|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:6093 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/3850 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen bindendverklaring toezegging en afwijzing van het handhavingsverzoek op grond van het prioriteringsbeleid. De ACM heeft de toezegging op goede gronden bindend verklaard en het handhavingsverzoek op grond van haar prioriteringsbeleid kunnen afwijzen. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:6092 | | Trefwoorden | : | landbouw | | | melkveehouder | | | melkveehouders | | | productschap | | | tuinbouw | | | zuivel | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3850
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
de vereniging [vereniging X] ( [afkorting vereniging X] ),
uit [plaats]
(gemachtigde: mr. P.J.G. van der Donck),
en
Autoriteit Consument & Markt, de ACM
(gemachtigden: mr. L.A. Kwanten, mr. dr. A.N. Vroege en mr. M. Rekker).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[bedrijf Y] ( [afkorting bedrijf Y] ) uit [plaats]
(gemachtigden: mr. C.E.L. Koken, mr. E.D. van Aalst en mr. L.A. van de Sandt), en
ZuivelNL uit Den Haag,
(gemachtigden: mr. Y. de Vries, mr. E.H. Groen en mr. M. Hermans).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee besluiten van de ACM van 17 oktober 2024, enerzijds de bindendverklaring van een toezegging door ZuivelNL (het toezeggingsbesluit) en anderzijds de afwijzing van het verzoek van [afkorting vereniging X] om handhavend op te treden tegen ZuivelNL op grond van de prioriteringscriteria van de ACM (het prioriteringsbesluit). [afkorting vereniging X] is het niet eens met deze besluiten en heeft daartegen bezwaar gemaakt dat door de ACM bij besluit van 10 april 2025 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard. [afkorting vereniging X] voert tegen het bestreden besluit een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het toezeggingsbesluit en van het prioriteringsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ACM de toezegging door ZuivelNL op goede gronden bindend heeft verklaard en het handhavingsverzoek van [afkorting vereniging X] heeft kunnen afwijzen op grond van haar prioriteringscriteria. [afkorting vereniging X] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Hierna vanaf 2. staat het procesverloop in deze zaak. Vanaf 3. worden de relevante feiten en omstandigheden besproken die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 heeft de ACM het bezwaar van [afkorting vereniging X] tegen het toezeggingsbesluit en het prioriteringsbesluit ongegrond verklaard en is de ACM bij die besluiten gebleven.
2.1.
[afkorting vereniging X] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De ACM heeft voor een deel van de door haar overlegde stukken verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.3.
De ACM heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
ZuivelNL heeft op 27 november 2025 een zienswijze ingediend.
2.5.
[afkorting bedrijf Y] heeft op 15 december 2025 een zienswijze ingediend.
2.6.
Met een beslissing van 18 december 2025 heeft de rechter-commissaris het verzoek van de ACM om beperkte kennisneming gerechtvaardigd geacht.
2.7.
Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de vertrouwelijke stukken. [afkorting vereniging X] heeft dit gedaan op 2 januari 2026, ZuivelNL op 13 januari 2026 en [afkorting bedrijf Y] op 20 januari 2026.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] namens [afkorting vereniging X] , de gemachtigde van [afkorting vereniging X] , de gemachtigden van de ACM, [persoon D] namens [afkorting bedrijf Y] , de gemachtigden van [afkorting bedrijf Y] , [persoon E] namens ZuivelNL en de gemachtigden van ZuivelNL.
Voorgeschiedenis en totstandkoming van de besluiten
3. ZuivelNL is de ketenorganisatie van de zuivelsector in Nederland. Het is een vereniging die in 2014 is opgericht door de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) en de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO). De aanleiding voor de oprichting was de opheffing van het Productschap voor Zuivel (PZ). ZuivelNL faciliteert het overleg tussen belangenorganisaties van melkveehouders en zuivelverwerkers en het uitvoeren van gezamenlijke initiatieven die aan de sector ten goede komen. ZuivelNL heeft vier leden: LTO, de NZO, Dutch Dairymen Board (DDB) en de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV). Deze organisaties hebben op hun beurt weer eigen leden. Bij LTO, NMV en DDB zijn de leden individuele melkveehouders. De leden van de NZO zijn dertien melkverwerkers, waaronder [afkorting bedrijf Y] . De NZO is met drie stemmen vertegenwoordigd in het bestuur van ZuivelNL, de LTO met twee stemmen en NMV en DDB hebben ieder één stem.
