Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2025:4332 
 
Datum uitspraak:15-07-2025
Datum gepubliceerd:10-06-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.283.878
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Productenaansprakelijkheid. Schadebegroting. De veehouder heeft landbouwplastic gekocht waarin, zo blijkt later, kleine gaatjes zitten. De graskuil onder het landbouwplastic is door schimmel waardeloos geworden. Na deskundigenbericht oordeelt het hof dat de gaatjes zijn ontstaan tijdens de productie van het landbouwplastic en dat er causaal verband is tussen het gebrekkige landbouwplastic en het door zuurstoftoetreding beschimmelde gras. Daardoor heeft de verkoper non-conform landbouwplastic geleverd en heeft de producent onrechtmatig gehandeld door het landbouwplastic in het verkeer te brengen. Het hof begroot de schade op concrete wijze. zie ook: ECLI:NL:GHARL:2022:1761, ECLI:NL:GHARL:2023:1706, ECLI:NL:GHARL:2024:6515, ECLI:NL:GHARL:2026:1935 en ECLI:NL:GHARL:2026:3336.
Trefwoorden:koeien
trekker
vee
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.283.878
(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/228290)


arrest van 15 juli 2025


in de zaak van

de maatschap


[de veehouder]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [de veehouder] ,
advocaat: mr. A.P. Maes,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de verkoper] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
advocaat: mr. F.R.H. Kuiper,
2. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

RKW Hyplast N.V.,
gevestigd te Hoogstraten (België),
advocaat: mr. T. Burgers,
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna: [de verkoper] en RKW en tezamen RKW c.s.,





1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 22 oktober 2024 heeft op 17 april 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling heeft de deskundige, prof. dr. [naam1] , een aanvullend rapport, gedateerd 6 februari 2025, ingediend. Na de mondelinge behandeling heeft het hof bepaald dat het arrest zal wijzen.







2De verdere beoordeling van de zaak


Inleiding



2.1.
Het hof heeft in zijn tussenarrest de deskundige gevraagd een aanvullend onderzoek uit te voeren naar aanleiding van de onderwerpen die RKW had besproken in de in rechtsoverweging 2.3 van het tussenarrest genoemde nummers van de memorie na deskundigenbericht. De deskundige heeft dit aanvullende onderzoek uitgevoerd en daarover gerapporteerd in zijn rapport van 6 februari 2025. Dit rapport is besproken tijdens de mondelinge behandeling op 17 april 2025. Ter voorbereiding op deze zitting heeft RKW een reactie van [de R&D Engineer] van RKW, aan het hof en aan partijen toegestuurd, welke reactie het hof heeft doorgestuurd aan de deskundige. Hierna zal het hof de rapporten van de deskundige en de reacties daarop van partijen bespreken en beoordelen welke gevolgen dit alles heeft voor de vorderingen van [de veehouder] .


De aan de deskundige ter beschikking gestelde samples (vraag 1)




2.2.
Het hof heeft de deskundige gevraagd onderzoek te verrichten naar het ontstaan van gaatjes in de landbouwfolie van het type Megaleen 150, waarvan RKW de producent is en die [de veehouder] in mei 2016 heeft gekocht van [de verkoper] . Gebleken is overigens dat de twee graskuilen met Megaleen 150 van verschillende batches zijn afgedekt, één van een rol, kennelijk van 14 m van een pallet van een jaar eerder (2015) en één van een rol, kennelijk van 12 m uit 2015/2016 (p. 5 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 1 maart 2022; nrs. 15 e.v. van de memorie van antwoord van RKW en de daarbij overgelegde productie 9). De deskundige heeft in zijn rapport van 15 december 2023 uiteengezet dat hij geen reden heeft eraan te twijfelen dat de door [de veehouder] aan hem gegeven monsters folie Megaleen 150 betreffen, dat de bewaaromstandigheden voldoende goed waren en dat er geen additionele schade is opgetreden. Omdat polyetheen een behoorlijk stabiele polymeer is, sluit de deskundige uit dat het uiterlijk van de gaten wezenlijk is veranderd in de jaren die liggen tussen 2016 en 2023. De aard van de gaten geeft geen indicatie dat het probleem van de gaten is ontstaan door perforatie of door mechanische overbelasting, zodat een nader onderzoek naar de sterkte van de folie niet nodig is.


De deskundige heeft op goede gronden plastische/mechanische deformatie of gaten door kneuzing uitgesloten




2.3.
RKW heeft gewezen op het geheugeneffect van polyetheenfolies: het veranderen van vorm bij opwarming door spanningsrelaxaties, welk proces analoog is aan de deformatie die optreedt bij een krimpkous om een elektrische kabel die wordt verhit om de koperen kabel te omhullen. RKW heeft er daarbij verder op gewezen dat de deskundige in zijn aantekeningen heeft opgemerkt dat een polymeer onder invloed van warmte in staat is om terug te vloeien naar een structuur met minder ingebouwde spanning. Volgens RKW heeft de deskundige dit verschijnsel niet meegenomen in zijn concept-rapport, maar wel in de definitieve versie van zijn rapport, nadat hij zelf DSC-metingen had verricht. Daardoor heeft de deskundige in zijn definitieve rapport ten onrechte de conclusie gehandhaafd dat plastische/mechanische perforatie of kneuzingen zijn uitgesloten. Het geheugeneffect van polymeren kan er immers voor zorgen dat een folie na een door een perforatie of kneuzing veroorzaakte plastische deformatie terugkeert naar zijn oorspronkelijke positie. Dit geheugeneffect treedt volgens RKW al op bij relatief lage temperaturen die bijvoorbeeld kunnen worden bereikt in een graskuil waarin broei voorkomt. In combinatie met de lange periode die de Megaleen 150 op de kuil heeft gelegen en is opgeslagen is het mogelijk, en in ieder geval niet uit te sluiten, dat de bij het ontstaan van de gaten opgetreden plastische deformatie door het geheugeneffect achteraf is verdwenen. Dit verschijnsel staat dus in de weg aan het kunnen trekken van valide conclusies ten aanzien van de oorzaak van de gaatjes in de folie.



2.4.
De deskundige heeft hierop aldus gereageerd dat plastisch gedeformeerd polyetheen gedurende onbepaalde tijd die plastische deformatie vasthoudt. Polyetheen vloeit niet vanzelf terug naar zijn oorspronkelijke vorm, althans zeker niet volledig. Polyetheenfolie behoudt zijn kreukels als het op enig moment verfrommeld is geweest. Het gladtrekken en het geheugeneffect treden pas op bij temperaturen die zeer nabij het smeltpunt liggen. Bij temperaturen boven 100 ºC is het geheugeneffect doorgaans waarneembaar. De deskundige acht het uitgesloten dat de plastische deformatie na een perforatie spontaan zal terugvloeien bij normaal gebruik van landbouwfolie, kennelijk omdat bij normaal gebruik de vereiste hoge temperaturen niet worden bereikt.



2.5.
Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige hiermee op overtuigende wijze de kritiek van RKW weerlegd. De kritiek van RKW dat de deskundige in verband met het hier besproken geheugeneffect van polyetheen geen valide conclusies kon trekken op basis van onderzoek van de hem ter beschikking gestelde folies is daarom niet terecht.


