Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:6293 
 
Datum uitspraak:01-06-2026
Datum gepubliceerd:01-06-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 25/733 en HAA 25/736
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:De rechtbank Noord-Holland geeft Wind Ontwikkeling Amsterdam Noord en de gemeente Amsterdam gelijk in een zaak tegen de provincie Noord-Holland. De provincie heeft onterecht een vergunning geweigerd voor de bouw van drie windturbines langs de Noorder IJ-plas. Wind Ontwikkeling Amsterdam Noord heeft bij de provincie Noord-Holland een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van drie windturbines aan de Noorder IJ-plas in Amsterdam. Gedeputeerde staten heeft de vergunning niet gegeven, omdat provinciale staten de daarvoor vereiste verklaring van geen bedenkingen niet gaven. Provinciale staten gaven die verklaring van geen bedenkingen niet omdat er natuurtoestemmingen ontbraken en omdat de windturbines een risico vormen voor de verkeersveiligheid rondom het knooppunt Coenplein. Naar het oordeel van de rechtbank hebben provinciale staten ten onrechte in hun afweging betrokken dat er natuurtoestemmingen zouden zijn vereist. Daarover loopt een andere procedure. Over de verkeersveiligheid zegt Rijkswaterstaat in een advies dat het draaien van de windturbines extra afleiding geeft voor automobilisten op het al zeer verkeersonveilige Coenplein waardoor de verkeersveiligheid onaanvaardbaar zou verslechteren. De andere betrokken ruimtelijke ordeningsbelangen wijzen volgens de provincie in de richting van het toestaan van de windturbines. Met name de belangen van omwonende woonbootbewoners staan volgens de provincie niet in de weg aan de verlening van de vergunning. Provinciale staten moet een afweging maken tussen de gevolgen voor de verkeersveiligheid en het algemene belang dat is gediend met het plaatsen van de windturbines. Die afweging hebben zij niet goed gemaakt en niet goed onderbouwd. Dit betekent dat provinciale staten de betrokken belangen opnieuw moeten afwegen om te beoordelen of plaatsing van windturbines daar in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Trefwoorden:bestemmingsplan
forfaitair
omgevingsvergunning
tarieven
varkens
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 25/733 en 25/736 (gevoegde zaken)
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Wind Ontwikkeling Amsterdam Noord B.V., uit Amsterdam , eiseres, hierna: WOAN
gemachtigde: mr. E.M.N. Noordover, advocaat te Amsterdam
en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, uit Amsterdam , eiser, hierna: het college
gemachtigde: mr. P. Huiszoon, ambtenaar ten stadhuize

tegen

gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder, hierna: gedeputeerde staten
gemachtigden: mr. E. Elik, voorzitter van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) en mr. M.J.P. Kamp, advocaat in dienst van de provincie een voorzitter van de ODNZKG.

Als partij van rechtswege nemen deel aan het geding provinciale staten van Noord-Holland, hierna: provinciale staten
gemachtigden: mr. A.F.P. van Mierlo en mr. dr. T.C. Leemans, beiden ambtenaren in dienst van de provincie.

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats] , gemachtigde: mr. E. Erkamp, werkzaam bij DAS rechtsbijstand (derde-partij).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de omgevingsvergunning die WOAN heeft aangevraagd om de bouw van drie winturbines langs de Noorder IJ-plas in Amsterdam mogelijk te maken. Meer specifiek gaat de zaak over de weigering van provinciale staten om een verklaring van geen bedenkingen te verstrekken voor het afwijken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Eisers zijn het niet eens met de weigering.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat provinciale staten de verklaring van geen bedenkingen op ontoereikende gronden hebben geweigerd. Provinciale staten hebben ten onrechte overwogen dat aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat dat de benodigde natuurtoestemmingen niet verleend kunnen worden. Omdat provinciale staten dit argument ten onrechte hebben meegewogen in hun afweging, de meeste overige belangen wijzen richting verlening van de verklaring en alleen de verkeersveiligheid op het Coenplein een issue is, is de belangenafweging of een goede ruimtelijke ordening aan het project in de weg staat, ondeugdelijk. Dit betekent dat provinciale staten de betrokken belangen opnieuw tegen elkaar moeten afwegen om te beoordelen of plaatsing van windturbines op die plaats al dan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop


3.1.
WOAN heeft op 31 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor bepaalde tijd (30 jaar), omdat zij drie windturbines wil bouwen en gaan exploiteren op de kadastrale locatie sectie AH en perceelnummer 866, Noorder IJ-plas te Amsterdam . Zij heeft de aanvraag ingediend bij gedeputeerde staten als voor deze kwestie bevoegd gezag. De aanvraag strekt tot het vergunnen van gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met de bestemmingsplannen Noorder IJplas en Westrandweg 2e Coentunnel. Voor verlening van de vergunning is een verklaring van geen bedenkingen van provinciale staten vereist. Op de vergunningsaanvraag was onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing zoals geregeld in Afdeling 3.4 Uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



3.2.
Voordien, op 29 maart 2023, heeft WOAN twee aanvragen ingediend bij de gedeputeerde staten voor een (natuur)vergunning en een ontheffing in verband met respectievelijk gebieds- en soortenbescherming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).



3.3.
Op 20 februari 2024 hebben gedeputeerde staten een ontwerpbesluit tot weigering van de aanvraag om omgevingsvergunning alsmede een ontwerpbesluit van provinciale staten tot weigering van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) ter inzage gelegd tot 3 april 2024.



3.4.
WOAN en het college hebben op dit ontwerp gereageerd met een zienswijze.



3.5.
Op 9 juli 2024 hebben gedeputeerde staten beslist op de aanvraag om ontheffing (soortenbescherming) op grond van de Wnb door de ontheffing te weigeren.



3.6.
Op 9 juli 2024 hebben gedeputeerde staten ook hun voornemen kenbaar gemaakt de natuurvergunning (gebiedsbescherming) te weigeren.



3.7.
Bij uitspraak van 23 oktober 2024 op het beroep van WOAN heeft deze rechtbank bepaald dat gedeputeerde staten uiterlijk op 10 december 2024 een definitief besluit moesten nemen op de aanvraag van WOAN om een omgevingsvergunning.



3.8.
Op de statenvergadering van 13 november 2024 hebben provinciale staten het ontwerp voor een definitief besluit over al dan niet verlening van een vvgb behandeld.



3.9.
Op 18 november 2024 hebben provinciale staten definitief besloten de vvgb te weigeren.



3.10.
Om die reden hebben gedeputeerde staten de omgevingsvergunning met het bestreden besluit van 28 november 2024 geweigerd. Deze beslissing heeft samen met de weigering van de vvgb ter inzage gelegen van 5 december 2024 tot 18 januari 2025.



3.11.
WOAN en het college hebben op 15 januari 2025 elk afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



3.12.
Op 5 juli 2025 heeft het college een aanvullend beroepschrift ingediend.



3.13.
Gedeputeerde staten hebben op 25 april 2025 op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



3.14.
Op 18 december 2025 hebben gedeputeerde staten hun voornemen kenbaar gemaakt om hangende de bezwaarprocedure tegen de beslissing van 9 juli 2024 op de aanvraag om ontheffing (soortenbescherming) op grond van de Wnb dat besluit te wijzigen en de ontheffing deels te verlenen en deels te weigeren.



3.15.
Op 2 februari 2026 heeft WOAN de aanvraag van 29 maart 2023 om een vergunning voor gebiedsbescherming op grond van den Wnb ingetrokken.



3.16.
Op 5 maart 2026 hebben eisers verzocht om aanhouding van de behandeling van de beroepen ter zitting in afwachting op de uitkomst van hun bezwaren tegen de weigering van het verlenen van ontheffing voor soortenbescherming.



3.17.
Gedeputeerde staten hebben op 11 maart 2026 aangegeven het verzoek om aanhouding niet te steunen. Volgens gedeputeerde staten is een eventuele verlening van natuurtoestemmingen niet relevant en niet doorslaggevend voor de beoordeling in de onderhavige procedure.



3.18.
De rechtbank heeft vervolgens dezelfde dag de verzoeken om aanhouding van eisers afgewezen.



3.19.
Op 11 maart 2026 heeft de derde-partij een schriftelijke reactie ingediend.



3.20.
Op 12 maart 2026 hebben gedeputeerde staten een aanvullend verweerschrift ingediend.



3.21.
Op 13 maart 2026 heeft WOAN een aanvullend beroepschrift ingediend.



3.22.
De rechtbank heeft de beroepszaken die WOAN en het college afzonderlijk aanhangig hadden gemaakt, gevoegd omdat de zaken over hetzelfde onderwerp gaan.



3.23.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens WOAN deelgenomen: [naam 1] , bestuurder, de gemachtigde mr. E.M.N. Noordover, vergezeld door ing. [naam 9] (ecoloog), drs. [naam 10] (extern adviseur WOAN), [naam 2] (bestuurder van aandeelhouder Coöperatie Zuiderlicht U.A.). Namens het college heeft deelgenomen: de gemachtigde mr. P. Huiszoon, vergezeld door mr. drs. [naam 3] en ing. [naam 4] (verkeerskundige), beiden in dienst van de gemeente. Namens gedeputeerde staten hebben deelgenomen: de gemachtigden mr. E. Elik en mr. M.J.P. Kamp vergezeld door [naam 5] (in dienst van ODNZKG). Namens provinciale staten hebben deelgenomen: de gemachtigden mr. A.F.P. van Mierlo en mr. dr. T.C. Leemans. De gemachtigden van gedeputeerde staten en provinciale staten waren voorts vergezeld door Msc. [naam 6] en [naam 7] , beiden ambtenaren in dienst van Rijkswaterstaat. De derde-partij [derde-partij] heeft deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. E. Erkamp en vergezeld door [naam 8] , voorzitter van de vereniging van woonbootbewoners rond de IJplas.




Beoordeling door de rechtbank


Overgangsrecht en juridisch kader


4.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met een hier niet relevante uitzondering. In dit geval is de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 31 maart 2023. Dat betekent dat het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft, zoals de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de bestemmingsplannen Noorder IJplas en Westrandweg 2e Coentunnel. Hetzelfde geldt voor de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Elektriciteitswet, voor zover daar regels over bevoegdheid in ruimtelijke ordeningskwesties in stonden, en de Omgevingsverordening NH2022.



4.2.
Op grond van artikel 9f en 9e van de Elektriciteitswet 1998 waren gedeputeerde staten bevoegd gezag voor de verlening van omgevingsvergunningen voor windturbineparken met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW.



4.3.
Het bouwen en gebruiken van windturbines op de locatie is in strijd is met de bestemmingsplannen Noorder IJ-plas en Westrandweg 2e Coentunnel. WOAN verzoekt een vergunning om van die bestemmingsplannen af te wijken. Het besluit is op grond van artikel 3.10 Wabo voorbereid met toepassing van de uniforme openbare procedure als bedoeld in paragraaf 3.4 Awb. Het toetsingskader is neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en 3°, Wabo.



