|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:1935 | | | | | Datum uitspraak | : | 31-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-06-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.283.878 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Productenaansprakelijkheid. Schadebegroting. De veehouder heeft landbouwplastic gekocht waarin, zo blijkt later, kleine gaatjes zitten. De graskuil onder het landbouwplastic is door schimmel waardeloos geworden. Na deskundigenbericht oordeelt het hof dat de gaatjes zijn ontstaan tijdens de productie van het landbouwplastic en dat er causaal verband is tussen het gebrekkige landbouwplastic en het door zuurstoftoetreding beschimmelde gras. Daardoor heeft de verkoper non-conform landbouwplastic geleverd en heeft de producent onrechtmatig gehandeld door het landbouwplastic in het verkeer te brengen. Het hof begroot de schade op concrete wijze.
zie ook: ECLI:NL:GHARL:2022:1761, ECLI:NL:GHARL:2023:1706, ECLI:NL:GHARL:2024:6515, ECLI:NL:GHARL:2025:4332 en ECLI:NL:GHARL:2026:3336. | | Trefwoorden | : | koeien | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.283.878
(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/228290)
arrest van 31 maart 2026
in de zaak van
de maatschap
[de veehouder]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [de veehouder] ,
advocaat: mr. A.P. Maes,
tegen:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[de verkoper] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
advocaat: mr. F.R.H. Kuiper,
2. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht
RKW Hyplast N.V.,
gevestigd te Hoogstraten (België),
advocaat: mr. T. Burgers,
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna: [de verkoper] en RKW en tezamen RKW c.s.,
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 15 juli 2025 hebben alle partijen een akte genomen. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2De verdere beoordeling van de zaak
2.1.
Het hof heeft in rechtsoverweging 2.25 van zijn tussenarrest van 15 juli 2025 beslist dat de rollen landbouwfolie Megaleen 150 die [de verkoper] aan [de veehouder] heeft verkocht, niet aan de overeenkomst beantwoordden en dat deze non-conformiteit kan worden toegerekend aan [de verkoper] . Het hof heeft in rechtsoverweging 2.26 beslist dat RKW een toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd door gebrekkige landbouwfolie in het verkeer te brengen. Het hof heeft geoordeeld dat [de verkoper] en RKW in beginsel aansprakelijk zijn voor de schade die [de veehouder] door de gebreken in de landbouwfolie heeft geleden. In de rechtsoverwegingen 2.27 tot en met 2.29 heeft het hof de verweren van RKW tegen het bestaan van causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade verworpen. Vervolgens heeft het hof in de rechtsoverwegingen 2.30 en volgende de door [de veehouder] opgevoerde schadeposten besproken. Het hof heeft beslist dat de volgende kosten zullen worden toegewezen:
de kosten die verband houden met de gezondheidsproblemen van de melkkoeien van € 146,42 (rechtsoverweging 2.39),
het honorarium van de toxicoloog van € 672 (rechtsoverweging 2.39),
de kosten van toxinebinders van € 753,35 (rechtsoverweging 2.39)
een vergoeding voor interne uren van € 7.000 (rechtsoverweging 2.41),
een vergoeding voor de tijd voor extra maaien van € 9.000 (rechtsoverweging 2.42),
een vergoeding voor de kosten van de accountant van € 1.066 (rechtsoverweging 2.43)
een vergoeding voor de kosten van KIWA van € 1.000 (rechtsoverweging 2.43).
2.2.
Het hof heeft verder beslist dat de kosten voor krachtvoer, tot een beloop van € 3.279,89 gemaakt tot 21 augustus 2017, voor vergoeding in aanmerking komen, evenals de nadien gemaakte kosten. Het heeft [de veehouder] uitgenodigd de kosten na 21 augustus 2017 te begroten (rechtsoverweging 2.38). Ten slotte heeft het hof [de veehouder] uitgenodigd om de kosten van gederfde melkinkomsten nader toe te lichten (rechtsoverweging 2.40).
Krachtvoer
2.3.
