Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:13188 
 
Datum uitspraak:22-05-2026
Datum gepubliceerd:08-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:26-2877
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over twee lasten onder dwangsom die het college verzoekster heeft opgelegd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster bij het hangende bezwaar ongewijzigd voortzetten van de bedrijfsvoering zwaarder dan het belang van het college bij handhavend optreden.
Trefwoorden:bestemmingsplan
geluidhinder
omgevingsvergunning
stallen
vee
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 26/2877 en SGR 26/2878

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaken tussen

[verzoekster] B.V., te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P.J.G. Poels),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college
(gemachtigde: E. Toes).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij], te [plaats] (belanghebbende).


Samenvatting

1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over twee lasten onder dwangsom die het college verzoekester heeft opgelegd. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om voorlopige voorzieningen en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek aan de hand van de door verzoekster aangevoerde gronden.


1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken toe. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster bij het hangende bezwaar ongewijzigd voortzetten van de bedrijfsvoering zwaarder dan het belang van het college bij handhavend optreden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop

2. Op 24 september 2025 en 4 december 2025 heeft het college een handhavingsverzoek van belanghebbende ontvangen, waarin wordt verzocht handhavend op te treden tegen het bedrijf van verzoekster vanwege geluidsoverlast in de nachtelijke uren.


2.1
Op 30 en 31 oktober 2025 en 22 en 23 december 2025 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) de locatie aan de [adres] bezocht, waarbij zij hebben vastgesteld dat daar sprake is van strijdigheid met het geldende bestemmingsplan.



2.2
Op 22 januari 2026 heeft het college een voornemen tot het opleggen van lasten onder dwangsom verzonden aan verzoekster. Op 4 februari 2026 heeft verzoekster een schriftelijke zienswijze ingediend naar aanleiding van dit voornemen.



2.3
Met het bestreden besluit van 20 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft het college verzoekster gelast om in de dagperiode binnen twee weken (zaak SGR 26/2877):
- het koelen op laadperron 1 te beëindigen en beëindigd te houden (lastgeving 1). Dit op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per constatering met een maximum van € 5.000,- en
- metaalwerkzaamheden in de werkplaats van de technische dienst met afzuiging door kleine opening in de gevel of met open deur te beëindigen en beëindigd te houden (lastgeving 2). Dit op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per constatering met een maximum van € 5.000,-.



2.4
Met het bestreden besluit van 20 maart 2026 (bestreden besluit 2) heeft het college verzoekster gelast om in de nachtperiode binnen twee weken (zaak SGR 26/2878):
- alle activiteiten ten behoeve van het uitladen van vee, waaronder het openhouden van de roldeuren van de stallen, gedurende de hele periode te beëindigen en beëindigd te houden. Dit op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per constatering met een maximum van € 5.000,- (lastgeving 1).
- alle activiteiten in verband met het gebruik van de wasplaats voor vee, waaronder het openhouden van de roldeuren van de wasstraat, gedurende de hele periode te beëindigen en beëindigd te houden. Dit op verbeurte van een dwangsom van €1.000,- per constatering met een maximum van € 5.000,- (lastgeving 2).
- de vrachtwagens bedoeld voor veetransport niet stationair te laten draaien gedurende de hele periode. Dit op verbeurte van een dwangsom van €1.000,- per constatering met een maximum van € 5.000,- (lastgeving 3)
- geen koeling te gebruiken op laadperron 6 gedurende de hele periode. Dit op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per constatering met een maximum van € 5.000,- (lastgeving 4).



2.5
Verzoekster heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen.



2.6
Met het besluit van 25 maart 2026 heeft het college van de werking van de lasten onder dwangsom opgeschort tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter.



2.7
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft ook gereageerd. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd.



2.8
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, vergezeld door [naam 1] ,

[naam 2] en [naam 3] , de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 4] ,

[naam 5] , [naam 6] en [naam 7] . Tevens heeft belanghebbende deelgenomen.








