwerken. De gevorderde afgifte van de paarden en medewerking aan een veterinair onderzoek worden toegewezen, voor zover eiser een bedrag van € 85.800,00 in depot stort. | | Trefwoorden | : | paarden | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/346870 / KG ZA 26-94
Vonnis in kort geding van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. I.K.M. Hoffmann,
tegen
1
[gedaagde 1],
te [woonplaats 2],
2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 3],
3. [gedaagde 3],
te [woonplaats 4],
4. [gedaagde 4],
te [woonplaats 5],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. P.J.G. Goumans en mr. E.T.M. Willemsen.
De zaak in het kort
[eiser] is eigenaar van de paarden [paard 1] en [paard 2]. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagden] de paarden verzorgt en traint, om ze zo hoog mogelijk uit te brengen in de sport en dan te verkopen, waarna de verkoopprijs 50/50 wordt verdeeld. [eiser] stelt dat zij de overeenkomst heeft beëindigd. Zij vordert afgifte van de paarden en medewerking aan een veterinair onderzoek. [eiser] erkent dat zij een vergoeding voor de verzorging en training moet betalen. Zij vordert dat wordt bepaald dat zij een bedrag van € 40.000,00 in depot zal storten ter zekerheid van betaling. [gedaagden] voeren verweer. Zij doen een beroep op hun retentierecht en stellen dat zij € 110.000,00 aan kosten hebben gemaakt.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] de overeenkomst niet rechtsgeldig kunnen beëindigen. Partijen zijn het er echter over eens dat zij niet meer willen samenwerken. De gevorderde afgifte van de paarden en medewerking aan een veterinair onderzoek worden toegewezen, voor zover [eiser] een bedrag van € 85.800,00 in depot stort.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de spreekaantekeningen van [eiser].
2De feiten
2.1.
[eiser] is eigenaar van de paarden [paard 1] (geboren op [geboortedatum 1] 2020) en [paard 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2019).
2.2.
[gedaagde 1] is een paardenbedrijf gericht op het fokken, opfokken, trainen en verkopen van paarden en pony’s. [gedaagde 2] en haar ouders [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn vennoten van [gedaagde 1].
2.3.
Op 6 maart 2023 hebben partijen twee overeenkomsten gesloten, waarin is afgesproken dat de paarden eigendom van [eiser] blijven, maar door [gedaagde 2] zullen worden bereden en getraind, met als doel om de paarden zo hoog mogelijk uit te brengen in de sport en dan te verkopen. In de overeenkomst staat dat de volgende (kosten)posten voor rekening van [gedaagden] zijn: stalling, voer, training, hoefsmid, tandarts, overige verzorging, kosten van de ruiter bij training en wedstrijden, inschrijfgeld voor landelijke wedstrijden, overige concourskosten, prijzengeld of prijzen, vervoer of benzine en zadel, hoofdstel en dergelijke. Daarnaast staat in de overeenkomst dat [gedaagden] bij verkoop van de paarden 50% van de verkoopprijs ontvangt.
Over beëindiging van de overeenkomst is het volgende opgenomen:
“De overeenkomst kan te allen tijde, in goed overleg, worden beëindigd, wanneer
- er geen klik is tussen ruiter en paard (altijd in overleg),
- de resultaten uitblijven (altijd in overleg),
- het paard voor een lagere periode geblesseerd is (altijd in overleg).”.
Onderaan de overeenkomst – onder het kopje “Overige afspraken” – staat dat als partijen het niet met elkaar eens kunnen worden, [eiser] altijd het recht heeft om het definitieve besluit te nemen.
2.4.
Op 7 juni 2025 heeft [gedaagde 2] met [paard 2] de kringkampioenschappen in klasse M2 gereden. [gedaagde 2] en [paard 2] zijn eerste en tweede kringkampioen geworden. Op 25 juni 2025 is gebleken dat zij niet hadden mogen starten in klasse M2, omdat zij eerder al te veel winstpunten hadden behaald; zij hadden in klasse Z1 kunnen starten. Zij mochten daarom niet door naar de regiokampioenschappen.
2.5.
Op 12 maart 2026 heeft [eiser] via WhatsApp aan [gedaagde 2] gevraagd of zij [paard 2] kan ophalen zodat haar dochter twee tot drie maanden kan proberen of zij een klik met het paard heeft. [gedaagde 2] heeft in eerste instantie gereageerd dat zij daar niet voor open staat. Vervolgens is een discussie tussen partijen ontstaan. [gedaagde 2] heeft gezegd dat er eerst goede afspraken moeten worden gemaakt, voordat het paard naar [eiser] gaat. [eiser] heeft gezegd dat ze langzamerhand in het stadium belanden dat ze het blijkbaar niet met elkaar eens kunnen worden.
2.6.
Op 23 maart 2026 heeft de advocaat van [eiser] per brief aan [gedaagden] medegedeeld dat zij de overeenkomst per direct beëindigt. In de brief staat als reden genoemd dat met [paard 2] onnodig lang op M2- en Z1-niveau is gereden, dat [paard 2] zonder overleg of aankondiging op Z2-niveau is uitgebracht en dat redelijke verzoeken van [eiser] niet worden vervuld, zoals dat geen gebruik wordt gemaakt van de sjabrak (zadeldekje) met het bedrijfslogo van [eiser]. Dit is volgens [eiser] in strijd met de gemaakte afspraken.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan afgifte van [paard 1] en [paard 2], inclusief paardenpaspoorten en overige bescheiden, op de [adres],
II. bepaalt dat [eiser] voorafgaand aan de afgifte een bedrag van € 40.000,00 in depot zal storten op de derdengeldrekening van [bedrijf], tot zekerheid voor een eventueel aan [gedaagden] toekomende vergoeding, totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de financiële afwikkeling of een rechter hierover heeft beslist en de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan,
III. bepaalt dat [gedaagden] direct voorafgaand aan de feitelijke afgifte medewerking verlenen aan een veterinair onderzoek van [paard 1] en [paard 2],
IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat zij in gebreke blijven aan de vordering onder I te voldoen, met een maximum van € 100.000,00,
V. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat zij in gebreke blijven aan de vordering onder II te voldoen, met een maximum van € 100.000,00,
VI. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Kort geding
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Afgifte paarden
4.2.
[eiser] stelt dat zij de overeenkomst met [gedaagden] heeft opgezegd en dat [gedaagden] de paarden daarom moeten teruggeven. [gedaagden] betwisten dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd.
Zijn de beëindigingsgronden limitatief?
4.3.
Partijen hebben in de overeenkomst drie beëindigingsgronden opgenomen, namelijk als er geen klik is tussen ruiter en paard, als de resultaten uitblijven of als het paard voor een langere periode geblesseerd is.
4.4.
Volgens [eiser] zijn deze beëindigingsgronden slechts voorbeelden en niet limitatief. Zij stelt dat de overeenkomst te allen tijde, in goed overleg, kan worden beëindigd en dat zij daarin het laatste woord heeft. [gedaagden] betwisten dit. De beëindigingsgronden zijn volgens hen wel limitatief. De bepaling dat [eiser] “het laatste woord” heeft, ziet volgens hen op de uitvoering van de samenwerking en niet op de beëindiging daarvan.
4.5.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat de beëindigingsgronden niet limitatief zijn. Dit blijkt niet uit de tekst van de overeenkomst en het is ook niet aannemelijk dat partijen dit bedoeld hebben. [eiser] zou de overeenkomst dan namelijk op elk moment kunnen beëindigen, terwijl het verdienmodel van [gedaagden] erop is gericht dat zij hun investeringen terugverdienen bij verkoop van de paarden op het hoogst haalbare niveau.
4.6.
De stelling van [eiser] dat zij de overeenkomst dan nooit eenzijdig zou kunnen beëindigen, omdat bij de beëindigingsgronden “altijd in overleg” vermeld staat, is niet juist. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet de bepaling zo worden begrepen dat partijen hebben bedoeld dat bij een beroep op een beëindigingsgrond weliswaar eerst overleg moet plaatsvinden, maar dat als één van die situaties zich voordoet, de overeenkomst uiteindelijk eenzijdig kan worden beëindigd. Als partijen bedoeld hadden dat beëindiging alleen met instemming van beide partijen zou kunnen, hadden zij immers niet drie specifieke situaties voor beëindiging hoeven te benoemen.
