Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2015:11407 
 
Datum uitspraak:18-02-2015
Datum gepubliceerd:04-06-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:C/04/127034 / HA ZA 13-35 C/04/127034 / HA ZA 13-35
Rechtsgebied:Goederenrecht
Indicatie:Tussenvonnis. Inhoud en uitleg erfdienstbaarheid. gestelde schade en het causale verband tussen die schade en de wijze waarop van de erfdienstbaarheid gebruik wordt gemaakt wordt betwist, reden waarom de rechtbank een deskundigenonderzoek wil gelasten. Zie ook arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 26 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1346.
Trefwoorden:landbouw
perceel
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond


zaaknummer / rolnummer: C/04/127034 / HA ZA 13-359


Vonnis van 18 februari 2015


in de zaak van



[eiser]
,
wonende te [plaatsnaam] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. G.M.W. Scaf,

tegen




1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaatsnaam] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. H. Jansen.


Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] (mannelijk enkelvoud) genoemd worden.




1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 21 mei 2014


het schrijven van de advocaat van [eiser] van 15 september 2014 met producties


het schrijven van de advocaat van [gedaagden] van 16 september 2014 met producties


het proces-verbaal van comparitie van 24 september 2014


de akte eiswijziging van [eiser] van 1 oktober 2014


de antwoordakte eiswijziging van [gedaagden] van 8 oktober 2014


de rolbeslissing van 8 oktober 2014 waarbij de eiswijziging is toegelaten


het schrijven van de advocaat van [gedaagden] van 21 oktober 2014


het schrijven van de advocaat van [eiser] van 24 oktober 2014


het aanvullende proces-verbaal van 10 november 2014.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagden] zijn sinds 1993 buren van elkaar en eigenaren van de onroerende zaken aan [adres 1] respectievelijk [adres 2] .



2.2.
De percelen zijn belast met een recht van erfdienstbaarheid. Op het perceel van [eiser] aan [adres 1] , kadastraal bekend [kadastrale gegevens] (als dienend erf) rust een erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van [gedaagden] aan [adres 2] , kadastraal bekend [kadastrale gegevens] (het heersende erf). Het recht werd gevestigd bij akte verleden op 18 april 1977 waarbij destijds door [naam X] werd verkocht aan [naam Y] :

“GEMEENTE [X] : weiland, gelegen aan [adres 3] , uitmakende gedeelten van de percelen, kadastraal aldaar bekend, [kadastrale gegevens] voor deze gedeelten samen groot ongeveer vier en twintig aren, of zo groot als bij latere kadastrale splitsing en opmeting zal blijken, ter plaatse behoorlijk afgepaald en aangeduid.”

en waarin voorts omtrent de erfdienstbaarheid staat vermeld:

“7. Ten laste van de bij deze akte overgedragen gedeelten van de kadastrale percelen [kadastrale gegevens] (de aan [naam Y] verkochte strook grond; toevoeging rechtbank) en ten behoeve van de aan verkoper ( [naam X] ; toevoeging rechtbank) verblijvende gedeelten van voormelde kadastrale percelen wordt gevestigd om niet en voor altijd de erfdienstbaarheid van weg ter breedte van ongeveer drie meter.”
De exacte ligging van de erfdienstbaarheid is in de akte niet (nader) omschreven of middels een aan die akte gehechte tekening duidelijk gemaakt.



2.3.
Ten tijde van de vestiging van het recht van erfdienstbaarheid bestond zowel het dienende als het heersende erf uit grasland.



2.4.
Na de vestiging van het recht van erfdienstbaarheid is, nog in 1977, op het door [naam Y] gekochte een dierenartsenpraktijk (thans de woning van [eiser] ) en een landhuis (thans de woning van [gedaagden] ) gebouwd.



2.5.
Het heersende erf ( [kadastrale gegevens] ) is in 1993 door [gedaagden] gekocht van [naam X]



2.6.
De weg op het perceel van [eiser] , waarover het in deze procedure gaat, is in 1977 verhard en is sindsdien nooit verlegd.





3Het geschil
in conventie

3.1.

