|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:13116 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/693761 / HA ZA 25-94 C/09/693761 / HA ZA 25-94 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Burenrecht. Recht van overpad. Uitleg van de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid. Mag de weg door het heersende erf onbeperkt worden gebruikt of alleen ten behoeve van het agrarische bedrijf. Bewijsopdracht. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/693761 / HA ZA 25-949
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
1 [eisers sub 1] te [woonplaats 1] ,2. [eisers sub 2] te [woonplaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
advocaat: mr. K. Renssen,
tegen
1 [gedaagden sub 1] te [woonplaats 2] ,2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats 2] ,3. [gedaagden sub 3] te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. A. van der Schee.
Eisers worden hierna [eisers] genoemd. Gedaagden worden achtereenvolgens [gedaagden sub 3] , [gedaagden sub 2] en [gedaagden sub 1] en gezamenlijk [gedaagden] genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025 met 27 producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met 18 producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het tussenvonnis van 14 januari 2026 waarin een plaatsopneming en een mondelinge behandeling is bepaald;
- de door [eisers] overgelegde producties 28 – 30;
- de akte wijziging eis in reconventie van [gedaagden] met de producties 19 en 20;
- het proces-verbaal van de plaatsopneming van 9 maart 2026.
1.2.
Op 9 maart 2026 is een gerechtelijke plaatsopneming gehouden op de (woon)erven van beide partijen. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig. Van de plaatsopneming is een proces-verbaal opgemaakt. Aansluitend aan de plaatsopneming heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en hun advocaten eveneens aanwezig waren. Daarvan zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Aansluitend aan de mondelinge behandeling is de procedure enige tijd aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Ten slotte is, nadat partijen hebben bericht dat geen minnelijke regeling is bereikt, vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisers] is sinds 2019 eigenaar van de woning aan [adres] in [plaats] en de daaromheen gelegen grond. Het betreft twee aangesloten kadastrale percelen ( [percelen] ) die hierna gezamenlijk worden aangeduid als: het [eisers] -perceel.
2.2.
[gedaagden] is eigenaar van een aantal percelen grond in de [gemeente] . Op die percelen, hierna: het [gedaagden] -perceel, staan de woningen van [gedaagden sub 3] , [gedaagden sub 2] en [gedaagden sub 1] almede een melkveebedrijf van [gedaagden sub 3] en [gedaagden sub 2] en een boomkwekerij van [gedaagden sub 1] . Het [gedaagden] -perceel wordt aan de noordwestzijde ingesloten door openbaar water ( [naam water] ) en voor het overige door (polder)weilanden. [gedaagden] is ook eigenaar van een klein perceel aan de overzijde van het water waarop een klein gebouwtje staat waaraan brievenbussen zijn bevestigd. Naast het gebouw staan, op het perceel van [gedaagden] , enkele vuilcontainers.
2.3.
Op onderstaande luchtfoto zijn, uitsluitend ter indicatie, beide percelen omcirkeld. Links het [gedaagden] -perceel, rechts het [eisers] -perceel. Een deel van de tussenliggende weilanden behoort tot het [gedaagden] -perceel, maar de percelen grenzen niet aan elkaar.
2.4.
Zoals op de foto zichtbaar is, loopt er een weg tussen het [eisers] -perceel en het [gedaagden] -perceel. Die weg, (hierna: de weg) is de enige verharde ontsluiting van het [gedaagden] -perceel richting de openbare weg, die langs het [eisers] -perceel loopt. De weg bevat een t-splitsing, maar de aftakking die vanaf dat punt richting het zuiden loopt (zie op bovenstaande foto bij de letter A) eindigt bij een ander agrarisch bedrijf en sluit niet aan op de openbare weg.
2.5.
De weg loopt het laatste deel tot aan de openbare weg over het [eisers] -perceel, zoals zichtbaar op onderstaande uitvergroting van de luchtfoto, waarop het [eisers] -perceel is weergegeven (indicatieve perceelsgrens in rood aangegeven). De weg wordt aan het einde van de openbare weg afgescheiden door middel van een hek (hierna: het hek), dat elektronisch kan worden geopend door het intoetsen van een cijfercode op een aan het hekwerk bevestigd paneel. Daarnaast bevat het hek een kentekenherkenning-systeem, waardoor het hek bij het aanrijden van bepaalde voertuigen automatisch opent.