[afkorting vereniging X] is een leveranciersvereniging van melkveehouders. Haar leden leveren hun melk uitsluitend aan [afkorting bedrijf Y] , die daar vervolgens kaas van produceert. Het doel van [afkorting vereniging X] is het behartigen en bevorderen van de economische en maatschappelijke belangen van de melkveehouders die leveren aan [afkorting bedrijf Y] . [afkorting bedrijf Y] heeft vaste leveranciers (melkveehouders) waarvan zij dagelijks melk afneemt. Zij verwerkt deze melk tot kaas en exporteert haar kaas naar 26 landen. Een deel van de melkveehouders die leveren aan [afkorting bedrijf Y] is lid van [afkorting vereniging X] .
3.1.
Op 7 februari 2022 heeft ZuivelNL aan de ACM een informele zienswijze gevraagd met betrekking tot de verenigbaarheid van haar contributiesysteem met de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (Wet OHP Landbouw). Dit contributiesysteem is als volgt vormgegeven. Bij de oprichting van ZuivelNL in 2014 is besloten dat slechts één lid contributie betaalt: de NZO. Dat is een overblijfsel uit de ontstaansgeschiedenis van ZuivelNL. Haar voorganger, het PZ, was een publiekrechtelijke organisatie. De kosten voor het PZ werden gedekt via een publiekrechtelijke heffing die de zuivelverwerkers inden via de melkgeldafrekeningen. Voor ZuivelNL is een vergelijkbare constructie gekozen, maar dan privaatrechtelijk. De contributie van ZuivelNL wordt maandelijks via twee gescheiden facturen geïnd bij de zuivelverwerkers die lid zijn van de NZO (waaronder [afkorting bedrijf Y] ). Met de ene factuur wordt een bijdrage geïnd van de zuivelverwerker zelf en met de andere factuur een bijdrage van de melkveehouders die aan deze zuivelverwerker leveren. De grondslag voor het inhouden van de bijdrage bij de melkveehouders is gelegen in de leveringsvoorwaarden die worden afgesloten tussen de zuivelverwerker en de melkveehouders. De zuivelverwerkers brengen de bijdrage in rekening aan alle aan hen leverende melkveehouders, ongeacht of een melkveehouder zelf is aangesloten bij een organisatie die lid is van ZuivelNL (te weten de LTO, NMV of DDB).
3.2.
[afkorting vereniging X] heeft op 5 juli 2022 bij de ACM een verzoek om handhaving ingediend. [afkorting vereniging X] klaagt over verschillende vermeende overtredingen van de Wet OHP Landbouw door [afkorting bedrijf Y] . Eén van de klachten van [afkorting vereniging X] ziet op de contributie voor ZuivelNL, die door [afkorting bedrijf Y] bij melkveehouders wordt geïnd en die volgens [afkorting vereniging X] in strijd is met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet OHP Landbouw. Dit artikel verbiedt afnemers van landbouwproducten om van leveranciers betalingen te verlangen die geen verband houden met de levering van het product van de leverancier.
3.3.
Op 7 augustus 2024 heeft de ACM de conceptaanvraag van ZuivelNL voor een toezeggingsbesluit doorgezonden naar [afkorting vereniging X] en [afkorting bedrijf Y] en hen in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven. [afkorting bedrijf Y] heeft op 20 augustus 2024 haar zienswijze gegeven en [afkorting vereniging X] op 5 september 2024.
3.4.
