Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:3860 
 
Datum uitspraak:05-06-2026
Datum gepubliceerd:10-06-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:24/1927 en 24/1928
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Intrekking en terugvordering ZW- en WIA-uitkering. UWV heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van een dienstverband. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
paarden
paardenfokkerij
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 24/1927 en SHE 24/1928

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigden: mr. M.W.G. Bombeeck en mr. I.P.A.M. van Lieshout).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.



Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de intrekking, terugvordering en invordering van zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV vordert de uitkeringen van eiser terug, omdat eiser geen recht zou hebben op deze uitkeringen. Volgens het UWV was eiser niet verzekerd voor de ZW en de Wet WIA, omdat eiser niet in een dienstverband heeft gewerkt. Eiser is het hiermee niet eens. Eiser voert aan dat wel degelijk sprake is geweest van een dienstverband. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten van het UWV.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat eiser niet verzekerd is voor de ZW en de WIA. Daarom heeft het UWV de onverschuldigd betaalde uitkeringen terecht teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten die hebben geleid tot de bestreden besluiten. Onder 4 en 5 staan de standpunten van partijen benoemd. Vanaf 7 beoordeelt de rechtbank of eiser verzekerd is voor de ZW en de WIA. Onder 13 beoordeelt de rechtbank de terugvordering van de uitbetaalde uitkeringen. Onder 14 behandelt de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De conclusie en de gevolgen worden onder 15 benoemd. Daarna volgt de beslissing.




Procesverloop


In de ZW-zaak (24/1927)


2. Bij besluit van 13 januari 2021 is aan eiser een ZW-uitkering toegekend. Dat besluit heeft het UWV ingetrokken bij besluit van 14 december 2023. Met een tweede besluit van 14 december 2023 heeft het UWV een bedrag van € 31.466,93 bruto aan te veel betaalde ZW-uitkering teruggevorderd. De terugvordering ziet op de periode van 1 december 2020 tot en met 13 november 2022. Met het besluit van 20 december 2023 heeft het UWV het bedrag van € 31.466,93 bruto ingevorderd.


2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Met het besluit van 4 april 2024 (het bestreden besluit I) is het UWV bij zijn besluiten gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.


In de WIA-zaak (24/1928)




2.3.
Bij besluit van 26 augustus 2022 is aan eiser een WIA-uitkering toegekend, per 14 november 2022. Dat besluit heeft het UWV ingetrokken bij besluit van 15 december 2023 Met een tweede besluit van 15 december 2023 heeft het UWV een bedrag van € 38.424,64 bruto aan te veel betaalde WIA-uitkering over de periode van 14 november 2022 tot en met 30 november 2023 teruggevorderd. Met het besluit van 20 december 2023 heeft het UWV eiser bericht dat volstaan kan worden met terugbetaling van het netto bedrag van de te veel betaalde WIA-uitkering, namelijk € 27.888,46. Met het besluit van 9 januari 2024 heeft het UWV het bruto bedrag aan te veel betaalde WIA-uitkering van € 38.424,64 ingevorderd. Met het besluit van 5 februari 2024 heeft het UWV beslist dat de in het kader van een eerdere bezwaar- en beroepsprocedure toegekende proceskostenvergoeding van € 2.455 wordt verrekend met openstaande vorderingen.



2.4.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Met het besluit van 4 april 2024 (het bestreden besluit II) is het UWV bij zijn besluiten gebleven.



2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.


In beide zaken




2.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door H. Erdem als tolk, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigden van het UWV.










Beoordeling door de rechtbank


Feiten en omstandigheden

3. Eiser heeft op 1 december 2020 een ZW-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij opgegeven dat hij van 1 tot en met 30 november 2020 een dienstverband heeft gehad als medewerker bij De [naam] in [woonplaats] (NB) (de werkgever). De [naam] is een paardenhouderij/-fokkerij. Verder heeft eiser aangegeven dat hij sinds 16 november 2020 ziek is. Met het besluit van 13 januari 2021 is aan eiser per 1 december 2020 een ZW-uitkering toegekend. Vanaf 14 november 2022 ontving eiser een WIA-uitkering.