2.6.
Vlak na de bocht in de weg is door [eisers] in de berm een betonblok geplaatst, zoals zichtbaar op bovenstaande (tijdens de plaatsopneming genomen) foto.
2.7.
Ten behoeve van de ontsluiting van het [gedaagden] -perceel, dat tot dan toe alleen via het water kon worden bereikt, is in 1986 door de rechtsvoorgangers van partijen een erfdienstbaarheid van recht van overpad gevestigd waarbij het [eisers] -perceel als dienend erf is aangemerkt en het [gedaagden] -perceel als heersend erf. In 1995 is een tweede akte van
erfdienstbaarheid opgesteld. Beide akten van vestiging van de erfdienstbaarheid (hierna: de notariële akten) bevatten met betrekking tot gebruik van de weg (hierna: de erfdienstbaarheid) de volgende bepalingen:
“De weg zal uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van op de voormelde heersende erven gevestigde agrarische bedrijven, zowel als voetpad voor mensen en dieren, alsook als rijweg voor wagens, auto's, landbouwmachines en dergelijke, alles in de ruimste zin des woords en niet alleen door de eigenaren van de heersende erven, maar ook door hun bezoekers, bedrijfspersoneel, klanten en andere personen en voor alle vervoer op voorschreven wijze van zaken en goederen, zowel producten van het bedrijf als anderszins.
(…)
De weg zal door de eigenaren van de heersende erven alleen mogen worden gebruikt op de hierboven aangegeven wijze; daarop zullen geen wagens of andere voertuigen of welke andere zaken ook, mogen worden geplaatst anders dan voor het directe gebruik van de weg als zodanig, zodat dit gebruik door de eigenaren van alle erven ongehinderd zal kunnen plaats vinden.
(…)
Het recht van erfdienstbaarheid blijft bestaan, ook indien een van de heersende erven verder mocht worden bebouwd, verbouwd, of gesplitst, mits ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.
Het recht zal echter een einde nemen indien en voor zover een heersend erf van aard of bestemming verandert of een bedrijf van andere aard dan een agrarisch op dat erf zou worden gevestigd of uitgeoefend.
(…)
Het is de eigenaar van het lijdend erf niet toegestaan om de vrije doorgang op zijn lijdende erven ( [percelen] ) op welke wijze ook te belemmeren; het is de eigenaar van het lijdend erf met name niet toegestaan om op de weg obstakels te plaatsen, welke de vrije doorgang belemmeren, of om op de weg dieren te houden, welke gevaar of last opleveren voor de gebruikers van de weg.”
2.8.
Nadat [eisers] aan [gedaagden] had laten weten aan hen de toegang tot de weg, door middel van het hek, te zullen ontzeggen c.q. beperken is [gedaagden] een kort geding-procedure gestart tegen [eisers] Bij vonnis van 25 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eisers] veroordeeld om aan [gedaagden] de onbelemmerde toegang tot de weg toe te staan en daartoe de benodigde codes (voor het hek) te verstrekken. De voorzieningenrechter heeft daarbij, kort gezegd, niet vooruitgelopen op een (te verwachten) oordeel in deze bodemprocedure omdat voor het daartoe benodigde feitenonderzoek in kort geding geen plaats is. Het oordeel is gebaseerd op een afweging van de belangen van partijen in afwachting van de uitkomst van deze bodemprocedure. Daarbij heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat [gedaagden] al geruime tijd, sinds in elk geval 2009/2010, ook voor privédoeleinden gebruik maken van de weg en voortzetting van die situatie voor partijen geen onomkeerbare gevolgen met zich brengt.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eisers] vordert bij wege van voorlopige voorziening – samengevat – dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
met onmiddellijke ingang het gebruik van de weg door [gedaagden] beperkt tot vier privéauto’s (d.m.v. kentekenherkenning);
[gedaagden] verbiedt om op andere wijze dan onder 1. genoemd gebruik te maken van de weg op straffe van een dwangsom;
3.2.
