Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:14812 
 
Datum uitspraak:04-06-2026
Datum gepubliceerd:16-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 24/9528 en SGR 26/974
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Beroep tegen last onder dwangsom vanwege met de planregels strijdig gebruik van gebouwen en percelen voor het fokken van honden en beroep van rechtswege tegen invorderingsbesluit; herhaald aanhoudingsverzoek op ochtend van de zitting niet ingewilligd; geen omstandigheden om van handhavend optreden af te zien; geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel; geen inhoudelijke gronden tegen de invorderingsbesluit; ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
bestuursdwang
boomteelt
fruit- en boomteelt
gewassen
glastuinbouw
melkvee
omgevingsvergunning
perceel
veehouderij
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 24/9528 en SGR 26/974

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), uit [woonplaats] ,
samen te noemen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college
(gemachtigde: drs. F. Zorn).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die door het college aan eisers is opgelegd vanwege het gebruik van gebouwen en gronden op perceel [adres 1] voor het houden, trainen en fokken van honden. Volgens het college is dat in strijd met de regels van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”.


1.1.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft in het bezwaar van eisers geen aanleiding gezien voor een gewijzigd standpunt, maar heeft wel de motivering van de last onder dwangsom aangevuld. Het college heeft het bezwaar van eisers ongegrond verklaard onder handhaving van de last onder dwangsom.



1.2.
Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben daarom beroep ingesteld. Aan de hand van de beroepsgronden die eisers tegen het besluit op bezwaar hebben aangevoerd, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid daarvan. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit tot invordering van de verbeurde dwangsommen.



1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, zowel wat het bestreden besluit als wat het invorderingsbesluit betreft, ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Eiseres heeft een melkvee- en schapenhouderij op het perceel [adres 1] , dat kadastraal bekend is als [kadastraal nummer] . Hierop rust de bestemming “Agrarisch” als bedoeld in artikel 3 van de planregels van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, gelezen in samenhang met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”. Artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels bepaalt dat de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt in artikel 1.41 van de planregels omschreven als een agrarisch bedrijf dat voor de bedrijfsvoering in overwegende mate afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond welke tot dat bedrijf behoort zoals een akkerbouwbedrijf en een grondgebonden veehouderij, met uitzondering van glastuinbouw, sierteelt, fruit- en boomteelt en bosbouw.


2.1.
Op 21 december 2022 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de veehouderij, onder meer voor het fokken, houden en trainen van honden. Het college heeft eisers bij brief van 16 maart 2023 meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat die wijziging een al bestaande situatie betreft, dat die situatie in strijd is met het bestemmingsplan, dat het college niet bereid is van de planregels af te wijken en dat eisers wordt verzocht om dit met de planregels strijdige gebruik zo spoedig mogelijk maar in elk geval binnen zes weken na dagtekening van deze brief te staken en gestaakt te houden. Daarbij is aangekondigd dat na afloop van deze termijn een controle zal plaatsvinden. De aanvraag is op 3 mei 2023 ingetrokken.



2.2.
Op 19 juni 2023 is door een toezichthouder geconstateerd dat één van de gebouwen op het perceel en het terrein daar omheen (nog steeds) werd gebruikt voor het houden, trainen en fokken van honden. Tijdens die controle waren ongeveer 35 volwassen honden aanwezig en circa 43 puppy's. Naar aanleiding hiervan heeft het college aan eisers het voornemen kenbaar gemaakt een last onder dwangsom op te leggen met een begunstigingstermijn van zes weken, een dwangsom van € 5.000,- per week met een maximum van € 30.000,-. Eiseres en eiser hebben afzonderlijk op het voornemen gereageerd met een zienswijze. Het college heeft eisers in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen toe te lichten in een persoonlijk gesprek.




Procesverloop

3. Met het besluit van 27 november 2023 heeft het college eisers de hiervoor vermelde last onder dwangsom opgelegd.


3.1.
Met het besluit op bezwaar van 23 oktober 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.



3.2.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit op 24 december 2024 beroep ingesteld en hebben de gronden daarvan op 6 maart 2025 aangevuld.



3.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 17 maart 2025.



3.4.
Met het besluit van 9 april 2025 heeft het college de verbeurde dwangsommen ingevorderd (het invorderingsbesluit). Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eisers mede betrekking op het invorderingsbesluit.