4.4.
Op grond van artikel 2.27 Wabo in samenhang met artikel 6.5, eerste en vierde lid, Bor is voor dit project een vvgb nodig van provinciale staten. Provinciale staten kan een vvgb op grond van artikel 6.5, tweede lid, Bor alleen weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Het weigeren van een vvgb heeft, gelet op van artikel 2.20a Wabo en artikel 6.5, eerste lid, Bor, tot gevolg dat gedeputeerde staten de omgevingsvergunning moet weigeren.


Enige feiten



5.1.
WOAN wil drie windturbines plaatsen aan de noord-, oost- en zuidzijde van de IJplas. De derde-partij woont in een woonboot aan de westzijde van de plas op een afstand van circa 400 meter van de plaats waar de dichtstbijzijnde molen is gepland. De Coentunnel en de rijkswegen die daar naar toe leiden, bevinden zich ten noorden en oosten van de plaats waar WOAN de turbines wil realiseren. Noordelijk van de IJplas is het Natura 2000-gebied ‘Ilperveld, Varkensveld, Oostzanerveld & Twiske’ (IVOT) gelegen.



5.2.
Adviesbureau Goudappel B.V. heeft op verzoek van WOAN een – op 10 november 2023 gedateerd – rapport uitgebracht over haar bevindingen ter beantwoording van de onderzoeksvraag in hoeverre de plaatsing van drie windturbines bij knooppunt Coenplein tot een onaanvaardbaar verhoogd risico leidt voor de verkeersveiligheid. Van het plaatsen van de meest zuidelijke turbine verwacht Goudappel geen negatieve bijdrage aan de verkeersveiligheid. Met betrekking tot de twee andere turbines is de verkeerssituatie op de routes naar de tunnel complex tot zeer complex. De taakcomplexiteit en kans op afleiding neemt toe door het plaatsen van de twee andere turbines. Goudappel acht deze toename ten opzichte van de bestaande situatie gering. Goudappel concludeert dat niet aangetoond kan worden dat de turbines in de gebruiksfase leiden tot een onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico en dat verwacht mag worden dat de risico’s zijn te compenseren met mitigerende maatregelen. Tijdens de bouw zijn wel gevaarlijke verkeerssituaties te verwachten, omdat veel afleiding door de werkzaamheden kan ontstaan, en zijn specifieke mitigerende maatregelen (werkzaamheden op rustige momenten) vereist. Bij het rapport is als bijlage 4 een achtergrond beoordeling van drie experts gevoegd. De experts zijn niet unaniem in hun beoordeling. Eén expert oordeelt dat met de komst van de twee noordelijke turbines sprake is van een onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersveiligheid; één expert oordeelt dat de afleiding en toename taakcomplexiteit zo klein zijn, dat dat niet als onaanvaardbaar mag worden beoordeeld; volgens de derde expert kan de plaatsing van de twee noordelijke turbines de druppel zijn die de emmer doet overlopen. Zij adviseert geen turbines te plaatsen, waarbij de noordelijkste turbine de grootste potentiële verkeersveiligheidsrisico’s mee kan brengen.



5.3.
Rijkswaterstaat heeft op 2 november 2023 negatief geadviseerd over het plaatsen van de twee noordelijk gelegen turbines. Rijkswaterstaat heeft daarbij de voornoemde bijlage 4 bij het rapport Goudappel betrokken en het advies van het Steunpunt Gedrag van Rijkswaterstaat. Door de turbines wordt op het zeer complexe Coenplein de bestaande hoge rijtaakbelasting verder verhoogd met toename van verkeersveiligheidsrisico’s tot gevolg. De turbines leiden volgens Rijkswaterstaat tot een onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersveiligheid op de rijkswegen op het Coenplein. Door Goudappel genoemde mitigerende maatregelen acht Rijkswaterstaat onvoldoende; alleen een complete reconstructie van het Coenplein acht Rijkswaterstaat een voldoende oplossing.


De verklaring van geen bedenkingen

6. Provinciale staten hebben de vvgb geweigerd met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Volgens provinciale staten verzetten de verkeersveiligheid rondom het knooppunt Coentunnelplein en het feit dat noodzakelijke natuurtoestemmingen op grond van de Wnb niet zijn verleend, zich tegen de vergunningverlening. Ten aanzien van de verkeersveiligheid verwijzen provinciale staten naar het advies van Rijkswaterstaat van 2 november 2023. Volgens Rijkswaterstaat zullen de windturbines prominent aanwezig zijn op het moment dat de rijtaakbelasting op het knooppunt al zeer hoog is. Omdat de windturbines een afleidende werking hebben, zullen ze leiden tot een verdere verhoging van de rijtaakbelasting en een onaanvaardbare verhoging van de verkeersveiligheidsrisico’s. De door de aanvrager aangedragen mitigerende maatregelen zijn volgens Rijkswaterstaat onvoldoende om dit probleem te verhelpen. Volgens Rijkswaterstaat kan alleen een complete reconstructie van het knooppunt een afdoende oplossing vormen, hetgeen niet van de initiatiefnemer verwacht kan worden. Ten aanzien van effecten van de windturbines op beschermde soorten en gebieden, overwegen provinciale staten dat volgens gedeputeerde staten niet kan worden uitgelsloten dat het project significante gevolgen zal hebben voor onder meer het in de buurt gelegen Natura 2000-gebied. Op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb is daarom volgens provinciale staten een vergunning vereist. Ten aanzien van de soortenbescherming voeren provinciale staten aan dat volgens gedeputeerde staten in elk geval voor enige diersoorten een ontheffing op grond van de Wnb is vereist. Provinciale staten wijzen erop dat er volgens gedeputeerde staten nog onvoldoende onderzoek is gedaan naar de effecten van de windturbines op de gunstige staat van instandhouding van vleermuis- en vogelpopulaties, ondanks het feit dat het plangebied wel bepaalde functies vervuld voor beschermde soorten. Zodoende staat de bescherming van soorten en gebieden in de weg aan de uitvoerbaarheid van het project.


