|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:3799 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/1775 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de vraag of het college een omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voor het veranderen van een bestaande varkenshouderij. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | ammoniak | | | ammoniakemissie | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | geurhinder | | | intensieve veehouderij | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stallen | | | stalsysteem | | | varkenshouderij | | | veehouderij | | | vleesvarkens | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1775
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen
Stichting [eiseres 1] , uit [plaats 1] , eiseres 1,Stichting [eiseres 2] , uit [plaats 2] , eiseres 2,samen eiseressen
(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [maatschap] uit [plaats 3] (vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college een omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voor het veranderen van een bestaande varkenshouderij. Eiseressen zijn het daar niet mee eens. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde wijziging uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eiseressen krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een bestaande varkenshouderij gelegen aan [adres] .
2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met twee verweerschriften, waarvan één is opgesteld door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant namens het college.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eiseres 1 werd daarnaast vertegenwoordigd door [naam 1] (voorzitter) en [naam 2] (penningmeester). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. [naam 3] , ing. [naam 4] en [naam 5] .Namens vergunninghoudster waren [naam 6] en ing. [naam 7] (namens Agrifirm NWE B.V.) aanwezig.
2.3.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3. Vergunninghoudster exploiteert een varkenshouderij aan [adres] (de varkenshouderij). In de huidige situatie mag zij op grond van een revisievergunning van 26 juli 2011 en een omgevingsvergunning voor een milieu neutrale wijziging van 6 maart 2017 1.096 gespeende biggen en 7.175 vleesvarkens houden.
3.1.
Vergunninghoudster is voornemens de dierbezetting binnen de inrichting te wijzigen. De wijzigingen houden het volgende in:
In stal 1 worden de 1.096 gespeende biggen niet meer gehouden;
In stal 2 wijzigt de dierbezetting van 2.407 (1.152 en 1.255) vleesvarkens naar 2.510 vleesvarkens tot 50 kg of 1.824 vleesvarkens groter dan 50 kg.
In stal 1 en 3 wijzigt de dierbezetting van 4.768 (160 en 4.608) vleesvarkens naar 7.662 vleesvarkens tot 50 kg of 5.353 vleesvarkens groter dan 50 kg.
Stallen 1, 2 en 3 worden aangesloten op een gecombineerd luchtwassysteem (BWL 2009.12).
3.2.
Ten opzichte van de vergunde situatie vindt er in de beoogde situatie, binnen de bestaande stalruimten, een uitbreiding plaats met 2.997 vleesvarkens kleiner dan 50 kg.
3.3.
Op 8 juni 2020 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het binnen de bestaande stalruimten veranderen van de varkenshouderij. De aanvraag ziet op de activiteiten ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, ‘Inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (Milieu)’ en ‘Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’.
3.4.
Op 18 juni 2021 heeft vergunninghoudster de aangevraagde activiteit ‘Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’ ingetrokken. Hiervoor is op 17 februari 2023 een losse aanvraag voor een natuurvergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend bij Gedeputeerde Staten (GS).
3.5.
Het college heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast.
3.6.
De ontwerpbeschikking omgevingsvergunning is op 6 december 2023 gepubliceerd en heeft van 6 december 2023 tot en met 16 januari 2024 ter inzage gelegen op het gemeentekantoor van de gemeente Oisterwijk. Naar aanleiding daarvan hebben eiseressen een pro forma zienswijze ingediend op 15 januari 2024 en een aanvulling op deze pro forma zienswijze op 2 februari 2024.
3.7.
Op 9 juli 2024 heeft vergunninghoudster een aanvullende aanvraag ingediend voor de activiteit ‘Het (ver)bouwen van een bouwwerk’ ten behoeve van het plaatsen/vervangen van een luchtwasser op een bestaande stal.
3.8.
Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 heeft het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3o Wabo een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘Het (ver)bouwen van een bouwwerk’, ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘Milieu, het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting’.
3.9.
Eiseressen hebben daar op 10 maart 2025 beroep tegen ingesteld.
