Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2025:5550 
 
Datum uitspraak:04-09-2025
Datum gepubliceerd:15-06-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:24/3811 en 24/3798 en 24/ 24/3811 en 24/3798 en 24/
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Verlening van omgevingsvergunning voor een zonnepark en energieopslagsysteem De rechtbank ziet geen aanleiding om het besluit tot vergunningverlening te vernietigen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onzorgvuldige en/of partijdige besluitvorming en heeft het college kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast bij realisatie van het zonnepark. Verder is voldoende aangetoond dat behoefte bestaat aan het zonnepark en heeft het college geen aanleiding behoeven te zien om de uitvoerbaarheid van het project in twijfel te trekken. Ook de overige beroepsgronden kunnen niet leiden tot een vernietiging van het besluit tot vergunningverlening.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
geluidhinder
landbouw
landbouwgrond
lichthinder
omgevingsvergunning
perceel
planschade
stallen
subsidies
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/3811, SHE 24/3798 en SHE 24/3799

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2025 in de zaken tussen



[eiser 1] en [eiser 3] , uit [woonplaats 1] , eisers 1
(gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom),

en




[eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eiser 2

en



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel, het college
(gemachtigden: mr. P.M.H.M. Bakermans en F. Verhagen)



Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam 1] B.V., uit [vestigingsplaats](vergunninghoudster).




Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers 1 en 2 tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de duur van 25 jaar voor het bouwen van een grondgebonden zonnepark, het plaatsen van hekwerken en het uitvoeren van een werk en tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de realisatie van een energieopslagsysteem met bijbehorende bouwwerken en het uitvoeren van een werk in het gebied nabij de Landsardseweg te Wintelre.

2. Het college heeft deze vergunningen met de besluiten van 23 september 2024 verleend.

3. De beroepen van eisers 1 zijn geregistreerd onder SHE 24/3798 en SHE 24/3799. Het beroep van eiser 2 is geregistreerd onder SHE 24/3811.
4. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.

5. Eisers 1 hebben een nader stuk ingediend.

6. De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: voor eisers 1 [eiser 1] en de gemachtigde van eisers 1, eiser 2, de gemachtigden van het college en voor derde-partij is [naam 2] verschenen.



Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunningen voor een zonnepark, hekwerken, een energieopslagsysteem met bijbehorende bouwwerken en het uitvoeren van een werk voor een periode van 25 jaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers 1 en 2.
8. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Vooraf
9. Vergunninghoudster is voornemens om voor de duur van 25 jaar een zonnepark te realiseren nabij de Landsardseweg te Wintelre, op de percelen kadastraal bekend als gemeente [plaats] [nummer] , nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Deze percelen werden gebruikt als landbouwgrond. Vergunninghoudster wil dit zonnepark gaan exploiteren tezamen met de [naam 1] ., zijnde een coöperatie van inwoners uit de Kempen en omgeving die zich wil inzetten voor het lokaal opwekken van duurzame energie. Het totale projectgebied is 328.659 m², waarvan 263.000 m² wordt gebruikt voor het zonnepark. De installatie binnen het hekwerk heeft een omvang van 212.400 m². Het voorziene zonnepark heeft ongeveer 55.000 panelen en een energieopslagsysteem van 1.200 m². Voor landschappelijke inpassing, verharding en versterking van de biodiversiteit zal er 50.600 m² worden gebruikt. Naast de zonnepanelen en het energieopslagsysteem worden er transformatiestations geïnstalleerd. De panelen hebben een maximale hoogte van 3 meter. Het terrein zal worden begraasd door schapen.
10. Op 9 augustus 2023 heeft vergunninghoudster de aanvragen om een omgevingsvergunning voor de realisatie van een zonnepark ingediend.
Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2017” (het bestemmingsplan) is aan deze percelen, voor zover hier van belang, de enkelbestemming “Agrarisch met waarden-Landschapswaarden en natuurlijke waarden” toegekend dan wel de enkelbestemming “Agrarisch”. Realisatie van het zonnepark is in strijd met het bestemmingsplan. De aanvragen zien daarom niet alleen op de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’, maar ook op ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’.

11. Op 28 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Eersel (de raad) een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Het ontwerpbesluit van het college, strekkende tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor de aangevraagde activiteiten, heeft met ingang van 18 juni 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen.

12. Bij het bestreden besluit heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) omgevingsvergunningen verleend voor de aangevraagde activiteiten met een instandhoudingsduur van 25 jaar.
13. Eisers 1 en 2 hebben agrarische gronden in de directe nabijheid van het voorziene zonnepark. Eisers 1 wonen hier ook. Hun woning staat op ongeveer 120 meter van het zonnepark.


Overgangsrecht


14. De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 9 augustus 2023. Dit is vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op grond van artikel 4.1 aanhef en onder a en h, gelezen in samenhang met artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op de aanvragen het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, tot de besluiten op die aanvragen onherroepelijk worden en met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Dat betekent dat in dit geval op de aanvragen niet alleen de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft, maar ook de Crisis- en herstelwet (Chw). Omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit door zonne-energie, is de Chw namelijk van toepassing.

Bespreking beroepsgronden



Ingetrokken beroepsgrond


15. Eisers 1 hebben ter zitting de beroepsgrond met betrekking tot mogelijke gezondheidsschade vanwege de aanwezigheid van magneetvelden ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen bespreking meer.


Verklaring van geen bedenkingen
16. Eisers 1 hebben eerst ter zitting naar voren gebracht dat hun belangen bij de totstandkoming van het bestreden besluit zijn geschaad, omdat bij besluit van de raad van de gemeente Eersel van 28 mei 2024 een algemene verklaring van geen bedenkingen is afgegeven voor de realisatie van het zonnepark. Doordat de raad niet eerst, zoals gebruikelijk, een ontwerpverklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven voor het ontwerpbesluit, is hen de gelegenheid ontnomen om tweemaal een zienswijze bij de raad te kunnen indienen.

16.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond, gelet op artikel 1.6a van de Chw, te laat naar voren is gebracht. Deze beroepsgrond zal de rechtbank daarom niet bespreken.

Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel


17. Eisers 1 brengen naar voren dat hen de mogelijkheid is ontnomen om op fatsoenlijke wijze uitgebreide en gestaafde zienswijzen in te dienen. Daarbij wijzen zij erop dat de publicatie van het voornemen in de zomervakantie heeft plaatsgevonden, in welke periode vele mogelijke indieners van zienswijzen op vakantie zijn. Zij achten een termijn van twee weken om een inhoudelijke zienswijze in te dienen na indiening van een pro forma zienswijze daarom onvoldoende.