De deskundige heeft voldoende mogelijke oorzaken van de gaatjes in de folie onderzocht




2.6.
Naar aanleiding van vraag 2, die de oorzaak van de gaatjes betrof, heeft de deskundige, samengevat, het volgende uiteengezet. Hij heeft 14 gaatjes onderzocht. 12 daarvan hadden een vergelijkbaar uiterlijk, vrijwel rond met een diameter in de range van 1-2 mm en met een vergelijkbare rafelrand. Gezien het uiterlijk van de gaatjes sluit de deskundige perforatie met een enigszins scherp voorwerp als oorzaak uit, omdat het daarvoor karakteristieke patroon van plastische deformatie ontbreekt. Om die reden is beschadiging door penetratie tijdens transport en tijdens aanbrengen van de folie op de graskuil(en) voor het overgrote deel van de gaatjes niet voor de hand liggend. Ook gaten door kneuzing kan de deskundige om dezelfde reden uitsluiten. Volgens de deskundige blijven er dan twee oorzaken over: (i) mechanisch falen door zwakke plekken in de folie ten gevolge van onvoldoende gehechte geldeeltjes nadat de productie is voltooid en (ii) gaten ontstaan door vraat van insecten of andere beestjes.



2.7.
RKW verwijt de deskundige dat hij zijn onderzoek naar de mogelijke oorzaken van de gaatjes in Megaleen 150 heeft beperkt tot gaatjes door plastische deformatie, crosslinking van geldeeltjes en vraatschade door insecten. Het hof had de deskundige echter gevraagd om onderzoek te doen naar de gaatjes in de folie, waarbij het hof zich niet had beperkt tot deze drie oorzaken. Verder voert RKW aan dat er al sinds 1995 wordt verwezen naar vele andere mogelijke oorzaken van gaatjes in PE-folies. Zij verwijst naar een publicatie, waarin wordt beschreven dat rupsen vraatschade aan PE-folies kunnen veroorzaken. Dat is echter een scenario (vraat door insecten) dat door de deskundige is onderzocht. In zoverre is de kritiek niet terecht. Ook overigens gaat het verwijt van RKW niet op. Het was de taak van RKW de deskundige erop te wijzen dat hij een mogelijke oorzaak van het ontstaan van de gaatjes in de folie over het hoofd zou zien. Dat heeft zij niet gedaan. Ook nu kan zij nog steeds niet een alternatieve oorzaak noemen naast de drie genoemde mogelijke oorzaken. Zo heeft zij bijvoorbeeld zelf uitgesloten dat de in de folie van [de veehouder] aangetroffen gaten het gevolg zijn van UV-degradatie (nr. 28 conclusie van antwoord). Het hof gaat daarom aan dit verwijt als onterecht voorbij.

De gaten in de landbouwfolie zijn het gevolg van crosslinking van de geldeeltjes en daardoor verminderde kristallisatie van de polyetheen (vraag 2)




2.8.
De deskundige heeft vervolgens beschreven dat de folie geldeeltjes bevat die waar te nemen zijn met het blote oog en dat het gaat om recyclaat dat in vergelijking tot het polymeer onvoldoende vloeit. De geldeeltjes zijn relatief klein, zodat ze ingebed worden in de folie. Ondanks de hoge verwerkingstemperatuur (oplopend tot 248 º C) zijn de geldeeltjes ten gevolge van crosslinking (chemische dwarsverbanden tussen de polymeerketens die een netwerk vormen) niet in staat om te vloeien. Het netwerk van gedeeltelijk gecrosslinkte polyetheen belemmert de kristallisatie en het verlaagt de smelttemperatuur. De vertraagde kristallisatie zal tot enige krimp van de geldeeltjes leiden hetgeen lokale mechanische krimpspanning zal veroorzaken. Omdat een gecrosslinked geldeeltje en een lineair polymeer niet goed kunnen samenvloeien is de grenslaag tussen die twee componenten een zwak punt dat derhalve microcracks en/of loslaten van de geldeeltjes kan veroorzaken. Dat gebeurt niet onmiddellijk bij productie. De geldeeltjes zijn dan nog niet kristallijn en nog in staat om vastgehecht te zijn aan de rest van het materiaal. Pas nadat de kristallisatie van een geldeeltje voldoende is opgetreden zal de krimp tot loslating, microcracks en eventueel gaten aanleiding geven. De deskundige heeft dat proces ook omschreven als “Mechanisch falen door zwakke plekken nadat de productie is voltooid”. Tijdens de mondelinge behandeling voor dit hof heeft de deskundige over het fenomeen “crosslinking” het volgende verklaard: “[Door crosslinking] zijn de polymeerketens niet meer vrij beweeglijk, de crosslinks vormen een chemische vernetting van de ketens en fungeren als belemmering voor het rangschikken van de ketens. Je krijgt bij een gecrosslinkte versie precies hetzelfde polyetheen, maar met crosslinking zie je dat het smeltpunt lager uitpakt omdat de kristallijne structuur zich door de crosslinks niet helemaal laat ontwikkelen.”



2.9.
DSC-metingen tonen volgens de deskundige aan dat de folie in de buurt van een gat dezelfde additionele lage-temperatuur-smeltpieken vertoont als bij een geldeeltje. Daaruit concludeert de deskundige een correlatie tussen de aanwezigheid van geldeeltjes en een gat. Omdat de deskundige zich voor deze conclusie baseerde op de DSC-metingen door de door [de veehouder] ingeschakelde partijdeskundige [de universitair docent] van de TU Twente en RKW bezwaar maakte tegen het overnemen van gegevens van een partijdeskundige, heeft de deskundige ook zelf DSC-metingen op een preparaat van sample O4a verricht. Naar aanleiding daarvan heeft de deskundige opgemerkt dat zijn meting hetzelfde globale beeld geeft als de metingen door [de universitair docent] : het materiaal bij en inclusief het gat heeft een afwijkend (lager) smeltpunt hetgeen op crosslinking en geldeeltjes kan duiden. RKW heeft in haar memorie na deskundigenbericht daarover opgemerkt dat het deskundigenrapport op dit punt tegenstrijdige conclusies bevat. Zij heeft gewezen op de aantekeningen van de deskundige in de bijlagen bij het rapport, waar hij opmerkt: “In de overzichtsfiguren zijn 4 smeltprocessen te zien bij de 1e opwarming (…). Deze smeltpieken vallen over elkaar bij de preparaten die genomen zijn net naast het gat (…), er is geen verschil gevonden tussen het preparaat met gel deeltjes en zonder geldeeltjes.” De deskundige heeft erop gewezen dat het vervolg van zijn aantekeningen ook van belang is: “Het totale volume aan geldeeltjes is slechts een beperkt deel van het uitgestanste preparaat dus dat was wellicht ook wel te verwachten. De grote overeenkomst van deze twee signalen geeft aan dat de DSC meting zeer goed reproduceerbaar lijkt te zijn. Het preparaat waarin het gat is opgenomen is significant anders, ongeveer 0.5 ºC lagere smelttemperaturen, zelfs ~ 2 ºC lager bij de lage temperatuur piek (90 ºC referenties en 88 ºC met het gat)”. De deskundige heeft daaraan toegevoegd dat de overeenkomst in de uitkomst van DSC-metingen tussen de samples naast het gat met, respectievelijk zonder geldeeltjes mogelijk kan worden verklaard door een (te) gering aantal geldeeltjes in het preparaat met geldeeltjes.