[eiser] vordert - na eiswijziging - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

primair:
1. te verklaren voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg niet mede het recht inhoudt om van deze weg gebruik te maken met:
a. voertuigen breder van 3,00 meter, dan wel
b. voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton;
2. [gedaagden] te veroordelen om de hiervoor bedoelde verklaring voor recht te eerbiedigen en [gedaagden] te verbieden om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg met de onder 1.a. en 1.b. genoemde voertuigen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,= voor iedere afzonderlijke overtreding, tot een maximum van in totaal € 100.000,=;
3. te verklaren voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg slechts een recht van weg inhoudt voor de eigenaar(s) of gebruiker(s) van het heersend erf en dat dit recht niet gebruikt mag worden voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf;
4. [gedaagden] te veroordelen om de hiervoor gevorderde verklaring voor recht te eerbiedigen en [gedaagden] te verbieden om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,= voor iedere afzonderlijke overtreding, tot een maximum van in totaal € 100.000,=;
5. te verklaren voor recht dat er door of namens [gedaagden] in het verleden onrechtmatig gebruik werd gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg;
6. [gedaagden] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] zal lijden indien er in de toekomst opnieuw door of namens [gedaagden] onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg, nader op te maken bij staat en te vereffenen zoals de wet voorschrijft;
7. [gedaagden] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van een in dezen te wijzen veroordelend vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de kosten van dit geding alsmede alle kosten op de tenuitvoerlegging vallende.



3.2.

[gedaagden] voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


in reconventie



3.4.

[gedaagden] vordert na eisvermindering - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook voor wat betreft de proceskosten,

primair:


te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg rust op de weg langs de rechterzijde van de woning van [eiser] (zoals weergegeven op de tekening die als productie 1 is bijgevoegd);


te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg, mede gezien het feitelijk gebruik dat daarvan in lengte van jaren is gemaakt, inhoudt het recht om ongestoord en onbeperkt gebruik te maken van het bestaande recht van erfdienstbaarheid van weg, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag of een gedeelte daarvan met een maximum van € 25.000,=;



[eiser] te veroordelen tot het jaarlijks uitvoeren van onderhoud aan de erfdienstbaarheid van weg voor zijn rekening en risico;



[eiser] te veroordelen in de kosten van het geding;



subsidiair:


te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg ex artikel 5:72 BW door verjaring, langs de rechterzijde van de woning van [eiser] , is ontstaan (zoals weergegeven op de tekening die als productie 1 is bijgevoegd);


te verklaren voor recht dat, op basis van artikel 5:75 BW, [gedaagden] zelf gerechtigd is om te realiseren dat deze weg geheel vrij zal zijn van overgroeiende beplanting en andere zaken die [gedaagden] hinderen in de uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid, en dat [gedaagden] tevens gerechtigd is om te realiseren dat aan weerszijden van de weg een strook van 20 centimeter, of een eventuele strook van een breedte door de rechtbank in goede justitie te bepalen, eveneens vrij zal zijn van begroeiing of andere zaken die [gedaagden] hinderen in de uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid;



[eiser] te veroordelen in de kosten van het geding.





3.5.

[eiser] voert verweer.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling
in conventie

4.1.
Tussen partijen staat vast als zijnde enerzijds gesteld en anderzijds erkend dat sprake is van een erfdienstbaarheid en dat [kadastrale gegevens] het heersend erf is. [kadastrale gegevens] behoort thans in eigendom toe aan [gedaagden] . Tussen partijen staat verder inmiddels vast dat de erfdienstbaarheid gelegen is op de weg die (bezien vanaf de openbare weg) loopt langs de linkerzijgevel van de woning van [eiser] (bezien op de door [eiser] als productie 2 in het geding gebrachte luchtfoto: de rechterzijkant).



4.2.
Kern van het geschil is niet langer de ligging van de erfdienstbaarheid: ter gelegenheid van de comparitie heeft [eiser] gesteld dat hij zijn aanvankelijke standpunt dat de erfdienstbaarheid niet op de langs zijn huis liggende weg rust laat varen. Verder zijn partijen het erover eens dat er met landbouwverkeer gebruik mag en kan worden gemaakt van de weg. Partijen twisten echter over de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid, met name de wijze waarop [gedaagden] daarvan feitelijk gebruik maakt dan wel laat maken.



4.3.
Door [eiser] is primair sub 1 gevorderd te verklaren voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg niet mede het recht inhoudt om van deze weg gebruik te maken met voertuigen breder van 3,00 meter dan wel met voertuigen met een aslast van meer dan 2,5 ton. Aan deze vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat met te brede en te zware landbouwvoertuigen gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheid, hetgeen tot schade aan zijn eigendommen heeft geleid en zal leiden.



