|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:243 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-06-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 25/626 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | DEI+ subsidie verleend. In verband met het te subsidiëren project moet de onderneming haar elektriciteitsaansluiting laten verzwaren en een nieuwe elektrische infrastructuur aanleggen naar en op haar productielocatie. De minister heeft terecht slechts een deel van de kosten die de onderneming hiervoor moet maken gesubsidieerd. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | lnv-subsidies | | | subsidies | | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 25/626
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. J. Dijkgraaf)
en
de minister van Klimaat en Groene Groei
(gemachtigde: mr. N. Adams)
Procesverloop in beroep
De onderneming heeft tegen het besluit van de minister van 26 juni 2025 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 9 april 2026. Namens de onderneming hebben aan de zitting deelgenomen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en de gemachtigde. Namens de minister hebben R.M. Hortensius en de gemachtigde deelgenomen.
Waar deze zaak over gaat
1.1
De onderneming produceert zuivelproducten. Op haar productielocatie in [woonplaats] worden diverse pasteurisatie-, indamp- en sproeidroogprocessen achtereenvolgens doorlopen om ‘rauwe’ melk te verwerken tot melkpoeders. Per 2050 wil de onderneming volledig CO2-neutraal kunnen opereren. Daarom wil zij een aantal energie-intensieve productieprocessen elektrificeren en (rest)warmte opnieuw gebruiken om zo de (fossiele) energievraag van haar productie te reduceren. Eén van de plekken in het productieproces waar veel aardgas verbruikt wordt, is het indampproces van de gepasteuriseerde melk. Op 27 augustus 2024 heeft de onderneming een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, paragraaf 4.2.10 Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+) (Regeling) voor het project ‘DEI+ Green Vapour – Innovatieve elektrificatie van het indampproces voor melkstromen’. Doelstelling van het project is het op bedrijfsschaal demonstreren van een concept waarbij restwarmte van de bestaande indampers elektrisch opgewaardeerd en toegepast wordt als enige energiebron voor diezelfde indampers.De installatie bestaat uit een warmtebuffer, warmtepompen, dampcompressoren en een e-boiler. Het deel van het project waarvoor de DEI+-subsidie is aangevraagd omvat nadrukkelijk niet de investeringskosten voor de e-boiler, omdat de Regeling niet voorziet in een subsidie voor e-boilers.
1.2
De bestaande elektrische aansluiting op de productielocatie heeft een capaciteit van 10 MW. Door de toevoeging van het project ‘Green Vapour’ komt de totale capaciteitsvraag daar bovenuit. Daarom moet de onderneming voor dit project een nieuwe elektrische infrastructuur naar en op haar productielocatie (laten) aanleggen. Stedin (de netbeheerder) kan alleen een aansluiting realiseren met een vermogen van 50 MVA op een spanningsniveau van 50 KV. Dit is een zwaardere aansluiting dan noodzakelijk voor het project, maar een minder zware aansluiting levert Stedin niet. De onderneming heeft daarom de volledige kosten voor het realiseren van deze aansluiting bij haar subsidieaanvraag opgegeven als subsidiabele kosten. De totale subsidiabele kosten van het project zoals beschreven in de aanvraag bedragen € 27.188.646,-. De onderneming heeft een subsidie aangevraagd van € 8.156.594,-.
1.3
Met het besluit van 16 december 2024 (subsidiebesluit) heeft de minister een subsidie van € 4.826.594,- aan de onderneming verleend. Met het bestreden besluit heeft de minister deze verhoogd naar € 5.431.694,-. Kort gezegd komt het standpunt van de minister erop neer dat niet alle kosten voor het verzwaren van de elektriciteitsaansluiting en de uitbreiding van de elektrische infrastructuur in aanmerking komen voor subsidie. Hij heeft daarom een berekening naar rato gemaakt en 25,3% van de kosten toegekend. De onderneming vindt dat zij voor alle kosten subsidie had moeten krijgen en heeft daarom beroep ingesteld.Wettelijk kader
2. Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.Beoordeling van het beroep
3. Aan de orde is de vraag of de minister de subsidieaanvraag terecht gedeeltelijk heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit hieronder toe.
4.1
In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de verzwaring van de netaansluiting weliswaar noodzakelijk is, maar dat dit een randvoorwaarde voor het project is die onvoldoende direct samenhangt met de daadwerkelijke uitvoering van projectactiviteiten en het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie. Op grond van artikel 38, derde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) en artikel 10, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) komen de kosten niet volledig in aanmerking voor subsidie. De nieuw aan te leggen netaansluiting heeft met 50 MVA een zeer ruime overcapaciteit, aangezien voor het project slechts 1,5 MW extra vermogen nodig is. Deze overcapaciteit kan de onderneming gebruiken voor toekomstige aanpassingen in het bedrijf die nu buiten de scope van dit project liggen. Verder beslaan deze kosten een aanzienlijk deel van de begroting, terwijl aanpassing van de netaansluiting op zichzelf geen energie-efficiëntie oplevert. Het is daarom niet redelijk om al deze kosten te subsidiëren. De minister heeft op basis van de volgende berekening geconcludeerd dat 25,3% van de kosten wel in aanmerking komt voor subsidie. Er is een nieuw actief vermogen (P) nodig van 11,5 MW (de bestaande 10 MW + 1,5 MW extra vermogen voor de nieuwe installatie). Het schijnbaar vermogen (S) is als volgt berekend: S = P x (1/0,9) = P x 1,1 (afgerond) = 11,5 x 1,1 = 12,65 MVA. Stedin moet een netaansluiting van 50 MVA aanleggen, een minder zware aansluiting kan zij op deze locatie niet aanbieden. Daarom rekent de minister 12,65/50 = 25,3% van de kosten rechtstreeks toe aan dit project.