3.5.
Op 14 juli 2025 en 11 december 2025 heeft het college nadere stukken ingediend.


3.6.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eisers waren daar niet bij aanwezig. Het onderzoek op zitting is geschorst om eisers alsnog in de gelegenheid te stellen het invorderingsbesluit te betwisten.



3.7.
Het beroep van rechtswege tegen het invorderingsbesluit is door de rechtbank ingeschreven onder een eigen zaaknummer, SGR 26/974. Eisers hebben bij brief van 25 februari 2026 het invorderingsbesluit betwist en verzocht om uitstel voor het indienen van gronden. Dit verzoek is door de rechtbank bij brief van 2 maart 2026 afgewezen.



3.8.
Op 16 april 2026 hebben eisers om uitstel van de voortgezette behandeling ter zitting op 23 april 2026 verzocht, welk verzoek door de rechtbank bij brief van 17 april 2026 is afgewezen.



3.9.
Het onderzoek ter zitting is op 23 april 2026 hervat. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eisers zijn niet op de zitting verschenen.



Beoordeling door de rechtbank


Aanhoudingsverzoek


4. Op de ochtend van de zitting van 23 april 2026 heeft eiser telefonisch aan de rechtbank meegedeeld fysiek niet in staat te zijn om de zitting bij te wonen, en gevraagd om aanhouding van de zitting. Niettegenstaande dit verzoek is de rechtbank overgegaan tot de voortzetting van de behandeling van het beroep, waartoe het volgende redengevend is.


4.1.
Vooraankondigingen van de zitting op 23 april 2026 zijn al op 9 maart 2026 naar eisers verstuurd, met daarin de mededeling dat binnen een week om een andere zittingsdatum kan worden gevraagd. Daarop hebben eisers niet gereageerd. De kennisgevingen voor de zitting zijn vervolgens op 26 maart 2026 aangetekend verzonden aan het adres [adres 1] . Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat dit adres juist is. Uit een controle via Track & Trace, het informatiesysteem van PostNL waarmee de verzending van een poststuk kan worden gevolgd, blijkt dat de kennisgevingen, nadat de bezorging op 28 maart 2026 niet was gelukt, op 31 maart 2026 zijn bezorgd bij een PostNL-punt. De rechtbank stelt vast dat eisers dus tijdig en aan het juiste adres zijn uitgenodigd voor de zitting. De kennisgevingen zijn niet afgehaald en zijn vervolgens op 15 april 2026 retour gezonden aan de rechtbank, waar zij op 17 april 2026 zijn terugontvangen. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:38 van de Awb zijn de kennisgevingen per gewone post wederom aan eisers verzonden. Het niet afhalen van een aangetekend stuk en het niet kennisnemen daarvan komt volgens vaste rechtspraak voor risico van de geadresseerde.



4.2.
Bovendien had de rechtbank reeds op 9 april 2026 – naar aanleiding van het ambtshalve raadplegen van Track & Trace, waaruit bleek dat de kennisgevingen op dat moment op een PostNL-punt lagen te wachten – eisers per e-mail kopieën van de kennisgevingen toegezonden. Naar aanleiding hiervan hebben eisers de rechtbank op 16 april 2026 om aanhouding verzocht, welk verzoek door de rechtbank bij per e-mail verzonden brief van 17 april 2026 is afgewezen. In dit verband wijst de rechtbank op hetgeen onder punt 4 van het proces-verbaal van de schorsing van het onderzoek op de zitting van 28 januari 2026 staat vermeld, namelijk: “Tot slot merkt de rechtbank op dat eisers voor de derde maal in relatief korte tijd om aanhouding van de behandeling ter zitting hebben verzocht. Met het oog op de voortgang van de procedure en gelet op deze schorsing zal, nadat een nieuwe zittingsdatum is bepaald, een eventueel volgend aanhoudingsverzoek in beginsel niet worden ingewilligd.”