17.1.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. De ontwerpbesluiten zijn op 17 juni 2024 bekendgemaakt en hebben vanaf 18 juni 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De rechtbank stelt vast dat eisers 1 acht weken de tijd hebben gekregen om een inhoudelijke zienswijze in te dienen. Het college heeft deze termijn toereikend kunnen achten, ook al ligt die (deels) binnen de vakantieperiode.
18. Eisers 1 stellen dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en dat er geen sprake is van onpartijdige besluitvorming. In dat kader brengen zij naar voren dat het college geen schriftelijke reactie aan hen heeft gezonden met betrekking tot de door hen ingediende zienswijze. Zij hebben de reactie van het college op hun zienswijze moeten vernemen uit de publicatie van de verstrekte omgevingsvergunningen. Verder heeft vergunninghoudster de ruimtelijke onderbouwing van haar aanvragen pas op 17 september 2024 afgerond en heeft het college reeds op 23 september 2024 beide omgevingsvergunningen verleend. Eisers 1 vinden het gezien deze korte tijdspanne niet geloofwaardig dat de besluitvorming zorgvuldig heeft plaatsgevonden.



18.1.
Het college stelt dat het de indieners van zienswijzen op 26 september 2024 per e-mail heeft geïnformeerd over de besluiten waar de reactie op de zienswijzen integraal onderdeel van uitmaakt. Met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing van 17 september 2024 stelt het college dat deze versie slechts op enkele ondergeschikte punten afwijkt van de eerder opgestelde ruimtelijke onderbouwingen, zodat de gemandateerde vergunningverlener snel op de aanvraag kon beslissen en daarvoor niet afhankelijk was van besluitvorming door het college. Van onzorgvuldige besluitvorming is daarom geen sprake, aldus het college.



18.2.
Op grond van artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) diende het college een exemplaar van het besluit toe te zenden aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht, waaronder eisers 1. Ter zitting is gebleken dat het college een e-mail naar onder meer eisers 1 hebben gestuurd, waarin een link was opgenomen naar de website ruimtelijkeplannen.nl. Via deze website was het bestreden besluit waarin onder meer de weerlegging van de zienswijze van eisers 1 is opgenomen, te lezen. Voor zover eisers 1 stellen dat het college het bestreden besluit niet op deze wijze aan hen had mogen toezenden, overweegt de rechtbank dat het niet of niet op de juiste wijze toepassing geven aan artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Awb, wat daarvan overigens ook zij, geen grond is voor vernietiging van een besluit. Dit zou namelijk een onregelmatigheid zijn van na het bestreden besluit dat de rechtmatigheid daarvan niet kan aantasten. 18.3. Met betrekking tot de snelheid van de besluitvorming stelt de rechtbank vast dat het college terecht heeft gesteld dat versie 1.5 van de ruimtelijke onderbouwing van 17 september 2024 slechts in geringe mate afwijkt van versie 1.4 van 18 april 2024. Nu het college reeds eerder in het proces van vergunningverlening kennis heeft genomen van versie 1.4 van de ruimtelijke onderbouwing, kan naar het oordeel van de rechtbank reeds hierom uit enkel de snelheid van de besluitvorming na indiening van versie 1.5 niet worden geconcludeerd dat sprake zou zijn van onzorgvuldige en/of partijdige besluitvorming.

De beroepsgrond slaagt niet.


Strijd met de (aangescherpte) Zonneladder?


19. Eisers 1 stellen dat het bestreden besluit in strijd is met de aangescherpte Zonneladder, waarover de (toenmalige) minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een brief van 26 oktober 2023 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft bericht. Op grond hiervan is het gebruik van landbouw- en natuurgronden voor zonnepanelen in principe ongewenst en komt dit eerst aan bod als de plaatsing van zonnepanelen op daken en gevels en op gronden binnen en buiten bestaand bebouwd gebied onvoldoende mogelijkheden biedt. Het college heeft volgens eisers 1 niet aangetoond dat er in de gemeente geen mogelijkheden zijn om anders dan op landbouwgronden een zonnepark te realiseren. Eisers 1 betogen dat, anders dan het college stelt, de aangescherpte Zonneladder wel degelijk van toepassing is, omdat het college de aanvraag van 9 augustus 2023 buiten behandeling had moeten stellen nu deze onvolledig was. Omdat de laatste stukken pas op 4 april 2024 door het college zijn ontvangen, moet deze datum als aanvraagdatum worden beschouwd en aldus had moeten worden getoetst aan de aangescherpte Zonneladder.


19.1.
Het college heeft terecht gesteld dat de gemaakte bestuurlijke afspraken over aanscherping van de zogeheten Zonneladder niet gelden voor het hier aan de orde zijnde zonnepark. In de brief van 26 oktober 2023 is vermeld dat projecten waarvan de participatietrajecten al in een vergevorderd stadium zijn en niet (helemaal) conform de aangescherpte voorkeursvolgorde zouden zijn vormgegeven, doorgang kunnen vinden. In dit geval heeft het participatietraject in 2022 plaatsgevonden, zodat het college reeds hierom de aangescherpte Zonneladder niet heeft behoeven te betrekken bij zijn besluitvorming. De datum van de aanvraag is in dat kader niet relevant. Bovendien heeft de juridische verankering van de aangescherpte Zonneladder pas plaatsgevonden in de TAM-omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant die op 1 januari 2025 in werking is getreden, welke datum is gelegen na het tijdstip waarop het bestreden besluit is genomen.



19.2.
Voor zover eisers 1 en eiser 2 stellen dat ook niet wordt voldaan aan de nog niet aangescherpte Zonneladder nu er binnen de gemeente nog voldoende daken zijn waarop zonnepanelen kunnen worden gelegd, overweegt de rechtbank als volgt.



19.3.
Niet in geschil is dat het college bij het nemen van het bestreden besluit de aanvraag diende te toetsen aan de Interim omgevingsverordening (de Iov) van de provincie Noord-Brabant. Op grond hiervan is in landelijke gebieden nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, mits voldaan wordt aan de in artikel 3.41 van de Iov genoemde criteria, waaronder de eis dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is.