4.2
In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor het verzwaren van de netaansluiting in beginsel subsidiabel zijn. Tijdens de zitting heeft de minister desgevraagd toegelicht dat hij erkent dat het project zonder de verzwaring van de netaansluiting niet uitvoerbaar is en dat de kosten dus direct verband houden met de uitvoering van het project. Daarmee is artikel 38, derde lid, van de AGVV als grondslag aan het bestreden besluit komen te ontvallen. Wat overblijft is de vraag of er sprake is van ‘redelijk gemaakte kosten’ in de zin van artikel 10, eerste lid, van het Kaderbesluit.
4.3
De onderneming voert aan dat de capaciteit van de nieuwe netaansluiting, 50 MVA, nauwelijks tot geen invloed heeft op de kosten voor het verzwaren van de netaansluiting. De omvang van die kosten wordt voor het overgrote deel bepaald door de spanning die op de netaansluiting komt te staan. De productielocatie werkt op een spanningsniveau van 13 KV, maar Stedin levert op een spanningsniveau van 50 KV, waardoor de onderneming genoodzaakt is grotere en complexere schakel- en transformatorinstallaties aan te leggen. Een aansluiting met een lager spanningsniveau kan Stedin niet realiseren. Of en in hoeverre de netaansluiting meer vermogen biedt dan de productielocatie voor de uitvoering van het project nodig heeft, doet dan ook niet ter zake. Verder stelt onderneming dat de enkele omstandigheid dat de kosten voor het verzwaren van de netaansluiting een groot deel van de totale projectkosten bedragen, niet maakt dat de kosten niet redelijk zouden zijn. Zij verwijst daarbij naar de nota van toelichting bij het Kaderbesluit (Stb. 2009, 419).
4.4
Het College is van oordeel dat de minister artikel 10, eerste lid, van het Kaderbesluit juist heeft toegepast. Uit de nota van toelichting blijkt dat de formulering van artikel 10, eerste lid, van het Kaderbesluit meebrengt dat “subsidiëring van die kosten kan worden geweigerd, die redelijkerwijs niet passen binnen de doelstelling van de subsidiëring of die onredelijk hoog zijn”. Dat de wetgever hiermee niet doelt op de omvang van de kosten ten opzichte van de omvang van het project, zoals de onderneming betoogt, volgt niet uit de nota van toelichting. De minister heeft daarom terecht bij zijn beoordeling betrokken dat de kosten voor het verzwaren van de netaansluiting een aanzienlijk deel van de begroting beslaan, terwijl die verzwaring op zichzelf niet bijdraagt aan de doelstelling van de Regeling, namelijk het ontwikkelen van innovatieve technologieën die leiden tot een hoger niveau van energie-efficiëntie. Ook heeft de minister terecht bij zijn beoordeling betrokken dat de nieuwe netaansluiting een zeer ruime overcapaciteit heeft. Deze extra capaciteit wordt deels gebruikt voor de e-boiler en biedt daarnaast ruimte voor toekomstige projecten van de onderneming. Als de volledige kosten voor de netaansluiting aan het project zouden worden toegerekend, zou daarmee een groot deel van de schaarse subsidiegelden ten goede komen aan een toepassing die op zichzelf niet innovatief is, namelijk de e-boiler, en aan toekomstige projecten waarvan nog niet duidelijk is of die bij zullen dragen aan innovatie op het gebied van energie-efficiëntie. Dat de kosten voor de verzwaring van de netaansluiting zo hoog zijn vanwege het hoge spanningsniveau en niet vanwege de grote capaciteit, doet daar niet aan af. Van doorslaggevend belang is dat sprake is van een zeer grote kostenpost die redelijkerwijs niet past binnen de doelstelling van de subsidiëring, omdat de overcapaciteit ook voor andere doeleinden gebuikt kan worden. De minister heeft terecht geconcludeerd dat het daarom niet redelijk is om de volledige kosten voor de verzwaring van de netaansluiting te subsidiëren op grond van de Regeling.
5 Het voorgaande betekent dat de minister terecht over is gegaan tot het maken van een berekening om te bepalen welk deel van de kosten wel in aanmerking komt voor subsidie. Het College stelt voorop dat de minister een zekere beoordelingsruimte heeft bij de invulling van het begrip ‘redelijk gemaakte kosten’. Dat betekent dat er meerdere berekeningswijzen mogelijk zijn en dat het aan de minister is om uit te leggen welke methode hij heeft gekozen en waarom. De minister heeft in dit geval gekozen voor een berekening op grond van het vermogen van de netaansluiting en het vermogen dat nodig is voor het project. Het College kan deze berekeningswijze goed volgen en is van oordeel dat in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd waarom voor deze methode is gekozen. De onderneming heeft in beroep als alternatief voorgesteld om alleen de kosten buiten beschouwing te laten die hoger uitvallen vanwege het grotere vermogen van de aansluiting. Zij heeft dit echter niet geconcretiseerd en het College gaat daar daarom aan voorbij.
Slotsom
6 Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
7 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. J.L.W. Aerts en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. A.A. Dijk
Bijlage
Algemene groepsvrijstellingsverordening
Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315)
Artikel 38, derde lid
3. De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energie-efficiëntie te behalen.
(…)
De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie, komen niet in aanmerking.
Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies
Artikel 10, eerste lid
1. Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|