4.4.
In artikel 5:73 lid 1 BW is bepaald:

De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend.

Bij het vaststellen van de inhoud van een erfdienstbaarheid komt het dus aan op de in de notariële akte van vestiging tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in die akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.



4.5.
Waar de onderhavige akte geen uitdrukkelijke beperking terzake van de belasting of de toegestane wiel- of asdruk bevat, staat de rechtbank dan ook voor de taak om - met het oog op het onderhavige geschil - uitleg te geven aan de in de akte opgenomen bepaling. Daarbij dient uitgegaan te worden van objectieve, voor partijen als latere verkrijgers van de heersende en dienende erven kenbare gegevens (vgl. HR 16 januari 1981, NJ 1981, 664 m.nt WMK). De rechtbank overweegt als volgt.



4.6.
Uit de omstandigheid dat in de akte van vestiging van 18 april 1977 een recht is gevestigd dat niet nader is omschreven dan “de erfdienstbaarheid van weg ter breedte van ongeveer drie meter”, terwijl de betrokken percelen toen een agrarische bestemming hadden, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze erfdienstbaarheid in beginsel geen beperkingen kent en dat de erfdienstbaarheid vooral bedoeld was en is voor landbouw-verkeer en dus voor voertuigen die nodig zijn voor de bewerking van de grond, de bemesting en de aan- en afvoer van landbouwproducten. [eiser] heeft zulks ook erkend. Gelet op die partijbedoeling is de rechtbank van oordeel dat het gebruik van de weg in beginsel gelijke tred zal moeten kunnen houden met de moderne ontwikkelingen in de landbouw, met name de mechanisatie. Het is naar het oordeel van de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat in de landbouw gebruik wordt gemaakt van steeds grotere machines en dat loonwerkers - dientengevolge, noodzakelijkerwijs - hun oudere (kleinere) machinepark vervangen door grotere en zwaardere machines. Het vorenstaande impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat in beginsel ook met die grotere landbouwvoertuigen en -machines gebruik kan worden gemaakt van de erfdienstbaarheid zonder dat sprake is van een zodanige verzwaring van die erfdienstbaarheid dat dit niet meer te verenigen zou zijn met de inhoud van de erfdienstbaarheid zoals die in 1977 is gevestigd. Daarbij spreekt het naar het oordeel van de rechtbank voor zich dat als de weg van [eiser] door een te zwaar voertuig wordt beschadigd, de herstelkosten - voor zover deze uitstijgen boven die van normaal onderhoud van de weg - voor rekening van de veroorzaker van die schade komen. Het gebruik van de erfdienstbaarheid met die grote landbouwmachines vindt naar het oordeel van de rechtbank evenwel een grens indien door dat gebruik (telkens) ernstige (constructie-) schade ontstaat aan de naast de erfdienstbaarheid gelegen eigendom van [eiser] : naar het oordeel van de rechtbank staat de door partijen jegens elkaar in acht te nemen redelijkheid en billijkheid eraan in de weg dat [eiser] dient te gedogen dat door gebruikmaking van de erfdienstbaarheid van weg schade ontstaat aan zijn woning (welk pand ten tijde van het ontstaan van de erfdienstbaarheid in aanbouw was).



4.7.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval heeft te gelden dat van de erfdienstbaarheid gebruik kan worden gemaakt met (zware) landbouwvoertuigen met een breedte van ongeveer drie meter, tenzij door de enkele gebruikmaking van de erfdienstbaarheid met die voertuigen schade ontstaat aan de naast de erfdienstbaarheid gelegen eigendom van [eiser] .



4.8.
Dat het heersende erf bereikbaar is over eigen grond van [gedaagden] , zoals door [eiser] is gesteld, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het bestaan van de erfdienstbaarheid niets af en brengt niet met zich mee dat [gedaagden] geen gebruik meer zou mogen maken van het bestaande recht van erfdienstbaarheid. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan die stelling. Dat geldt ook voor de stelling van [eiser] dat de gebruiker van het heersende erf, [naam Z] , belendende percelen in gebruik heeft en dat hij het heersende perceel via die percelen kan bereiken. Het vorenstaande geldt temeer nu door [eiser] geen wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid is gevorderd.