Beoordeling door de voorzieningenrechter


Zaak SGR 26/2877



Omvang van het verzoek

3. Tussen partijen is niet in geschil dat aan lastgeving 2 van bestreden besluit 1 is voldaan, zodat het verzoek geen betrekking heeft op die last.


Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.


4.1
Verzoekster heeft gesteld dat het niet meer mogen koelen bij laadperron 1 onmiddellijk verstrekkende en onomkeerbare gevolgen zal hebben voor de continuïteit van de bedrijfsvoering. Feitelijk zal dat tot gevolg hebben dat de gehele productie moet worden gestaakt. Immers, het is fysiek, logistiek en vergunning-technisch niet mogelijk het verladen van het verpakte vlees ongekoeld of via een ander laadperron te doen plaatsvinden, in ieder geval niet zonder een complete herinrichting van het bedrijf.



4.2.
Op de zitting is gebleken dat het college niet betwist dat het voldoen aan lastgeving 1 van bestreden besluit 1 verstrekkende gevolgen heeft voor bedrijfsvoering van verzoekster. Gelet hierop heeft verzoekster een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek.


Is sprake van een overtreding?

5. In geschil is in hoeverre de activiteiten die binnen het bedrijf van verzoekster worden uitgevoerd zijn vergund. Het college stelt zich, op basis van de veranderingsvergunning van 27 januari 2025 en het akoestische rapport van 5 april 2024 dat daarvan onderdeel uitmaakt, op het standpunt dat het koelen op laadperron 1 niet is vergund. Volgens verzoekster wordt ten onrechte uitsluitend gekeken naar dit akoestisch onderzoek om de omvang van de vergunde activiteiten te bepalen. Zij wijst erop dat de eerder verleende vergunningen, waaronder de revisievergunning van 2008, nog steeds gelden, waarmee het koelen op laadperron 1 volgens haar wel degelijk is vergund. Daarnaast is deze transportkoeling volgens verzoekster onderdeel van de representatieve bedrijfssituatie en meegenomen in het akoestisch rapport dat ten grondslag ligt aan de omgevingsvergunning van 24 augustus 2021 en daarmee vergund.



5.1
Voor de in deze procedure te beantwoorden vraag of het koelen aan laadperron 1 onderdeel is van de vergunde situatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek nodig tijdens de bezwaarfase, omdat sinds de revisievergunning van 2008 diverse (veranderings)vergunningen zijn verleend. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet alle verleende vergunningen onderdeel zijn van de gedingstukken. Op basis van de beschikbare dossierstukken kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat gekoeld transport aan laadperron 1 niet (meer) is vergund, zoals het college stelt. Gelet hierop zal het verzoek om schorsing van bestreden besluit 1 worden beoordeeld aan de hand van een belangenafweging.



Belangenafweging

6. Het college hanteert terecht als uitgangspunt dat – ook in het belang van omwonenden – handhavend wordt opgetreden tegen situaties die niet zijn vergund en waarbij ook geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Daar staat tegenover dat het voldoen aan lastgeving 1 van bestreden besluit 1 verstrekkende gevolgen heeft voor het bedrijf van verzoekster, waardoor de continuïteit van het bedrijf in gevaar zou kunnen komen.



6.1
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat aan de last niet ten grondslag ligt dat de geluidgrenswaarden op de toetspunten bij omliggende woningen worden overschreden. Overschrijding van de geluidswaarden bij die woningen is naar voorlopig oordeel wel een relevant aspect in de belangenafweging, omdat het college met de last mede beoogt om omwonenden tegen geluidsoverlast te beschermen. Gelet op het besprokene op de zitting overweegt de voorzieningenrechter dat ook niet vast staat dat het bestreden gebruik van laadperron 1 leidt tot overschrijding van de geluidsgrenswaarden. Verder blijkt uit het besprokene op de zitting dat het college bereid is om met verzoekster in overleg te treden over mogelijke legalisatie in de vorm van wijzigingen. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekster bij het hangende bezwaar en overleg over mogelijke legalisatie ongewijzigd voortzetten van de bedrijfsvoering zwaarder weegt dan het belang van het college bij handhavend optreden. Bestreden besluit 1 zal daarom, voor zover het lastgeving 1 betreft, worden geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.


