|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:1005 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-06-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.359.766/01 OK | | Rechtsgebied | : | Ondernemingsrecht | | Indicatie | : | Ondernemingskamer; hoger beroep geschillenregeling (OUD); verzoek tot voorlopig getuigenverhoor; verzoek afgewezen. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | tuinbouw | | | | Uitspraak | beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.359.766/01
beschikking van de Ondernemingskamer van 16 april 2026
inzake
1 [aandeelhouder I] ,
wonende te [plaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Holding]
,
gevestigd te [plaats] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[OG] .,
gevestigd te [plaats] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Machines] .,
gevestigd te [plaats] ,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. T.J. Teggelaar, kantoorhoudende te Nijmegen,
t e g e n
[aandeelhouder II]
,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER,
advocaten: mrs. G.A.M.F. Spera en T.J. Wittendorp, kantoorhoudende te Maastricht-Airport.
Verzoekers worden hierna [aandeelhouder I] , Holding, OG en Machines genoemd en gezamenlijk [aandeelhouder I] c.s. Verweerder wordt hierna [aandeelhouder II] genoemd.
1. Het verloop van het geding
1.1
[aandeelhouder I] c.s. hebben bij appeldagvaarding van 17 juni 2025 (en herstelexploot van 11 september 2025) beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 april 2025 van de rechtbank Limburg, waarbij de rechtbank – kort gezegd – heeft geoordeeld dat sprake is van gedragingen van [aandeelhouder I] die [aandeelhouder II] in een positie hebben gebracht dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer van hem gevergd kan worden zodat de vordering van Gijssen kan worden toegewezen om [aandeelhouder I] te veroordelen om de aandelen van Gijssen in Holding over te nemen tegen een prijs die door de rechtbank zal worden vastgesteld na benoeming van een deskundige. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat van dit vonnis tussentijds hoger beroep is opengesteld.
1.2
Op 22 september 2025 hebben [aandeelhouder I] c.s. gelijktijdig de appeldagvaarding, het herstelexploot en een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend bij het gerechtshof Amsterdam. Bij het verzoekschrift van 22 september 2025 hebben [aandeelhouder I] c.s. de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam verzocht, in het kader van de hoger beroepsprocedure, verschillende getuigen te horen. Bij e-mail van 24 september 2025 hebben [aandeelhouder I] c.s. de derde bijlage bij het verzoekschrift vervangen door een nieuw exemplaar.
1.3
Bij e-mail van 23 oktober 2025 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen laten weten dat, nu de hoger beroepsprocedure bij de Ondernemingskamer aanhangig is, de Ondernemingskamer ook op het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor zal beslissen. De hoger beroepsprocedure, bij de Ondernemingskamer bekend onder zaaknummer 200.359.523/01, is aangehouden tot op het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor is beslist.
1.4
Bij e-mail van 30 oktober 2025 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer [aandeelhouder II] in de gelegenheid gesteld om te laten weten of van die zijde bezwaar bestaat tegen toewijzing van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor. Bij e-mail van 31 oktober 2025 heeft mr. Wittendorp namens [aandeelhouder II] laten weten dat bezwaar bestaat tegen toewijzing van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor. Naar aanleiding daarvan heeft de Ondernemingskamer een datum bepaald voor de mondelinge behandeling van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor en [aandeelhouder II] in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.
1.5
Bij verweerschrift van 28 januari 2026 heeft [aandeelhouder II] de Ondernemingskamer verzocht het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor van [aandeelhouder I] c.s. af te wijzen en [aandeelhouder I] c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.6
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 12 februari 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. [aandeelhouder II] heeft van tevoren een nadere productie toegestuurd en in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
2Feiten
2.1
[aandeelhouder I] en [aandeelhouder II] houden elk 50% van de aandelen in Holding. Holding houdt alle aandelen in OG en Machines (tezamen ook: [De Groep] ). [aandeelhouder I] is enig bestuurder van Holding en Holding is enig bestuurder van OG en Machines.
2.2
[De Groep] drijft een onderneming die zich toelegt op het verkopen en repareren van landbouwmachines voor particuliere en professionele gebruikers, en de verkoop van producten ten behoeve van landbouw, groenvoorziening, industrie en tuinbouw. De onderneming bestaat sinds 1993. Sinds 1998 is [aandeelhouder II] betrokken als kapitaalverstrekker.