4.9.
Vast staat dat van de erfdienstbaarheid gebruik wordt gemaakt met onder meer een mesttankwagen, met een zodenbemester en met een tractor met hooipers. Volgens [eiser] zijn deze landbouwvoertuigen te zwaar en/of te breed voor de erfdienstbaarheid: hij heeft, onder verwijzing naar het rapport en het nadere rapport van de door hem ingeschakelde deskundigen, [deskundige 1] en [deskundige 2] , beiden verbonden aan WSM Engineering (verder: WSM), aangevoerd dat door deze voertuigen ernstige schade ontstaan aan zijn woning. Een volle tankwagen weegt volgens [eiser] 50 ton en heeft daarmee een aslast van 11 ton. De maximale aslast mag, blijkens de uiteindelijke berekeningen van WSM, echter slechts 2,5 ton bedragen; landbouwverkeer met een hogere aslast berokkent schade aan de woning van [eiser] en de daaronder gelegen kelder, terwijl de te brede voertuigen schade veroorzaken aan de zijgevel en een keermuur. [eiser] heeft de rapporten van WSM als producties 18 en 24 in het geding gebracht.



4.10.

[gedaagden] heeft uitdrukkelijk betwist dat de landbouwmachines, waarvan gebruik wordt gemaakt, te zwaar en/of te breed zijn voor de erfdienstbaarheid: hij heeft aangevoerd dat het breedste voertuig maximaal 3.15 meter en daarmee passend is voor de erfdienstbaarheid, die immers ongeveer drie meter is. Verder heeft [gedaagden] betwist dat de voertuigen vanwege hun zwaarte schade veroorzaken aan de eigendommen van [eiser] : volgens [gedaagden] is noch de schade noch het causaal verband tussen het handelen en de gestelde schade (voldoende) door [eiser] onderbouwd. De conclusies uit het (nadere) rapport van WSM zijn uitdrukkelijk door [gedaagden] betwist. Ter onderbouwing van die betwisting heeft [gedaagden] het rapport van de door hem ingeschakelde deskundige, [deskundige 3] B.V. (verder: [deskundige 3] ) van 21 januari 2014 (productie 8) en de nadere reactie van [deskundige 3] (productie 12 bij het rolbericht van 16 september 2014) in het geding gebracht. [gedaagden] heeft onder verwijzing naar vorenbedoelde rapporten aangevoerd dat er diverse andere oorzaken kunnen zijn voor de door [eiser] gestelde schade en dat die eventuele andere oorzaken buiten beschouwing en buiten het onderzoek zijn gebleven. Ook heeft [gedaagden] aangevoerd dat uit de door hem als productie 9 overgelegde foto blijkt dat er sprake is van twee keermuren en dat de keermuur die niet langs de erfdienstbaarheid is gelegen eenzelfde soort schade vertoont als de langs de erfdienstbaarheid gelegen keermuur. Volgens [gedaagden] volgt daaruit dat de schade aan de keermuur niet door het gebruik van de erfdienstbaarheid is ontstaan, maar dat de constructie van de keermuur waarschijnlijk niet deugdelijk is.



4.11.
Gelet op de uitdrukkelijke betwisting door [gedaagden] van zowel de door [eiser] gestelde schade als het causale verband tussen die schade en de wijze waarop van de erfdienstbaarheid gebruik wordt gemaakt acht de rechtbank het aangewezen een deskundigenonderzoek naar de oorzaak van de schade te gelasten. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten omtrent aantal en persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) voor te leggen vragen. De rechtbank zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol voor akte uitlating. In afwachting van het deskundigenrapport zal de bespreking en beslissing ten aanzien van de vorderingen sub 1., 2. en 5. worden aangehouden.



4.12.

[eiser] heeft sub 3. gevorderd te verklaren voor recht dat de in 1977 gevestigde erfdienstbaarheid van weg slechts een recht van weg inhoudt voor de eigenaar(s) of gebruiker(s) van het heersend erf en dat dit recht niet gebruikt mag worden voor het bereiken van andere (belendende) erven dan - al dan niet via - het heersend erf. Naar het oordeel van de rechtbank ligt deze vordering voor toewijzing gereed. Uit de notariële akte waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd volgt dat alleen [kadastrale gegevens] als het heersende erf is aangemerkt, zodat de erfdienstbaarheid enkel gebruikt mag worden voor het komen en gaan van de openbare weg naar en van dat perceel en niet mede ook om te komen en te gaan naar en van andere percelen.