[de veehouder] heeft opgemerkt dat de begroting van de kosten voor extra krachtvoer op € 3.278,89, genoemd in het rapport van [het accountantskantoor] (hierna: [het accountantskantoor] ) van 21 augustus 2017, eindigt op 21 maart 2017. Zij heeft daarom verdedigd dat de aanvullende begroting van de kosten voor extra krachtvoer moet ingaan op 21 maart 2017. [de veehouder] heeft de schadeperiode laten eindigen op 1 september 2017. Zij heeft haar extra kosten over de gehele periode van 2 juli 2016 tot 1 september 2017 door [het accountantskantoor] in haar aanvullende rapport van 4 september 2025 laten begroten op € 10.896,25. [het accountantskantoor] heeft daarbij als referentieperiode, in welke de koeien gezond waren, het tijdvak van 2 juli 2015 tot en met 1 september 2016 gekozen. Het schadebedrag heeft zij uitgerekend door de kosten van aankoop van krachtvoer uit de referentieperiode bij elkaar op te tellen en de som te delen door het aantal kilogrammen. Dat heeft tot een bedrag van € 0,30 per kilogram geleid. Vervolgens heeft zij de kilogrammen gekocht krachtvoer in de schadeperiode bij elkaar opgeteld en dat vermenigvuldigd met € 0,30. Ten slotte heeft zij het bedrag uit de referentieperiode afgetrokken van het bedrag in de schadeperiode, hetgeen leidde tot het schadebedrag van € 10.896,25. RKW heeft de berekeningen van [de veehouder] betwist.
2.4.
Het hof heeft er geen bezwaar tegen dat de verlengde periode waarover de kosten van extra krachtvoer worden berekend, start op 21 maart 2017 (en niet op 21 augustus 2017), omdat uit de bijlage van het rapport van [het accountantskantoor] van 21 augustus 2017 blijkt dat toen de schade tot 21 maart 2017 is begroot. In zoverre komt het hof terug van de bindende eindbeslissing in rechtsoverweging 2.38 van het tussenarrest. De reden is dat het hof anders zou uitgaan van onjuiste feiten over de gemaakte kosten van het krachtvoer. Wel roept de begroting door [het accountantskantoor] een aantal vragen op. Zo is niet duidelijk, waarom de aankoopbedragen over schadeperiode en referentieperiode niet met elkaar zijn vergeleken en waarom het nodig was een “omweg” te maken via het gewicht van het krachtvoer. Verder is het onjuist om de schadeperiode en de referentieperiode voor een deel met elkaar te laten overlappen, zoals in de berekening van [het accountantskantoor] is gebeurd met de periode van 2 juli 2016 tot 1 september 2016. Daarnaast had [de veehouder] de facturen van de aanschaf van het krachtvoer in het geding moeten brengen, omdat RKW de bedragen betwistte (bijv. in nr. 116 van de conclusie van antwoord). Ten slotte is het voor het hof niet goed te begrijpen dat volgens [de veehouder] de schade in de meest acute fase van het tekort aan kuilgras (2 juli 2016 tot 21 maart 2017, bijna 9 maanden) € 3.279,89 bedroeg, maar de schade in de periode kort voor het staken van het bijvoeren met krachtvoer (eind maart tot en met augustus 2017, ruim 5 maanden, bovendien een warme periode waarin de koeien in de wei zullen hebben gestaan) € 7.616,36. Het hof zal daarom de berekening van [de veehouder] niet volgen en de schade over de gehele schadeperiode van 2 juli 2016 tot 1 september 2017, omdat zij niet is vast te stellen, schatten op € 5.000. Dit bedrag zal naast de in 2.1 genoemde bedragen worden toegewezen.
Gederfde melkinkomsten, vermeerdering van eis
2.5.
[de veehouder] heeft de schade door misgelopen melkopbrengsten overeenkomstig het advies van [het accountantskantoor] van 21 augustus 2017 begroot op € 31.611. [het accountantskantoor] heeft aan de hand van het MPR-uitslagformulier van 4 april 2017 (MPR staat voor Melk Productie Registratie) en het jaaroverzicht over 2016 van FrieslandCampina het verschil in gewicht van melk in de schadeperiode en de referentieperiode berekend en de schade begroot aan de hand van de gemiddelde melkprijs.
2.6.
