Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:218 
 
Datum uitspraak:26-05-2026
Datum gepubliceerd:26-05-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:25/511
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Lbv-plus. Afwijzing subsidie voor pluimveestal, omdat deze niet voldoet aan de vijfjaarseis. Vaststaat dat de pluimveestal tot aan de aanvraag een jaar en elf maanden heeft leeggestaan. Dit betekent dat de productiecapaciteit niet onafgebroken is gebruikt in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag. Weliswaar volgt uit de toelichting bij de Lbv-plus dat bij tijdelijke leegstand van de stallen in het kader van de reguliere bedrijfsvoering nog steeds wordt voldaan aan het vereiste van onafgebroken gebruik van de productiecapaciteit, maar daarvan is hier geen sprake. De maatschap heeft toegelicht dat zij na de laatste ronde opfokhennen eind augustus 2022 besloot tot tijdelijke leegstand in verband met de uitbraak van vogelgriep in de directe omgeving. Het bedrijf van de maatschap was echter zelf niet getroffen door vogelgriep. En ook na de opheffing van de vervoersbeperkingen in de omgeving is de stal leeg gebleven, volgens de maatschap vanwege de hoge voer- en energieprijzen en plannen voor renovatie van de stal. Dit zijn geen omstandigheden die passen binnen het normale bedrijfsproces, terwijl het hier bovendien gaat om een periode van bijna twee jaar, zodat niet kan worden volgehouden dat sprake is van een (kortdurende) leegstand die bedrijfseconomisch gangbaar is. Dat de maatschap bepaalde bedrijfseconomische keuzes heeft gemaakt, die ook verband hielden met de mogelijke omschakeling naar een ander, duurzaam bedrijfsmodel, hoe invoelbaar ook, kan niet tot een andere conclusie leiden.
Trefwoorden:landbouw
meststoffenwet
stallen
subsidies
varkensstallen
veehouderij
vleesvarkens
Wetreferenties:Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/511

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

Maatschap [naam], te [woonplaats] (maatschap)
(gemachtigde: mr. M.A. van der Kruijt-Bos)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)




Procesverloop

Met het besluit van 23 oktober 2024 heeft de minister de aanvraag van de maatschap om subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) afgewezen.

Met het besluit van 20 mei 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar daartegen gedeeltelijk gegrond verklaard, de aanvraag gedeeltelijk ingewilligd en aan de maatschap een subsidie toegekend van maximaal € 332.662,72.

De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 8 april 2026. Aan de zitting hebben namens de maatschap [name] en de gemachtigden van partijen deelgenomen.



Overwegingen


Inleiding



1.1
Op 29 juli 2024 heeft de maatschap subsidie op grond van de Lbv-plus aangevraagd voor de sluiting van haar pluimveebedrijf (opfokbedrijf) en vleesvarkensbedrijf. Met het besluit van 23 oktober 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat de maatschap in 2022 artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet had overtreden.



1.2
Met het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag alsnog gedeeltelijk ingewilligd en een subsidie van maximaal € 332.662,72 toegekend. De minister werpt de maatschap de in 2022 begane overtreding niet meer tegen. De aanvraag is niet ingewilligd voor pluimveestal F, omdat deze in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag niet onafgebroken op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt (ook wel vijfjaarseis). De pluimveestal heeft in 2022 en 2023 leeg gestaan. Voor de varkensstallen en voor de varkensrechten en pluimveerechten is wel subsidie toegekend.

2 In deze procedure gaat het om de vraag of pluimveestal F voldoet aan de vijfjaarseis. Bij bevestigende beantwoording van die vraag tellen de m2 van de pluimveestal mee bij de berekening van het subsidiebedrag.

3 De maatschap stelt zich op het standpunt dat de pluimveestal de laatste vijf jaar vóór de aanvraag wel op economisch gangbare wijze is gebruikt.


Beoordeling van het beroep




4.1
De vijfjaarseis volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Lbv-plus. Deze bepaling luidt als volgt:

“De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.”