[eisers] vordert in de hoofdzaak – samengevat – dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat het omschreven gebruik in de notariële akten aldus moet worden uitgelegd dat slechts gebruik verband houdende met de agrarische bestemming van de heersende erven is toegestaan en dat daaronder niet een onbelemmerd gebruik en/of een privégebruik van die weg dient te worden verstaan en dus enkel agrarisch verkeer door agrarische voertuigen;
[gedaagden] verbiedt om op andere wijze dan onder 1. genoemd gebruik te maken van de weg op straffe van een dwangsom;
3.3.
[eisers] vordert verder dat [gedaagden] in voorlopige voorziening en de hoofzaak in de kosten wordt veroordeeld. Aan zijn vorderingen legt [eisers] kort gezegd ten grondslag dat de erfdienstbaarheid, mede gezien de bewoordingen in de notariële akten, beperkt moet worden uitgelegd en dat [gedaagden] in strijd met de erfdienstbaarheid handelt door meer gebruik van de weg te maken dan toegestaan.
3.4.
[gedaagden] voert verweer, waarbij hij zich onder meer beroept op een ruimere uitleg van de erfdienstbaarheid c.q. een door verjaring (alsnog) ontstaan recht van overpad. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[gedaagden] vordert in reconventie – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. (primair) voor recht verklaart dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van [gedaagden] , om onbelemmerd gebruik te maken van de weg;
II. (subsidiair) voor recht verklaart dat de erfdienstbaarheid zo moet worden uitgelegd dat [gedaagden] alsmede hun familie en (privé)bezoek, naast het verkeer voor agrarische doeleinden, gebruik mogen maken van de weg;
III. (meer subsidiair) voor recht verklaart dat op de weg een noodweg rust voor [gedaagden] ;
IV. (uiterst subsidiair) voor recht verklaart dat [gedaagden] een gebruiksrecht hebben ten aanzien van de weg;
V. [eisers] hoofdelijk veroordeelt om zich aan de toewijzing van de vorderingen I t/m V (de rechtbank begrijpt: IV) te houden op straffe van een dwangsom;
VI. [eisers] verbiedt de kentekens van [gedaagden] en haar (privé)bezoekers te registreren op straffe van een dwangsom;
VII. [eisers] hoofdelijk veroordeelt om aan [gedaagden] 10 zenders te verstrekken waarmee het hek kan worden geopend, althans [gedaagden] in staat te stellen deze zelf aan te schaffen en aan de besturingsmodule van het hek te koppelen;
VIII. [eisers] hoofdelijk veroordeelt om aan [gedaagden] de onbelemmerde toegang tot de weg te verschaffen zonder obstakels, zoals vrij rondlopende dieren, op straffe van een dwangsom;
IX. [eisers] veroordeelt tot betaling van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten;
X. [eisers] veroordeelt in de proceskosten.
3.7.
[gedaagden] beroept zich in dit kader op dezelfde uitleg van de erfdienstbaarheid c.q. verjaring als hiervoor in conventie. [eisers] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
de gevraagde voorlopige voorziening
4.1.
De rechtbank wijst de verzochte voorlopige voorzieningen af op grond van het volgende.
4.2.
Tussen partijen is al een kort geding-procedure gevoerd (zie hiervoor onder 2.8) waarin is geoordeeld over een tijdelijke (orde)maatregel in afwachting van de uitkomst van deze bodemprocedure. In het midden kan blijven of [eisers] misbruik van recht maakt door in deze procedure een voorlopige voorziening te vragen (in plaats van in hoger beroep te gaan van het kort geding-vonnis), nu de rechtbank zich – ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening – aansluit bij het oordeel van de voorzieningenrechter. De rechtbank weegt daarbij evenals de voorzieningenrechter mee dat [gedaagden] al geruime tijd ook privé gebruik maakt van de weg en dat voortzetting van die situatie geen onomkeerbare gevolgen met zich brengt. Daarentegen is voorzienbaar dat [gedaagden] wel kosten moet maken en/of maatregelen moet nemen als hij, in afwachting van de uitkomst van deze procedure, niet privé gebruik mag maken van de weg en daarvoor een alternatief zal moeten regelen. Een afweging van de belangen van partijen in afwachting van de uitkomst van deze procedure valt dan ook uit in het voordeel van [gedaagden]
4.3.