Wettelijk kader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 8 juni 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold voor 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.2.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beroepsgronden
5. Eiseressen hebben aangevoerd dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde wijziging uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. In dat verband voeren eiseressen aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van de effectiviteit van de toegepaste emissiearme stalsystemen. Daarnaast voeren zij aan dat ten onrechte geen passende beoordeling is gemaakt bij het intern salderen en niet is getoetst aan het additionaliteitsvereiste. Daarom is er volgens eiseressen op beide gronden geen sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing. Volgens eiseressen volgt uit het voorgaande ook dat een milieueffectrapport (MER) niet achterwege had mogen blijven. Verder stellen eiseressen dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor de gezondheid van omwonenden en dat het GGD-advies niet (voldoende) is gevolgd.
Omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk
6. De rechtbank stelt vast dat tegen de omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op de activiteiten ‘het (ver)bouwen van een bouwwerk’ geen zelfstandige beroepsgronden zijn aangevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van de bouwactiviteit.
Omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan
7. Het was op grond van de Wabo verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangevraagde verandering van de varkenshouderij in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied, correctieve herziening’. In dat bestemmingsplan is aan het perceel van de varkenshouderij de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap, natuur en cultuurhistorie 1’ toegekend, de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Natuur attentiegebied’ en de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’. Als gevolg van de verandering van de varkenshouderij wordt afgeweken van de planregel (gebruiksregel) uit artikel 4.4, onder n, waarin staat dat de wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen niet is toegestaan.
7.1.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat voor deze strijdigheid alleen een omgevingsvergunning kon worden verleend, wanneer uit een goede ruimtelijke onderbouwing was gebleken dat het initiatief in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening en, voor zover vereist, de gemeenteraad had verklaard geen bedenkingen te hebben tegen het initiatief.
Verklaring van geen bedenkingen
8. De rechtbank constateert dat raad van de gemeente Oisterwijk op 16 maart 2023 de lijst met categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist gemeente Oisterwijk 2023 (Categorieënlijst) heeft vastgesteld. Uit deze lijst volgt dat geen verklaring van geen bedenkingen is vereist voor aanvragen voor locaties die zijn gelegen buiten de straal van 250 meter van de bebouwde kom en Natura 2000-gebieden. Bij de Categorieënlijst hoort een kaart waarop de bebouwde kom, de Natura 2000-gebieden en het overgangsgebied (250 meter-zone) zijn aangegeven. De rechtbank stelt op basis van deze kaart vast dat de varkenshouderij van vergunninghoudster buiten deze gebieden en zones is gelegen. Dat betekent dat voor deze aanvraag geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist.
Goede ruimtelijke ordening
9. Zoals deze rechtbank in een eerdere uitspraak heeft overwogen, was volgens de wetsgeschiedenis sprake van een goede ruimtelijke ordening, wanneer zo gunstig mogelijke voorwaarden werden gecreëerd voor het gebruik en de ontwikkeling van een bepaald gebied. Het college diende een belangenafweging te maken tussen alle betrokken ruimtelijk relevante belangen en diende aan de hand van die belangenafweging vast te stellen wat hij een goede ruimtelijke ordening vond: welke ruimtelijk relevante belangen hij wilde behartigen ten behoeve van een goed woon-, leef- of verblijfsklimaat. Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan het college toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, kwam het college beleidsruimte toe. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht.
9.1.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op het perceel van vergunninghoudster de bestemming Agrarisch met waarden, functie-aanduiding intensieve veehouderij rust. Op grond van artikel 4.1 aanhef en sub f zijn deze gronden dus bestemd voor intensieve veehouderij. De planwetgever heeft daarmee bij de vaststelling van het bestemmingsplan al beoordeeld dat intensieve veehouderij in de vorm van een varkenshouderij op deze locatie in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar is. In deze procedure ligt daarom de vraag voor of de aangevraagde wijziging van deze planologisch toegestane situatie niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening is.