19.4.
Het college heeft hierover gesteld dat uit onderzoek van de Kempengemeenten uit 2018 blijkt dat maximaal slechts ongeveer 26% van de opwekdoelstelling van de gemeente Eersel tot 2030, zijnde 0,055 TWh, kan worden opgewekt met de hogere treden op de Zonneladder, zoals zon op daken, parkeerplaatsen, vuilstorten en dergelijke. De noodzaak voor grootschalige energieopwekking met zon op land is daarmee voldoende aangetoond, aldus het college. 19.5. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 1 het standpunt van het college onvoldoende betwist. De beroepsgrond dat het college niet heeft aangetoond dat er geen mogelijkheden zijn bij hogere treden op de Zonneladder dan landbouw- en natuurgronden mist feitelijke grondslag. Ook al zouden er voldoende daken zijn binnen de gemeente waarop zonnepanelen kunnen worden gelegd waarmee aan de opwekdoelstelling van de gemeente tot 2030 kan worden voldaan, dan betekent dit immers niet dat die zonnepanelen daarop ook daadwerkelijk zullen worden gelegd. Vergunninghoudster heeft terecht gesteld dat het opwekken van energie door zon op daken afhankelijk is van initiatieven en medewerking van burgers en bedrijven binnen de gemeente. Weliswaar kan dit worden gestimuleerd, wat blijkens de stukken in de gemeente Eersel ook gebeurt, maar dit kan op grond van geldende regelgeving niet worden afgedwongen, nog daargelaten dat hier ook de nodige knelpunten spelen. Bovendien staat in de ruimtelijke onderbouwing vermeld dat met het beoogde zonnepark iets minder dan 50% van de opwekkingsopgave voor de gemeente tot 2030 kan worden gerealiseerd, ruim minder dan de benodigde 72%.Hoewel eisers 1 en 2 terecht hebben gesteld dat het plaatsen van zonnepanelen op daken van gevels en gebouwen volgens het hiervoor genoemde overheidsbeleid de voorkeur heeft boven het realiseren van een zonnepark op agrarische gronden, heeft het college gelet op de ambities voor 2030 afdoende gemotiveerd dat de inzet van alle bronnen, waaronder ook zon op land, nodig is om die te kunnen realiseren. In dat kader is ook nog van belang dat het college onbetwist heeft gesteld dat de toepassing van windenergie vanwege het nabijgelegen vliegveld Eindhoven nauwelijks mogelijk is in de gemeente. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat van strijd met het rijksbeleid, provinciaal beleid of gemeentelijk beleid voor zover dat ziet op de voorkeursvolgorde geen sprake is.



19.6.
De beroepsgronden slagen niet.


Geen behoefte?


20. Eisers 1 voeren aan dat uit het beleid van het college niet blijkt dat er behoefte bestaat aan een zonnepark. Bovendien gaat de opgewekte stroom niet naar de inwoners van Eersel.



20.1.
Uit rechtsoverweging 19.5 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de behoefte aan het zonnepark voldoende is aangetoond. De stelling dat de opgewekte stroom niet naar de inwoners gaat van Eersel mist feitelijke grondslag. Het college heeft hierover gesteld dat alle stroom van alle opwekkers die aan het net zijn gekoppeld opgaat in de stroom die door heel Nederland wordt geleverd. Het feit dat de stroom in Best het hoogspanningsnet opgaat heeft volgens het college dan ook geen relevantie voor de gebruikslocaties. Eisers 1 hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.
De beroepsgrond slaagt niet.


Stedelijke ontwikkeling?


21. Eisers 1 stellen dat het zonnepark een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, omdat een zonnepark voor stedelijke voorzieningen relevant is en niet voor het platteland, waar aanzienlijk minder stroom wordt verbruikt dan in een stad. Het college heeft ten onrechte niet aangegeven waarom het zonnepark niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.



21.1.
Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (de Bro) bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt verstaan onder ‘stedelijke ontwikkeling’: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.



21.2.
De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat eisers 1 hiermee hebben beoogd te stellen dat de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is, in welk kader dient te worden beoordeeld of er behoefte bestaat aan het voorziene zonnepark. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is de rechtbank van oordeel dat een zonnepark zoals hier aan de orde geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Omdat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de behoefte aan het voorziene zonnepark in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Dat het zonnepark voorziet in een behoefte als bedoeld in het rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd, waarbij de rechtbank wijst op overweging 19.5.


Aantasting van het woon- en leefklimaat



Lichthinder


22. Eisers 1 vrezen voor lichthinder en hinder door schittering ter plaatse van hun woning en stallen vanwege de weerkaatsing van zonlicht op de zonnepanelen.



22.1.
Het college stelt hierover dat hiervan geen sprake zal zijn. Daarbij wijst het op hetgeen in de ruimtelijke onderbouwing hierover is gesteld alsmede op het feit dat de panelen onder een hoek staan, zodat het zonlicht vrijwel altijd naar de hemel wordt weerkaatst.



22.2.
In paragraaf 4.13 van de ruimtelijke onderbouwing staat dat met de huidige generatie zonnepanelen niet echt sprake meer is van reflectie, omdat antireflectiecoating wordt aangebracht op het bovenglas en de binnenzijde van het bovenglas wordt bewerkt. Hierdoor kan het licht er wel in één richting vrij doorheen, maar als het wordt teruggekaatst kan het licht er niet meer uit. Het kleine beetje licht dat wel wordt weerkaatst, wordt door het zonnepaneel verstrooid, waardoor er geen schittering optreedt. Ook de frames van de panelen zijn mat en schitteren niet. Doordat de panelen al snel enigszins warm worden in de zon, krijgt ochtenddauw geen kans en zal neervallend regenwater direct van de panelen afdruipen. Het eventuele restant zal bij een beetje zonneschijn al snel verdampen, zo is gesteld. Verder wordt erop gewezen dat op verzoek van het ministerie van Defensie reflectietesten zijn uitgevoerd voor de bouw van Zonnepark Hoogveld Uden, dat naast luchtmachtbasis Volkel ligt. Hierbij is op zonnige dagen een groot aantal testvluchten uitgevoerd boven een proefopstelling van zonnepanelen, waarbij onder verschillende hoeken over droge en bevochtigde panelen werd gevlogen. De uitkomst hiervan was dat er geen waarneembare reflectie werd geconstateerd voor de militaire laagvliegroute, waarna het ministerie van Defensie goedkeuring verleende aan de bouw van het zonnepark.



22.3.
Gelet op de ligging van de woning van eisers 1 op minimaal 120 meter van de projectlocatie en de in de ruimtelijke onderbouwing en het verweer geschetste feiten en omstandigheden, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de zonnepanelen een dusdanige lichthinder of hinder door schittering zullen veroorzaken ter plaatse van de woning en het bedrijf van eisers 1 dat het college hierom geen omgevingsvergunningen heeft kunnen verlenen. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Geluidhinder


23. Eisers 1 vrezen verder voor geluidoverlast vanwege het zonnepark. Dit zal niet alleen het geval zijn indien het regent, aldus eisers 1, maar ook vanwege de weerkaatsing op de zonnepanelen van het geluid van passerende vliegtuigen die naar de nabijgelegen luchtmachtbasis Volkel of vliegveld Eindhoven Airport vliegen of daarvandaan komen.