Het bestreden besluit

7. Met het bestreden besluit hebben gedeputeerde staten onder verwijzing naar artikel 2.20a Wabo de omgevingsvergunning geweigerd.


Ontvankelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam



8.1.
De derde-partij voert aan dat het college geen belanghebbende is en daarom niet als eiser kan optreden. Op grond van artikel 1:2, tweede lid, Awb worden, zo erkent de derde-partij, ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. Het college dient daarom aannemelijk te maken dat een aan hem toevertrouwd belang door de weigering van de onderhavige omgevingsvergunning rechtstreeks wordt geraakt. Volgens de derde-partij wordt hier niet aan voldaan. De omgevingsvergunning is namelijk niet door het college aangevraagd, het college is geen initiatiefnemer van het windturbineproject en het college heeft ook geen andere formele rol bij de vergunningverlening. Voor zover het belang van het college is gelegen in het bevorderen van de energietransitie en het behalen van de doelstellingen in het kader van de Regionale Energiestrategie, is dit volgens de derde-partij een algemeen belang dat niet specifiek aan het college is toevertrouwd in de zin van artikel 1:2, tweede lid, Awb. De verantwoordelijkheid voor het bereiken van klimaatdoelstellingen rust op de overheid als geheel en niet exclusief op het gemeentebestuur.



8.2.
De rechtbank volgt de derde-partij niet in dit verweer. Het college kan immers reeds deelnemen aan het geding op grond van het Varkens in Nood-arrest. Dit arrest heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aldus uitgelegd dat ook aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. In het onderhavige geval heeft het college op 2 april 2024 een zienswijze ingediend op grond waarvan zij als eiser niet in beroep kan worden geweigerd. Strikt genomen zou vervolgens nog wel op basis van artikel 8:69a Awb de vraag aan de orde kunnen komen of het college zich beroept op rechtsregels die niet tot bescherming van zijn belangen zouden strekken, maar daar ziet de rechtbank reeds geen aanleiding voor omdat WOAN en het college gelijksoortige gronden hebben aangevoerd, zodat de gronden van het college toch moeten worden beoordeeld en aan WOAN die bepaling als aanvrager van de vergunning helemaal niet kan worden tegengeworpen.

Hebben provinciale staten voldoende gemotiveerd waarom de plaatsing van de windturbines in strijd is met een goede ruimtelijke ordening?

9. Op grond van artikel 6.5, tweede lid Bor, kunnen provinciale staten een vvgb alleen weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat op voorhand duidelijk zou zijn dat de benodigde natuurtoestemmingen niet verleend kunnen worden en omdat het bouwplan onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor de verkeersveiligheid op het Coenplein. De rechtbank gaat hieronder in op de door eisers aangevoerde gronden met betrekking tot deze twee argumenten.


De natuurtoestemmingen



10.1.
Eisers voeren aan dat provinciale staten onvoldoende deugdelijk hebben gemotiveerd waarom het ontbreken van een natuurvergunning en/of ontheffing op grond van de Wnb in de weg staat aan de verlening van de omgevingsvergunning. Het ontbreken van ontheffing op grond van de Wnb kan volgens de eisers enkel een reden zijn om de vvgb te weigeren als op objectieve gronden vaststaat dat de bescherming van bepaalde diersoorten onvoldoende gewaarborgd is. Eisers wijzen erop dat er nog juridische procedures lopen en dat er momenteel overleg plaatsvindt tussen de initiatiefnemer en de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord (ODNHN), als mandataris van gedeputeerde staten, over de verlening van de ontheffing in verband met soortenbescherming. Inmiddels heeft WAON haar aanvraag om een natuurvergunning op grond van de Wnb in verband met gebiedsbescherming ingetrokken omdat deze vergunning volgens haar niet vereist is. WAON stelt zich op het standpunt dat in verband met bescherming van het Natura2000-gebied als biotoop van de meervleermuis en de bruine kiekendief en in verband met het ontbreken van enige stikstofuitstoot door de windturbines, geen vergunningplicht bestaat. Verder wijst WAON op het feit dat gedeputeerde staten naar aanleiding van haar bezwaar voornemens is (gedeeltelijk) terug te komen van de eerdere weigering om ontheffing te verlenen in verband met soortenbescherming. Hieruit volgt logischerwijs dat de eerdere weigering onterecht was en niet ten grondslag mocht worden gelegd aan het besluit van provinciale staten om de vvgb te weigeren. Uit dat voornemen blijkt voorts dat uit nader onderzoek kan blijken dat ofwel geen ontheffing is vereist ofwel ontheffing (met voorschriften) kan worden verleend. In ieder geval volgt hieruit dat niet op voorhand kon worden gesteld dat een benodigde ontheffing of vergunning aan de uitvoerbaarheid van het Windpark in de weg staat. Omdat nog niet vast staat dat de natuurtoestemmingen nodig zijn of, indien nodig, helemaal niet verleend kunnen worden staat de Wnb op voorhand niet in de weg aan de vergunningverlening.