Afname ammoniakemissie
10. Eiseressen voeren aan dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de toegepaste emissiearme stalsystemen voldoende effectief zijn. Volgens hen is die effectiviteit niet gegarandeerd, zodat niet kan worden uitgesloten dat de ammoniakemissie toeneemt. Dit had volgens eiseressen bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening betrokken moeten worden. Volgens eiseressen is het besluit waarin geoordeeld is dat er geen MER hoeft te worden opgesteld bovendien ondeugdelijk, omdat daarin zonder meer is uitgegaan van de effectiviteit van de emissiearme stalsystemen.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bij de beoordeling van ammoniakemissie van een veehouderij dient uit te gaan van de emissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Uit de aan de aanvraag ten grondslag liggende berekeningen blijkt volgens het college een aanzienlijke afname van de totale ammoniakemissie. Dat geldt ook wanneer stalsysteem BWL 2004.05 buiten beschouwing wordt gelaten, zodat volgens het college voldoende marge bestaat bij het niet (volledig juist) functioneren van de emissiearme stalsystemen.
11. De rechtbank beoordeelt of het college zich in het kader van de goede ruimtelijke ordening in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de aangevraagde wijziging van het aantal dierplaatsen en de bestaande stalsystemen kan worden uitgegaan van een afname van de ammoniakemissie.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor ligt, maar een omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Dat er bij de beoordeling van de vraag of een project in het kader van de Wnb significante effecten op een Natura 2000-gebied kan hebben op grond van de Habitatrichtlijn wetenschappelijke zekerheid moet bestaan omtrent het optreden van deze significante effecten, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat dezelfde wetenschappelijke zekerheid ook bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a sub 3 van de Wabo zou moeten bestaan.
11.2.
Het college heeft er bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor gekozen om bij de beoordeling van de vraag of in dit geval sprake is van een toename van de ammoniakemissie van de veehouderij als gevolg van de wijziging aan te sluiten bij de emissiefactoren uit de Rav. De rechtbank stelt vast dat in het bestemmingsplan dan wel in andere regels in het kader van de ruimtelijke ordening geen andere regels over de berekening van die emissies opgenomen zijn.
11.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet van deze emissiefactoren mocht uitgaan. Aan de aanvraag liggen berekeningen ten grondslag, waaruit volgt dat de ammoniakemissie in de beoogde situatie met 2.097,7 kg NH3 per jaar afneemt ten opzichte van de vergunde situatie (6.110,4 kg NH3 per jaar in de bestaande situatie en 4.012,7 kg NH3 per jaar in de beoogde situatie). Daarbij is tevens een zogenoemd worst case scenario doorgerekend, waarin is uitgegaan van het volledig niet functioneren van het bestaande stalsysteem (BWL 2004.05). Ook in dat scenario is nog steeds sprake van een afname van ammoniakemissie. Dat de emissiefactoren uit de Rav volgens eiseressen niet zonder meer representatief zouden zijn voor de daadwerkelijke emissie, maakt dit niet anders. De door eiseressen aangehaalde rechtspraak ziet op de beoordeling in het kader van de Wnb, waarin een ander toetsingskader geldt. Eiseressen hebben niet onderbouwd waarom het college in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening niet van deze emissiefactoren heeft mogen uitgegaan.
11.4.
Gelet hierop heeft het college zich in het bestreden besluit, aangevuld in het verweerschrift en ter zitting, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de aangevraagde wijziging kan worden uitgegaan van een afname van de ammoniakemissie. Voor het oordeel dat het college in dit verband niet van de gehanteerde uitgangspunten heeft mogen uitgaan, bestaat geen aanleiding.
Mer-beoordeling en afname ammoniakemissie
11.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, mocht het college deze uitgangspunten naar het oordeel van de rechtbank ook betrekken bij de beoordeling of een milieueffectrapport moest worden opgesteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld.