2.10.
Op de kritiek van RKW dat volgens haar uit de door de deskundige uitgevoerde DSC-metingen blijkt dat alle samples, zowel met gat, als zonder gat met geldeeltjes en zonder gat zonder geldeeltjes hetzelfde smeltproces laten zien, heeft de deskundige geantwoord dat er duidelijke verschillen zijn in de posities en hoogtes van de smeltpieken in het sample met gat enerzijds met anderzijds de samples zonder gat met en zonder geldeeltjes (0,5 en 2 ºC lager). De deskundige heeft de kritiek van RKW in die zin gevolgd dat, anders dan hij uiteenzette in het eerste deskundigenbericht, de smeltprocessen tussen enerzijds een sample met een gat en anderzijds de samples zonder een gat maar met geldeeltjes en die zonder een gat en zonder geldeeltjes verschillend zijn. Dat de smeltprocessen van de samples zonder gat gelijkenis vertonen verklaart de deskundige door het relatief geringe volume van de geldeeltjes in de samples. Daarmee moest de deskundige ook terugkomen van zijn constatering dat er een correlatie was tussen de smeltprocessen van een sample met gat en van een sample zonder gat, maar met geldeeltjes. Niettemin heeft de deskundige zijn conclusie gehandhaafd dat de gaten zijn ontstaan door onvoldoende gecrosslinkte geldeeltjes waardoor een minder volmaakte kristallisatie tot stand kwam, wat zijn weerslag had op de mobiliteit van de polymeerketens. De metingen lieten volgens de deskundige verder zien dat de gaatjes niet door mechanische perforatie kunnen zijn ontstaan. Tijdens de mondelinge behandeling van 17 april 2025 heeft de deskundige nader toegelicht dat het zeer aannemelijk lijkt dat ter plaatse van de gaten in de samples grotere geldeeltjes of meer geldeeltjes hebben gezeten dan in de samples zonder gaten (p. 7 van het proces-verbaal).



2.11.
Het hof beslist naar aanleiding van dit onderwerp dat de deskundige zijn conclusie overtuigend heeft toegelicht dat de gaten zijn veroorzaakt door grotere geldeeltjes in de folie of een cluster van geldeeltjes, waardoor crosslinking is opgetreden en kristallisatie onvoldoende heeft plaatsgevonden en waardoor de folie kwetsbaar werd voor loslaten, microcracks en gaten. Voor het hof is niet doorslaggevend dat de deskundige na kritiek van RKW van zijn conclusie dat er een correlatie bestaat tussen samples met een gat en samples zonder gat maar met geldeeltjes heeft moeten terugkomen. Ook zonder deze correlatie blijft de conclusie overeind dat de gaten zijn ontstaan door grotere geldeeltjes recyclaat of een concentratie van geldeeltjes in de folie.


Het verschil in gewicht van de preparaten doet niet af aan de conclusies van de deskundige




2.12.
Als kritiek op de DSC-metingen door de deskundige heeft RKW aangevoerd dat verschillen in gewicht tussen de drie door de deskundige gebruikte preparaten groter is dan het maximum verschil van 5% dat volgens de geldende normen is toegelaten (nr. 10.1 van de Standard Test Method for Melting And Crystallization Temperatures By Thermal Analysis (de ASTM E794-standaard), laatste zin: “For comparing multiple results, use similar mass (±5%) and encapsulation.”). Het preparaat met gat (2,55 mg) wijkt 9% af van het preparaat naast een gat (2,80 mg) en 11% van een preparaat met geldeeltjes (2,86 mg). Het verschil in gewicht van het preparaat met gat is daarmee te groot om een betrouwbare meting te maken met de resultaten van de andere preparaten. Het is immers juist deze vergelijking die een afwijkend lager smeltpunt geeft, waaruit de deskundige afleidt dat er sprake kan zijn van geldeeltjes met crosslinking. Het verschil in gewicht tussen het preparaat naast een gat en het preparaat naast een gat met geldeeltjes blijft wel onder de geldende norm van maximaal 5%. Daartussen wordt ook geen lager smeltpunt gevonden. Door het onjuist toepassen van het voorschrift kan de vergelijking de conclusie niet dragen, omdat niet kan worden uitgesloten dat het afwijkende lagere smeltpunt wordt veroorzaakt door het te grote verschil in gewicht. Daar komt bij dat het afwijkende lagere smeltpunt van het preparaat met gat slechts 0,5 ºC lager ligt. De nauwkeurigheid van de DSC-meetapparatuur heeft de deskundige niet vermeld. Het zou daarom goed mogelijk zijn, voor zover het verschil in smeltpunt al niet te verklaren valt door het verschil in gewicht van de preparaten, dat de verschillen vallen binnen de nauwkeurigheidsmarge van de DSC-metingen. Bovendien bevat Megaleen 150 als regeneraatfolie verschillende types polyetheen (LDPE en LLDPE), waardoor de samenstelling van plaats tot plaats verschilt. Een preparaat op de ene plaats heeft een andere samenstelling dan een preparaat op een andere plaats. Daarom kunnen aan de hand van een steekproefgrootte van één sample per type preparaat überhaupt geen conclusies worden getrokken, laat staan op basis van een afwijking van 0,5 ºC, aldus RKW.



2.13.
De deskundige heeft hier als volgt op gereageerd. In de door RKW aangehaalde standaard is gekozen voor een zeer stringente norm. Bij gebruikelijke DSC-metingen wordt de massa van de preparaten precies gemeten, maar worden geen heel stringente eisen aan de verschillen in massa van de preparaten gesteld. De deskundige zou zelf zonder enige bedenking preparaten van 4 en 5 mg onderling vergelijken, een verschil van 20-25% in gewicht. Bij nog grotere verschillen (preparaten 2 mg en 10 mg) zie je wat minimale verschuivingen in (piek)temperatuur. Fabrikanten van DSC-apparatuur stellen geen strenge eisen aan de massa van preparaten. Een verschil van 9 en 11% in massa zal geen (of een nauwelijks meetbaar) effect op een DSC-curve geven. De afwijkende curve van het preparaat met gat is daarom niet te verklaren door het kleinere gewicht van het preparaat. De deskundige heeft naar aanleiding van deze tegenwerping door RKW in januari 2025 aanvullende DSC-metingen gedaan, waaruit is gebleken dat de verschillen in gewicht onvoldoende zijn om enig effect te verwachten. De nauwkeurigheid van de door de deskundige gebruikte DSC-apparatuur is ± 0,1 ºC en de reproduceerbaarheid is ± 0.01 ºC, waarmee de deskundige wil zeggen dat de apparatuur zo nauwkeurig is dat een verschil van 0,5 ºC niet valt binnen de nauwkeurigheidsmarge van de apparatuur. De metingen uit het deskundigenrapport zijn allemaal op dezelfde dag kort na elkaar uitgevoerd, wat de onderlinge vergelijkbaarheid additioneel waarborgt. Herhalingsmetingen zijn na één week identiek (2e opwarming).



2.14.

[de R&D Engineer] van RKW, heeft in zijn technische verklaring van 6 februari 2025 toegelicht dat het wel van belang is dat de gewichten van de onderzochte preparaten niet meer dan 5% in gewicht verschillen. Hij is het niet eens met de deskundige op dit punt en is van mening dat de resultaten niet identiek zijn. Wanneer men de metingen nauwkeurig bekijkt – bijvoorbeeld de derde hulplijn van links in grafiek 2 van de bijlage bij het aanvullende rapport - blijkt dat de piektemperatuur bij het preparaat met het lagere gewicht zich aan de linkerzijde van de hulplijn bevindt, terwijl de piek van het zwaardere preparaat duidelijk aan de rechterzijde ligt. Zij zijn daarom niet identiek. Door de grote schaal kan de paar millimeter verschil al een halve graad Celsius schelen. Volgens [de R&D Engineer] toont de zwaardere massa ook hier een hogere smelttemperatuur.