Op 18 september 2024 heeft ZuivelNL haar definitieve aanvraag voor het bindend verklaren van een toezegging ingediend bij de ACM. Om de naleving van de Wet OHP Landbouw inzichtelijk te maken en te borgen heeft ZuivelNL de volgende toezeggingen gedaan:
1) ZuivelNL zet de contributie die door melkveehouders wordt opgebracht enkel in voor activiteiten die verband houden met de levering van melk en die in elk geval ten goede komen aan de melkveehouder;
2) ZuivelNL zal het hiervoor genoemde inzicht delen met de melkveehouders en openbaar maken;
3) ZuivelNL zal de uitsplitsing van de contributie naar activiteiten in haar jaarrekening jaarlijks laten controleren door een accountant zodat de jaarrekening gepaard kan gaan met een accountantsverklaring voor het bestuur en de Algemene Ledenvergadering waarin wordt bevestigd dat de accountant de uitsplitsing en toerekening goed kan volgen;
4) ZuivelNL zal de hoogte van de contributie van de melkveehouders om de drie jaar herijken in het licht van de Wet OHP Landbouw;
5) ZuivelNL zal de ACM gedurende de periode 2024 tot en met 2027 jaarlijks proactief informeren over de uitvoering van de hiervoor genoemde punten, waaronder de vaststelling en de verhouding van de contributie door middel van een rapportage.
3.5.
Op 17 oktober 2024 heeft de ACM twee besluiten genomen.
3.5.1.
Met het toezeggingsbesluit heeft de ACM de toezegging van ZuivelNL bindend verklaard. Volgens de ACM adresseert de toezegging het risico op een overtreding van artikel 2, eerste lid en onder d, van de Wet OHP Landbouw in voldoende mate, nu de toezegging zeker stelt dat [afkorting bedrijf Y] met de contributieheffing enkel bedragen in rekening brengt voor activiteiten die verband houden met de levering van melk. Ook stelt de toezegging de melkveesector in staat te controleren of de contributie die (via de afnemer) ten behoeve van ZuivelNL betaald wordt in lijn is met de Wet OHP Landbouw. Hierdoor kan de melkveehouder controleren of er van hem betalingen worden verlangd (door middel van korting op de melkgeldrekening) die niet gerelateerd zijn aan de verkoop van melk. Mocht in de toekomst blijken dat ZuivelNL met de contributie opgebracht door melkveehouders toch activiteiten financiert die geen verband houden met de verkoop van melk, kan de ACM alsnog ingrijpen op grond van de Wet OHP landbouw. Daarnaast stelt de toezegging alle melkveehouders die leveren aan een NZO-lid, in staat om inspraak te hebben op de categorisering van de activiteiten van ZuivelNL. Verder herijkt ZuivelNL elke drie jaar de hoogte van de contributie. Melkveehouders worden in het bestuur vertegenwoordigd door LTO, NMV en DDB. Zij hebben op deze manier dus ook invloed op de vaststelling van de hoogte van de contributiebijdrage die wordt afgedragen via de afnemer. Hoewel de ACM er ook voor had kunnen kiezen om verder onderzoek te doen naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [afkorting vereniging X] , acht de ACM het bindend verklaren van een toezegging in dit geval meer doelmatig en effectief.
3.5.2.
Met het prioriteringsbesluit heeft de ACM het handhavingsverzoek van [afkorting vereniging X] om prioriteitsredenen afgewezen. De ACM doet geen nader onderzoek naar de vraag of [afkorting bedrijf Y] de Wet OHP Landbouw overtreedt met het in rekening brengen van de contributie ten behoeve van ZuivelNL. De ACM kon in dit geval meer doelmatig en doeltreffend optreden op een andere wijze, namelijk door de toezegging van ZuivelNL bindend te verklaren. Het verder onderzoeken van de vraag of [afkorting bedrijf Y] met het innen van de ZuivelNL-bijdrage de Wet OHP Landbouw overtreedt, is niet doelmatig. De ACM ziet niet in hoe, naast het toezeggingsbesluit, nader onderzoek naar een mogelijke overtreding door [afkorting bedrijf Y] extra schade zou kunnen voorkomen of beperken. Het maatschappelijk belang is voldoende gediend met het toezeggingsbesluit.
3.6.