Intern salderen, passende beoordeling en additionaliteitsvereiste
12. Eiseressen voeren aan dat het college bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van het aantal dierplaatsen en de stalsystemen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van het intern salderen. Volgens hen kan niet worden volstaan met een afzonderlijke beoordeling in het kader van de Wnb, maar moeten het intern salderen, de noodzaak van een passende beoordeling en de additionaliteitstoets ook worden betrokken bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Volgens eiseressen is het besluit met de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden opgesteld bovendien ondeugdelijk, omdat daarin zonder passende beoordeling is uitgegaan van intern salderen.
12.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de beoordeling van het intern salderen, de noodzaak van een passende beoordeling en de toetsing aan het additionaliteitsvereiste plaatsvinden in het kader van de Wnb. Deze aspecten maken volgens het college geen onderdeel uit van de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
13. De rechtbank stelt vast dat vergunninghoudster na het indienen van de aanvraag de activiteit ‘Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’ heeft ingetrokken. Hiervoor heeft zij een losse aanvraag om een Wnb-vergunning ingediend bij GS. Zoals deze rechtbank eerder op grond van uitspraken van de Afdeling heeft overwogen, staat het een aanvrager, die heeft gekozen voor vrijwillige aanhaking, vrij om de natuurvergunning te ‘ontkoppelen’ van de omgevingsvergunning.
13.1.
Omdat de aanvraag om een natuurvergunning is losgekoppeld van de aanvraag om de omgevingsvergunning, is het aan GS als bevoegd gezag ten aanzien van de Wnb om daar een oordeel over te geven.
13.2.
Gelet op het specialiteitsbeginsel heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet gehouden was om in het kader van de omgevingsvergunning vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te beoordelen of een passende beoordeling moest worden gemaakt en of wordt voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
Mer-beoordeling en intern salderen, passende beoordeling en additionaliteitsvereiste
13.3
Daarnaast ziet de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport.
Omgevingsvergunning voor milieu
Geur, gezondheid en het GGD-advies
14. Eiseressen voeren aan dat het college met het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van geurhinder voor de gezondheid van omwonenden. Volgens eiseressen heeft de GGD in haar advies van 30 augustus 2022 concrete aanbevelingen gedaan om de geurbelasting te beperken. Deze aanbevelingen hadden volgens hen als voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
14.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling van de aanvraag de gevolgen voor de gezondheid van omwonenden zijn betrokken. Daarbij is volgens het college van belang dat de geurbelasting en overige emissies afnemen ten opzichte van de vergunde situatie, zodat sprake is van een verbetering.Het college wijst erop dat het advies van de GGD geen juridisch bindende normen bevat. De in dat advies opgenomen aanbevelingen zijn volgens het college betrokken bij de besluitvorming, maar geven geen aanleiding om aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden. Volgens het college zijn in de vergunning wel voorschriften opgenomen ter beperking van geurhinder, waaronder het opstellen van een geurbeheersplan en controlevoorschriften. Voor het opnemen van voorschriften over continue metingen bestaat volgens het college op dit moment geen aanleiding, omdat dergelijke maatregelen nog in ontwikkeling zijn.
15. De rechtbank begrijpt het argument van eiseressen aldus dat zij vinden dat het college het aspect gezondheid onvoldoende heeft betrokken bij het verlenen van de vergunning voor het aspect milieu. In de onderbouwing van de beroepsgrond wordt immers verwezen naar het Activiteitenbesluit en de Best beschikbare technieken (BBT). Dit zijn regels op het gebied van milieu.
15.1
De varkenshouderij was onder het vóór 1 januari 2024 geldende recht een type C-inrichting: een inrichting die nadelige gevolgen kon veroorzaken voor het milieu en als vergunningplichtig was aangewezen. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo was daarom een omgevingsvergunning vereist voor het veranderen (van de werking) van de inrichting.
