|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:222 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-05-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 24/934 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Niet voldaan aan de vijfjaarseis door leegstand van de stallen. Geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | omgevingsvergunning | | | stallen | | | subsidies | | | veehouderij | | | vleesvarkens | | | zeugen | | Wetreferenties | : | Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 24/934
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [vestigingsplaats]
(gemachtigde: R. Scholten)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)
Procesverloop
Met het besluit van 1 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van de maatschap om subsidie uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) afgewezen.
Met het besluit van 20 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap daartegen ongegrond verklaard.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 9 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] namens de maatschap.
Overwegingen
Inleiding
1. De maatschap hield zeugen en vleesvarkens, maar heeft in februari 2019 besloten om het bedrijf voort te zetten met alleen vleesvarkens. Daarvoor moesten twee zeugstallen worden verbouwd tot dierverblijven voor vleesvarkens. De voor deze verbouwing benodigde omgevingsvergunning is verleend. Vanaf mei 2022 zijn de stallen leeggeruimd en heeft de verbouwing – deels in eigen beheer – plaatsgevonden. Op het moment van het indienen van de subsidieaanvraag (25 november 2023) was de verbouwing nog niet volledig afgerond.
2 De minister heeft de subsidieaanvraag afgewezen, omdat de productiecapaciteit van het bedrijf van de maatschap niet onafgebroken op bedrijfseconomisch gangbare wijze heeft plaatsgevonden gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de indiening van de aanvraag (de vijfjaareis). Deze vijfjaarseis volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Lbv. De maatschap is het hier niet mee eens.
Wettelijke kader
3.1
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Lbv wordt de aanvraag van de veehouder afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.
3.2
In de toelichting bij de Lbv (Stcrt. 2023 nr. 14992, p. 23) staat, voor zover van hier belang, dat de vereisten van het feitelijk houden van dieren en van het onafgebroken gebruik gedurende vijf jaar niet betekenen dat er steeds dieren in een stal (hebben) moeten staan. Als een stal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg staat respectievelijk heeft gestaan, betekent dat niet dat de stal niet wordt respectievelijk is gebruikt. Er is dan nog steeds sprake van gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze. Te denken valt aan leegstand tussen het afvoeren van een ronde vleesvarkens of -kuikens en de komst van een nieuwe ronde, of aan tijdelijke leegstand als gevolg van een dierziekte. Kortdurende leegstand van een stal hoeft dus geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces.
Beoordeling van het beroep
4.1
Het College heeft in de uitspraken van 29 juli 2025 (ELCI:NL:CBB:2025:392) en van 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:425) geoordeeld dat de vijfjaareis inhoudt dat uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar voor de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, in aanmerking komen voor steun. Kortdurende leegstand van een stal hoeft geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces.
4.2
Niet meer in geschil is dat een verbouwing kan passen binnen het normale bedrijfsproces, maar daarbij moet uitdrukkelijk ook worden gekeken naar de duur van de leegstand.
4.3
Vast staat dat de stallen – waaronder de al bestaande vleesvarkensstal – anderhalf jaar leeg hebben gestaan. De verbouwing van één van de zeugstallen was op het moment van het indienen van de subsidieaanvraag zelfs nog niet volledig afgerond. Omdat het gaat om een periode van anderhalf jaar, kan niet worden gesproken van een kortdurende leegstand die bedrijfseconomisch gangbaar is. De geschetste omstandigheden waardoor deze leegstand zo lang heeft geduurd, maken dit niet anders. Op het moment van de aanvraag was dus geen sprake van onafgebroken gebruik van de productiecapaciteit in de vijf jaar voorafgaand aan die aanvraag. Dit betekent dat de maatschap niet voldoet aan de vijfjaarseis. Dit zou niet anders zijn geweest als de aanvraag direct of kort na de openstelling van de Lbv was ingediend, wat de minister overigens in het bestreden besluit heeft toegelicht.
5 De maatschap heeft er nog op gewezen dat het vergunningsproces voor vertraging heeft gezorgd en dat zij te maken heeft gehad met droevige bijzondere omstandigheden en heeft in dat verband een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Hoewel duidelijk is dat de maatschap een moeilijke tijd heeft doorgemaakt, kan een beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slagen. De minister heeft de Lbv met daarin de vijfjaarseis aan de Europese Commissie voorgelegd. De Commissie heeft geoordeeld dat de Lbv in overeenstemming is met de staatssteunkaders die gelden in de interne markt. De bepaling in de Lbv over de vijfjaarseis kan dan ook niet onverbindend worden verklaard of buiten toepassing worden gelaten zonder in strijd te komen met het Europese staatssteunkader. Dit kader kan, zoals de minister in het verweerschrift ook heeft gesteld, niet opzij worden gezet door een beroep op het evenredigheidsbeginsel en staat daarom vast (zie de uitspraken van het College van 22 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:736) en de onder 4.1 genoemde uitspraak van 29 juli 2025). Om die reden is geen ruimte voor een belangenafweging.
6 De conclusie is dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan de vijfjaarseis.
Slotsom
7 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. R.W.L. Koopmans en mr. A. van Gijzen in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
w.g. A. Venekamp de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|