2.3
In deze procedure gaat het in de kern om een uittreedvordering onder de (oude) geschillenregeling van voor 2025. [aandeelhouder II] vordert dat [aandeelhouder I] en/of Holding zijn aandelen in Holding overnemen tegen een door de rechter te bepalen prijs. Tussen partijen bestaan echter al lange tijd diverse geschilpunten en partijen hebben in dat kader ook al diverse procedures gevoerd. Zo heeft de rechtbank Limburg op 6 november 2019 een vonnis gewezen in een procedure tussen partijen en daarbij onder meer als volgt geoordeeld:
“4.14. [aandeelhouder II] stelt dat [aandeelhouder I] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de
aandeelhoudersovereenkomst omdat geen toestemming aan de AVA is gevraagd en daarmee ook evenmin is gekregen voor de wisseling van accountant. Het is juist dat in de aandeelhoudersovereenkomst staat dat [aandeelhouder I] als bestuurder goedkeuring dient te hebben van de AVA van [Holding] en van haar dochterondernemingen voor benoeming en ontslag van de accountant. [aandeelhouder I] heeft gemotiveerd gesteld dat die goedkeuring er was. En daarnaast gemotiveerd aangevoerd dat het juist – om allerlei redenen (in verband met kostenbeheersing en gelet op het feit dat de contactpersoon bij de vorige accountant was vertrokken) in het belang van de vennootschap(pen) was dat van accountant werd gewisseld. Tegen dat laatste verweer heeft [aandeelhouder II] niets ingebracht, zodat aangenomen moet worden dat een accountantswissel in ieder geval in het belang van de vennootschap was. Niet valt in te zien welke schade [aandeelhouder II] daardoor (als aandeelhouder) heeft geleden. Dus, ook indien een toerekenbare tekortkoming zou komen vast te staan, dan is niet aannemelijk gemaakt dat [aandeelhouder II] als gevolg daarvan schade heeft geleden. Overigens staat vast dat [aandeelhouder I] aan [aandeelhouder II] – voordat het besluit werd genomen om van accountant te wisselen – kenbaar heeft gemaakt dat hij niet langer tevreden was over de oude accountant en dat hij [aandeelhouder II] heeft voorgesteld aan de nieuwe accountant. Uit niets blijkt dat [aandeelhouder II] bij die gelegenheden kenbaar heeft gemaakt dat hij erop tegen zou zijn dat de overstap werd gemaakt of dat hij daartoe
bedenktijd nodig had.”
2.4
In het hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 12 april 2022 een arrest gewezen en onder meer als volgt geoordeeld:
“8.18. De conclusie is dat het besluit van het bestuur van [aandeelhouder I] OG over de omzetting van de lening ging om een rechtshandeling als bedoeld in art. 21 van de aandeelhoudersovereenkomst. Dit brengt mee dat voorafgaande toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders van [aandeelhouder I] OG was vereist. Deze voorafgaande toestemming is niet gegeven. Daarmee is het besluit in strijd met de statuten en dus volgens art. 2:14 lid 1 BW nietig.
8.19.
Het hof voegt hieraan nog het volgende toe. Of de omzetting in het belang was van
[Machines] , of een van de andere vennootschappen, is niet van betekenis voor de
rechtsgeldigheid van het besluit tot omzetting. Wat in het belang van de vennootschappen was, behoorde te worden bepaald in samenspraak tussen [aandeelhouder II] en [aandeelhouder I] , in aanmerking genomen dat [aandeelhouder I] voor het uitoefenen van het stemrecht van [Holding] als aandeelhouder van [aandeelhouder I] OG bij het verlenen van toestemming voor de omzetting, de voorafgaande toestemming nodig had van de algemene vergadering van aandeelhouders van [Holding] (art. 15 van de aandeelhoudersovereenkomst). De omstandigheid dat [aandeelhouder I] [aandeelhouder II] tijdens het overleg op 30 juni 2016 heeft geïnformeerd over het voornemen tot omzetting, volstaat niet, ook niet als [aandeelhouder II] toen met het voornemen heeft ingestemd, wat [aandeelhouder II] betwist. In de eerste plaats is hier geen besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van [Holding] of [aandeelhouder I] OG genomen, zoals ook [aandeelhouder I] e.a. zelf steeds volhouden. In de tweede plaats is onvoldoende naar voren gebracht waaruit blijkt dat [aandeelhouder II] zich op het voornemen heeft kunnen voorbereiden en zich daarover heeft kunnen
beraden, op een wijze die gelijkwaardig is aan de situatie waarin de bepalingen voor het bijeenroepen van een aandeelhoudersvergadering in acht zouden zijn genomen. Ten slotte is de instemming van [aandeelhouder II] , als die al is gegeven, niet deugdelijk vastgelegd zodat daarover geen misverstand kon bestaan. Dit had wel mogen worden verwacht als aan de instemming eenzelfde betekenis zou moeten toekomen als aan de deelname van [aandeelhouder II] in een aandeelhoudersbesluit.”
2.5
Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld. Het vonnis van de rechtbank Limburg, voor zover daartegen geen grieven zijn gericht, en het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch hebben aldus kracht en tussen partijen gezag van gewijsde.