2.15.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de deskundige daarop als volgt gereageerd: “Ik zou zelf niet verwachten dat, als je preparaten hebt van 2 mg of 5 mg, je hier een wezenlijk ander signatuur door ziet. De reden daarvoor is dat het voor de dikte van het folie wezenlijk niet uitmaakt of je een wat groter of kleiner schijfje folie uitknipt. In dit geval is de dikte van het folie het belangrijkste criterium voor de plaats van de DSC-pieken. Als het folie veel dikker zou zijn, ijlt het een beetje na en gaan de temperaturen wat omhoog omdat de warmtegeleiding door de polymeerlaag wat vertraagd is. Bij het folie waar we het hier over hebben, is alles ongeveer 143 micrometer met vrij weinig variatie. Dan maakt het niet veel uit of het gaat om een preparaat van 2,5 of 2,8 mg. Dat was mijn verwachting. Ik denk dat we dat ook hebben gemeten, het effect van het massaverschil, met de aanvullende DSC-metingen. (…) Dat is punt 2. Daar zie je wellicht een kleine verschuiving in de eerste piek, maar de tweede piek zit muurvast op dezelfde plek. Dat is voor mij aanleiding om te zeggen dat de DSC-signaturen van het preparaat van 2,9 mg en van 2,36 mg geen wezenlijk verschillende resultaten geven.”



2.16.
Het hof oordeelt dat de deskundige met de in 2.13 en 2.15 weergegeven argumenten overtuigend heeft uiteengezet dat de verschillen in gewicht tussen de onderzochte preparaten geen invloed hebben gehad op de uitkomsten van de metingen en dat de door de deskundige gebruikte apparatuur zo nauwkeurig was dat de gemeten verschillen tijdens de smeltcycli betekenis hebben voor de eigenschappen van de onderzochte preparaten. De kritiek van RKW is daarom niet terecht.


De relevantie van het verdwijnen van smeltpieken bij de tweede smeltcyclus van de preparaten en van vlakheid




2.17.
Volgens RKW leidt de deskundige ten onrechte uit het verdwijnen van smeltfenomenen bij de tweede smeltcyclus ten opzichte van de eerste cyclus af dat er sprake is van crosslinking ten gevolge van geldeeltjes in de samples. Zij heeft daarom een DSC-meting uitgevoerd op eerste-keus-LLDPE, zonder geldeeltjes. Die DSC-meting liet zien dat ook bij eerste-keus-LLDPE in de tweede smeltcyclus smeltfenomenen verdwenen. Dat impliceert volgens RKW dat het verdwijnen van smeltfenomenen niet zomaar kan worden gekoppeld aan crosslinking van de onderzochte polyetheen. Verder stelt RKW aan de orde dat het verschil tussen de smeltcycli kan worden veroorzaakt doordat het te smelten preparaat de eerste keer niet helemaal vlak in de DSC-apparatuur ligt, waardoor het contactoppervlak kleiner is, wat de oorzaak kan zijn van afwijkende uitkomsten.



2.18.
De deskundige heeft hierop aldus op gereageerd dat het hem vooral ging om de afwijkende vorm van de smeltpieken en de lagere smelttemperaturen, zowel bij de 1e als de 2e opwarming, van het preparaat met een gat, en niet zozeer om het verdwijnen van smeltpieken. Die lagere temperatuur is verenigbaar met crosslinking en geldeeltjes. Wat de vlakheid betreft heeft de deskundige aanvullende metingen verricht, waarin hij geen enkel effect van niet-vlakheid heeft gezien.



2.19.
Hiermee heeft de deskundige naar het oordeel van het hof afdoende gereageerd op deze kritiek van RKW.


Vraatschade door insecten is niet de oorzaak




2.20.
De deskundige heeft in zijn rapport van 15 december 2023 beschreven hoe hij heeft gekeken naar het uiterlijk van vraatschade en diverse online bronnen daarover heeft geraadpleegd, evenals drie door RKW aangeleverde publicaties. De meeste gevallen van vraatschade geven een beeld van een enigszins gladde rand en dus geen rafels. In één publicatie zijn wel rafelpatronen te zien, maar dat gaat om aanzienlijk dunnere polyetheenfolies (van 50 µg) dan Megaleen 150, terwijl de gaten aanzienlijk kleiner zijn dan hij heeft waargenomen in de samples en hij daarin geen kleinere satellietgaten waarneemt. Verder wijkt het asymmetrische karakter af van de door hem gevonden, aanzienlijk geringere asymmetrie van de samples die bovendien geen sporen vertonen van een bijtpatroon. De deskundige betwijfelt de juistheid van de stelling in een aan hem gestuurd artikel, dat polyetheen pas vanaf een dikte van 254 µg resistent wordt tegen vraatschade door insecten. Dat zou immers impliceren dat folies als Megaleen 150 altijd aan vraatschade door insecten zouden blootstaan. Dat gaten als hier aan de orde niet in alle landbouwfolies met een dikte van 150 µg zijn gevonden, terwijl insecten in gesneden gras alom tegenwoordig zullen zijn, geeft aan dat vraatschade blijkbaar geen algemeen verschijnsel is. Dat de gaten zouden zijn veroorzaakt door de muisgrijze kniptor lijkt de deskundige niet aannemelijk. Er zouden dan gaten van 3–4 mm in doorsnede moeten zijn gevonden, terwijl de meest gaten een doorsnede hebben van 1-2 mm. De deskundige heeft echter ook opgemerkt dat hij geen entomoloog is, maar dat de vragen van het hof vergden dat hij op dit onderwerp inging. Hij kan niet met 100% zekerheid uitsluiten dat het vraatschade betreft.



2.21.
Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige daarmee niettemin voldoende toegelicht dat vraatschade door insecten niet de oorzaak van de gaatjes in de folie is.


De conclusie op basis van het deskundigenrapport: er is sprake van een productiefout van de Megaleen 150; de geleverde rollen zijn non-conform en vormen een gebrekkig product




2.22.
Het hof neemt de conclusie van de deskundige over dat de gaatjes in de door hem onderzochte Megaleen 150 zijn veroorzaakt door mechanisch falen, en wel in het bijzonder door crosslinking van geldeeltjes in de folie, die een beperkte kristallisatie tot gevolg hebben gehad, waardoor op termijn ten gevolge van krimp loslating, microcracks en gaten zijn opgetreden. De gaten zijn ontstaan op plaatsen waar relatief grote geldeeltjes of een cluster van geldeeltjes aanwezig waren. RKW heeft erop gewezen dat die conclusies impliceren dat Megaleen 150, dat altijd recyclaat met geldeeltjes bevat, inherent ongeschikt zou zijn als landbouwfolie, terwijl Megaleen 150 al jaren probleemloos als landbouwfolie voor het inkuilen van gras wordt gebruikt. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen en door de deskundige in zijn aanvullende rapport is geschreven hoeft een zo vergaande conclusie niet te worden getrokken. Het is goed denkbaar dat de rollen Megaleen 150 die [de veehouder] heeft gekocht van mindere kwaliteit waren, omdat de machines bij RKW enige tijd niet goed waren afgesteld, ook al acht RKW dat zelf onwaarschijnlijk (nr. 37 conclusie van antwoord). Of dit werkelijk het geval is geweest, hoeft niet te worden onderzocht, omdat voldoende is dat vaststaat dat de aan [de veehouder] ter beschikking gestelde rollen gebrekkig waren.