23.1.
Het college heeft in het bestreden besluit over de geluidoverlast vanwege regen die neerkomt op de zonnepanelen gesteld dat globale berekeningen betreffende regenval uitwijzen dat er woninggeveldelen zijn waar afgestraald geluid door regen op de zonnevelden mogelijk hoorbaar is (bij intense regenval als het alleen ter plaatse van het zonnepark regent en bij de woning niet, maar alleen met geopende ramen), en mogelijk het hoorbare regengeluid rond de woning domineert. In de praktijk zal dit effect minder optreden en mogelijk niet eens hoorbaar zijn, aangezien er ook regen op/tegen de woning zelf valt, door goten loopt, in de directe nabijheid van de woning op bestrating valt etcetera. De geluidniveaus door regenbuien zoals die gemiddeld in Nederland vallen, liggen naar verwachting (net) onder de 40 dB(A), en voldoen daarmee aan de door de WHO gestelde aanbevelingen voor Lnight, waarbij het zelfs gaat over andere omgevingsbronnen dan regen, namelijk onder andere verkeersgeluid. Bovendien gaat het over 8-uurs gemiddelde waarden. Tot slot gaan de geprognotiseerde niveaus uit van geopende ramen. Met gesloten ramen liggen de geluidniveaus in de woningen door regen op het zonnepark ver onder de 40 dB(A) en zijn daarmee niet/nauwelijks hoorbaar. Het initiatief leidt dan ook niet tot een hoorbare geluidtoename.



23.2.
De rechtbank stelt vast dat eisers 1 dit punt in hun zienswijze hebben aangevoerd. In de overwegingen van het bestreden besluit is het college hierop ingegaan. Eisers 1 hebben in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging hiervan in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn. Daarom kan het aangevoerde in zoverre niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
24. Eisers 1 betogen verder dat het bestreden besluit in strijd is met hoofdstuk 5 van het ‘Toetsingskader grootschalige zonne-energie Eersel 2020-2023’ (het Toetsingskader) dat door het college is vastgesteld. Hierin is namelijk gesteld dat uit onderzoek moet blijken dat er geen negatief effect is vanwege de realisatie van het zonnepark op de cumulatieve geluidsdruk. Ook is hierin bepaald dat als in het gebied helikopterverkeer aanwezig is, rekening moet worden gehouden met een dynamisch vliegpatroon.
Aan deze voorwaarden is volgens eisers 1 niet voldaan, omdat de cumulatieve geluidsdruk wel toeneemt en in het akoestisch rapport niet is gerekend met een dynamisch vliegpatroon van een helikopter, terwijl uit de vluchtintensiteitskaart van de luchthaven Eindhoven 2021 blijkt dat in de omgeving vele soorten vliegtuigen en helikopters rondvliegen op verschillende hoogtes en in alle richtingen. Verder is in het akoestisch rapport gerekend met vliegbewegingen van (min of meer) west naar oost, terwijl de zonnepanelen in zuidelijke richting zijn georiënteerd en is uitgegaan van een te grote vliegtuigklimhoek. Een realistische waarde is namelijk 7 graden. Tot slot merken eisers 1 op dat het akoestisch onderzoek puur theoretisch is en dat er op zijn minst controlemetingen hadden moeten worden uitgevoerd met de verplichting die te herhalen zodra de zonnepanelen er liggen.



24.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het doel van de zinsnede in het Toetsingskader over de cumulatieve geluidsdruk is dat de komst van een zonnepark in de buurt niet voor méér geluidoverlast gaat zorgen. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.



24.2.
Uit de aanvraag blijkt dat vergunninghoudster een akoestisch onderzoek door Peutz BV (Peutz) heeft laten uitvoeren naar de mogelijke invloed van het geprojecteerde zonnepark op de geluidbelasting op de woningen in de directe omgeving. Daarbij is gerekend met worstcase-scenario’s. Het college heeft hierover gesteld dat in het onderzoek en in de aanvullende beantwoording door Peutz van vragen van omwonenden tijdens een informatieavond over het uitgebrachte akoestische rapport is onderbouwd dat meer of andere vliegbewegingen of andere toestellen niet tot andere uitkomsten zouden leiden. Een vliegtuigmotor met meer geluidproductie of een andere geluidfrequentie, een enorme toename in het vliegverkeer of een helikopter met een ander vliegpatroon kunnen op zichzelf wel meer geluidsdruk veroorzaken, maar kunnen er niet voor zorgen dat het zonnepark die geluidsdruk nog laat toenemen. In het door Peutz toegepaste worst-case scenario wordt er bovendien vanuit gegaan dat het totale oppervlak van het zonneparkperceel volledig geluidsreflecterend is en er dus geheel geen gronddemping meer bestaat. In de praktijk is er bij een zonnepark echter nog wel sprake van enige gronddemping, omdat ongeveer 40% van de bodem onbedekt blijft. Ook vindt enige demping plaats door de omringende beplanting, waardoor aannemelijk is dat de feitelijke situatie beter zal zijn dan de berekende. Met betrekking tot de klimhoek van een Boeing 737, waarmee is gerekend in de berekeningen van Peutz, is gesteld dat het rapport van Peutz gebruik maakt van officiële bronnen. Verwezen is naar een uitgave van de firma Boeing, waaruit volgt dat de in het akoestisch onderzoek gehanteerde klimhoek van ongeveer 16 -18 graden juist is. Een klimhoek van ongeveer 8 graden geldt alleen zo lang de achterste wielen nog aan de grond zijn. Uit het vooronderzoek is gebleken dat uitsluitend incidenteel en hooguit voor enkele seconden een voor mensen niet hoorbare toename van het cumulatieve geluidniveau te verwachten kan zijn van maximaal 1 dB. Verder wijst het college erop dat door Peutz is opgemerkt dat met het plan mogelijk zelfs een structurele vermindering van het geluidniveau optreedt, omdat de panelen het geluid van achtergelegen bronnen op oorhoogte juist afschermen en er sprake is van enige demping door de grond.


24.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag een bestuursorgaan, als in een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag liggen en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij een besluit op een aanvraag van dit advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht.



24.4.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 1 geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het akoestisch rapport, de begrijpelijkheid van de in het rapport gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren gebracht. De door eisers 1 genoemde punten zijn naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit, waarvan ook het akoestisch rapport, het verslag van de beantwoording van de vragen van omwonenden over dit rapport van 17 november 2022 deel uitmaken, en ter zitting voldoende door het college en vergunninghoudster weerlegd. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat eisers 1 geen door een deskundige opgesteld tegenadvies hebben overgelegd waarin de juistheid van het akoestische rapport van Peutz wordt weersproken.
Voor zover eisers 1 stellen dat er op zijn minst controlemetingen hadden moeten worden uitgevoerd met de verplichting die te herhalen zodra de zonnepanelen er liggen, overweegt de rechtbank dat het college vergunninghoudster hiertoe niet heeft behoeven te verplichten. Het is gebruikelijk om, bij de beoordeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen, de akoestische situatie te berekenen. Dat in bestaande situaties ook kan worden gemeten, doet geen afbreuk aan de juistheid van de berekening van het geluidniveau die blijkens het akoestisch rapport heeft plaatsgevonden met behulp van de algemeen geaccepteerde Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het Toetsingskader en het college het akoestisch rapport van Peutz van 17 november 2022 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.