[de veehouder] heeft naar aanleiding van de uitnodiging door het hof haar gederfde melkinkomsten nader toe te lichten, vooropgesteld dat zij de schade heeft berekend aan de hand van periodes van telkens zes weken, omdat FrieslandCampina de melkproductie telkens over een periode van zes weken berekent. Zij heeft als schadeperiode gekozen het tijdvak van 6 juli 2016 tot en met 26 september 2017 en als referentieperiode het tijdvak van 6 juli 2015 tot en met 26 september 2016. Op basis van de MPR-uitslagformulieren over de schade- en referentieperiode heeft [de veehouder] de gederfde melkproductie begroot op 134.835 kg en de daardoor geleden schade op € 48.265. Daarnaast is haar aandeel in de winst van FrieslandCampina in de vorm van een nabetaling over de jaren 2016 en 2017 door de verminderde melkproductie afgenomen met een bedrag van € 2.060. Ten slotte heeft FrieslandCampina de deelname van [de veehouder] aan het PlanetProof-programma op 14 augustus 2019 beëindigd, omdat [de veehouder] door het uitvoeren van de schadebeperkende maatregelen in overtreding kwam van de voorwaarden van dit programma. [de veehouder] heeft de schade door misgelopen inkomsten uit het PlanetProof-programma begroot op € 139.829 tot juli 2025. Zij heeft de totale schade door gederfde melkinkomsten begroot op € 190.154 en haar eis ten opzichte van RKW dienovereenkomstig vermeerderd. RKW heeft zich verzet tegen de eiswijziging en de vorderingen inhoudelijk bestreden.
2.7.
Het hof oordeelt dat de eisvermeerdering in strijd komt met de tweeconclusieregel die meebrengt dat de vermeerdering van eis in de memorie van grieven had moeten worden opgenomen. Alle schadeposten hadden zich namelijk al gemanifesteerd toen [de veehouder] haar schade begrootte in de memorie van grieven van 15 december 2020. De uitzonderingen op de tweeconclusieregel doen zich niet voor. RKW heeft niet ondubbelzinnig toegestemd in de eisvermeerdering. Er is geen sprake van een rechterlijke fout, dan wel nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard nadat van grieven is gediend of een aan RKW toe te rekenen verkeerde voorstelling van zaken bij [de veehouder] , waardoor onverkorte toepassing van de tweeconclusieregel in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde. Ten slotte brengt de aard van deze procedure niet mee dat een uitzondering moet worden aangenomen. [de veehouder] heeft overigens ook geen beroep gedaan op de uitzonderingen. Het verzet van RKW is dus gegrond.
2.8.
Het voorgaande betekent dat de schadeposten wegens gederfde nabetalingen en wegens beëindiging van het PlanetProof-programma niet kunnen worden onderzocht en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat de schadepost wegens gederfde melkopbrengsten slechts kan worden beoordeeld tot het aanvankelijk gevorderde bedrag van € 31.611.
2.9.
Uitgangspunt van [de veehouder] in de berekeningen van de melkderving is dat iedere koe in de referentieperiode een dagelijkse melkgift had van 29 kg. [de veehouder] heeft geen MPR-Uitslagformulieren (Bedrijfsoverzicht) over het tijdvak van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016 overgelegd, hoewel dit tijdvak wel behoort tot de door [de veehouder] gekozen referentieperiode. De maandgemiddelden van het aantal kilogrammen melk per dag per koe over dit tijdvak zijn echter wel te vinden in de rubriek “Maandgemiddelden” in het MPR-Uitslagformulier (Bedrijfsoverzicht) van bijvoorbeeld 3 maart 2016 en 10 januari 2017. Combineert men die maandgemiddelden, dan leidt dat tot het volgende gemiddelde over de refetentieperiode: (24 + 22,9 + 24,5 + 26,5 + 27,3 + 28,0 + 29,0 + 29,6 + 28,4 + 24,8) : 10 = (afgerond) 26,5 kg per koe per dag. Het hof zal dit gewicht hanteren in zijn berekeningen en niet het door [de