[eisers] zal, als in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de voorlopige voorziening, tot op heden begroot op nihil.
in conventie en reconventie
4.4.
In wezen zien de vorderingen in conventie en reconventie op dezelfde vragen, namelijk ten aanzien van de uitleg/reikwijdte van de erfdienstbaarheid en – voor zover na die uitleg nog nodig – de vraag of sprake is van erfdienstbaarheid door verjaring, een gebruiksrecht of een noodweg. Pas als die vragen zijn beantwoord kan worden beoordeeld of de over en weer gevorderde geboden/verboden toewijsbaar zijn. De rechtbank ziet daarin aanleiding de conventie en reconventie gezamenlijk te behandelen.
Uitleg van de erfdienstbaarheid
4.5.
Startpunt bij de beoordeling is de in de notariële akten opgenomen erfdienstbaarheid en de uitleg daarvan. Bij deze uitleg komt het aan op de in de notariële akten tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akten.
4.6.
[eisers] legt de erfdienstbaarheid, zo volgt uit zijn vordering, zo uit dat deze alleen agrarisch verkeer door agrarische voertuigen toestaat. [gedaagden] legt de erfdienstbaarheid zo uit dat zolang er agrarische bedrijven gevestigd zijn, het recht van overpad blijft bestaan, ook voor de (ogenschijnlijke) privébewegingen van de familieleden die daar wonen en hun bezoekers.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagden] , door rechtsopvolging, eigenaar is geworden van een groep percelen die van oudsher slechts via het water toegankelijk was. Dat was oorspronkelijk kennelijk minder bezwaarlijk, omdat de belevering van de op de percelen gevestigde boerderij via het water kon plaatsvinden en op die wijze ook de (melk)producten konden worden verscheept. Gaandeweg is dit door de maatschappelijke veranderingen minder handig c.q. economische rendabel geworden en is, ook voor de bewoners van de boerderij in privé, gemotoriseerd wegvervoer een grotere rol gaan spelen. Daartoe is ook, in elk geval voor het agrarische oogmerk, de erfdienstbaarheid gevestigd. Dat het voor de eigenaren c.q. bewoners van het [gedaagden] -perceel gaandeweg belangrijker is geworden om via de weg bereikbaar te zijn, is echter niet iets waar [eisers] verantwoordelijkheid voor draagt. Daarentegen is het voor [eisers] onmiskenbaar een verregaande inbreuk op zijn (in uitgangspunt ‘absolute’) eigendomsrecht dat hij dagelijks meermaals moet gedogen dat gemotoriseerd verkeer midden door zijn perceel rijdt, en vlak voor zijn woning langs. Bij de uitleg van de erfdienstbaarheid speelt de omstandigheid dat een uitleg in het nadeel van [gedaagden] voor hem praktisch een (gedeeltelijke) isolatie via de weg met zich brengt, mede in het licht van het hiervoor overwogene, een zeer beperkte rol.
4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat de erfdienstbaarheid, in meer of mindere mate, gekoppeld is aan het agrarisch bedrijf. Dit volgt ook duidelijk uit de bepalingen van de notariële akten als hiervoor onder 2.7 weergegeven. Anders dan door [gedaagden] betoogd houdt dit naar het oordeel van de rechtbank niet in dat onbeperkt van de erfdienstbaarheid gebruik mag worden gemaakt zolang er op het [gedaagden] -perceel maar een agrarisch bedrijf is gevestigd. Weliswaar staat in die bepalingen dat de erfdienstbaarheid eindigt als er geen agrarisch bedrijf meer wordt uitgeoefend, maar dat is niet de enige voorwaarde. In de bepalingen staat ook expliciet dat het recht van overpad wordt verleend uitsluitend ten behoeve van op de voormelde heersende erven gevestigde agrarische bedrijven. Het moet aldus gaan om verkeersbewegingen in het kader van de agrarische bedrijfsvoering. Louter privé-verkeer valt daar niet onder. Over die beperking is in zoverre, gezien de bewoordingen van de notariële akten, geen twijfel als bedoeld in art. 5:73 lid 1 BW, zodat de wijze van uitvoering door partijen – daargelaten dat partijen hierover verschillende standpunten innemen – bij de uitleg niet beslissend is.