4.7.
Bij de uitleg van de overeenkomst gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat partijen gelijkwaardig zijn. [eiser] heeft op zichzelf terecht gesteld dat [gedaagde 1] een professioneel bedrijf is en de tekst van de overeenkomst heeft opgesteld. Zij ziet zichzelf daartegenover als een particulier met een zwakkere positie. Maar zij miskent daarbij dat zij de eigenares van de paarden is en dat zij bij het aangaan van deze overeenkomst al ruime ervaring had in de paardenwereld en eerder soortgelijke overeenkomsten had gesloten.
Zijn de resultaten uitgebleven?
4.8.
[eiser] stelt dat de resultaten zijn uitgebleven. Volgens haar is met [paard 2] in de dressuur te lang op M2- en Z1-niveau doorgereden en had hij in 2026 al ZZ-licht moeten lopen. [paard 1] had volgens haar in de springsport al een hoogte van 1,30 meter moeten springen, maar is voornamelijk op 1,10 meter gestart. Volgens [eiser] is [gedaagde 2] als ruiter onvoldoende ontwikkeld om de paarden naar hogere niveaus (vanaf de Z-klasse) te brengen. Zij heeft dit onderbouwd met een verklaring van een trainster van [gedaagde 2]. [gedaagden] betwisten dit.
4.9.
Uit de overeenkomst en correspondentie tussen partijen blijkt niet dat zij hebben afgesproken wanneer de paarden op welk niveau moeten zitten of dat [gedaagden] met [eiser] moeten overleggen wanneer de paarden naar een hoger niveau gaan. [gedaagden] hebben onderbouwd dat de wedstrijdresultaten van [paard 2] en [paard 1] een stijgende lijn laten zien. Daarnaast hebben zij met artikelen uit vakbladen en verklaringen van twee (andere) trainers, een dierenarts en een fysiotherapeut die bij de paarden betrokken zijn, onderbouwd dat het niveau van paarden niet te snel moet worden opgevoerd om blessures te voorkomen en dat de niveaus van deze paarden passend zijn bij hun leeftijden.
4.10.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] – gelet op de onderbouwde betwisting van [gedaagden] – onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de resultaten zijn uitgebleven. [eiser] heeft nog aangevoerd dat [gedaagden] [paard 2] ten onrechte op M2-niveau hebben laten starten bij de kringkampioenschappen. Dit was echter al negen maanden vóórdat zij de overeenkomst besloot op te zeggen en op de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat dit de ontwikkeling van het paard niet heeft geschaad.
4.11.
Nu niet is gebleken dat sprake is van het uitblijven van resultaten en niet is gesteld of gebleken dat sprake is van één van de andere beëindigingsgronden, heeft [eiser] de samenwerkingsovereenkomst in maart 2026 niet rechtsgeldig kunnen beëindigen.
Einde samenwerking
4.12.
Partijen zijn het er inmiddels echter over eens dat de samenwerking moet worden beëindigd, omdat de verhouding is verslechterd en zij niet meer willen samenwerken. Partijen zijn het er ook over eens dat [gedaagden] een vergoeding moeten krijgen voor de verzorging en training die zij de paarden hebben gegeven. Zij verschillen alleen van mening over de hoogte van de vergoeding. [gedaagden] doen een beroep op hun retentierecht; zij willen de paarden niet afgeven totdat hun schade is vergoed. [eiser] heeft echter aangeboden een bedrag in depot te storten tot zekerheid van betaling van de vergoeding. Indien voldoende zekerheid tot betaling wordt geboden, hebben [gedaagden] onvoldoende belang bij behoud van de paarden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser], als eigenaar van de paarden, voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot afgifte van de paarden. Deze vordering zal daarom worden toegewezen, voor zover [eiser] het hierna te bepalen bedrag in depot stort.
Bedrag in depot
4.13.
In de samenwerking tussen partijen heeft [gedaagden] het meest geïnvesteerd en het grootste risico genomen. Door de niet-rechtsgeldige opzegging van de overeenkomst door [eiser] is de verhouding tussen partijen verstoord en willen partijen niet meer samenwerken. Hierdoor is [gedaagden] de kans ontnomen om de paarden voor de hoogst mogelijke opbrengst te verkopen en hun investeringen met een winst terug te verdienen. [eiser] moet daarom een redelijke vergoeding aan [gedaagden] betalen voor hun investeringen.