2.23.
Dat de deskundige zijn conclusies met de nodige wetenschappelijke behoedzaamheid heeft omkleed (“Gezien het voorgaande ben ik voor de verklaring van de gevonden gaten wat meer overtuigd door scenario (i) “Mechanisch falen door zwakke plekken nadat de productie is voltooid”. Ik kan niet met 100% zekerheid uitsluiten dat het (ii) vraatschade betreft.”) doet niet af aan zijn conclusie dat de gaten door crosslinking tijdens het productieproces zijn ontstaan. In zijn rapport heeft de deskundige ook opgemerkt dat hij scenario (i) (mechanisch falen) als meest waarschijnlijke oorzaak van de gaatjes ziet. Dat hij voor de afwijkende gaten in de samples O2a en O8a geen verklaring heeft kunnen vinden, doet aan de overtuigingskracht van zijn conclusies ook niet af.



2.24.
Tussen partijen is niet in geschil dat luchttoetreding (meer specifiek: toetreding van zuurstof) tot de kuil broei en vervolgens schimmelvorming van het kuilgras veroorzaakt en dat beschimmeld kuilgras niet geschikt is als veevoeder. Ook is tussen partijen niet in geschil dat het voor het afdekken van het kuilgras van belang is dat het afdekmateriaal, zoals in dit geval Megaleen 150, geen gaten bevat omdat gaten in het afdekmateriaal leidt tot toetreding van zuurstof tot de kuil.


2.25.
Omdat het voor het inkuilen van gras dus wezenlijk is dat de landbouwfolie geen gaten bevat, heeft [de verkoper] een zaak aan [de veehouder] geleverd die niet aan de overeenkomst beantwoord (non-conformiteit, art. 7:17 BW). Aangezien dit gebrek op grond van de in het verkeer geldende opvattingen in beginsel aan [de verkoper] kan worden toegerekend, is [de verkoper] in beginsel aansprakelijk voor de schade die [de veehouder] ten gevolge van dit gebrek heeft geleden. [de verkoper] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op basis waarvan het bestaan van het gebrek niet aan haar zou kunnen worden toegerekend, zodat het hof beslist dat [de verkoper] met de levering van de rollen Megaleen 150 aan [de veehouder] toerekenbaar is tekortgeschoten. Anders dan [de verkoper] aanvoert beschermt artikel 7:17 BW een koper als [de veehouder] wel degelijk tegen de schade zoals [de veehouder] die heeft geleden.



2.26.
Om dezelfde reden is RKW als producent van de landbouwfolie in beginsel aansprakelijk voor de ten gevolge van het gebrek geleden schade. Het is immers onrechtmatig om een product in het verkeer te brengen dat bij normaal gebruik schade veroorzaakt (artikel 6:162 BW). Dit gebrek in de productie van Megaleen 150 kan in beginsel aan RKW op grond van de verkeersopvattingen worden toegerekend. Ook RKW heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die meebrengen dat voor toerekening van de onrechtmatige daad aan haar geen plaats is. Het hof stelt daarom vast dat RKW door de desbetreffende rollen Megaleen 150 in het verkeer te brengen een toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd. Het hof weegt bij deze vaststelling mee dat onbetwist is dat RKW Megaleen alleen steekproefsgewijs test op sterkte. Anders dan RKW aanvoert is de omstandigheid dat Megaleen 150 een van de meest voordelige landbouwfolies is geen reden om tot een andere conclusie te komen. Ook de gebruiker van een gunstig geprijsde landbouwfolie mag verwachten dat de folie geen gaatjes bevat die zuurstof doorlaten, waardoor schimmelvorming in het ingekuilde gras optreedt.


Causaal verband




2.27.
Vervolgens moet worden vastgesteld of de aanwezigheid van de gaatjes heeft geleid tot de door [de veehouder] gestelde schade. Dit onderwerp moet worden onderzocht aan de hand van het antwoord op de vraag of de schade zou zijn uitgebleven als er geen gaatjes in de Megaleen 150 aanwezig waren geweest. [de veehouder] heeft in beginsel de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband.



2.28.
Onbetwist is dat gaatjes in het landbouwplastic kunnen leiden tot schimmelvorming (zie rov. 2.24). De deskundige heeft een aantal oorzaken voor de gaatjes onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat de meest waarschijnlijke oorzaak is gelegen in mechanisch falen van de folie door crosslinking van de geldeeltjes in de folie. Andere oorzaken (vraatschade) en plastische deformatie (perforatie) zijn door de deskundige afgewezen. Deze gebeurtenissen kunnen daarom niet als bron die de schade geheel of gedeeltelijk hebben veroorzaakt in aanmerking worden genomen.



2.29.
Het door RKW geopperde onzorgvuldige gebruik van de folie als oorzaak van de schade gaat ook niet op. EMN, de door de verzekeraar van [de verkoper] ingeschakelde deskundige, heeft in haar rapport van 2 maart 2017 opgemerkt dat [de veehouder] en [de verkoper] de folie hebben gebruikt zoals dit in de sector gebruikelijk is en dat de schimmelvorming het gevolg is van de aanwezigheid van de gaatjes in het plastic. De stelling dat [de veehouder] het gras niet juist heeft ingekuild of dat de schimmel al aanwezig was in het gras voordat het werd ingekuild is in het licht van de stellingen van [de veehouder] onvoldoende uitgewerkt. Het verwijt van RKW dat [de veehouder] blijkens de foto’s een te grote hoeveelheid aarde over de kuilen heeft gelegd, treft geen doel. [de veehouder] heeft onvoldoende betwist gesteld dat zij met [de verkoper] de laag extra aarde pas heeft gestort nádat de gaatjes waren ontdekt, in de hoop dat daarmee de zuurstoftoetreding tot de kuil zou worden geremd. [de verkoper] heeft bovendien vermeld dat hij - daarvóór - het gras in de kuil heeft gereden en vervolgens de kuil heeft afgedicht met een dunne afdeklaag zand. Zoals [de veehouder] heeft aangevoerd en [de verkoper] bevestigd is het gevaar van teveel zand dat het steentjes of takjes door het plastic duwt. Dergelijke ponsgaten zijn door de deskundige als oorzaak echter uitgesloten. In het licht daarvan heeft RKW deze varianten verder onvoldoende met feiten of omstandigheden uitgewerkt, zodat het loutere hypotheses zijn. Dat is in het licht van de overtuigende conclusies uit het grondige onderzoek van de deskundige en het vaststaande feit dat gaatjes tot schimmel leiden onvoldoende. Dat er al schimmel in de graskuil aanwezig was, is ook onvoldoende onderbouwd. Vaststaat immers dat als het landbouwplastic geen zuurstof doorlaat de schimmel zich niet kan ontwikkelen. Daarmee strookt niet dat wijdverbreid schimmel in de graskuilen is aangetroffen, zoals in dit geval. Aan nadere instructie door deskundigenonderzoek of getuigenverhoor wordt niet toegekomen. Het beroep op de omkeringsregel door [de veehouder] behoeft geen bespreking.