4.3.
Eisers hebben op de ochtend van de zitting, rond het tijdstip waarop de behandeling zou beginnen, ook nog een e-mail naar de rechtbank gestuurd. In deze e-mail, waarin om aanhouding van de behandeling is verzocht, zag de rechtbank evenwel geen aanleiding om de zitting opnieuw aan te houden, en zij ziet daarin ook geen reden het onderzoek te heropenen, omdat daarin geen wezenlijk andere omstandigheden zijn aangevoerd dan al waren vermeld in het aanhoudingsverzoek van 16 april 2026. De rechtbank betrekt daarbij dat elke feitelijke onderbouwing voor het gestelde ontbreekt, zoals een proces-verbaal van aangifte van de gestelde (zware) mishandeling of enig schrijven van de gestelde, niet met name genoemde jurist/juridisch adviseur van eisers.



4.4.
Omdat redelijkerwijs niet valt in te zien dat de bijlagen bij deze e-mail niet tijdig voor de zitting hadden kunnen worden ingediend, in aanmerking genomen dat het proces-verbaal van de schorsing van het onderzoek op de zitting van 28 januari 2026 al op 10 februari 2026 aan eisers is verzonden en de rechtbank eisers reeds bij de door hen ontvangen brief van 12 februari 2026 – tien weken voor de zitting van 23 april 2026 – in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk toe te lichten waarom zij het niet eens zijn met het invorderingsbesluit, zal de rechtbank de bijlagen bij de e-mail van heden wegens kennelijke strijd met een goede procesorde buiten beschouwing laten. Eisers hebben volop gelegenheid gehad om hun reeds op 4 december 2024 aanhangig gemaakte zaak te bepleiten en om te reageren op wat door het college is aangevoerd.

Overgangsrecht Omgevingswet


5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Omdat de last onder dwangsom met het besluit van 27 november 2023 is opgelegd, blijft in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.


Toetsingskader


6. De voor de beoordeling van deze beroepen relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.


Is sprake van een overtreding?


7. Eisers betogen samengevat dat het college niet handhavend had mogen optreden omdat van een overtreding geen sprake is. Zij stellen dat het houden van honden een agrarische activiteit is als bedoeld in artikel 1.6 van de planregels en als zodanig passend in het bestemmingsplan. Ook zijn er geen klachten ingediend over het houden van de honden.



7.1.
Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.



7.2.
Artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels bepaalt dat de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. De inleidende begripsbepaling in artikel 1.41 van de planregels omschrijft een grondgebonden agrarisch bedrijf als een agrarisch bedrijf dat voor de bedrijfsvoering in overwegende mate afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond welke tot dat bedrijf behoort zoals een akkerbouwbedrijf en een grondgebonden veehouderij, met uitzondering van glastuinbouw, sierteelt, fruit- en boomteelt en bosbouw. Een hondenfokkerij valt hier evident niet onder, nu het fokken van honden niet in overwegende mate afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond. Eisers hebben nog aangevoerd dat de honden los over het terrein lopen, maar dat houdt geen verband met het producerend vermogen van de grond. Eisers hebben ook aangevoerd dat hondenvoer deels plantaardig is en dus op het bedrijf zou kunnen worden verbouwd, maar ook dat betoog slaagt niet, alleen al niet omdat op geen enkele manier is onderbouwd dat op het bedrijf daadwerkelijk (bestanddelen voor) hondenvoer worden verbouwd, laat staan dat dat in die mate gebeurt dat het bedrijf daar in overwegende mate afhankelijk van is. Of het fokken van honden als ‘agrarisch’ in de zin van artikel 1.6 van de planregels kan worden aangemerkt, kan daarom in het midden worden gelaten.



7.3.
Niet in geschil is dat de last onder dwangsom is opgelegd toen op het perceel honden werden gehouden, getraind en gefokt. Dat betekent dat sprake is van een overtreding. Het college is daarom bevoegd handhavend op te treden tegen het houden, trainen en fokken van honden op het perceel. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Had het college van handhavend optreden moeten afzien omdat er geen klachten zijn?


8. Dat over het houden van honden op hun perceel geen klachten zouden zijn ingediend zoals eisers stellen - wat door het college overigens ter zitting is betwist – doet niet af aan het hiervoor vermelde uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat het college in de regel tegen een overtreding als hier aan de orde moet optreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Dat is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Van een bijzonder geval als hier bedoeld is de rechtbank echter niet gebleken, zodat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?