4.9.
Tegenover het voorgaande staat dat ook de door [eisers] voorgestane uitleg niet geheel kan worden gevolgd. Uit de akte volgt immers ook dat het begrip ‘verkeersbewegingen in het kader van de agrarische bedrijfsvoering’ ruim moet worden uitgelegd. In de akte is uitdrukkelijk benoemd dat naast landbouwmachines ook wagens en auto’s mogen worden gebruikt, en dat (juist ook) de eigenaren van de agrarische bedrijven van de erfdienstbaarheid gebruik mogen maken, alsook alle (zakelijke) bezoekers, klanten en personeel. Anders dan door [eisers] betoogd is de erfdienstbaarheid dus niet beperkt tot agrarische voertuigen, maar tot alle verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfsvoering, (in beginsel) ongeacht in welk voertuig. Dat betekent dat niet alleen de melkwagen gebruik mag maken van de weg (daarover is tussen partijen ook geen discussie), maar ook (onder meer en niet uitsluitend) de veearts, installatie/onderhoudsbedrijven, bedrijfsadviseurs, het administratiebedrijf enzovoorts.
4.10.
Ook [gedaagden] zelf mag ten behoeve van de bedrijfsvoering gebruik maken van de weg, ook als dit in een gewone auto gebeurt. Daarover laat de tekst van de notariële akten naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel. Dat dit tot gevolg heeft dat dit voor [eisers] lastig te controleren c.q. handhaven is, doet daar niet aan af. Dat is een gevolg van de wijze waarop de erfdienstbaarheid in 1986 is gevestigd, in een periode waarin wellicht privégebruik van de weg nog geen (grote) rol speelde en het onderscheid daarom niet van wezenlijk belang was. De omstandigheid dat het onderscheid nu wellicht lastig te maken is maakt niet dat de rechtbank, in weerwil van de duidelijke tekst van de akte, deze zo zou moeten uitleggen dat [gedaagden] zelf niet, of alleen met agrarische voertuigen, gebruik zouden mogen maken van de erfdienstbaarheid.
4.11.
Het voorgaande brengt met zich dat bezoekers van [gedaagden] die niet ten behoeve van het agrarisch bedrijf komen, zoals familiebezoek e.d., geen gebruik kunnen maken van de erfdienstbaarheid. En ook [gedaagden] zelf mogen de erfdienstbaarheid niet gebruiken voor privédoeleinden (familiebezoek, uitstapjes, winkelen, vakantie e.d.).
4.12.
De door [eisers] in conventie gevorderde verklaring voor recht ziet enkel op de hiervoor weergegeven uitleg van de notariële akten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevraagde verklaring voor recht gedeeltelijk bij eindvonnis kan worden toegewezen. Of het met vordering 2. gevraagde verbod ook kan worden toegewezen hangt echter af van het antwoord op de vraag of, naast de erfdienstbaarheid uit de notariële akten, inmiddels een (bredere) erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan, dan wel een gebruiksrecht of noodweg. In afwachting van die beoordeling worden de beslissingen in conventie aangehouden.
Erfdienstbaarheid door verjaring
4.13.
[gedaagden] beroept zich er, naast de door hem voorgestane uitleg van de notariële akten, op dat door [gedaagden] (c.q. hun rechtsvoorgangers) al dusdanig lang ook privé gebruik gemaakt wordt van de weg, dat sprake is van een door verjaring ontstane erfdienstbaarheid voor wat betreft het privégebruik. Omdat [gedaagden] zich op de rechtsgevolgen van die gestelde verjaring beroept, rust op hem de stelplicht en bewijslast daarvan (art. 150 Rv.).
4.14.