10.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat provinciale staten bij hun beoordeling of de gevraagde afwijking van de bestemmingsplannen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening mogen betrekken of op voorhand redelijkerwijs valt in te zien dat de wettelijke soorten- of gebiedenbeschermingsregimes aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staan. Als valt in te zien dat een ontheffing (in verband met soortenbescherming) en/of een vergunning (in verband met gebiedenbescherming) is/zijn vereist en een ontheffing en/of een vergunning niet kan worden verkregen, dan kan de vvgb in het belang van een goede ruimtelijke ordening worden geweigerd. Een dergelijke belemmering kan immers leiden tot de conclusie dat het vergunnen van de afwijking van het bestemmingsplan een ruimtelijke claim legt op een gebied zonder dat het vergunde gebruik daadwerkelijk kan worden uitgevoerd, hetgeen onnodig belemmerend kan zijn voor eventuele ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving zodat het vergunnen van de afwijking in strijd kan zijn met een goede ruimtelijke ordening. De inhoudelijk beoordeling of daadwerkelijk natuurtoestemmingen zijn vereist en zo ja of die kunnen worden verleend, valt buiten de omvang van dit geding omdat hierover in andere, aparte (lopende) procedures wordt geoordeeld. WOAN heeft er immers bewust voor gekozen om hiervoor aparte aanvragen in te dienen waardoor deze procedures gescheiden blijven. In dit geval is het dus de vraag of op voorhand redelijkerwijs duidelijk is dat natuurtoestemmingen zijn vereist en zo ja dat die niet verleend kunnen worden, waardoor deze in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van de realisatie van de windturbines.



10.3.
Uit de (voornemens over) besluiten op de aanvragen om natuurtoestemmingen blijkt dat gedeputeerde staten, het bevoegd gezag ter zake, voor wie de ODNHN de besluitvorming op grond van de Wnb voorbereidt, twijfels hebben over de juistheid en volledigheid van de door WAON ingebrachte natuurtoets. Zo luidt de conclusie van het besluit van 9 juli 2024 tot weigering van de ontheffing voor soortenbescherming dat, wegens onjuiste onderzoeksinspanning en onjuiste informatie, niet kan worden uitgesloten dat met de plaatsing van de windturbines afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding van verschillende beschermde soorten. Naar aanleiding van het bezwaar van WAON hebben gedeputeerde staten op 18 december 2025 echter het voornemen geuit om het weigeringsbesluit van 9 juli 2024 in te trekken en ontheffing voor soortenbescherming (slechts) gedeeltelijk te weigeren. Uit de eindconclusie van dat voornemen volgt dat in de bezwaarfase is gebleken dat het aannemelijk is dat de staat van instandhouding van vleermuissoorten niet in het geding komt door de windturbines. Ten aanzien van het verrichte onderzoek naar vogelsoorten komen gedeputeerde staten tot de conclusie dat het door WAON aangeleverde onderzoek ontoereikend is. Hieruit blijkt dat gedeputeerde staten nog steeds twijfels hebben bij de juistheid van de uitkomsten van het onderzoek. Gelet op dat onderzoek achten gedeputeerde staten de instandhouding van verschillende vogelsoorten nog niet voldoende geborgd. Provinciale staten beroepen zich op deze bevindingen.



10.4.
Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat de wettelijke soorten- of gebiedenbeschermingsregimes aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staan. Uit de conclusies van ODNHN namens gedeputeerde staten, volgt immers dat het natuuronderzoek dat in opdracht van WAON is uitgevoerd, naar de vraag of natuurtoestemmingen zijn vereiste en zo ja of die kunnen worden verleend, ontoereikend is om daar definitieve conclusies aan te verbinden. Het standpunt van provinciale staten dat natuurtoestemmingen zijn vereist en niet kunnen worden verleend, berust daarom op een onjuiste feitelijke grondslag. Bovendien bestaat er geschil tussen WOAN en gedeputeerde staten over de vraag of er natuurtoestemmingen nodig zijn en of die wel of niet kunnen worden verleend. WOAN heeft haar standpunt onderbouwd ingenomen en er loopt over de ontheffingen nog een procedure. De onderhavige procedure leent zich daarom niet voor een definitieve beslechting van deze geschillen. De rechtbank wijst er bovendien op dat de door gedeputeerde staten eerder getrokken conclusie dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat, ten aanzien van vleermuissoorten, volgens haar nader standpunt in ieder geval onjuist is. Gedeputeerde staten hebben immers op 18 december 2025 het voornemen geuit ontheffing te verlenen voor het opzettelijk doden of verstoren van vleermuissoorten ten gevolge van de bouw en het gebruik van de windturbines. Door het ontbreken van natuurtoestemmingen in de afweging over verlening van een vvgb te betrekken kleeft er dus een gebrek aan het besluit. Deze beroepsgrond slaagt dus in zoverre.


De verkeersveiligheid op het Coenplein



11.1.
Met betrekking tot verkeersveiligheid hebben eisers aangevoerd dat uit de beschikbare stukken blijkt dat de windturbines geen onaanvaardbaar verhoogd risico veroorzaken voor de verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid brengt, aldus eisers, dus niet mee dat het vergunnen van de afwijking van de bestemmingsplannen in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. Eisers wijzen ter onderbouwing van dit standpunt in de eerste plaats op de wegbeeldanalyse die is opgesteld door Goudappel in het rapport ‘Verkeersveiligheid windpark Coenplein’, gedateerd 10 november 2023. Uit die analyse volgt weliswaar dat de verkeerssituatie op het Coenplein complex tot zeer complex is, maar dat de toename van taakcomplexiteit en afleiding door de windturbines ten opzichte van de bestaande situatie relatief beperkt zal zijn. Er wordt verwacht dat er mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen om deze geringe effecten te compenseren. Eisers voeren aan dat provinciale staten bij de besluitvorming tot weigering van de vvgb de mitigerende maatregelen ten onrechte niet hebben betrokken. Verder voeren eisers aan dat provinciale staten ten onrechte volledig voorbij zijn gegaan aan een door WAON overgelegd rapport van De Baan van 9 oktober 2024 . Dit rapport betreft een second opinion en onderschrijft de conclusie van Goudappel. Ook in het rapport van De Baan worden de nodige mitigerende maatregelen voorgesteld. Een reactie op dit rapport ontbreekt in de Nota van beantwoording zienswijzen en het verweerschrift. Provinciale staten hebben dit rapport terzijde geschoven wegens termijnoverschrijding, terwijl het advies van Rijkswaterstaat, ingekomen op 2 november 2023, wél in de beoordeling is betrokken. WOAN voegt hier nog aan toe dat provinciale staten ten onrechte Rijkswaterstaat zijn gevolgd in zijn verwijzing naar de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer van het Rijk”, aangezien deze beleidsregel niet ziet op deze situatie.