3.1.
Naar aanleiding van een interne melding bij het UWV dat mogelijk sprake was van een gefingeerd dienstverband is een onderzoek gestart. Het UWV heeft vervolgens onderzoek gedaan naar het bestaan van een dienstbetrekking tussen eiser en De [naam] . De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in een Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 27 september 2023. De conclusie is dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en De [naam] en dat eiser dus ook niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.



3.2.
Deze conclusie heeft geleid tot de besluiten, genoemd onder het kopje “Procesverloop”.


Standpunten van partijen

4. Volgens het UWV bestond geen privaatrechtelijk dienstverband tussen eiser en De [naam] . Het is namelijk onvoldoende aannemelijk geworden dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor De [naam] en daarvoor loon heeft ontvangen. Het UWV baseert dit standpunt op de bevindingen van het onderzoek. Het UWV wijst erop dat een arbeidsovereenkomst voor de duur van één maand is aangegaan. De taken van eiser kwamen overeen met taken die vanuit dagbesteding werden aangeboden, terwijl vanuit dagbesteding geen mogelijkheden bestonden voor betaalde arbeid. De salarisspecificatie komt niet overeen met een verklaring van eiser over het loon en ook niet met de bankafschriften van eiser. Ook de vermelding op de salarisspecificatie dat pensioenafdracht heeft plaatsgevonden, blijkt niet juist. Omdat geen dienstverband bestond, was eiser niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Het UWV stelt zich daarom op het standpunt dat de uitkeringen terecht zijn teruggevorderd.

5. Eiser vindt dat geen grond bestaat voor het intrekken en terugvorderen van de uitkeringen. Het UWV heeft niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen hem en De [naam] . Eiser betwist dat het dienstverband gefingeerd was. Hij heeft wel degelijk werkzaamheden verricht op de paardenhouderij/-fokkerij. Eiser had ervaring met paarden. Hij is voor de duur van een maand aangenomen, omdat de paardenfokkerij destijds pas net was opgestart en nog onbekend was hoe de paardenfokkerij zich zou ontwikkelen. Eiser stelt dat sprake was van feitelijke arbeid, gezagsverhouding en loon.
Eiser stelt verder dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het UWV heeft in zijn besluitvorming het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het fair play-beginsel geschonden. Eiser vindt dat sprake is van ontoelaatbaar bestuurlijk machtsmisbruik, waaronder discriminatie. Ook is het vorderingsbesluit waarmee het UWV de bankafschriften van eiser heeft gevorderd in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan eiser bekendgemaakt.


Het beoordelingskader

6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.


De overwegingen van de rechtbank

7. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het UWV terecht heeft besloten dat eiser niet verzekerd is voor de ZW en de Wet WIA, omdat hij geen werknemer was vanwege het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.


Geen strijdigheid met algemene beginselen van behoorlijk bestuur

8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In tegenstelling tot eiser acht de rechtbank de bestreden besluiten zorgvuldig voorbereid. De bestreden besluiten zijn gebaseerd op voornoemd onderzoeksrapport, waaruit blijkt dat het onderzoek door het UWV onder meer heeft bestaan uit het raadplegen verschillende interne en externe systemen. Verder heeft het UWV informatie opgevraagd bij de Belastingdienst en een pensioenfonds en heeft het UWV bankafschriften van eiser gevorderd en beoordeeld. Ook heeft het UWV eiser en zijn gemachtigde meermaals de gelegenheid gegeven om een mondelinge toelichting te geven. Nadat de gemachtigde van eiser te kennen gaf dat eiser geen mondelinge toelichting zou geven, heeft het UWV schriftelijke vragen toegestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV hiermee het onderzoek zorgvuldig uitgevoerd. Van enige strijd met andere rechtsbeginselen is de rechtbank eveneens niet gebleken. Ook de stelling van eiser dat het UWV gediscrimineerd heeft volgt de rechtbank niet. Eiser heeft op geen enkele manier toegelicht, laat staan aangetoond, dat het UWV bij zijn onderzoek, dan wel op een ander moment in de besluitvorming zich heeft laten leiden door de achtergrond of afkomst van eiser.

9. Dat sprake is van strijdigheid met artikel 4:8 van de Awb bij het opvragen van de bankafschriften is de rechtbank niet gebleken. Zoals het UWV terecht heeft gesteld, is de vordering van bankafschriften geen besluit waarop artikel 4:8 van de Awb van toepassing is. Verder had het UWV een legitiem doel voor het vorderen van de bankgegevens van eiser, namelijk het controleren of contant uitbetaald salaris van eiser al dan niet op zijn bankrekening was gestort.