24.5.
De beroepsgronden slagen niet.


Landschappelijk inpassing


25. Eisers 1 stellen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast bij realisatie van het zonnepark, omdat door de hekwerken, de maximaal drie meter hoge zonnepanelen en de daarop afgestemde groenafscheidingen het zonnepark visueel en functioneel wordt afgescheiden van de omgeving waardoor zij de openheid van het landschap niet meer kunnen ervaren. Verder voeren zij aan dat de landschappelijke inpassing van het zonnepark onvoldoende is gezien de situering van hun woning. Het college had wintergroene beplanting dienen voor te schrijven en een aarden wal met beplanting nu zij ook in de zomer zicht hebben op twee van de drie aan te leggen parken. Verder had de aanleg van de beplanting en de instandhouding daarvan moeten worden geborgd door een extra voorschrift aan de omgevingsvergunningen te verbinden dat, kort gezegd, inhoudt dat landschapsmaatregelen voor de buitenranden worden voltooid voordat het zonnepark wordt gerealiseerd en dat het zonnepark pas in gebruik mag worden genomen als de volledige landschappelijke inpassing is voltooid. Ook dient de aanplant 25 jaar te worden beheerd en in stand gehouden.


25.1.
Eiser 2 vreest dat de voorziene struweelhaag met krentenbomen die 5 tot 7 meter hoog worden aan de westzijde van het zonnepark voor schaduw en bladval op zijn perceel zorgt. Verder is ten onrechte niet in de omgevingsvergunning geborgd dat de gemeente een onderhoudsplicht heeft voor de hagen als het zonnepark wordt ontmanteld maar de hagen niet worden verwijderd.


25.2.
Over de gestelde aantasting van de openheid van het landschap stelt het college dat deze openheid weliswaar als zodanig wordt ervaren, maar dat dit noch in het bestemmingsplan noch in beleidsplannen een aan de planlocatie toegekende waarde is en derhalve ook geen toetsingscriterium. Ook zijn er in het Beleid grootschalige Zonne-Energie 2020-2030 geen hoogtebeperkingen opgelegd. De hoogte van de paneleninstallatie van 3 meter zorgt er volgens het college voor dat er voldoende licht en water onder de panelen kan komen, zodat ook daar bodembedekking goed kan groeien. Dit voorkomt bodemerosie en uitputting van de bodem. Daarnaast maakt deze hoogte schapenbeweiding en onderhoud gemakkelijker. Bij een lagere bouwhoogte is er ook meer ruimte nodig om dezelfde hoeveelheid zonnepanelen te plaatsen, wat onwenselijk is. Het ontwerp van het zonnepark voldoet volgens het college aan de criteria voor ‘draagkracht van het landschap’ zoals vastgesteld in het PlanMER van de RES Metropoolregio Eindhoven. Door de voorgeschreven afstand van 150 meter tussen het verharde deel van de Landsardseweg en het begin van de installatie is bovendien de visuele impact van het plan naar de omgeving beperkt.


25.3.
Met betrekking tot de landschappelijke inpassing heeft het college gewezen op het beplantingsplan dat onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Bij een goede inpassing wordt rekening gehouden met de typische kenmerken en kwaliteiten van het bestaande landschap door bijvoorbeeld de aanplant van gebiedseigen beplanting en de wijze van aanplant. De gekozen gebiedseigen beplanting is inderdaad niet wintergroen, maar dat is te wijten aan het feit dat er volgens het college nauwelijks gebiedseigen wintergroene beplanting bestaat. Daarnaast moeten de soorten passen bij het lokale landschap, de bodem en de grondwaterstand. De uiteindelijke plantenkeuze omvat soorten met veelal een dichte takkenstructuur, wat gezien de overwegend grote afstand tot het zonnepark in de winter ook zichtbeperkend werkt. Landschappelijke inpassing heeft volgens het college echter niet primair tot doel om het zicht op het zonnepark te beperken. Daarbij wijst het college op het door de raad vastgestelde ‘Beleid grootschalige Zonne-Energie 2020-2030’, waarin is bepaald dat zonneparken niet in zijn geheel verstopt behoeven te worden en op een aantal locaties zichtbaar mogen zijn. Een aarden wal, zoals eisers 1 graag zien, acht het college niet passend in het landschap. In het toetsingskader zijn de voorwaarden voor de landschappelijke inpassing duidelijk aangegeven en het beplantingsplan voldoet daaraan.Over de door eisers 1 verlangde aanplanting vóór de realisatie van het zonnepark merkt het college op dat dit geen voordelen heeft, omdat de planten het eerste jaar vooral bezig zijn met wortelvorming en dus niet of nauwelijks groeien. Verder zou de beplanting de bouwwerkzaamheden mogelijk belemmeren en kan er alleen maar tussen oktober en maart worden aangeplant. Afgezien daarvan wordt dit ook bij andere ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Eersel niet gevraagd, aldus het college. Met betrekking tot de beplanting die is voorzien aan de zijden van het zonnepark waar de gronden van eiser 2 aan grenzen, heeft het college gesteld dat die gezien de ligging niet of nauwelijks schaduw op eisers perceel zal veroorzaken.



25.4.
Ten aanzien van de aantasting van de openheid van het landschap stelt de rechtbank dat hiervan in enigerlei mate sprake is, maar dat het college bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid hiervan heeft mogen betrekken dat deze waarde niet in regelgeving of beleid wordt beschermd. Gezien de afstand van de woning van eisers 1 tot het zonnepark, het inpassingsplan en gelet op wat het college hierover heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college het ontwerp van het zonnepark landschappelijk niet aanvaardbaar heeft kunnen achten.


25.5.
In het bestreden besluit heeft het college voorschriften opgenomen met betrekking tot de inpassing van het zonnepark. Hierin is het volgende bepaald: “De landschappelijke inpassing, zoals omschreven in het ‘Landschappelijk inrichtingsplan zonnepark Landsardseweg Wintelre’ dient binnen 1 jaar na ingebruikname van het zonnepark volledig te zijn gerealiseerd. De landschappelijke inpassing dient tijdens de looptijd van de vergunning in stand gehouden en beheerd te worden zoals omschreven in het inrichtingsplan. De vergunninghouder is verplicht alle landschappelijke inpassing voor het eindigen van de instandhoudingstermijn te verwijderen, tenzij de gemeente schriftelijk heeft medegedeeld dat de landschappelijke inpassing niet (geheel) verwijderd hoeft te worden, dan wel de dan geldende wet- en regelgeving anders voorschrijven.”