4.13.
Sub 4. heeft [eiser] gevorderd [gedaagden] te veroordelen om de hiervoor gevorderde verklaring voor recht te eerbiedigen en [gedaagden] te verbieden om gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg voor het bereiken van andere (belendende) erven (percelen) dan - al dan niet via - het heersend erf, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,= voor iedere afzonderlijke overtreding, tot een maximum van in totaal € 100.000,=. Ook deze vordering ligt naar het oordeel van de rechtbank voor toewijzing gereed. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 250,= per overtreding en een maximum van € 25.000,=.



4.14.

[eiser] heeft sub 6. gevorderd [gedaagden] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] zal lijden indien er in de toekomst opnieuw door of namens [gedaagden] onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg, nader op te maken bij staat. Dit deel van de vordering is naar het oordeel van de rechtbank niet voor toewijzing vatbaar. De rechtbank overweegt daartoe dat het een vordering betreft die ziet op een mogelijke toekomstige onrechtmatige daad. In het licht van de wettelijke bepalingen is het ondoenlijk een dergelijke vordering toe te wijzen nu deze immers afhangt van mogelijk onrechtmatig handelen van [gedaagden] in de toekomstig en van toekomstige schade, welke door de rechtbank niet reeds thans kan worden vastgesteld. Bovendien heeft [eiser] er naar het oordeel van de rechtbank - gelet op vorenbedoelde wettelijke bepalingen - geen belang bij dat bepaald wordt dat [gedaagden] schadeplichtig zal zijn indien hij onrechtmatig handelt jegens [eiser] en [eiser] daardoor schade lijdt.


in reconventie



4.15.

[gedaagden] heeft vooreerst gevorderd te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg rust op de weg langs de rechterzijde van de woning van [eiser] (zoals weergegeven op de tekening die als productie 1 bij de conclusie van eis in reconventie is bijgevoegd). Nu vast staat dat de erfdienstbaarheid aldaar gelegen is, ligt de vordering reeds aanstonds voor toewijzing gereed.



4.16.

[gedaagden] heeft vervolgens gevorderd te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg, mede gezien het feitelijk gebruik dat daarvan in lengte van jaren is gemaakt, inhoudt het recht om ongestoord en onbeperkt gebruik te maken van het bestaande recht van erfdienstbaarheid van weg, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag of een gedeelte daarvan met een maximum van € 25.000,=. De bespreking en beslissing van deze vordering (evenals van het subsidiair gevorderde) zal worden aangehouden in afwachting van het deskundigenonderzoek.



4.17.
Voorts heeft [gedaagden] gevorderd [eiser] te veroordelen tot het jaarlijks uitvoeren van onderhoud aan de erfdienstbaarheid van weg voor zijn rekening en risico. Naar het oordeel van de rechtbank ligt deze vordering niet voor toewijzing gereed. De rechtbank overweegt daartoe vooreerst dat in de notariële akte, waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd, niets is bepaald ten aanzien van (de verdeling van de kosten van) het onderhoud van de weg. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert zulks dat de onderhoudskosten in beginsel voor rekening komen van [eiser] , die immers de eigenaar is van de weg. Dat en op grond waarvan [eiser] als eigenaar gehouden zou zijn tot het jaarlijks uitvoeren van onderhoud is door [gedaagden] gesteld noch gebleken. Dat klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer nu evenmin door [gedaagden] is gesteld of gebleken is dat [eiser] de weg onvoldoende zou (hebben) onderhouden en wel zodanig dat [gedaagden] daardoor gehinderd en/of belemmerd wordt in de uitoefening van zijn recht van erfdienstbaarheid. Gelet daarop dient de vordering tot jaarlijks onderhoud als ongegrond te worden afgewezen.


In conventie en in reconventie




4.18.
De rechtbank zal in afwachting van de akte uitlating van partijen iedere verdere beslissing aanhouden.





5De beslissing
De rechtbank


in conventie en in reconventie



5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 11 februari 2015 voor akte uitlating als bedoeld in overweging 4.11.;



5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.



type: MvA
coll:
Link naar deze uitspraak