Met het bestreden besluit van 10 april 2025 is de ACM bij de besluiten van 17 oktober 2024 gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
4. [afkorting vereniging X] voert aan dat de ACM ten onrechte heeft besloten om haar klacht over de contributie van ZuivelNL die [afkorting bedrijf Y] int bij haar leveranciers (het 'doorgeefluik') los te beoordelen van de overige klachten in haar handhavingsverzoek. Verder heeft de ACM volgens [afkorting vereniging X] ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar van [afkorting vereniging X] niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op klachten over de begroting 2025 van ZuivelNL en op andere besluiten van de ACM dan het toezeggingsbesluit en het prioriteringsbesluit. Door de afsplitsing ontneemt de ACM op onzuivere wijze rechtsbescherming voor [afkorting vereniging X] .
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
In onderdeel 3 van het bestreden besluit is de ACM uitgebreid ingegaan op de omvang van het geding. De ACM heeft in dat onderdeel overwogen dat [afkorting vereniging X] verschillende argumenten aanvoert die buiten de reikwijdte van de bezwaarprocedure vallen. Dit gaat dan om de klachten over de Detailbegroting 2025 van ZuivelNL en bezwaren die betrekking hebben op andere besluiten van de ACM dan het toezeggingsbesluit en het prioriteringsbesluit.
4.2.1.
Over de Detailbegroting 2025 van ZuivelNL heeft de ACM overwogen dat deze geen onderdeel is van het toezeggingsbesluit, maar van de uitvoering van de toezegging door ZuivelNL. De vraag of ZuivelNL haar toezegging naleeft, is volgens de ACM onderdeel van haar nacontrole. Die nacontrole valt buiten de bezwaarprocedure. Het bezwaar van [afkorting vereniging X] op deze onderdelen is volgens de ACM daarom niet-ontvankelijk.
4.2.2.
Over het afsplitsen van de klacht over het contributiesysteem van ZuivelNL heeft de ACM in het bestreden besluit overwogen dat zij al aan het begin van de bezwaarprocedure aan partijen heeft medegedeeld, dat zij [afkorting vereniging X] niet volgt in haar betoog dat de ACM deze klacht in het dwangsombesluit dat ziet op [afkorting bedrijf Y] had moeten beoordelen. De afsplitsing van deze klacht betreft volgens de ACM een louter procedurele beslissing, die is ingegeven door het feit dat ZuivelNL geen betrokkenheid heeft bij de andere klachten van [afkorting vereniging X] tegen [afkorting bedrijf Y] . De gescheiden behandeling doet volgens de ACM niet af aan de rechten van [afkorting vereniging X] en is niet van invloed op de inhoudelijke besluitvorming over de verschillende onderdelen van haar handhavingsverzoek. De argumenten die [afkorting vereniging X] aanvoert tegen het dwangsombesluit zijn gelet daarop volgens de ACM hier niet-ontvankelijk.
4.3.
De rechtbank leest in de gronden van beroep geen gemotiveerde weerlegging door [afkorting vereniging X] van deze standpunten van de ACM. Het enkele herhalen van de stelling dat de afsplitsing niet had mogen gebeuren en dat de ACM hiermee [afkorting vereniging X] rechtsbescherming ontneemt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.
Adresseert de toezegging van ZuivelNL het risico op overtreding in voldoende mate?
5. [afkorting vereniging X] voert aan dat de toezegging oneigenlijk is omdat ZuivelNL niet bevoegd zou zijn om kosten in rekening te brengen. ZuivelNL is een brancheorganisatie in de zin van Verordening (EU) 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten. Daarom moet zij de bevoegdheid om kosten in rekening te brengen regelen via een algemeen verbindend voorschrift (avv). Hoewel de toezegging transparant maakt welke kosten in rekening gebracht worden, zou dat het bevoegdheidsprobleem niet wegnemen. Daarom is de doorberekening van de contributie door [afkorting bedrijf Y] in strijd met de Wet OHP Landbouw. De positie van ZuivelNL is en blijft op verschillende manieren van invloed op de melkprijs van [afkorting bedrijf Y] .
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.2.
De rechtbank zal eerst ingaan op het bindend verklaren van een toezegging in het algemeen en de keuze van de ACM voor dit instrument.
5.2.1.