25.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de landschappelijke inpassing van het zonnepark toereikend kunnen achten. Gezien het omliggende landschap heeft het college er in redelijkheid voor kunnen kiezen om gebiedseigen beplanting voor te schrijven, zodat de nieuwe beplanting aansluit bij het reeds bestaande groen. Niet is betwist dat wintergroene gebiedseigen beplanting nagenoeg niet bestaat. Het uitgangspunt dat een zonnepark niet geheel behoeft te zijn afgeschermd van de omgeving, zoals opgenomen in het Beleid grootschalige Zonne-energie 2020-2030, acht de rechtbank niet onredelijk. Voor zover eisers 1 ter zitting in dit verband hebben verwezen naar de (eind)uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 juni 2020, overweegt de rechtbank dat in deze uitspraak is gesteld dat, ook als omwonenden enig zicht op het zonnepark hebben, sprake kan zijn van een goede landschappelijke inpassing en dat onder bepaalde omstandigheden – bijvoorbeeld in een (strenge) winter of in de periode na aanplant – (enig) zicht bestaat op de zonnepanelen daarom niet betekent dat de landschappelijke inpassing onvoldoende is. Verder achten alle partijen in die zaak het op zich wenselijk om wintergroene beplanting aan te planten, wat in de hier aan de orde zijnde zaak niet het geval is. De rechtbank ziet in deze uitspraak dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan genoemd beleid. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het project wordt omgeven door een houtsingel of struweelhaag van drie tot vier meter hoog. Dit is even hoog of iets hoger dan de ongeveer drie meter hoge zonnepaneleninstallatie. Nu enig zicht op het zonnepark aanvaardbaar is en gelet op de aan te brengen beplanting ingevolge het landschappelijk inpassingsplan, heeft het college in redelijkheid kunnen afzien van het aanleggen van een grondwal met beplanting rondom het zonnepark.


25.7.
De rechtbank stelt verder vast dat de aanplant en instandhouding daarvan gedurende 25 jaar in de voorschriften is geborgd. Weliswaar is niet voorgeschreven dat de aanplant op de buitenranden van het zonnepark moet zijn gerealiseerd vóór de realisatie van de zonnepanelen en is evenmin voorgeschreven dat het zonnepark pas in gebruik mag worden genomen als de volledige landschappelijke inpassing is voltooid, maar gelet op de door het college beschreven nadelen hiervan heeft het college hiervan in redelijkheid kunnen afzien.



25.8.
Voor zover eiser 2 heeft gesteld dat in de omgevingsvergunning had moeten zijn geborgd dat de gemeente een onderhoudsplicht heeft voor de hagen als het zonnepark wordt ontmanteld maar de hagen niet worden verwijderd, overweegt de rechtbank dat op grond van de verleende omgevingsvergunning vergunninghoudster verplicht is alle landschappelijke inpassing vóór het eindigen van de instandhoudingstermijn te verwijderen, tenzij de gemeente schriftelijk heeft medegedeeld dat de landschappelijke inpassing niet (geheel) verwijderd hoeft te worden, dan wel de dan geldende wet- en regelgeving anders voorschrijven. Op deze wijze is voldoende geborgd dat de hagen in beginsel dienen te worden verwijderd, nog daargelaten dat dit naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet is vereist omdat ook op een agrarisch perceel zonder toestemming van eiser 2 struweelhagen hadden kunnen worden geplant. Verder is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er sprake zal zijn van dusdanige schaduwhinder en bladval op het perceel van eiser 2 dat het college de gevraagde omgevingsvergunning hierom niet heeft kunnen verlenen. Overigens is ter zitting door het college en vergunninghoudster gesteld dat de door eiser 2 gewenste keverbank ter hoogte van zijn perceel in plaats van een struweelhaag wellicht ook mogelijk is. Dit zal nader worden bezien.



25.9.
De beroepsgronden slagen niet.


Planschade


26. Eisers 1 stellen dat zij ten gevolge van het bestreden besluit schade lijden, omdat de waarde van hun woning en hun bedrijf fors zal verminderen vanwege de ligging in de directe nabijheid van dit zonnepark.



26.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers 1 hun stelling niet nader hebben onderbouwd. Het college heeft in het verweerschrift gesteld dat vergunninghoudster een planschadescan heeft uitgevoerd, waaruit blijkt dat de netto planschade in het gehele gebied ten gevolge van de verleende omgevingsvergunningen maximaal € 15.000 bedraagt. Gelet op het vorenstaande hebben eisers 1 niet aannemelijk gemaakt dat de waardedaling van hun woning en het bedrijf dusdanig is, dat het college hierom de gevraagde omgevingsvergunningen had moeten weigeren. Eisers 1 kunnen zich eventueel tot het college wenden met het verzoek om een tegemoetkoming in planschade.Deze beroepsgrond slaagt niet.

Financiële haalbaarheid


27. Eisers 1 brengen verder naar voren dat niet is aangetoond dat sprake is van een levensvatbare onderneming. Zij vrezen dat ingeval vergunninghoudster failliet gaat, er geen garantie bestaat dat de zonnepanelen worden afgevoerd.



27.1.
Het college heeft hierover gesteld dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij de beoordeling van een aanvraag om SDE-subsidie, die benodigd is voor een rendabel zonnepark, de businesscase van het zonnepark, de financiële draagkracht van de aanvrager en de verdere projectfinanciering toetst. Het heeft voor vergunninghoudster dus geen zin een projectplan in te dienen dat deze financiële toets niet doorstaat. Het college zag op voorhand daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat het project niet zou kunnen worden uitgevoerd. Inmiddels is de SDE-subsidie verleend. Verder heeft het college naar voren gebracht dat vanaf het 16e jaar na ingebruikname van het zonnepark zekerheid door de ontwikkelaar moet worden gesteld ten gunste van de eigenaren van het plangebied door het plaatsen van een bedrag in depot bij een notaris ter hoogte van het verschil tussen de opruimkosten en de schrootwaarde, tenzij de schrootwaarde volgens een deskundige hoger is dan de te verwachten opruimkosten. Dat geldt niet voor de eerste 15 jaar, omdat de SDE-subsidie de minimuminkomsten van het zonnepark dekt. Daarnaast is het zonnepark tegen alle mogelijke calamiteiten verzekerd. Een faillissement van het zonnepark is dus in de eerste 15 jaar niet aan de orde. Na 15 jaar dient de investering volgens de voorwaarden voor een SDE-subsidie te zijn afbetaald en dient een financiële buffer te worden opgebouwd voor tegenvallers. Omdat er dan alleen nog operationele kosten resteren, zouden er voldoende inkomsten zijn, zelfs bij een historisch lage stroomprijs, zodat een faillissement na 15 jaar evenmin aannemelijk is. Mocht het zonnepark na 15 jaar toch failliet gaan en de gebruikte zonnepanelen geen waarde meer vertegenwoordigen, dan dekt volgens het college alleen al de restwaarde van het staal, aluminium en de gebruikte kabels en trafo’s veruit de kosten van de afbraak.