11.2.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het toevoegen van de twee meest noordelijke windturbines invloed heeft op de rijtaakbelasting voor automobilisten die op het Coenplein rijden – met name vanuit het noorden naar de Coentunnel toe – en daarmee op de verkeersveiligheid op het Coenplein. Verder zijn partijen het erover eens dat de rijtaakbelasting op het Coenplein in de bestaande situatie al erg hoog is. Bij de beoordeling laat de rechtbank buiten beschouwing wat de invloed van feitelijke plaatsing van windturbines op de verkeersveiligheid zal zijn, waarover partijen ook hebben gediscussieerd, omdat (tijdelijke) bouwwerkzaamheden geen rol spelen bij de vraag of een ontwikkeling uit een oogpunt van ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Het gaat immers in dit geding om de vraag of (blijvend) gebruik van gronden op een bepaalde wijze moet worden vergund en niet hoe een bouwwerkzaamheid mag worden uitgevoerd. Die laatste vraag kan eventueel onderdeel zijn van besluitvorming over de (technische) bouwactiviteit.



11.3.
De vraag waar partijen het niet over eens zijn, is de vraag of (de beweging van) windturbines de rijtaak zodanig verzwaart dat sprake is van een onaanvaardbare toename van de verkeersonveiligheid op het toch al verkeersrisicovolle Coenplein, zodat sprake is van een dusdanige verhoging van verkeersrisico’s dat het vergunnen van de (twee) windturbines op die plaats niet in het belang is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij verschillen partijen ook van mening over de vraag of die gevolgen van windturbines op die plaats kunnen worden gemitigeerd, waardoor de risico’s kunnen worden beperkt of weggenomen.



11.4.
Provinciale staten baseren hun standpunt ten aanzien van de verkeersveiligheid op de adviezen van Rijkswaterstaat van 29 maart 2023, 2 november 2023 en 24 februari 2024. Volgens provinciale staten dienen zij het bouwplan te toetsen aan de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer van het Rijk”. Rijkswaterstaat heeft dat gedaan en geconcludeerd dat het toevoegen van de windturbines leidt tot een onaanvaardbaar verhoogd verkeersveiligheidsrisico op het Coenplein.



11.5.
Eisers voeren terecht aan dat die beleidsregel niet van toepassing is op deze situatie. De beleidsregel ziet immers op beslissingen van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) en dus op beslissingen van de staatssecretaris over toestemming (vergunning) tot het plaatsen langs rijkswegen waarvoor een dergelijke vergunning op grond van die wet is vereist. Tussen partijen is echter niet in geschil dat WOAN een dergelijke vergunning (en ook niet onder de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een beperkingenactiviteit met betrekking tot een weg die het vergunningsvereiste uit de Wbr heeft vervangen) niet nodig heeft, omdat zij niet op (het terrein van) een rijksweg wil bouwen.



11.6.
Dat neemt niet weg dat provinciale staten het advies van Rijkswaterstaat in beginsel wel bij zijn beoordeling mag betrekken, omdat Rijkswaterstaat ter zake wel deskundig geacht kan worden. Indien Rijkswaterstaat tot de conclusie komt dat het toevoegen van de windturbines leidt tot een onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico op het Coenplein, mag provinciale staten zich in zijn afweging op dat advies baseren.



11.7.
Het geschil ziet daarom op de inhoud van de adviezen van Rijkswaterstaat. Eisers verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar het advies van Goudappel, gedateerd 10 november 2023, en hebben na het uitbrengen van het advies van Rijkswaterstaat een advies van De Baan verkeersadvies van 9 oktober 2024 ingebracht. Uit alle adviezen, zowel die van Rijkswaterstaat als die van Goudappel en De Baan, volgt dat het Coentunnelplein een zeer complex knooppunt is waar de rijtaakbelasting erg hoog is. Uit de adviezen volgt ook dat de beweging van windturbinerotoren extra afleiding geeft en de rijtaak extra belast. Provinciale staten wijzen er voorts terecht op dat uit bijlage 4 bij het advies van Goudappel blijkt dat twee van de drie experts de verzwaring van de rijtaak door (twee van de drie) windturbines een onaanvaardbare verhoging van de risico’s voor de verkeersveiligheid vinden. De Baan concludeert ook dat windturbines tot (iets) grotere verkeersveiligheidsrisico’s leiden. De deskundigen verschillen met name van mening over de vraag of die toename van taakbelasting door (de beweging van) de windturbines door middel van mitigerende maatregels kan worden beperkt of zelfs weggenomen. Goudappel doet in dit verband en aantal suggesties die zien op verwarrende bewegwijzering naar de Coentunnel toe en fouten in de vormgeving van het (complexe) verkeersplein.