Schade




2.30.

[de veehouder] heeft (afgezien van twee PM-posten) de volgende schadeposten opgevoerd:
1. waarde verloren gegaan kuilgras € 63.066,00
2. interne uren [de veehouder] € 16.969,62
3. kosten vanwege gezondheidsproblemen bij de koeien € 146,42
4. kosten krachtvoer ter vervanging van kuilgras € 3.279,89
5. misgelopen melkopbrengsten € 31.611,00
6. kosten toxicoloog € 672,00
7. kosten voorgeschreven toxinebinders € 753,35

8. kosten van inzet van extra materieel en interne uren € 18.300,00


Totaal € 134.798,28




2.31.
Daarnaast heeft [de veehouder] kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid opgevoerd.



2.32.

[de veehouder] heeft de schadeposten als volgt toegelicht. Door de schimmelvorming was het gras ongeschikt om als voer voor de melkkoeien te dienen. Hierdoor is een acuut tekort aan voer ontstaan. [de veehouder] heeft het tekort op verschillende manieren opgevangen. Zo is eerder dan gepland vanuit recenter aangelegde graskuilen gras gevoerd en is extra maïs gevoerd. Verder is in het voorjaar vers gras gevoerd en is, tegen het advies van de veearts in, gras vanuit de beschimmelde kuilen gevoerd. [de veehouder] had in die tijd niet de financiële middelen om beide graskuilen volledig te vervangen. Door deze gang van zaken is het tekort aan voer steeds doorgeschoven en is ook de inkoop van vervangend veevoer uitgesmeerd over de jaren na het ontstaan van de schimmelvorming. Het verlies aan waarde kan op twee manieren worden begroot. De eerste methode bestaat uit de kosten van een vervangend product, waarbij dient te worden uitgegaan van het volledig vervangen van de twee graskuilen, die door de schimmelvorming geen waarde meer hebben. De graskuilen zouden 274,2 ton droge stof hebben opgeleverd. De waarde van een kilo droge stof is € 0,23, zodat het waardeverlies uitkomt op € 63.066,00. De tweede methode is om uit te gaan van de aanschaf van gras op stam dat dan door [de veehouder] wordt verzameld in nieuwe graskuilen. Voor 274,2 ton droge stof is 85,68 ha gras op stam nodig. Een hectare gras op stam komst gemiddeld genomen € 437,50, en de kosten voor maaien, schudden, harken, hakselen, etc. gemiddeld € 326,62, zodat voor 274,2 ton droge stof een bedrag moet worden betaald van € 65.469,90. [de veehouder] heeft gekozen voor de eerste methode, omdat zij op een lager bedrag uitkomt.



2.33.
De onder 2 genoemde interne uren betreffen werkzaamheden aan onderzoek naar de oorzaak van de schimmel, het vaststellen van de schade, het beperken van de schade en het begeleiden van deskundigen die de graskuilen hebben geïnspecteerd. [de veehouder] heeft een uurtarief van € 25 gerekend. Post 3 betreft kosten ter bestrijding van gezondheids- en klauwproblemen, ontstaan door het door blijven voeren met beschimmeld gras, post 4 betreft het inzetten van extra krachtvoer en post 5 de misgelopen inkomsten door verminderde melkproductie, welke schade is berekend aan de hand van het jaaroverzicht van Campina over 2016 in samenhang met de MPR-uitslag waarin de gegevens over de melk-, vet- en eiwitproductie van de melkkoeien van [de veehouder] zijn vermeld. Posten 6 en 7 gaan over de kosten van een toxicoloog die de aanwezige schimmels heeft onderzocht, respectievelijk de aanschaf van toxinebinders die zijn ingezet om de schimmels te neutraliseren. Post 8 betreft extra materieel (Kuhn Frontmaaier, Fronthef en Pottinger opraapwagen) en mensuren om gras á la minute te maaien om daarmee de koeien te voeren. Door het veelvuldige gebruik was [de veehouder] genoodzaakt materieel te kopen, omdat dit volgens haar goedkoper was dan telkens een loonbedrijf in te zetten. Van deze aanschaf van in totaal € 17.662,00 rekent zij € 3.609,50 als schade toe aan de wanprestatie, respectievelijk onrechtmatige daad waarvoor [de verkoper] en RKW aansprakelijk zijn.



2.34.
De kosten zijn door [de verkoper] en RKW gemotiveerd betwist. Zo heeft [de verkoper] aangevoerd dat de schade door verlies van de graskuilen niet hoger dan € 22.620,00 is. Verder is 166 ton door haar afgevoerd – waarvoor zij overigens geen kosten heeft gerekend – zodat de resterende hoeveelheid is gevoerd aan de koeien. RKW heeft aangevoerd dat zij niet aansprakelijk is voor meerkosten die zijn gemaakt omdat [de veehouder] over onvoldoende financiële middelen beschikte om kuilgras op de markt te kopen. Voor zover [de veehouder] het beschimmelde kuilgras heeft gevoerd aan haar melkkoeien, is dat geen schade. De kosten die [de veehouder] heeft opgevoerd uit oktober 2018 zijn niet meer te herleiden tot een acuut voedseltekort en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. RKW ziet verder niet in dat [de veehouder] financieel niet in staat was om kuilgras op de markt te kopen, maar kennelijk wel materieel ter waarde van € 18.500 kon aanschaffen. RKW voert aan dat dit niet met elkaar in overeenstemming is.



2.35.
RKW heeft er verder op gewezen dat [de veehouder] verplicht is zijn schade zo veel als mogelijk is te beperken. RKW verwijt [de veehouder] met name dat zij haar vee is blijven voeren met beschimmeld kuilgras, waardoor het nodig was kosten te maken ter bestrijding van de daarop gevolgde klachten van de ingewanden van het vee.



2.36.
Het hof oordeelt als volgt. [de veehouder] heeft bedrijfsschade geleden doordat twee kuilen met kuilgras beschimmeld bleken te zijn. Het gaat hier om bedrijfsschade die in beginsel concreet moet worden begroot (artikel 6:97 BW) en zo nodig mag worden geschat: de kosten die [de veehouder] werkelijk heeft gemaakt om de problemen door de beschimmelde graskuilen het hoofd te bieden. [de veehouder] heeft haar strategie voor herstel van de geleden schade zo vormgegeven dat zij in eerste instantie beschimmeld gras is blijven voeren en krachtvoer heeft bijgevoerd en vervolgens frequenter dan gebruikelijk gras heeft gemaaid, zodat zij na verloop van tijd (enkele jaren) weer beschikte over evenveel graskuilen als voor het moment waarop de schimmelvorming in twee graskuilen werd ontdekt. Het hof oordeelt dat [de veehouder] daarmee een goede strategie tot herstel van de schade heeft gekozen. Het gaat hier om de gevolgen van het verloren gaan van een deel van de bedrijfsvoorraad van [de veehouder] , een natuurlijk product. Niet alleen in de stukken van [de veehouder] , maar ook in die van [de verkoper] en RKW zijn aanknopingspunten te vinden voor de stelling van [de veehouder] dat kuilgras geen courant verhandelbaar product is. De namens de verzekeraar van [de verkoper] ingeschakelde deskundige EMN heeft immers in zijn e-mail van 17 februari 2020 opgemerkt dat in kuilvoer niet veel handel is en voor zover er handel is het nooit het beste product van de verkoper is: “het beste product voert men aan het eigen vee en een eventueel overschot verkoopt men soms”. Het hof ziet daarom geen aanleiding om tot het oordeel te komen, zoals met name RKW aanvoert, dat [de veehouder] door beschimmeld gras te blijven voeren een onjuiste wijze van herstel van de schade heeft gekozen en daarmee haar schadebeperkingsplicht zou hebben geschonden. RKW heeft ook niet onderbouwd waarom deze keuze ertoe geleid heeft dat en in hoeverre er meer schade is geleden dan wanneer [de veehouder] , als hij dat al had gekund, de volledige graskuilen zou hebben vervangen. Omdat RKW hierbij een beroep doet op eigen schuld van [de veehouder] rusten de stelplicht en bewijslast dat [de veehouder] door zijn keuzes zijn schade heeft vergroot op RKW. Naar het oordeel van het hof heeft RKW op dit punt te weinig gesteld. Als uitgangspunt komen daarom kosten voor de aanschaf van krachtvoer en kosten voor begeleiding door een dierenarts, evenals kosten ter bestrijding van ingewandsstoornissen bij het vee voor vergoeding in aanmerking. In beginsel geldt dat ook voor de aanschaf van bedrijfsmiddelen, als de wijze van herstel meebrengt dat het goedkoper is deze bedrijfsmiddelen aan te schaffen dan om frequenter dan normaal een loonbedrijf in te schakelen.