27.2.
Ingevolge artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht, voor zover hier van belang, is artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van overeenkomstige toepassing voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet.Ingevolge artikel 3.1.6, onder f, van het Bro gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.


27.3.
De rechtbank stelt vast dat aan artikel 3.1.6, onder f, van het Bro is voldaan, gelet op paragraaf 5.4.1 van de ruimtelijke onderbouwing, waarin wordt ingegaan op de financiering van het zonnepark. Gezien hetgeen het college over de financiële uitvoerbaarheid heeft gesteld, wat als zodanig niet door eisers 1 is betwist, heeft het college geen aanleiding behoeven te zien om de uitvoerbaarheid van het project in twijfel te trekken. De omstandigheid dat vergunninghoudster in de toekomst mogelijk niet over de middelen kan beschikken om de zonnepanelen bij beëindiging van het gebruik van het zonnepark te verwijderen, kan nooit worden uitgesloten. Dit is echter een toekomstige onzekere gebeurtenis en maakt niet dat het college om die reden de gevraagde omgevingsvergunningen niet heeft kunnen verlenen. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Alternatieven


28. Eisers 1 brengen naar voren dat er elders geschiktere locaties zijn om een zonnepark te realiseren met aanmerkelijk minder bezwaren dan de hier aan de orde zijnde locatie. Daarbij wijzen zij op een locatie op het vliegveldterrein, gelegen aan de andere kant van de weg, en op de A67-variant die het college ten onrechte niet heeft onderzocht. In dit kader merken eisers 1 verder op dat het college bij afweging van de betrokken belangen had moeten betrekken dat de energie die met dit zonnepark zal worden opgewekt niet door de gemeente Eersel zal worden gebruikt nu het zonnepark wordt aangesloten op het 150 Kv onderstation in Best, zodat het zonnepark ook op een (betere) locatie buiten de gemeente kan worden gerealiseerd.



28.1.
Het college heeft hierover gesteld dat het zoekgebied door de gemeenteraad na zorgvuldige afweging is vastgesteld en dat buiten het zoekgebied geen medewerking wordt verleend aan nieuwe zonneparkinitiatieven. De milieueffectrapportage bevestigt volgens het college de geschiktheid van het gebied. Ook sluit de locatie aan op het stedelijk gebied, onder andere het herriesportterrein, het vliegveld en het militair oefenterrein, en kan het zonnepark op deze plek juist voor kwaliteitsverbetering zorgen van het huidige landschap. De door eisers 1 genoemde locatie op het vliegveld ligt buiten de gemeentegrens en komt reeds daarom niet in aanmerking. Het college heeft immers geen zeggenschap over gebieden die in een andere gemeente liggen. De voorgestelde A67-variant en/of een tweede zonnepark op een andere locatie kunnen bovendien geen alternatief zijn voor het huidige zonnepark, omdat met dit park de opwekdoelstellingen voor 2030 maar gedeeltelijk kunnen worden gehaald en de gemeenteraad de vastgelegde opwekkingsopgave van 0,055 TWh beschouwt als de minimale opwekkingsopgave voor de gemeente, zodat andere locaties aanvullend noodzakelijk zijn. Verder heeft het college aangegeven dat de opgewekte energie wordt teruggeleverd op het openbare elektriciteitsnet of ter plaatse wordt opgeslagen in het energieopslagsysteem en daarna aan het net geleverd. De stroom gaat weliswaar in het dichtstbijzijnde onderstation het net op, te weten in het onderstation in Best, maar dat is niet per se het punt waar de stroom gebruikt gaat worden. Voorop staat dat de op het zonnepark opgewekte stroom in ieder geval bijdraagt aan de opwekdoelstellingen van de gemeente Eersel die door de raad zijn vastgesteld, aldus het college.



28.2
Het college dient te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project zoals daarvoor vergunning is aangevraagd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan het bestaan van alternatieven, indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarbij gaat het niet alleen om bezwaren aan de kant van eisers 1, maar ook aan de kant van het college en vergunninghoudster.Uit de stukken blijkt dat de raad op 25 augustus 2020 een zoekgebied ten noorden van Wintelre heeft vastgesteld naar aanleiding van de uitkomsten van een in 2019 uitgevoerd PlanMER-proces naar de meest geschikte gebieden voor zon-op-land voor de Kempengemeenten. Daarbij is onder meer gekeken naar de technische en landschappelijke geschiktheid, maatschappelijke uitvoerbaarheid en de milieutechnische randvoorwaarden. Het voorziene zonnepark ligt in dit zoekgebied.
Gelet hierop en gelet op hetgeen het college heeft gesteld, hebben eisers 1 naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de door hen aangedragen locaties alternatieve locaties zijn waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden verkregen met aanmerkelijk minder bezwaren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Een uitvoerbaar project?


29. Eisers 1 stellen dat niet zeker is of het project wel kan worden uitgevoerd. In dat kader wijzen zij op capaciteitsproblemen bij het elektriciteitsnet in de provincies Noord-Brabant en Limburg waardoor het twijfelachtig is of het zonnepark, dat een grootverbruiker is, wel hierop kan worden aangesloten. Vergunninghoudster staat namelijk niet op de wachtlijst en het is maar de vraag of aan Enexis de benodigde vergunning voor de aansluitingskabels van het zonnepark wordt verleend. Zolang er geen 100% zekerheid is dat het zonnepark kan worden aangesloten, dient hun belang bij het niet realiseren van het zonnepark te prevaleren, aldus eisers 1.



29.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in een procedure tegen een omgevingsvergunning een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van het project, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat vergunninghoudster al ruim voordat het elektriciteitsnet ‘op slot is gezet’ een overeenkomst gesloten heeft met de netbeheerder voor aansluiting van het zonnepark. Omdat de aansluiting reeds definitief is toegekend bestaat er bij het college geen twijfel over dat het zonnepark kan worden aangesloten.