Was eiser verzekerd voor de ZW en de WIA en mocht het UWV deze uitkeringen intrekken?

10. Voor het antwoord op de vraag of eiser tot De [naam] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, is bepalend of tussen hem en De [naam] sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel omschrijft de arbeidsovereenkomst als een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, gedurende zekere tijd arbeid te verrichten voor loon. Bepalende criteria zijn dus het verrichten van arbeid, het betalen van loon en het uitoefenen van gezag. Bij de beantwoording van de vraag of een rechtsverhouding beantwoordt aan deze criteria moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen hebben gestaan, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en zo daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.



10.1.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB gaat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in deze procedure mee dat het UWV feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen eiser en De [naam] . Als op grond van de door het UWV gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen heeft vervuld, ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
Met andere woorden: de bewijslast ligt bij het UWV, maar het is niet zo dat het UWV moet aantonen dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Het aannemelijk maken volstaat.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van een dienstbetrekking tussen eiser en De [naam] en is het UWV dus in haar bewijslast geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.



11.1.
Het UWV heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser geen werkzaamheden heeft verricht. De arbeidsovereenkomst is slechts aangegaan voor de duur van één maand. De taken van eiser bestonden uit dezelfde taken die bij De [naam] ook werden aangeboden voor dagbesteding voor mensen met een verstandelijke beperking. Vanuit de dagbesteding bestond geen mogelijkheid tot betaald werk. Het UWV heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat aan eiser geen loon is betaald. Op de salarisspecificatie staat dat het loon per kas is betaald en eiser heeft in een schriftelijke verklaring aangegeven dat hij het loon van € 1.621,18 netto betaald heeft gekregen. Deze verklaring is niet ondertekend door De [naam] . Een volledig contante betaling van het salaris is op grond van de Wet Aanpak Schijnconstructies niet toegestaan. De eigenaar van De [naam] had daarvan op de hoogte moeten zijn, omdat hij ook advocaat was. Uit de bankafschriften van eiser blijkt niet van een storting van contant uitbetaald loon op zijn bankrekening. De [naam] heeft ook geen kasboek of loonadministratie overgelegd waaruit de betaling van het loon volgt. Op de salarisspecificatie staat verder dat een pensioenafdracht van € 48,68 zou plaatsvinden bij Colland Pensioen BPL Wn. Uit onderzoek door het UWV is gebleken dat deze pensioenafdracht niet heeft plaatsgevonden: de pensioenverzekeraar heeft bericht dat eiser in zijn administratie niet voorkwam.



11.2.
Omdat het UWV aan haar bewijslast heeft voldaan, is het, zoals hiervoor is overwogen, vervolgens aan eiser om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat de informatie van het UWV niet juist is. Dit heeft eiser echter niet gedaan. Zo heeft eiser weliswaar een arbeidsovereenkomst overgelegd, maar dit is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat hij daadwerkelijk arbeid heeft verricht en loon heeft ontvangen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit zijn werkzaamheden zijn gebleken en de discrepanties tussen de salarisspecificaties en de overige bescheiden niet kunnen weerleggen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de toelichting van eiser op de zitting dat hij elke week € 400 contant betaald kreeg niet in lijn is met de salarisspecificatie en ook niet correspondeert met het bedrag van € 1.621,18 zoals genoemd staat in de schriftelijke verklaring. Ook heeft eiser geen toelichting kunnen geven over de pensioenafdracht die wel genoemd staat op de salarisspecificatie maar niet heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er dan ook niet in geslaagd om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens voldoende tegenbewijs te leveren dat hij daadwerkelijk werkzaam is geweest voor De [naam] .



11.3.
Gelet op het voorgaande stelt het UWV zich terecht op het standpunt dat eiser niet verzekerd is voor de ZW en de WIA en heeft dus terecht beslist dat eiser geen ZW- en WIA-uitkering kan krijgen.

12. Het UWV heeft terecht deze uitkeringen ingetrokken. Wanneer sprake is van een dringende reden, kan van intrekking worden afgezien. Voor een uitgebreide beschrijving van de uitgangspunten die hierbij gelden, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024. Het is aan eiser om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat sprake is van een dringende reden. Dit heeft eiser echter niet gedaan. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een dringende reden om af te zien van intrekking van de ZW- en WIA-uitkering.