2.37.
Naar het oordeel van het hof komt de schadepost “waardevermindering van het verloren gegaan kuilgras” niet voor vergoeding in aanmerking. Door de werkelijk gemaakte kosten en de werkelijk geleden verliezen ten gevolge van de schimmelvorming, waarvoor [de verkoper] en RKW aansprakelijk zijn, voor vergoeding in aanmerking te laten komen, is de volledige schade van [de veehouder] geheel vergoed. Binnen de concrete schadeberekening die voor schade als deze geldt, is geen plaats voor toekenning van waardeverlies van de verloren gegane kuilen, nu in werkelijkheid de kuilen weer functioneren, zoals zij dat deden voor het schadeveroorzakende evenement. [de veehouder] heeft een deel van het voor de koeien bestemde voedsel moeten vervangen door ander voedsel (krachtvoer) en heeft dat kennelijk een aantal jaren moeten volhouden om aldus de omvang van de voorraad kuilgras te herstellen. De kosten van het krachtvoer komen volledig voor vergoeding in aanmerking. Als [de veehouder] daarnaast de waarde van het niet gegeven (kuil-)gras vergoed zou krijgen, zou zij worden overgecompenseerd. [de veehouder] heeft tijdens de mondelinge behandeling op 17 april 2025 nog gewezen op kosten die niet in de schadebegroting van ing. [de accountant] van [het accountantskantoor] van 21 augustus 2017 zijn opgenomen, omdat zij nadien zijn gemaakt. Die kosten had [de veehouder] op dezelfde manier moeten begroten als de kosten die zijn gemaakt vóór 21 augustus 2017. Nu zij dat niet gedaan heeft zal het hof daaraan voorbijgaan, uitgezonderd de nu te bespreken kosten van krachtvoer.



2.38.
Het hof zal dus toewijzen de kosten die [de veehouder] in de periode tot 21 augustus 2017 gemaakt heeft voor extra krachtvoer (€ 3.279,89). [de veehouder] heeft onderbouwd (in productie 11 bij memorie van grieven) in hoeverre deze kosten gestegen zijn tijdens de periode dat de problemen speelden ten opzichte van een referentieperiode daarvoor. Dit is door [de verkoper] en RKW niet gemotiveerd betwist. Uit hetgeen [de veehouder] tijdens de mondelinge behandelingen heeft verklaard leidt het hof af dat deze schadepost is doorgelopen na 21 augustus 2017. Kennelijk heeft [de veehouder] deze later opgetreden schade willen brengen onder de in 2.37 afgewezen schadepost “waardevermindering van het verloren gegaan kuilgras”. Nu deze schadepost wel concreet is geleden, maar op een ongelukkige manier is gevorderd, zal het hof [de veehouder] de gelegenheid tot herstel bieden zodat zij ook voor de periode na 21 augustus 2017 zo concreet mogelijk kan begroten hoe groot deze schadepost is.



2.39.
Ook de kosten die verband houden met de gezondheidsproblemen van de melkkoeien (€ 146,42), het honorarium van de toxicoloog (€ 672) en de kosten van toxinebinders (€ 753,35) zijn onvoldoende gemotiveerd betwist en zal het hof daarom toewijzen.



2.40.

[de veehouder] heeft daarnaast gederfde melkinkomsten gevorderd. Onvoldoende betwist is dat de melkgift van melkkoeien mede afhangt van de kwaliteit van het voedsel dat zij krijgen. De beschimmelde kuilen hebben daarom tot een verminderde melkgift kunnen leiden. [de veehouder] heeft deze verminderde melkgift ook gedetailleerd onderbouwd onder overlegging van overzichten van FrieslandCampina en gegevens uit zijn administratie. RKW heeft deze gegevens betwist en aangevoerd dat deze onvoldoende navolgbaar zijn, onder andere omdat onduidelijk is met welke referentieperiode [de veehouder] heeft gerekend. Het hof zal daarom [de veehouder] in de gelegenheid stellen bij akte uiteen te zetten per maand welke melkinkomsten zijn misgelopen als gevolg van het gebruik van het beschimmelde gras, vergeleken met welke referentieperiode, onderbouwd met nadere stukken.



2.41.
Interne uren komen voor vergoeding in aanmerking als kosten ter beperking en voorkoming van schade (artikel 6:96 lid 2 sub a BW of ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (idem, lid 2 sub b BW) mits het redelijk is dat dergelijke kosten zijn gemaakt en ook de omvang van de opgevoerde kosten redelijk is. Het hof oordeelt dat het in dit geval redelijk is dat [de veehouder] deze kosten opvoert. Een uurloon van € 25,00 (en € 20,00 voor de trekker) komt het hof ook redelijk voor en is ook verder niet gemotiveerd betwist. Het hof ziet echter wel aanleiding om het aantal uren dat door [de veehouder] als schade wordt gevorderd naar beneden bij te stellen. Ten eerste omdat het als productie 9 overgelegde overzicht voor een groot gedeelte niet ziet op specifiek op een datum gemaakte uren, maar blijkbaar op een inschatting achteraf (bijvoorbeeld 1 uur per dag extra voor vee, 138 uur zandscheppen met kosten voor trekker e.d.) waarvan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat dit samenhangt met het beschimmelde gras en zonder dit gras niet ook aan het bedrijf besteed zou zijn. Het ziet zal daarom deze schadepost schatten op € 7.000.



2.42.
De door [de veehouder] gevorderde kosten voor de aanschaf van een frontmaaier, een fronthef en een opraapwagen zal het hof afwijzen. [de veehouder] heeft deze machines ook gebruikt voor zijn gewone bedrijfsvoering. Onvoldoende is onderbouwd dat zij deze machines niet zou hebben gekocht als de twee kuilen niet beschimmeld waren. Het is het hof bovendien niet duidelijk of deze kosten niet al in de berekening van [de veehouder] zijn meegenomen in het bedrag per uur voor de trekker. Ten slotte heeft [de veehouder] deze uitgaven niet afgezet tegen de extra kosten die zij zou hebben gemaakt als zij een loonbedrijf zou hebben ingeschakeld. Het hof gaat er wel in mee dat [de veehouder] extra heeft moeten maaien en daaraan uren heeft besteed en dat deze uren en de kosten van inzet van materieel voor deze extra maaibeurten vergoed moeten worden. Onduidelijk is echter welke uren [de veehouder] hier precies aan heeft besteed. Het hof kan dat niet uit productie 17 afleiden. Het hof zal deze post, die [de veehouder] heeft begroot op € 14.670, daarom schatten op € 9.000.