11.8.
Naar het oordeel van de rechtbank doen de voorgestelde mitigerende maatregels echter onvoldoende af aan de conclusies van Rijkswaterstaat dat er een toename van rijtaakbelasting is en dus een toename van verkeersonveiligheid. Rijkswaterstaat heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat de (mogelijke) mitigerende maatregelen niet zien op het effect van de windturbines zelf maar alleen op de inrichting van het Coenplein. Het treffen van de mitigerende maatregels liggen daarmee (voor het merendeel) niet in de invloedsfeer van de vergunninghouder, maar in de invloedsfeer van Rijkswaterstaat. Dit zou betekenen dat Rijkswaterstaat extra maatregelen moet treffen om de verkeersveiligheid van het Coenplein te verbeteren, waardoor er als gevolg van de windturbines geen (onaanvaardbare) verhoging van de rijtaakbelasting meer zal ontstaan. Een en ander betekent dat provinciale staten de conclusie van Rijkswaterstaat dat het plaatsen van (twee van de) windturbines van invloed is op de verkeersveiligheid op het Coenplein in hun beoordeling kan betrekken.



11.9.
Ook het advies van De Baan verkeersadvies van 9 oktober 2024 doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het advies van Rijkswaterstaat. In het advies van De Baan worden de conclusies van Goudappel over de toename van rijtaakbelasting en daarmee de invloed op de verkeersveiligheid in wezen onderschreven. De conclusies op pagina 15 en 16 van het advies van De Baan dat de verkeersveiligheidsrisico’s als gevolg van de windturbines met de door Goudappel aanbevolen mitigerende maatregels kunnen worden ondervangen, is evenmin onvoldoende reden om het advies van Rijkswaterstaat ondeugdelijk te achten. Ten aanzien van deze mitigerende maatregelen heeft de rechtbank in de vorige rechtsoverweging al geoordeeld dat deze niet zien op de windturbines maar op de inrichting van het Coenplein zelf en het verhoogde risico voor de verkeersveiligheid niet (helemaal) weg kunnen nemen. Voor zover eisers nog aanvoeren dat provinciale staten het advies van De Baan ten onrechte niet (kenbaar) hebben betrokken in hun besluitvorming, is de rechtbank van oordeel dat dit niet afdoet aan het voorgaande. In het verweerschrift hebben gedeputeerde staten (onbestreden) aangevoerd dat Rijkswaterstaat op 8 november 2024 nog heeft gereageerd op het advies van De Baan en geen aanleiding heeft gezien om anders te adviseren. Hieruit volgt dat het advies van De Baan is betrokken bij de besluitvorming. Dat dit niet kenbaar is gebeurd, maakt niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.



11.10.
Dit alles maakt dat provinciale staten het advies van Rijkswaterstaat over de toename van de verkeersveiligheidsrisico’s als gevolg van de windturbines mag betrekken bij de afweging om wel of niet een vvgb te verlenen. De rechtbank wijst er wel op dat het advies van Rijkswaterstaat niet bindend is. Dat Rijkswaterstaat die toename onaanvaardbaar vindt, bindt provinciale staten dan ook niet. Uit de diverse adviezen en onbestreden stellingen over het op dit moment al meer dan gemiddeld hoge aantal ongelukken op het Coenplein volgt dat de situatie thans al zorgwekkend is, maar de vraag of de toename van de rijtaakbelasting onder die omstandigheden mede gelet op de andere betrokken belangen al dan niet aanvaardbaar is, hoort juist onderdeel te zijn van de afweging die provinciale moeten maken. Provinciale staten dienen immers alle betrokken belangen af te wegen en te motiveren waarom deze afweging leidt tot het al dan niet verlenen van de vvgb. De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of provinciale staten in dit geval een voldoende deugdelijke belangenafweging hebben gemaakt.

Is de belangenafweging toereikend?



12.1.
Eisers voeren verder aan dat provinciale staten de betrokken belangen niet op een juiste manier hebben afgewogen. Ten eerste voeren eisers aan dat uit de motivering van het besluit om de vvgb te weigeren niet blijkt hoe de betrokken belangen zijn afgewogen en welke belangen hierbij doorslaggevend worden geacht. Eisers zijn van mening dat een negatief verkeersadvies niet zonder meer moet leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De gevolgen voor de verkeersveiligheid moeten afgewogen worden tegen het algemene belang dat is gediend met het plaatsen van de windturbines. Eisers wijzen erop dat alle deskundigen van oordeel zijn dat er slechts sprake zal zijn van een beperkte verslechtering van de verkeersveiligheid. Tegenover de belangen van het opwekken van duurzame energie is deze beperkte verslechtering van de verkeersveiligheid volgens eisers aanvaardbaar en is het plaatsen van de windturbines dus niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wijzen eisers ook nog op artikel 3 van de Verordening van de Europese Unie ter versnelling van de inzet van hernieuwbare energie (kortweg: Noodverordening) waaruit volgt dat projecten ten behoeve van de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen van hoger openbaar belang zijn. WOAN heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat uit artikel 3, tweede lid, van de Noodverordening volgt dat voorrang moet worden gegeven aan projecten voor het opwekken van energie uit hernieuwbare bronnen voor zover deze van hoger openbaar belang worden geacht. Hieruit volgt volgens eisers dat provinciale staten geen ruimte wordt gelaten om het belang van verkeersveiligheid te laten prevaleren boven het hoger openbaar belang bij het opwekken van energie uit hernieuwbare bronnen. De belangenafweging in het kader van de goede ruimtelijke ordening moet volgens eisers in dit geval dus in hun voordeel uitvallen.