veehouder] opgevoerde gewicht. Het gemiddelde over de schadeperiode is(24,8 + 24,7 + 25,5 + 25 + 23,3 + 25,7 + 26,6 + 24,5 + 26,4 + 27,1) : 10 = (afgerond) 25,4 kg per koe per dag. Het verschil is 1,1 kg per koe per dag. Wordt uitgegaan van de door [het accountantskantoor] in haar tweede rapport gekozen schadeperiode van 449 dagen en van het gemiddelde aantal koeien over de schadeperiode van (91 + 82 + 86 + 82 + 89 + 83 + 83 + 82 + 64 + 72) : 10 = 81,4, dan leidt dat tot een totale melkderving van 40.203 kg. [het accountantskantoor] gaat uit van een gemiddelde melkprijs in de schadeperiode van € 35,80 per 100 kg melk. [het accountantskantoor] ging echter in haar eerste rapport uit van een melkprijs van € 33,63 per 100 kg. Uit het bij het eerste rapport overgelegde jaaroverzicht over 2016 van FrieslandCampina blijkt onder het kopje “Vergelijking” dat de gemiddelde melkprijs over 2016 € 30,07 excl. btw per 100 kg bedraagt. Het hof kan de gemiddelde prijs over 2017 niet vaststellen. [de veehouder] heeft immers het jaaroverzicht over 2017 niet in het geding gebracht, wat wel voor de hand had gelegen. Het hof gaat er daarom vanuit dat in 2017 eenzelfde melkprijs per 100 kg gold. Verder gaat het hof ervan uit dat [de veehouder] hetzij geen btw-afdracht verschuldigd is over deze schadevergoedingsvordering, hetzij deze als ondernemer in vooraftrek kan brengen, zodat de schade is beperkt tot de prijs per 100 kg exclusief btw. Een en ander leidt tot een schade van € 30,07 x (40.203 kg : 100) = € 12.089. Dit bedrag zal worden toegewezen.
2.10.
RKW heeft verder aangevoerd dat [de veehouder] heeft gekozen voor een onduidelijke referentieperiode, omdat er sprake is van een overlap met de schadeperiode. Op zichzelf genomen is dat verweer juist. Echter, in het tijdvak van overlap was de dagelijkse melkgift per koe laag (24,8 en 24,7 kg per dag). Door dit tijdvak ook bij de referentieperiode te betrekken heeft [de veehouder] haar schade eerder te laag dan te hoog berekend. RKW heeft er daarom geen belang bij dat dit verweer nader wordt onderzocht. Verder heeft RKW aangevoerd dat [de veehouder] ten onrechte geen afrekeningen van FrieslandCampina heeft overgelegd. Ook dat verwijt maakt RKW op zichzelf terecht, maar hierboven is de schadevergoeding vastgesteld aan de hand van in de jaarcijfers van FrieslandCampina voorkomende bedragen. Aannemelijk is dat deze vaststelling daarom toch accuraat is. Ten slotte heeft RKW erop gewezen dat de referentieperiode een koele periode was en daarmee gunstiger voor de melkproductie. Dit verweer had RKW beter moeten uitwerken. Het hof gaat er daarom aan voorbij.
Waardevermindering van het verloren gegane kuilgras
2.11.
[de veehouder] heeft € 63.066 gevorderd ter vergoeding van de schade door het verloren gaan van de twee kuilen door de gebrekkige folie. Het hof heeft in rechtsoverweging 2.37 beslist dat deze schadepost zal worden afgewezen, omdat zij niet past in de concrete schadebegroting die geldt bij bedrijfsschade. [de veehouder] heeft in haar akte het hof verzocht daarvan terug te komen. Zij heeft aangevoerd dat krachtvoer nooit alleen kan worden gevoerd aan koeien, maar dat dit altijd tezamen moet geschieden met het voeren van ruwvoer als kuilgras. De inzet van krachtvoer heeft slechts de schade ten gevolge van gederfde melkinkomsten beperkt. Volgens [de veehouder] heeft het gebruik van het krachtvoer dan ook niet de kuil hersteld. Dat is wel gebeurd door eerder ruwvoer te voeren uit de nieuwe kuilen, door maïs te voeren en door sneller gras te maaien en dat aan de koeien te voeren. [de veehouder] stelt voor de waarde van de verloren gegane kuilen te schatten op € 22.620, conform de schatting van [naam] , die deze schatting op verzoek van [de verkoper] heeft gemaakt.
2.12.