2.43.
Dat [de veehouder] kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid heeft gemaakt, komt het hof redelijk voor. De omvang van de gedeclareerde kosten van de accountant van [de veehouder] komen het hof redelijk voor, zodat de post van € 1.066 zal worden toegewezen. Ook de kosten van KIWA van € 1.000 zal het hof toewijzen.



2.44.
Wat de twee posten pro memorie betreft geldt het volgende. [de veehouder] heeft niet betwist dat [de verkoper] het beschimmelde kuilgras heeft afgevoerd en daarvoor geen kosten heeft berekend. Dat betekent dat [de veehouder] in zoverre geen schade heeft gelden. De daarvoor opgevoerde PM-post zal daarom niet worden toegewezen. Wat de kosten van de door haar ingeschakelde deskundigen (Sphere en Universiteit Twente) betreft zal het hof [de veehouder] niet de gelegenheid geven deze kosten alsnog in een akte te begroten. Deze kosten waren gemaakt voordat [de veehouder] in haar memorie van grieven van 15 december 2020 een begroting van haar schade gaf, zodat er geen reden was om deze kosten niet in de begroting op te nemen.


Exoneratieclausule van [de verkoper]




2.45.

[de verkoper] heeft zich beroepen op artikel 11 van de door haar gehanteerde Cumela-voorwaarden, waaruit volgens haar volgt dat haar aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag van de factuur, in dit geval € 223,53 inclusief btw. [de veehouder] heeft de toepasselijkheid van de Cumela-voorwaarden niet betwist. Ook zij gaat ervan uit dat op grond van artikel 11 Cumela-voorwaarden de aansprakelijkheid van [de verkoper] is beperkt tot het factuurbedrag. Zij betwist niet dat het factuurbedrag € 223,53 is. Zij heeft wel betwist dat [de verkoper] zich op artikel 11 Cumela-voorwaarden kan beroepen, omdat zij dit artikel buitengerechtelijk heeft vernietigd, nu de bepaling onredelijk bezwarend als bedoeld in artikel 6:233 sub a BW is, althans dat een beroep door [de verkoper] op deze bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW). Zij beroept zich daarvoor op de volgende omstandigheden: (1) het lettertype waarin de Cumela-voorwaarden aan de achterzijde van het briefpapier is gebruikt, is te klein weergegeven en daarmee voor een gemiddelde mens onleesbaar geworden; (2) de beperking van de aansprakelijkheid tot het factuurbedrag strekt zich ook uit tot het geval dat de schade opzettelijk of door grove schuld is veroorzaakt; (3) de voorwaarden zijn eenzijdig opgelegd door [de verkoper] en [de veehouder] had niet de mogelijkheid om over de inhoud te onderhandelen; (4) de aansprakelijkheid van [de verkoper] werd vrijwel geheel beperkt; (5) de gebrekkige folie heeft een enorme schade veroorzaakt; (6) [de veehouder] is voor deze schade niet verzekerd en kan zich hiervoor ook niet eenvoudig verzekeren. In het kader van het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft [de veehouder] nog op de volgende gezichtspunten gewezen: (7) [de verkoper] heeft zich voor deze schade verzekerd, zodat bij een doorbreking van de aansprakelijkheidslimiet de schade is verzekerd, (8) in de nieuwe versie van de Cumela-voorwaarden, die ten tijde van de aanschaf van de rollen folie al waren vastgesteld en werden gebruikt, is de aansprakelijkheid beperkt tot de verzekerde som; de branche waarin [de verkoper] werkzaam was, vond de oude exoneratieclausule niet meer houdbaar; niettemin is [de verkoper] deze oude voorwaarde blijven gebruiken.



2.46.

[de verkoper] heeft betwist dat de Cumela-voorwaarden, zoals gedrukt op de achterzijde van haar briefpapier, onleesbaar zijn. Zij heeft er verder op gewezen dat [de veehouder] een professionele wederpartij is en dat het beding haar beschermt tegen aansprakelijkheid voor omvangrijke schade, terwijl zij maar een geringe tegenprestatie heeft ontvangen. Daarnaast is gevolgschade niet verzekerd onder haar aansprakelijkheidsverzekering, terwijl de door [de veehouder] gevorderde schade gevolgschade betreft.



2.47.
Het hof beslist hierover als volgt. Het had op de weg van [de veehouder] gelegen om een exemplaar van het briefpapier van [de verkoper] over te leggen of te deponeren, zodat het hof had kunnen beoordelen of de algemene voorwaarden, zoals afgedrukt, al of niet leesbaar waren. Omdat [de veehouder] dat niet heeft gedaan, gaat het hof aan het bezwaar van de onleesbaarheid voorbij. Het hof is het ook niet met [de veehouder] eens dat de algemene voorwaarden van [de verkoper] onredelijk bezwarend zijn of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Een dergelijk beding is in commerciële transacties niet ongebruikelijk. Mede in het licht van het lage verkoopbedrag van een simpel product als landbouwplastic dat in dit geval aan een onderneming is verkocht acht het hof deze beperking van aansprakelijkheid niet onredelijk bezwarend of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Voor die slotsom weegt voor het hof mee dat het voor [de veehouder] mogelijk is haar schade te verhalen op RKW en dat de kans dat haar schade onvergoed blijft daarom klein is.



2.48.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de aansprakelijkheid van [de verkoper] is beperkt tot € 223,53. Het is zeker dat de schade van [de veehouder] dit bedrag overtreft. Bij eindarrest zal [de verkoper] daarom tot dit bedrag worden veroordeeld. Omdat [de veehouder] in haar verhouding tot [de verkoper] heeft te gelden als de overwegend in het ongelijk gesteld partij, zal het hof [de veehouder] in de proceskosten van [de verkoper] veroordelen.


De conclusie




2.49.
Het hof zal weer een tussenarrest wijzen, omdat het zonder nadere voorlichting door partijen nog niet kan beslissen op een tweetal van de door [de veehouder] opgevoerde schadeposten (zie 2.38 en 2.40, hierboven). Dit neemt niet weg dat een groot aantal punten van geschil door het hof zijn beslist en daardoor de contouren van de schadeomvang duidelijker zijn geworden. Het hof doet daarom aan partijen de aanbeveling om op basis van de beslissing die het hof in dit arrest heeft genomen opnieuw te onderzoeken of zij een minnelijke schikking kunnen treffen.



2.50.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.





3De beslissing

Het hof:


3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 12 augustus 2025 voor akte aan de zijde van [de veehouder] zodat zij de nadere informatie aan het hof kan verstrekken, zoals bedoeld in 2.38 en 2.40 bedoeld. [de verkoper] en RKW krijgen de gelegenheid hierop bij antwoorde akte te reageren.



3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, M.S.A van Dam en B.J.H. Hofstee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.






vgl. ook HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5803.


HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1338.


HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7239.
Link naar deze uitspraak