3De gronden van de beslissing
3.1
[aandeelhouder I] c.s. hebben de Ondernemingskamer verzocht in het kader van de hoger beroepsprocedure in de (oude) geschillenregeling getuigen te horen. Als toelichting hebben [aandeelhouder I] c.s. – samengevat – het volgende naar voren gebracht.
1. De te horen getuigen zijn op verschillende wijzen betrokken bij het geschil en kunnen zich uitlaten over drie te onderscheiden onderwerpen: (i) de onderlinge verhouding tussen [aandeelhouder I] en [aandeelhouder II] , (ii) de wisseling van accountant en (iii) de omzetting van een lening in agio. Voor alle onder sub i, ii en iii genoemde onderdelen geldt dat [aandeelhouder I] c.s. recht en belang hebben bij het horen van getuigen die betrokken zijn geweest bij deze onderdelen, teneinde meer zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en deze zo beter te kunnen beoordelen om vervolgens grieven te formuleren. Wat [aandeelhouder I] c.s. betreft is er geen sprake van een vertrouwensbreuk of aandeelhoudersconflict. Volgens [aandeelhouder I] c.s. kunnen aan [aandeelhouder I] , [aandeelhouder II] en [nieuwe accountant] (de nieuwe accountant van [De Groep] , hierna: [nieuwe accountant] ) als getuigen vragen worden gesteld omtrent de verhouding tussen [aandeelhouder I] en [aandeelhouder II] (sub i). Daarnaast kunnen [aandeelhouder I] , [aandeelhouder II] en [nieuwe accountant] volgens [aandeelhouder I] c.s. als getuigen verklaren over het feit dat [aandeelhouder II] (informeel) heeft ingestemd met de wisseling van accountant, althans daartegen geen bezwaar heeft gemaakt (sub ii) en over het feit dat is voorgesteld om een lening om te zetten in agio zodat het eigen vermogen van [Machines] zou worden verbeterd, dat de omzetting uitgebreid is besproken en dat [nieuwe accountant] inzichtelijk heeft gemaakt dat de omzetting in het belang van de vennootschap is en dat de aandeelhouders van de omzetting geen nadeel ondervonden (sub iii).
3.2
[aandeelhouder II] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Als toelichting heeft [aandeelhouder II] – samengevat – het volgende naar voren gebracht.
1. Het verzoek is in strijd met artikel 196 Rechtsvordering (Rv). In artikel 196 Rv is bepaald dat geen verzoek tot het gelasten van een voorlopige bewijsverrichting kan worden ingediend op het moment dat het geding aanhangig is (bij het uitbrengen van de dagvaarding) of als het geding aanhangig is gemaakt, als de zaak op de rol is ingeschreven. [aandeelhouder I] c.s. hebben bij brief van 22 september 2025 zowel de appeldagvaarding (alsmede het herstelexploot) als het verzoekschrift tot voorlopig getuigenverhoor ingediend. Duidelijk was dat de appeldagvaarding diende te worden ingeschreven voor de rolzitting van 23 september 2025. Op 24 september 2025 hebben [aandeelhouder I] c.s. te kennen gegeven een bijlage bij het verzoekschrift te willen intrekken en een gewijzigde bijlage te willen indienen. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor was daarmee pas compleet nadat de zaak op de rol was ingeschreven.
2. [aandeelhouder I] c.s. hebben onvoldoende belang bij hun verzoek. Het is onduidelijk wat [aandeelhouder I] c.s. willen bewerkstelligen met het horen van getuigen. Vast staat dat [aandeelhouder II] en [aandeelhouder I] hebben verklaard dat er een verschil van inzicht bestaat tussen partijen ten gevolge waarvan de aandeelhoudersvergadering niet meer naar behoren functioneert. Voor wat betreft het horen van getuigen omtrent de wisseling van accountant geldt dat de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat [aandeelhouder II] tegen de voorgenomen accountantswisseling geen bezwaar heeft gemaakt. Voor wat betreft de omzetting van een lening in agio geldt dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat [aandeelhouder I] de aandeelhoudersovereenkomst op dit punt niet heeft gerespecteerd, dat wil zeggen, niet de vereiste toestemming van de aandeelhoudersvergadering heeft verkregen. Nu deze thema’s al uitvoerig onderwerp zijn geweest van eerdere procedures en op de betreffende punten ook al door eerdere rechters is beslist hebben [aandeelhouder I] c.s. voor geen van de door hen genoemde onderwerpen belang bij het horen van getuigen.
3. Met het verzoek wordt misbruik gemaakt van bevoegdheid en het verzoek levert strijd op met de goede procesorde. [aandeelhouder I] c.s. lopen met het verzoek tot het horen van getuigen vooruit op een door de Ondernemingskamer te geven oordeel over de bewijslevering, slechts met het oogmerk om de procedure te rekken en [aandeelhouder II] ‘uit te roken’ nu het onderhavige verzoek eerst behandeld moet worden, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.
3.3
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.
3.4
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan, voordat een zaak aanhangig is gemaakt, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven, de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv wijst de rechter het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
3.5
[aandeelhouder I] c.s. willen getuigen horen om duidelijkheid te verkrijgen over de gang van zaken met betrekking tot drie onderwerpen, teneinde hun grieven in de hoger beroepsprocedure te kunnen onderbouwen. Deze onderwerpen corresponderen met een deel van de gronden die in eerste aanleg door [aandeelhouder II] zijn aangevoerd om te betogen dat grond bestaat om te mogen uittreden als aandeelhouder van Holding.
3.6
Wat betreft het eerste onderwerp, de onderlinge verhouding tussen partijen, zijn partijen het er wel over eens dat hun onderlinge verhoudingen grondig en definitief zijn verstoord: [aandeelhouder II] heeft geen enkel vertrouwen meer in [aandeelhouder I] en wil op geen enkele manier meer met hem samenwerken. Het is de Ondernemingskamer niet duidelijk wat het horen van [aandeelhouder I] en [aandeelhouder II] zelf als getuigen in dat verband nog zou kunnen opleveren, of welke onduidelijkheid daarmee zou kunnen worden opgehelderd.
3.7
Wat betreft de overige twee onderwerpen, de wisseling van accountant en de omzetting van de lening in agio, geldt dat dit geschilpunten zijn die onderwerp zijn geweest van voorgaande procedures. Samengevat komt het erop neer dat, wat betreft de wisseling van accountant, de rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat [aandeelhouder II] tegen de wisseling geen bezwaar heeft gemaakt, en dat, wat betreft de omzetting, het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat [aandeelhouder I] de aandeelhoudersvergadering – en daarmee [aandeelhouder II] – in dat kader ten onrechte niet om de vereiste toestemming heeft gevraagd. Deze beslissingen hebben tussen partijen gezag van gewijsde en aan de bevindingen van rechtbank en gerechtshof zal het horen van getuigen over dezelfde onderwerpen niets veranderen of toevoegen.
3.8
Nu [aandeelhouder I] c.s. – mede gelet op alle informatie die al beschikbaar is – niet (voldoende) specifiek en concreet hebben gesteld welke informatie nog ontbreekt of zou moeten worden aangevuld, of welk doel daarmee zou kunnen worden bereikt, is de informatie die door [aandeelhouder I] c.s. wordt verlangd, en door het horen van getuigen zou moeten worden verkregen, onvoldoende bepaald en ontbreekt het [aandeelhouder I] c.s. ook aan een voldoende belang bij het horen van de getuigen. Daarmee zijn de afwijzingsgronden van artikel 196 lid 2, sub a en b Rv, op het verzoek van [aandeelhouder I] c.s. van toepassing.
3.9
Ook overigens kan de Ondernemingskamer zich niet aan de indruk onttrekken dat met het verzoek niet echt is beoogd om, naast het zeer omvangrijke dossier in deze al jaren slepende zaak, daadwerkelijk nog nadere relevantie informatie boven tafel te krijgen. Als gevolg van de beslissing van de rechtbank Limburg om tussentijds hoger beroep van het vonnis open te stellen, is de situatie nu zo dat weliswaar in rechte is beslist dat van [aandeelhouder II] in redelijkheid niet langer kan worden gevergd dat hij aandeelhouder van Holding blijft, maar dat hij zijn recht om als aandeelhouder uit te treden pas kan effectueren nadat dit oordeel in hoger beroep zal zijn bekrachtigd en vervolgens op basis van een deskundigenbericht de prijs van de door [aandeelhouder I] over te nemen aandelen zal zijn vastgesteld. Bij die stand van zaken heeft [aandeelhouder I] , die de aandelen van [aandeelhouder II] helemaal niet wil overnemen, er een aanzienlijk belang bij dat de procedure in hoger beroep zo lang mogelijk duurt. Het op het eerste oog niet heel zinvolle verzoek van [aandeelhouder I] c.s. om voorafgaand aan de behandeling van het hoger beroep eerst nog een voorlopig getuigenverhoor te houden, komt daarmee in een wat ander licht te staan.
3.10
De Ondernemingskamer zal [aandeelhouder I] c.s. – als de overwegend in het ongelijk gestelde partij – veroordelen in de kosten van de procedure.
4De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst het verzoek van [aandeelhouder I] , [Holding] , [OG] . en [Machines] . af;
veroordeelt [aandeelhouder I] , [Holding] , [OG] . en [Machines] . in de kosten van de procedure tot op heden aan de kant van [aandeelhouder II] begroot op € 2.953.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. P.G. Boumeester en mr. drs. G. Boon RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. G.M.C. van Breukelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.W.H. Vink op 16 april 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|