Het hof komt niet terug van zijn beslissing. De concrete schade van [de veehouder] komt voor vergoeding in aanmerking: alle onkosten die [de veehouder] heeft gemaakt, zoals interne uren en kosten van extra krachtvoer en alle inkomsten die [de veehouder] heeft gederfd, waaronder die ten gevolge van een mindere gift van melk door de koeien. Het daarnaast in abstracto begroten van de waarde van een verloren gegane kuil past niet bij de concrete schadebegroting en leidt tot overcompensatie van [de veehouder] . [de veehouder] had kosten van het extra voeren van maïs kunnen opvoeren, omdat nu blijkt dat zij deze kennelijk heeft gemaakt. Zij heeft die vordering echter niet ingesteld en uitgewerkt, zodat het hof die deelvordering niet kan beoordelen.
Het toe te wijzen bedrag
2.13.
Al het voorgaande leidt tot toewijzing aan [de veehouder] van de volgende schadevergoeding: € 146,42 (kosten gezondheidsproblemen melkkoeien) + € 672 (honorarium toxicoloog) + € 753,35 (kosten toxinebinders) + € 7.000 (interne uren) + € 9.000 (extra maaien) + € 1.066 (kosten accountant) + € 1.000 (kosten KIWA) + € 5.000 (kosten krachtvoer) + € 12.089 (gederfde melkopbrengst) is tezamen € 36.726,77. Dit bedrag zal worden toegewezen.
2.14.
[de veehouder] heeft wettelijke rente over het toegewezen bedrag gevorderd vanaf 1 mei 2017. RKW heeft daartegen verweer gevoerd met het argument dat de schade toen nog niet was geleden. De door [de veehouder] gekozen datum valt in de tweede helft van de schadeperiode van 2 juli 2016 tot in september 2017. Als de vordering tot schadevergoeding uit wanprestatie of een onrechtmatige daad niet terstond wordt nagekomen, is de schuldenaar in verzuim (artikel 6:83 sub b BW). Dat rechtvaardigt naar het oordeel van het hof dat de schade die over een periode van ruim een jaar is geleden, voor het volledige beloop wegens verzuim rentedragend wordt vanaf 1 mei 2017.
2.15.
Het hof heeft in rechtsoverweging 2.49 van het arrest van 15 juli 2025 beslist dat de vordering tegen [de verkoper] wordt toegewezen tot een bedrag van € 223,53. Tot het beloop van € 223,53 is de veroordeling van RKW en [de verkoper] hoofdelijk, wat betekent dat voor zover de een de vordering tot dat beloop heeft voldaan de ander is gekweten.
De conclusie
2.16.
Het hoger beroep slaagt. Omdat RKW in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof RKW tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Bij de berekening daarvan gaat het hof uit van het toegewezen bedrag. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Het hof heeft in rechtsoverweging 2.49 van het arrest van 15 juli 2025 beslist dat [de veehouder] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [de verkoper] in hoger beroep. Bij de berekening daarvan gaat het hof uit van het bij memorie van grieven gevorderde bedrag.
2.17.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3De beslissing
Het hof:
3.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 6 mei 2020, zoals hersteld bij vonnis van 20 mei 2020 en beslist als volgt:
3.2.
veroordeelt RKW tot betaling aan [de veehouder] van een bedrag van € 36.726,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2017;
3.3.
veroordeelt [de verkoper] tot betaling aan [de veehouder] van een bedrag van € 223,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2017;
3.4.
verstaat dat de veroordelingen in 3.2 en 3.3 hoofdelijk zijn tot het beloop van € 223,53, wat meebrengt dat voor zover de een de vordering tot dat beloop heeft voldaan de ander zal zijn bevrijd;
3.5.
veroordeelt RKW tot betaling van de volgende proceskosten van [de veehouder] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 1.992 aan griffierecht
€ 94,95 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan RKW
€ 2.432,50 aan salaris van de advocaat van [de veehouder] (3,5 procespunten x het toepasselijke tarief III)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [de veehouder] in hoger beroep:
€ 760 aan griffierecht
€ 232,33 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan RKW
€ 12.400 inclusief btw als salaris voor de deskundige
€ 6.680 aan salaris van de advocaat van [de veehouder] (4 procespunten x het toepasselijke tarief III)
3.6.
veroordeelt [de veehouder] tot betaling van de volgende proceskosten van [de verkoper] in hoger beroep:
€ 760 aan griffierecht
€ 18.985 aan salaris van de advocaat van [de veehouder] (5 procespunten x het toepasselijke tarief V)
3.7.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
3.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, M.S.A. van Dam en B.J.H. Hofstee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|