[gedaagden] beroept zich op zowel verkrijgende als bevrijdende verjaring. Verkrijgende verjaring houdt kort gezegd in dat een bezitter ‘te goeder trouw’ een goed verkrijgt door een onafgebroken bezit van tien jaren (art. 3:99 BW). Ook de door [gedaagden] gepretendeerde erfdienstbaarheid is een ‘goed’, dus kan in beginsel door verkrijgende verjaring worden verkregen, als sprake is van bezit en goede trouw. Een erfdienstbaarheid is echter een beperkt recht dat wordt gevestigd door het opmaken van een notariële akte die in de openbare registers wordt ingeschreven (art. 3:98 jo. 3:89 BW). Dat betekent dat [gedaagden] door raadpleging van de openbare registers had kunnen weten dat de gepretendeerde erfdienstbaarheid (oorspronkelijk) niet bestond (althans niet voor zover deze ruimer is dan in de notariële akten omschreven). Dat staat er aan in de weg dat [gedaagden] zich er op kan beroepen dat hij de erfdienstbaarheid te goeder trouw in bezit heeft genomen (art. 3:23 BW).
4.15.
Goede trouw is echter niet vereist voor een beroep op bevrijdende verjaring. Bij bevrijdende verjaring verkrijgt de bezitter een goed (in dit geval: de erfdienstbaarheid) als hij dat goed bezit op het moment dat de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid (art. 3:105 BW). Die verjaringstermijn bedraagt 20 jaar (art. 3:306 BW). [gedaagden] zou dus door bevrijdende verjaring het eigendom kunnen hebben verkregen van de gepretendeerde erfdienstbaarheid, als (i) die erfdienstbaarheid op enig moment door [gedaagden] of anderen in bezit is genomen, (ii) de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit is verjaard en (iii) [gedaagden] op dat moment de bezitter van die erfdienstbaarheid was.
4.16.
Voor de vraag of de gepretendeerde erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is verkregen is dus van belang dat sprake is geweest van bezit van die erfdienstbaarheid. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (art. 3:107 BW). Bezit kan zowel onmiddellijk of middellijk zijn (art. 3:107 leden 2 en 3 BW). Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld (art. 3:108 BW). Inbezitneming vindt plaats doordat iemand zich feitelijke macht over het goed verschaft waarbij enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende zijn (art. 3:113 BW). Het gaat om een objectieve maatstaf: het komt primair aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Alle omstandigheden van het geval kunnen bij de beoordeling van belang zijn. Het onder het oude recht voor verkrijgende verjaring geldende vereiste dat het bezit ondubbelzinnig moest zijn, wordt onder het huidig recht geacht in het begrip bezit besloten te liggen. Daarom geldt nog steeds dat voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring het bezit zodanig moet zijn dat de werkelijk rechthebbende daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, ten koste van het recht van de werkelijke rechthebbende, zodat laatstgenoemde maatregelen kan treffen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.
4.17.
Het bezit van niet voortdurende en niet zichtbare erfdienstbaarheden is, anders dan onder het oude recht, niet uitgesloten. In de rechtspraak wordt wel terughoudendheid betracht bij het aannemen van bezit van erfdienstbaarheden (buiten gevallen van een gebrekkige vestiging van een erfdienstbaarheid). Bezit wordt niet aangenomen als sprake is van een persoonlijk recht (een overeenkomst met de eigenaar) of een gedogen.
4.18.
[gedaagden] heeft zijn stelling, dat hij door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid heeft verkregen, onderbouwd aan de hand van een veelheid aan schriftelijke verklaringen. In veel van die verklaringen wordt melding gemaakt van privé-
gebruik van de weg door derden (familie en kennissen).
4.19.
Tegenover die verklaringen zijn echter door [eisers] schriftelijke verklaringen ingebracht waarin wordt verklaard dat met name een van de rechtsvoorgangers van [eisers] , [naam] , strikt erop toezag dat de erfdienstbaarheid alleen werd gebruikt voor agrarische doeleinden. Dit zou met name tot 2009/2010 het geval zijn geweest, waarna de gezondheid van [naam] verslechterde.
4.20.