9. Eisers doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij wijzen op de percelen [adres 2] en [adres 3] , die - naar zij betogen – vergelijkbaar zijn met hun situatie.



9.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. Het gelijkheidsbeginsel vergt dat in gevallen waarin door verschillende overtreders een reeks van vergelijkbare overtredingen plaats vindt, een consistent en doordacht bestuursbeleid gevoerd wordt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van handhavend optreden in rechtens gelijke gevallen.



9.2.
Van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld zonder objectieve rechtvaardiging is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op beide door eisers in dit verband aangevoerde locaties zijn immers dierenpensions gevestigd. De planregels bevatten voor het dierenasiel aan de [adres 3] een aparte bepaling (artikel 3.4.7), terwijl voor het dierenpension aan de [adres 2] een vergunning is verleend. Een hondenfokkerij kan echter niet op één lijn worden gesteld met een dierenpension. Maar ook voor dierenpensions geldt dat door het college een afweging wordt gemaakt waarbij omgevingsaspecten worden meegewogen. In het geval van eisers zou een eventuele aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een dierenpension, in plaats van een hondenfokkerij, wat het college betreft al afstuiten op de omstandigheid dat zich op een afstand van minder dan 50 meter van het perceel woningen van omwonenden bevinden, nog daargelaten dat een aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning ten tijde van het bestreden besluit niet was ingediend en overigens nog steeds niet. Concreet zicht op legalisatie ontbreekt reeds daarom. Ook daarom is van vergelijkbare gevallen geen sprake.



9.3.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Overige punten


10. Wat eisers verder hebben aangevoerd tegen het bestreden besluit slaagt ook niet. Gebrekkige communicatie door de gemeente, als daar al sprake van zou zijn, is geen reden om aan te nemen dat het besluit onrechtmatig is. Of er wel of niet handhavend wordt opgetreden tegen recreatieparken is niet relevant, omdat het bij eisers niet om een recreatiepark gaat maar om een hondenfokkerij. Ten slotte hebben eisers op geen enkele manier hun betoog onderbouwd dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is.

Het invorderingsbesluit


11. De rechtbank stelt vast dat eisers geen inhoudelijke gronden hebben aangevoerd tegen de invordering. Eisers hebben niet betwist dat niet aan de last onder dwangsom is voldaan. Verder hebben eisers geen omstandigheden of argumenten aangevoerd, op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Het beroep voor zover gericht tegen het invorderingsbesluit is dan ook ongegrond.




Conclusie en gevolgen

12. Het beroep, zowel wat het bestreden besluit betreft als wat het invorderingsbesluit betreft, is ongegrond. Het bestreden besluit en het invorderingsbesluit blijven daarom in stand. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht (Awb)


Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het
bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…)

Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:


een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en


de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.



Artikel 5:32a
1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2 Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

Artikel 5:32b
1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2 Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3 De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

Artikel 5:37
1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.
(…)

Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2 De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep tegen de beschikking tot invordering echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
(…)


Wabo


Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

Artikel 5.17
Een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet kan inhouden dat het bouwen, gebruiken of slopen van een bouwwerk wordt gestaakt of dat voorzieningen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid worden getroffen.


Bestemmingsplan [bestemmingsplan 1]


Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
(…)

1.6
agrarisch bedrijf
Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van
gewassen en/of het houden van dieren.

(…)



1.41
grondgebonden agrarisch bedrijf
Een agrarisch bedrijf dat voor de bedrijfsvoering in overwegende mate afhankelijk is van
het producerend vermogen van de grond welke tot dat bedrijf behoort zoals een
akkerbouwbedrijf en een grondgebonden veehouderij, met uitzondering van glastuinbouw,
sierteelt, fruit- en boomteelt en bosbouw.

Artikel 3 Agrarisch


3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;
(…)

alsmede voor:
(…)
n. ter plaatse van de aanduiding 'dierenpension', een hondenkennel zoals nader beschreven in 3.4.7;
(…)


3.4.7
Dierenasiel ( [adres 3] )
Ter plaatse van de aanduiding 'dierenpension', is het gebruik van de agrarische bebouwing ten behoeve van een hondenkennel toegestaan, met maximaal 33 kennels.




Gemeenteblad van Nieuwkoop 2023, 206997.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1568.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2701.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1680.
Link naar deze uitspraak