De mogelijkheid om een toezegging bindend te verklaren, is geregeld in artikel 12h, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (Iw). Op grond van het tweede lid kan de ACM een toezegging bindend verklaren indien zij dit doelmatiger acht dan het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom.
5.2.2.
Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Iw (en enige andere wetten) volgt dat (het bindend verklaren van) de toezegging een instrument is dat zowel vóór- als nadat een overtreding is vastgesteld, kan worden gebruikt. Voor het gebruik van het toezeggingsinstrument is het niet noodzakelijk dat er reeds een overtreding is vastgesteld. Het instrument is dus zowel in de toezichtsfase als in de sanctiefase bruikbaar. Dit stelt de ACM beter in staat om maatwerk te leveren wat betreft de handhaving van wettelijke voorschriften. De ACM kan – in plaats van het opleggen van een bestuurlijke sanctie (boete of last onder dwangsom) of een bindende aanwijzing – voor het lichtere instrument van de toezegging kiezen indien zij dat doelmatiger acht. Dat de ACM nog geen overtreding heeft vastgesteld betekent dus niet dat zij het instrument van het bindend verklaren van de toezegging in deze situatie niet mocht inzetten.
5.2.3.
Daarmee is nog niet de vraag beantwoord of het toezeggingsinstrument kan worden ingezet indien de toezeggingsaanvraag is gedaan door een marktorganisatie (in het voorliggende geval ZuivelNL) die niet kwalificeert of kan kwalificeren als overtreder van de Wet OHP Landbouw. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daarbij acht de rechtbank van belang dat - hoewel de Wet OHP Landbouw op [afkorting bedrijf Y] van toepassing is - de door [afkorting bedrijf Y] geïnde contributiegelden volledig aan ZuivelNL worden doorgegeven ( [afkorting bedrijf Y] fungeert slechts als doorgeefluik). De ACM stelt terecht dat het risico op overtreding van de Wet OHP Landbouw op een meer effectieve en doelmatige wijze wordt geadresseerd met de toezegging door ZuivelNL dan met een toezegging door (of een sanctie tegen) [afkorting bedrijf Y] . Zelfs indien nader onderzoek tot de vaststelling van een overtreding zou leiden, zou een eventuele overtreding vastgesteld worden ten aanzien van [afkorting bedrijf Y] als afnemer, terwijl die overtreding haar basis zou vinden in het handelen van ZuivelNL. Bovendien ziet de onderhavige toezegging op alle melkveehouders die leveren aan een NZO-lid, en niet slechts op de melkveehouders van één NZO-lid, te weten [afkorting bedrijf Y] . De toezegging heeft daarmee een bredere werking, wat de effectiviteit ervan vergroot. De naleving van de toezegging is voor de ACM ook controleerbaar. Het ligt gezien de 'doorgeefluik'-constructie ook (uitsluitend) binnen de invloedssfeer van ZuivelNL om die toezegging te doen en ZuivelNL heeft ter zitting verzocht de door haar gedane en bindend verklaarde toezegging in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze wijze van het inzetten van dit instrument recht aan de door de wetgever gewenste mogelijkheid voor de ACM om maatwerk te leveren. De rechtbank is om de hiervoor genoemde redenen van oordeel dat het bindend verklaren van de toezegging door ZuivelNL de rechtsbescherming van [afkorting vereniging X] ook niet aantast.
5.3.
Met betrekking tot het standpunt van [afkorting vereniging X] dat de toezegging oneigenlijk is omdat ZuivelNL niet bevoegd is om kosten in rekening te brengen, oordeelt de rechtbank als volgt.
5.3.1.