Gelet op artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo moest het college ook afzonderlijk het aspect gezondheid als mogelijk gevolg voor het milieu betrekken bij de besluitvoering. Dit toetsingskader geeft volgens de Afdeling aan het bevoegd gezag niet de ruimte om een omgevingsvergunning uitsluitend uit voorzorg te weigeren. Het college moest nagaan of het belang van de bescherming van het milieu eraan in de weg stond dat de vergunning werd verleend. Dit betekent dat het aan het bevoegd gezag is de belangen te benoemen die zich verzetten tegen het toelaten van de aangevraagde milieuactiviteit. Alleen belangen waarover voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat, kunnen in dit verband een rol spelen. Ook voor belangen die zijn gerelateerd aan gezondheid betekent dit dat op grond van algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten moet vaststaan dat de activiteit waarvoor de vergunning wordt gevraagd zodanige risico’s oplevert, dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verboden dan wel dat de vergunning om die reden moet worden geweigerd.
15.2
De rechtbank stelt vast dat het college de gevolgen voor de gezondheid van omwonenden bij de besluitvorming heeft betrokken en daarbij onder meer het GGD-advies heeft meegewogen. Het college heeft aan de milieuvergunning voorschriften verbonden, waaronder het opstellen van een geurbeheersplan (voorschrift 5.6), waarin onder meer is opgenomen hoe wordt omgegaan met geurklachten, en controlevoorschriften ter borging van de werking van de emissiearme stalsystemen (voorschrift 5.10).
15.1.
Dat het college de aanbevelingen van de GGD niet integraal heeft overgenomen, betekent niet dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het GGD-advies aanbevelingen bevat en geen juridisch bindende normen. Het college heeft deze aanbevelingen betrokken bij de besluitvorming. Het college heeft ter zitting toegelicht dat bepaalde verdergaande maatregelen, zoals continue monitoring, nog in ontwikkeling zijn en nog niet beschouwd worden als BBT. Daarom is deze verdergaande maatregel (nog) niet als voorschrift aan de vergunning verbonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het GGD-advies en de daarin opgenomen aanbevelingen voldoende rekening is gehouden.
Conclusie
16. Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevraagde wijziging van de varkenshouderij in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzitter, en mr. T.I. van Term en mr. M. Koek, leden, in aanwezigheid van mr. R.J. Wesel, griffier op 7 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten (1°.), het veranderen of veranderen van de werking (2°.) of het in werking hebben (3°.) van een inrichting of mijnbouwwerk.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of,
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo
In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 6.5, eerste en derde lid, van het Bor
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
Lijst met categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist gemeente Oisterwijk 2023 (Categorieënlijst)
Artikel 3, eerste lid, van de Categorieënlijst
Een verklaring van geen bedenkingen is niet vereist voor aanvragen voor locaties buiten 250 meter van de bebouwde kom of een Natura 2000 gebied (Bijlage 1 overgangsgebied).
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, correctieve herziening’
Artikel 4.4, onder n, van de planregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen is niet toegestaan.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo.
Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Artikel 3, aanhef en eerste lid van de Categorieënlijst.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4052, r.o. 9.4.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:47, r.o. 7.
Artikel 2, eerste lid, van de Rav en bijlage 1 bij de Rav. Per stalsysteem was in bijlage 1 bij de Rav een emissiefactor opgenomen die moest worden vermenigvuldigd met het aantal dierplaatsen om de totale emissie van de stal te kunnen berekenen in kg NH3 per jaar.
Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4052, r.o. 6.2.
Artikel 1.1, eerste en derde lid, van de Wabo, artikel 1.1, eerste, derde en vierde lid, Wet milieubeheer (Wm).
Artikel 1.1, derde lid, Wm. Dit artikel verwees naar artikel 2.1, eerste lid, van het Bor in samenhang met bijlage 1 bij het Bor, onderdeel b en c. In onderdeel C, categorie 8.1, onder a, stond genoemd: ‘inrichtingen voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren’.
Artikel 1.1, eerste en derde lid, van de Wabo - in ieder geval aangewezen de inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort. Uit de Richtlijn Industriële emissies blijkt dat de inrichting van vergunninghoudster een IPPC-installatie heeft. In bijlage I bij die richtlijn wordt als zodanig aangewezen onder 6.6, onder b: ‘intensieve varkenshouderij met meer dan 2000 plaatsen voor mestvarkens’.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3154, r.o. 13.3. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|