4.2
In de toelichting bij de Lbv-plus (Stcrt. 2023, nr. 15029, blz. 25) staat, voor zover van belang, het volgende over de vijfjaarseis:

“Uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de aanvraag (op bedrijfseconomisch gangbare wijze) onafgebroken is gebruikt, komt voor subsidie in aanmerking. Dit hangt samen met het Europese staatssteunkader voor het sluiten van productiecapaciteit, de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01; hierna: de Richtsnoeren). Hierin is als vereiste opgenomen dat uitsluitend staatssteun kan worden verleend voor productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting onafgebroken is gebruikt. Omdat ten tijde van de aanvraag onbekend is wanneer de sluiting daadwerkelijk plaatsvindt, kan niet worden uitgegaan van de datum van de feitelijke sluiting, maar moet worden uitgegaan van de datum van aanvraag om te kunnen vaststellen of wordt voldaan aan het hiervoor bedoelde vijfjaarsvereiste.
De vereisten van het feitelijk houden van dieren en van het onafgebroken gebruik gedurende vijf jaar betekenen niet dat er steeds dieren in een stal (hebben) moeten staan. Als een stal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg staat respectievelijk heeft gestaan, betekent dat niet dat de stal niet wordt respectievelijk is gebruikt. Er is dan nog steeds sprake van gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze. Te denken valt aan leegstand tussen het afvoeren van een ronde vleesvarkens, -kuikens of -kalveren en de komst van een nieuwe ronde, of aan tijdelijke leegstand als gevolg van een dierziekte. Kortdurende leegstand van een stal hoeft dus geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces.”



4.3
In de Richtsnoeren is onder meer het volgende opgenomen:

“426. Uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, komen voor steun in aanmerking. In gevallen waarin de productiecapaciteit al definitief is gesloten of waarin een dergelijke sluiting onvermijdelijk lijkt, is er geen sprake van een (toereikende) minimumbijdrage van de begunstigde en mag geen steun worden verleend.”



4.4
Deze vijfjaarseis houdt in dat, zoals de minister ook heeft betoogd, uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar voor de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, in aanmerking komen voor steun. Kortdurende leegstand van een stal hoeft geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces (zie de uitspraken van het College van 29 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:392), onder 6.4, en van 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:425), onder 5.4).



4.5
Vaststaat dat pluimveestal F sinds eind augustus 2022 heeft leeggestaan. Tot aan de aanvraag heeft de stal dus een jaar en elf maanden leeggestaan. Dit betekent dat de productiecapaciteit niet onafgebroken is gebruikt in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag. Weliswaar volgt uit de toelichting bij de Lbv-plus dat bij tijdelijke leegstand van de stallen in het kader van de reguliere bedrijfsvoering nog steeds wordt voldaan aan het vereiste van onafgebroken gebruik van de productiecapaciteit, maar daarvan is hier geen sprake. De maatschap heeft toegelicht dat zij na de laatste ronde opfokhennen eind augustus 2022 besloot tot tijdelijke leegstand in verband met de uitbraak van vogelgriep in de directe omgeving. Het bedrijf van de maatschap was echter zelf niet getroffen door vogelgriep. En ook na de opheffing van de vervoersbeperkingen in de omgeving is de stal leeg gebleven, volgens de maatschap vanwege de hoge voer- en energieprijzen en plannen voor renovatie van de stal. Dit zijn geen omstandigheden die passen binnen het normale bedrijfsproces, terwijl het hier bovendien gaat om een periode van bijna twee jaar, zodat niet kan worden volgehouden dat sprake is van een (kortdurende) leegstand die bedrijfseconomisch gangbaar is. Dat de maatschap bepaalde bedrijfseconomische keuzes heeft gemaakt, die ook verband hielden met de mogelijke omschakeling naar een ander, duurzaam bedrijfsmodel, hoe invoelbaar ook, kan niet tot een andere conclusie leiden.

5 De conclusie is dat de minister de aanvraag voor pluimveestal F terecht heeft afgewezen, omdat pluimveestal F niet voldoet aan de vijfjaarseis.



Slotsom


6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.





Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. S.C. Stuldreher en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.






w.g. H.L. van der Beek w.g. M.L. Bosman
Link naar deze uitspraak