4.14.
[eiser] heeft aangeboden om € 40.000,00 in depot te storten, totdat de hoogte van de te betalen vergoeding tussen partijen of in rechte is vastgesteld. Volgens [gedaagden] hebben zij echter € 110.000,00 aan kosten voor de paarden gemaakt. Zij hebben dit onderbouwd met een kostenspecificatie. [eiser] betwist dit bedrag en voert aan dat de kosten niet zijn onderbouwd met facturen.
4.15.
[eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat € 650,00 per maand exclusief btw een gangbare prijs is voor de verzorging en training van een paard. Inclusief btw zou dat neerkomen op een bedrag van € 786,50 per maand. Dit is volgens [eiser] exclusief bijkomende kosten zoals de hoefsmid, tandarts en dierenarts.
4.16.
[gedaagden] hebben een factuur van € 907,50 inclusief btw overgelegd die zij bij een andere klant in rekening hebben gebracht voor een maand verzorging en training van het paard [paard 3]. Deze kosten zijn volgens hen exclusief bijkomende kosten zoals de hoefsmid, dierenarts, fysiotherapie, gebitsverzorging en startpassen. Daarnaast zijn de kosten van externe trainingen volgens [gedaagden] ook niet bij dit bedrag inbegrepen, aangezien [paard 3] daar niet naartoe gaat. Volgens [eiser] moeten de kosten van trainingen die [gedaagde 2] heeft gevolgd omdat zij zelf nog geen topruiter is, echter voor rekening van [gedaagden] blijven.
4.17.
Beide partijen hebben niet met facturen of andere stukken onderbouwd wat een reëel bedrag aan bijkomende kosten is.
4.18.
Gelet op het voorgaande gaat de voorzieningenrechter er voorlopig – schattenderwijs – vanuit dat een bedrag van € 1.100,00 inclusief btw per maand per paard een reële vergoeding is voor de verzorging en training van de paarden inclusief bijkomende kosten. De paarden staan inmiddels drie jaar en drie maanden bij [gedaagden] Daarom zal worden bepaald dat [eiser] een bedrag van € 85.800,00 (€ 1.100,00 x 39 maanden x twee paarden) in depot zal storten voorafgaand aan de afgifte van de paarden.
Veterinair onderzoek
4.19.
De gevorderde medewerking aan een veterinair onderzoek zal worden toegewezen. [eiser] heeft namelijk toegezegd dat zij de kosten daarvoor zal betalen en de voorzieningenrechter acht het in het belang van beide partijen dat de (medische) toestand van de paarden bij of kort vóór de afgifte wordt vastgesteld, zodat geschilpunten daarover kunnen worden voorkomen. Daarmee is uiteraard nog niet gezegd dat [gedaagden] aansprakelijk zijn voor eventuele gebreken aan de paarden.
Dwangsom
4.20.
De gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
Proceskosten
4.21.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
€
2.101,00
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat [eiser] voorafgaand aan de feitelijke afgifte van de paarden [paard 1] en [paard 2] een bedrag van € 85.800,00 in depot zal storten op de derdengeldrekening van [bedrijf] advocaten – notarissen te Enschede, welk depot strekt tot zekerheid voor een eventueel aan [gedaagden] toekomende vergoeding in verband met beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst en onder de derdengeldrekening blijft totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de financiële afwikkeling of een rechter hierover heeft beslist en die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen 48 uur nadat [eiser] het hiervoor genoemde bedrag in depot heeft gestort hun volledige medewerking te verlenen aan de afgifte van de paarden [paard 1] en [paard 2] inclusief de bijbehorende paardenpaspoorten en eventuele overige bescheiden, aan [eiser] of een door haar aan te wijzen derde, op het adres [adres] of een in onderling overleg vast te stellen locatie,
5.3.
bepaalt dat [gedaagden] direct voorafgaande aan de feitelijke afgifte medewerking verlenen aan een veterinair onderzoek van de paarden [paard 1] en [paard 2],
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.2 voldoen, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.3 voldoen, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|