Zoals de ACM in het verweerschrift betoogt, miskent [afkorting vereniging X] met dat betoog de juridische aard van het contributiesysteem en de strekking van artikel 2, eerste lid en onder d, van de Wet OHP Landbouw. De grondslag voor het inhouden van de bijdrage van de melkveehouders is namelijk gelegen in de leveringsvoorwaarden die worden gesloten tussen de zuivelverwerkers en de melkveehouders. De zuivelverwerkers die lid zijn van NZO innen de contributie ten behoeve van ZuivelNL deels bij de melkveehouders die melk aan hen leveren. Dit is dus geregeld in de contractuele relaties die tussen deze zuivelverwerkers en melkveehouders bestaan en is daarmee een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen [afkorting bedrijf Y] en haar leveranciers. De zuivelverwerkers hebben op hun beurt weer een privaatrechtelijke relatie met ZuivelNL. Er is dus – anders dan in het verleden toen het productschap als ketenorganisatie voor de zuivelsector actief was – geen sprake van een situatie waarin de contributie (publiekrechtelijk) wordt 'opgelegd' aan de zuivelverwerkers dan wel de melkveehouders. In plaats daarvan is de contributie privaatrechtelijk overeengekomen.
5.3.2.
De ACM betoogt terecht dat, omdat sprake is van een privaatrechtelijke regeling, er geen bevoegdheid nodig is aan de zijde van ZuivelNL om [afkorting bedrijf Y] in staat te stellen de contributie te innen. Er bestaat dan ook geen noodzaak om deze betaling via een avv te regelen. Wel moet in de contractuele relatie tussen de zuivelverwerkers als afnemers van landbouwproducten en de melkveehouders als leveranciers van die producten geborgd worden dat de Wet OHP Landbouw nageleefd wordt.
5.3.3.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank [afkorting vereniging X] niet in haar standpunt dat de toezegging oneigenlijk is.
Heeft de ACM haar prioriteringsbeleid
juist toegepast?
6. De ACM heeft in het bestreden besluit getoetst aan haar prioriteringsbeleid en heeft – kort samengevat – het volgende overwogen. Nader onderzoek naar het contributiesysteem van ZuivelNL staat niet in verhouding tot het effect dat de ACM in deze zaak nog zou kunnen bereiken. Uit het initieel inventariserend onderzoek dat de ACM heeft uitgevoerd, is niet komen vast te staan of de Wet OHP Landbouw is overtreden. Zolang het bestaan van een overtreding geen gegeven is, kan de ACM de afweging maken of zij aan nader onderzoek prioriteit zal geven of dat zij van nader onderzoek zal afzien. De toezegging van ZuivelNL beïnvloedt de prioriteringsafweging van de ACM in deze zaak. Omdat de toezegging het risico op een overtreding van de Wet OHP Landbouw voldoende adresseert, is het niet doeltreffend en doelmatig om een volledig handhavingsonderzoek ten aanzien van het contributiesysteem in te stellen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat [afkorting vereniging X] geen inhoudelijke beroepsgronden tegen deze overwegingen heeft aangevoerd. Voor het oordeel dat het prioriteringsbesluit geen stand kan houden, ziet de rechtbank geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ACM de toezegging door ZuivelNL op goede gronden bindend heeft verklaard en het handhavingsverzoek van [afkorting vereniging X] mocht afwijzen op grond van haar prioriteringscriteria. Beide besluiten blijven daarom in stand. Omdat het beroep ongegrond is krijgt [afkorting vereniging X] het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. S.M. Goossens en mr. C.A. Geleijnse, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1, eerste en tweede lid
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d
1. Een afnemer handelt onrechtmatig jegens een leverancier indien hij een van de volgende handelspraktijken verricht:
de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betalingen doet die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van de leverancier.
Instellingswet Autoriteit Consument en Markt
Artikel 12h, eerste en tweede lid
1. Onverminderd artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid van de Autoriteit Consument en Markt tot het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom aan een marktorganisatie, indien de Autoriteit Consument en Markt op aanvraag van die marktorganisatie besluit tot het bindend verklaren van een door die marktorganisatie gedane toezegging.
2. De Autoriteit Consument en Markt kan een besluit nemen als bedoeld in het eerste lid, indien zij het bindend verklaren van een toezegging doelmatiger acht dan het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom.
Als bedoeld in artikel 12h van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt.
Kamerstukken II, vergaderjaar 2012–2013, 33 622, nr. 3, pagina’s 10 en 50.
Beleidsregel Prioritering van handhavingsonderzoeken door de Autoriteit Consument en Markt 2023, Staatscourant 2023 25 mei 2023, nr. 15184. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|