De terug- en invordering van de ZW- en WIA-uitkering

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht de ZW- en WIA-uitkering teruggevorderd. In beginsel is terugvordering een verplichting, tenzij sprake is van een dringende reden. Van een dringende reden om af te zien van de terugvordering is, om dezelfde reden als hiervoor weergegeven ten aanzien van de intrekking, geen sprake. Ook mocht het UWV de uitkeringen bruto terugvorderen en mocht hij de proceskostenveroordeling verrekenen met de openstaande schuld.


Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

14. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.



14.1.
De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding wordt een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar (naar boven afgerond) waarmee die termijn is overschreden.



14.2.
Volgens vaste rechtspraak dient in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.



14.3.
In de ZW-zaak (24/1927) is vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 december 2023 door het UWV tot de datum van deze uitspraak zijn (afgerond naar boven) twee jaar en zes maanden verstreken. De redelijke termijn is in dit geval dus met zes maanden overschreden. In de WIA-zaak is vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 december 2023 door het UWV tot de datum van deze uitspraak (afgerond) twee jaar en zes maanden verstreken. De redelijke termijn is in dit geval dus met zes maanden overschreden. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp betekent dit dat eiser een vergoeding krijgt van € 500. Deze overschrijding komt voor de gehele periode voor rekening van de Staat.




Conclusie en gevolgen

15. Uit voorgaande overwegingen blijkt dat het UWV op juiste gronden de ZW- en WIA-uitkering heeft ingetrokken, teruggevorderd en ingevorderd. De beroepen zijn dus ongegrond. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn krijgt eiser een immateriële schadevergoeding van € 500.


15.1.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van eiser die verband houden met de verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beschouwt de zaken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten worden daarom begroot op € 467 in beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor de verzoeken, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5).



15.2.
Eiser krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart de beroepen ongegrond;


veroordeelt de Staat tot het betalen aan eiser van een vergoeding van schade van € 500;


veroordeelt de Staat tot betaling van € 467 aan proceskosten van eiser.







Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf , voorzitter, en mr. G. de Jong en
mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
















Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving


Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens


Op grond van het eerste lid van artikel 6 van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.


Ziektewet


Op grond van artikel 3, eerste lid, van de ZW is een werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

In artikel 7, onderdeel a, van de ZW is geregeld dat voor de ZW als werknemer wordt beschouwd degene die een uitkering krijgt op grond van de WW.

In artikel 20 van de ZW is bepaald dat werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd voor de ZW.

In artikel 30a, eerste lid, van de ZW is bepaald dat, onverminderd het elders in die wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, het UWV een dergelijk besluit herziet of intrekt:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28, 31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
Op grond van artikel 30a, tweede lid, van de ZW kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

In artikel 33, eerste lid, van de ZW is bepaald dat het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV wordt teruggevorderd.
In artikel 33, zesde lid, van de ZW is bepaald dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.




Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (wet WIA)


In artikel 7, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat de werknemer verplicht verzekerd is.

In artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald, voor zover hier van belang, dat werknemer de werknemer in de zin van de Ziektewet is.

Artikel 47, eerste lid en artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA bepalen dat voor de verzekerde die ziek wordt recht op een WIA-uitkering kan ontstaan.

In artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat, het UWV besluiten her herzien of intrekken als blijkt dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
In artikel 76, derde lid, van de Wet WIA is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

In artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat een uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 76 door het UWV onverschuldigd is betaald, door het UWV wordt teruggevorderd.
In artikel 77, zesde lid, van de Wet WIA is bepaald dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



Burgerlijk Wetboek


Op grond van artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is de arbeidsovereenkomst, de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere arbeid te verrichten.



Algemene wet bestuursrecht


Op grond van het eerste lid van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, voordat hij een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Op grond van het tweede lid geldt het bepaalde in het eerste lid niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken.




Centrale Raad van Beroep, 20 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1181.


Centrale Raad van Beroep, 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479.


Centrale Raad van Beroep, 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.


Centrale Raad van Beroep, 1 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1998.


Hoge Raad, 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2 en Centrale Raad van Beroep, 29 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1736.


Hoge Raad, 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.
Link naar deze uitspraak