Gezien de tegenover elkaar staande verklaringen is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden] weliswaar voldoende onderbouwing heeft aangeleverd van zijn stelling, maar dat die stelling evenzeer voldoende gemotiveerd door [eisers] is betwist. Bij die stand van zaken kan, vanwege de op [gedaagden] rustende bewijslast, niet worden aangenomen dat door verjaring een erfdienstbaarheid is verkregen. Wel ziet de rechtbank daarin aanleiding [gedaagden] tot bewijslevering toe te laten.
4.21.
Ten aanzien van de bewijslevering overweegt de rechtbank alvast als volgt. Voor het aannemen bevrijdende verjaring is, als hiervoor overwogen, noodzakelijk dat gedurende (ten minste) 20 jaar sprake is geweest van bezit van een erfdienstbaarheid. Het gaat daarbij alleen om een erfdienstbaarheid die verder strekt dan de erfdienstbaarheid uit de notariële akte. Het moet gaan om een ondubbelzinnig bezit, zodat een incidenteel gebruik van de weg in beginsel weinig gewicht in de schaal legt. Verder is van belang dat het bezit (min of meer) voortdurend is geweest en dat bewijs wordt geleverd ten aanzien van de gehele periode van 20 jaar. Een deel van de nu overgelegde verklaringen is ten aanzien van de tijdsbepaling dusdanig onduidelijk dat deze daarom weinig kunnen bijdragen aan de bewijslevering.
4.22.
In het licht van het voorgaande verzoekt de rechtbank [gedaagden] om duidelijk aan te geven wanneer – volgens hem – de verjaring is voltooid en vanaf welk moment dus sprake is geweest van bezit van de ‘privé’-erfdienstbaarheid. Daarnaast verzoekt de rechtbank [gedaagden] om van alle (getuigen)verklaringen, ook van de reeds overgelegde, aan te geven op welke periode de verklaring ziet en – voor zover dit niet aanstonds uit de verklaring blijkt – waar dat uit volgt. Ten slotte verzoekt de rechtbank om op basis daarvan een overzicht te maken van de gehele verjaringsperiode waarin is aangegeven welke (getuigen)verklaring(en) welk deel van die periode dekt. Als [gedaagden] alleen schriftelijk bewijs levert kan het voorgaande in de akte waarmee het schriftelijk bewijs wordt overgelegd. Als [gedaagden] (ook) getuigenbewijs levert kan het voorgaande in de akte uitlaten na bewijslevering.
Overige vorderingen in reconventie
4.23.
Nu nog niet op de primaire vordering in reconventie wordt beslist komt de rechtbank aan de behandeling van de subsidiaire, meer subsidiaire en uiterst subsidiaire vorderingen in reconventie nog niet toe. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding de beslissingen inzake de overige (neven)vorderingen in reconventie aan te houden, nu voor de beoordeling daarvan mede van belang is of [gedaagden] , naast de erfdienstbaarheid uit de notariële akten, een (aanvullende) erfdienstbaarheid, gebruiksrecht of recht op noodweg heeft en wat daarvan de reikwijdte is. Bovendien is met het vonnis in kort geding al een tijdelijke regeling getroffen zodat aanhouding van iedere verdere beslissing voor partijen geen onevenredige gevolgen met zich brengt.
5De beslissing
De rechtbank
in de voorlopige voorziening
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de kosten van [gedaagden] , tot op heden begroot op nihil,
in conventie
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.4.
draagt [gedaagden] op te bewijzen dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van [gedaagden] , om onbelemmerd gebruik te maken van de weg,
5.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 juni 2026 voor uitlating door [gedaagden] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.6.
bepaalt dat, als [gedaagden] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken, indien hij daar reeds over beschikt, dan direct in het geding moet brengen. Indien [gedaagden] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen en hij nog niet over (al) die stukken beschikt, kan hij de rechtbank op voornoemde rolzitting verzoeken hem daartoe een nadere termijn te verlenen,
5.7.
bepaalt dat, als [gedaagden] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met november dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.8.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van (dhr.) mr. S.M. de Bruijn, in het paleis van justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,
5.9.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Vgl. HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901, HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9168 en HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|