29.2.
Ter zitting heeft vergunninghoudster hierover gesteld dat bij de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning met de netbeheerder reeds een overeenkomst was gesloten over de aansluiting op het elektriciteitsnet. Daarop heeft zij in ieder geval recht tot 2027. Zij heeft daarvoor ook al betaald. Dat dit het geval is, blijkt reeds uit het feit dat zij SDE-subsidie heeft ontvangen. Om deze subsidie te kunnen ontvangen is aanspraak op aansluiting op het net vereist. Zodra het zonnepark is aangelegd, kan het dus ook worden aangesloten op het elektriciteitsnet, aldus vergunninghoudster.


29.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college bij de beoordeling van de aanvraag niet heeft behoeven te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het project, gelet op hetgeen in de aanvraag over de aansluiting op het elektriciteitsnetwerk is gesteld en van aanknopingspunten die erop wezen dat het hierin gestelde onjuist zou zijn niet is gebleken.
De beroepsgrond slaagt niet.


Geen draagvlak voor en geen baat bij zonnepark


30. Eisers 1 en 2 voeren aan dat er geen draagvlak is voor het zonnepark in de omgeving. Met een verplicht gestelde bijdrage in het omgevingsfonds worden volgens eisers 1 onder meer overleggen met omwonenden gefinancierd, waarin wordt getracht om hun medewerking te verkrijgen voor de realisatie van het zonnepark. Verder wordt hiermee de schijn gewekt van een breed maatschappelijk draagvlak, welk draagvlak niet bestaat. Eiser 2 wijst in dit kader op de hinder die omwonenden al ondervinden vanwege allerlei voorzieningen en activiteiten in de nabije omgeving, zoals een militair oefenterrein, festivals, een vliegveld en een motorcrossterrein. Op extra hinder vanwege het zonnepark zitten de omwonenden daarom niet te wachten, aldus eiser 2. Eisers 1 stellen verder dat het bestreden besluit in strijd is met het gemeentelijk beleid, omdat hieruit volgt dat de omgeving van het zonnepark baat moet hebben bij de ontwikkeling van een zonnepark. Dat is echter niet het geval, want zij wensen geen zonnepark in de nabijheid van hun percelen. De afdracht van gelden aan een omgevings- en duurzaamheidsfonds maakt niet dat omwonenden baat hebben bij het zonnepark.


30.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hoewel het college de voorkeur geeft aan een zo breed mogelijk draagvlak, dit volgens vaste jurisprudentie geen voorwaarde of toetsingscriterium is voor medewerking. Het is volgens het college belangrijk dat de omgeving baat heeft bij de ontwikkeling van grootschalige opwek, daarom wordt bij ieder project gevraagd om een financiële afdracht te doen in een omgevingsfonds en een duurzaamheidsfonds. De maatschappelijke meerwaarde van het park staat los van het draagvlak van omwonenden en het omgevingsfonds is niet bedoeld om omwonenden van mening te doen veranderen.



30.2.
Het college heeft terecht gesteld dat de enkele omstandigheid dat draagvlak voor de ontwikkeling ontbreekt of van dat draagvlak onvoldoende is gebleken geen dragend argument kan zijn voor het weigeren van planologische medewerking, omdat een afweging moet worden gemaakt op grond van ruimtelijke motieven. Overigens heeft vergunninghoudster zich blijkens de stukken, waaronder het participatieverslag, wel ingespannen om draagvlak te creëren. Zo zijn er onder meer keukentafelgesprekken geweest met omwonenden die binnen een straal van ongeveer 600 meter van het plangebied wonen en zijn er gesprekken geweest met zes grondeigenaren van naastgelegen agrarische percelen. Ook zijn er twee informatieavonden gehouden.



30.3.
Over de baat die de omwonenden bij de realisatie van het zonnepark dienen te hebben staat in paragraaf 3.5 van het Beleid grootschalige zonne-energie 2020-2030 het volgende: “De gemeente Eersel vindt het belangrijk dat de omgeving van grootschalige opwek baat heeft bij de ontwikkeling. Daarom moet elk project een financiële afdracht doen in een omgevingsfonds en een duurzaamheidsfonds.”
Anders dan eisers 1 stellen, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit dit beleid dat de omgeving wordt verondersteld baat te hebben bij een zonnepark, indien een financiële afdracht wordt gedaan in een omgevingsfonds en een duurzaamheidsfonds. Niet is betwist dat financiële afdrachten aan deze fondsen zullen gaan plaatsvinden, waarmee investeringen zullen worden gedaan in lokale maatschappelijke doeleinden en duurzame ontwikkelingen. Daarnaast blijkt uit de stukken, waaronder de ruimtelijke onderbouwing, dat wordt gestreefd naar 50% lokale eigendom ten behoeve waarvan vergunninghoudster samenwerkt met de [naam 1] .


30.4.
De beroepsgronden slagen niet.


Schade in het geval van calamiteiten


31. Eiser 2 vreest ten slotte dat zijn perceel geheel kan worden bezaaid met glasscherven als zich calamiteiten op het zonnepark zouden voordoen, zoals brand, storm of hagelbuien. Omdat de glasscherven moeilijk verwijderbaar zijn, wordt zijn landbouwgrond onbruikbaar en zal hij schade lijden.



31.1.
Ter zitting heeft vergunninghoudster hierover gesteld dat het inderdaad soms bij calamiteiten voorkomt dat onderdelen van zonnepanelen loskomen en in de omgeving worden verspreid. Dit betreft volgens vergunninghoudster vaak slecht aangesloten zonnepanelen op daken. Het gaat hier echter om een zonnepark en als dat wordt opgeleverd vindt er een controle plaats op eventuele gebreken. Verder wordt voor elk project een verzekering van de installatie afgesloten.



31.2.
De rechtbank ziet in de door eiser 2 gevreesde schade aan zijn landbouwgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Weliswaar is niet uitgesloten dat er ten gevolge van een calamiteit ter plaatse van het zonnepark schade zal ontstaan aan eisers landbouwgrond, maar het college heeft ervan uit kunnen gaan dat het risico en de eventuele gevolgen van een calamiteit, mede gelet op hetgeen vergunninghoudster heeft gesteld, aanvaardbaar zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

32. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het zonnepark met toebehoren mag worden gerealiseerd en geëxploiteerd. Eisers 1 en 2 krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. J.J.H. van Kempen, rechters, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2025.













griffier


de voorzitter is verhinderd te tekenen







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Vanwege het van toepassing zijn van de Crisis- en herstelwet op het hoger beroep tegen deze uitspraak, kunnen op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Hierna tezamen genoemd: het bestreden besluit.


Artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw in samenhang met bijlage I, onder 1.1, van de Chw.


Waaronder de uitspraken van 21 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178, en van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3591


Zie onder meer de uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS: 2025:3422.


ECLI:NL:RBGEL:2020:2915.


ECLI:NL:RBGEL:2019:4564.


Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953
Link naar deze uitspraak