12.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Zoals gezegd hadden provinciale staten (het ontbreken van) de natuurtoestemmingen alleen in de belangenafweging mogen betrekken als op voorhand duidelijk was dat het ontbreken van deze toestemmingen in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het project. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder rechtsoverweging 10.4, is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. Het gesteld ontbreken van (vereiste) natuurtoestemmingen was daarom niet relevant voor de beoordeling of vergunningverlening in het belang van een goede ruimtelijke ordening is. Dit betekent dat provinciale staten in hun beoordeling en de belangenafweging ten nadele van WOAN alleen de gevolgen voor de verkeersveiligheid mee mag wegen als een belang dat zich verzet tegen het afgeven van de vvgb. Uit de motivering van de weigering van de vvgb blijkt immers dat er, op de natuurtoestemmingen en de verkeersveiligheid na, geen belangen zijn die zich verzetten tegen de vergunningverlening voor de windturbines. Omdat provinciale staten (het ontbreken van) de (vereiste) natuurtoestemmingen in het bestreden besluit ten onrechte hebben meegewogen, is de belangenafweging als geheel niet deugdelijk. Zoals hiervoor overwogen zal provinciale staten moeten overwegen en motiveren of de gevolgen voor de verkeersveiligheid zo zwaar wegen dat die aan verlening van de vvgb in de weg staan. Het is niet uitgesloten dat de belangenafweging anders uitvalt. Gelet hierop zullen provinciale staten de belangen opnieuw moeten afwegen en daarbij moeten motiveren hoe deze belangen zich tot elkaar verhouden.



12.3.
De rechtbank gaat niet mee in de stelling van eisers dat uit de Noodverordening volgt dat deze belangenafweging altijd in het voordeel van het opwekken van hernieuwbare energie moet uitvallen. Artikel 3 van de Noodverordening bepaalt namelijk alleen dat projecten met betrekking tot het opwekken van hernieuwbare energie van hoger openbaar belang zijn in het kader van artikel 6 van de Habitatrichtlijn, artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water en artikel 9 van de Vogelrichtlijn. Uit de bepaling in de Noodverordening volgt echter niet dat projecten met betrekking tot het opwekken van hernieuwbare energie altijd van hoger openbaar belang zijn of dat dit belang altijd zwaarder weegt dan bijvoorbeeld het belang van verkeersveiligheid. Artikel 3 van de Noodverordening is met name bedoeld om, in het geval van conflicterende openbare belangen, de mogelijkheid te bieden om af te wijken van de regimes van de Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Water en de Vogelrichtlijn, ten behoeve van projecten met betrekking tot het opwekken van hernieuwbare energie. Dit betekent niet dat de Noodverordening voorschrijft hoe de belangenafweging in het onderhavige geval moet uitvallen. Dat is overigens, zo concludeert de rechtbank ten overvloede, wel een reden te meer om het gesteld ontbreken van vereiste natuurtoestemmingen niet het gewicht toe te kennen dat provinciale staten daaraan (ten onrechte) hadden toegekend. Hetzelfde geldt voor het tweede lid van dit artikel. Hierin is slechts bepaald dat projecten met betrekking tot het opwekken van hernieuwbare energie voorrang dienen te krijgen in plannings- en vergunningsprocedures van de lidstaten. Het afwegen van de betrokken belangen blijft dus een bevoegdheid van provinciale staten.




Conclusie en gevolgen


13.1.
Het beroep is gegrond omdat de weigering een vvgb te verlenen en daarmee het bestreden besluit niet wordt gedragen door een toereikende belangenafweging en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Dat is in strijd met de artikelen 3:4 en 3:46 Awb en artikel 6.5 Bor. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende weigering een vvgb af te geven. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het op de weg van provinciale staten ligt om, zonodig na verder onderzoek, een nieuwe afweging te maken.



13.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat gedeputeerde staten een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen. Daaraan voorafgaand zullen provinciale staten opnieuw over het al dan niet verlenen van een vvgb moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt voor de nieuwe besluitvorming een termijn van 16 weken.



13.3.
Omdat de beroepen gegrond zijn moeten gedeputeerde staten het griffierecht aan beide eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 0,- omdat niet is gesteld of gebleken dat het college kosten heeft gemaakt voor extern ingeschakelde beroepsmatige rechtsbijstand. De vergoeding voor WOAN voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedraagt op grond van dat Besluit € 1.868,- (twee punten voor beroepschrift en zitting). Het uurtarief voor de ecoloog die aan de zijde van WOAN heeft deelgenomen aan de zitting, is niet onderbouwd. Het uurtarief voor deze deskundige wordt daarom op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald overeenkomstig de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor werkzaamheden waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijk bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 184,42 per uur. € 553,26 wijst de rechtbank daarom toe voor de kosten van de deskundige die is meegebracht, op basis van de drie uur durende zitting. De door WOAN verzochte vergoeding van reiskosten van € 9,20, waarvan zij niet heeft toegelicht op wie die kosten zien, wijst de rechtbank af omdat niet duidelijk is dat die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.







Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 28 november 2024 waaronder de weigering een vvgb af te geven;
- draagt provinciale staten op een nieuw besluit over verlening van een vvgb te nemen en gedeputeerde staten om binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat gedeputeerde staten aan beide eisers elk het griffierecht van € 385,- moet vergoeden;
- veroordeelt gedeputeerde staten tot betaling van € 2.421,26 aan proceskosten aan Wind Ontwikkeling Amsterdam Noord B.V.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. A.H. de Regt en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBNHO:2024:10631.


Zie het arrest van Europese Hof van Justitie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953.


Verordening (EU) 2022/2577 van de Raad van 22 december 2022 tot vaststelling van een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen.


Ter voorlichting van de derde-partij merkt de rechtbank op dat in het feit dat zij in de nabijheid van de voorgenomen positie van de turbines woont, provinciale staten geen reden hebben gezien de vvgb te weigeren en dat provinciale staten daarmee samenhangende belangen ook niet ten nadele van WOAN in besluitvorming hebben betrokken.
Link naar deze uitspraak