Zaak SGR 26/2878



Omvang van het verzoek

7. Verzoekster heeft op de zitting bevestigd dat aan lastgeving 4 van bestreden besluit 2 zal worden voldaan, zodat het verzoek geen betrekking heeft op die last.


Spoedeisend belang

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de drie in geschil zijnde lastgevingen die met bestreden besluit 2 zijn opgelegd alle verband houden met de aanvoer van vee.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster aannemelijk gemaakt dat het alleen mogen uitladen van vee vanaf 7:00 uur verstrekkende gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering. Gelet hierop heeft verzoekster een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek.


Is sprake van een overtreding?

9. Voor de in deze procedure te beantwoorden vraag of het vóor 7:00 uur aanvoeren en uitladen van vee onderdeel is van de vergunde situatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek nodig tijdens de bezwaarfase, omdat sinds de revisievergunning van 2008 diverse (veranderings)vergunningen zijn verleend. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet alle verleende vergunningen onderdeel zijn van de stukken. Ook daarom kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat het aanvoeren van vee in de nachtperiode niet (meer) is vergund, zoals het college stelt. Gelet hierop zal het verzoek om schorsing van bestreden besluit 2 ook worden beoordeeld aan de hand van een belangenafweging.




Belangenafweging

10. Zoals op de zitting is besproken stelt de voorzieningenrechter vast dat in de revisievergunning van 2008 staat dat dieren in de ochtend (na 6:00 uur) per vrachtwagen worden aangevoerd. Verzoekster heeft op de zitting erkend dat het uitladen van vee vóór 6:00 uur niet is vergund en ook niet is aangevraagd in de laatste aanvraag van 16 april 2026.



10.1
Verzoekster is bereid om pas vanaf 6:00 uur te starten met het uitladen van vee. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat het pas uitladen van vee vanaf dit tijdstip kan leiden tot vermindering van de geluidhinder ter plaatse van de woning van belanghebbende, omdat er gedurende een minder lange periode in de nacht sprake zal zijn van deze geluidsproducerende activiteit.



10.2
Het college kan zich, zoals op de zitting is gebleken, er ook in vinden dat het uitladen van vee vanaf 6:00 uur kan plaatsvinden, maar hij zou daaraan als voorwaarde willen verbinden dat de roldeuren voor maximaal 30 minuten open zijn. In de praktijk betekent dit, gelet op het gebruik van laaddoks met open roldeuren, dat het laden en lossen beperkt zou zijn tot 30 minuten, terwijl er meerdere laad- en losplaatsen zijn.



10.3
Gelet op de door verzoekster op de zitting gegeven toelichting, acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat een dergelijke beperking verstrekkende gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van verzoekster. Om die reden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om - zonder een beperking tot 30 minuten voor het openen van de roldeuren - lastgeving 1 van bestreden besluit 2 te schorsen voor de periode tussen 6:00 uur en 7:00 uur tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.



10.4
Lastgevingen 2 en 3 hebben net als lastgeving 1 betrekking op de aanvoer van vee. Vanwege deze samenhang met lastgeving 1, is er aanleiding om lastgevingen 2 en 3 op dezelfde wijze te schorsen.




Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorziening dat bestreden besluit 1, voor zover het lastgeving 1 betreft, wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar en dat bestreden besluit 2, voor zover het lastgevingen 1, 2 en 3 betreft, wordt geschorst voor de periode tussen 6:00 en 7:00 uur tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.


11.1
Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden en krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst bestreden besluit 1, voor zover het lastgeving 1 betreft, tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;
- schorst bestreden besluit 2, voor zover het lastgevingen 1, 2 en 3 betreft, voor de periode tussen 6:00 uur en 7:00 uur tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van in totaal € 794,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak