|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:15124 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | AWB - 25 _ 4915 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen bestuurlijke boete voor overtreding van de Meststoffenwet (Msw) en bijkomende beschikking afwijzing verzoek opschorting betalingsverplichting wordt ongegrond verklaard. Overtreding MSW betreft het niet terstond melden van een mislukte monsterafname dierlijke mest (sealnaad monsterzak sloot niet goed) bij transport. Met betrekking tot de bijkomende beschikking is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres de periode van bezwaar en beroep financieel niet kan overbruggen. | | Trefwoorden | : | dierlijke meststoffen | | | gebruiksnormen | | | landbouw | | | meststoffen | | | meststoffenwet | | | varkensbedrijf | | | vervoersbewijs dierlijke meststoffen | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4915
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen
de besloten vennootschap naar Belgisch recht [eiseres], te [vestigingsplaats], [land], eiseres
(gemachtigde: mr.drs. A.C.M. Brom),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. B. de Haan).
Inleiding
1.1.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 31 januari 2025 (het boetebesluit)
aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 300,- wegens overtreding van de Meststoffenwet (Msw), te betalen voor 14 maart 2025.
1.2.
Eiseres heeft op 3 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit.
Zij heeft in dit bezwaarschrift ook verzocht om uitstel van betaling van de boete tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.3.
Met de e-mail van 3 april 2025 (de bijkomende beschikking) heeft verweerder het
verzoek om opschorting van de betalingsverplichting afgewezen.
1.4.
Verweerder heeft met het (bestreden) besluit van 17 april 2025 het bezwaar van
eiseres tegen het boetebesluit ongegrond verklaard.
1.5.
Eiseres heeft bij e-mail van 14 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen de bijkomende
beschikking.
1.6.
Verweerder heeft eiseres bij brief van 5 juni 2025 meegedeeld dat het bezwaar
tegen de bijkomende beschikking is ontvangen op 3 juni 2025. De mogelijkheid
van het indienen van een bezwaar per e-mail is niet opengesteld. In dit geval kan het bezwaar wel als ingediend op 3 juni 2025 worden geregistreerd, indien eiseres op de voorgeschreven wijze bezwaar, voorzien van een motivering en een handtekening, indient. Eiseres heeft op 15 juni 2025 aan dit verzoek voldaan. Zij heeft daarbij verzocht om uitstel van betaling van de boete tot en met zes weken na de beslissing op bezwaar, inmiddels tot en met zes weken nadat op het beroep is beslist.
1.7.
Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de bijkomende beschikking
doorgezonden naar deze rechtbank. Verweerder heeft voorts een verweerschrift ingediend.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres, een besloten vennootschap naar Belgisch recht, is een bedrijf dat zich sinds
1 april 2023 onder meer bezig houdt met goederenvervoer over de weg, met uitzondering van verhuisbedrijven. Het fiscaal en juridisch adviesbureau van de gemachtigde van eiseres is in de statuten aangewezen als enige niet-statutair bestuurder van eiseres met de bepaling dat de gemachtigde van eiseres als vaste vertegenwoordiger van dit adviesbureau het mandaat van bestuurder heeft.
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
In het rapport van bevindingen van de NVWA van 6 januari 2025 voor de RVO
(het rapport) is vermeld dat toezichthouders (inspecteurs B en S) op 4 december 2024 de inspectie-app hebben geraadpleegd naar geplande transporten van dierlijke mest. In de app was te zien dat een vrachtwagen van eiseres onderweg was om te gaan lossen bij CT Landbouw. Toezichthouder B heeft vaker gezien dat na het lossen weer geladen gaat worden bij een bepaald varkensbedrijf. Besloten is om naar dat varkensbedrijf te rijden. Op een afstand van ongeveer 100 meter hebben de toezichthouders nog een gedeelte van het laadproces kunnen bekijken. Na het laden van de vrachtwagen is de vrachtwagen vertrokken. De toezichthouders hebben de vrachtwagen gevolgd en laten stoppen op de parkeerplaats Roevenpeel aan de A2. De toezichthouders hebben de chauffeur aangesproken, zich gelegitimeerd als toezichthouders van de NVWA en meegedeeld dat zij vervoerscontroles doen in het kader van toezicht op de meststoffen- en dierlijke bijproductenregeling. De chauffeur (H) heeft zich voorgesteld en desgevraagd onder meer een rVDM overgelegd.
Toezichthouder B heeft de chauffeur gevraagd naar het bij het rVDM behorende mestmonster. De chauffeur heeft gezegd dat zijn monsterapparaat niet goed functioneerde, dat de sealnaad van de monsterzakken niet goed sloot en dat de monsterafname van deze vracht was mislukt.. Toezichthouder B heeft de chauffeur gevraagd of hij een melding had gemaakt van de mislukte monsterafname. De chauffeur heeft gezegd dat hij niet wist dat daarvan een melding gemaakt moest worden. Toezichthouder B heeft de chauffeur op de hoogte gesteld van de overtreding, namelijk het niet of niet naar waarheid melden van een storing van de apparatuur en hij heeft de chauffeur vervolgens de cautie verleend. De chauffeur heeft meegedeeld dat hij niet wist dat hij een storing door moest geven. Hij heeft het naar eer en geweten goed gedaan. Aan de chauffeur is meegedeeld dat een rapport zal worden opgemaakt.
Toezichthouder B heeft op 11 december 2024 de gemachtigde van eiseres telefonisch geïnformeerd over de bevindingen en de verklaring van de chauffeur voorgelezen. Gevraagd is of de gemachtigde van eiseres als bestuurder nog een verklaring wilde toevoegen en of hij zichzelf kon identificeren via de e-mail. De gemachtigde van eiseres heeft gezegd dat hij zou proberen om voor 21 december 2024 een e-mail te sturen. Omdat op 23 december 2024 nog geen verklaring was ontvangen, is op die dag per e-mail een herinnering gestuurd aan de gemachtigde van eiseres. Meegedeeld is dat als voor 29 december 2024 geen e-mail is ontvangen, er vanuit wordt gegaan dat de gemachtigde van eiseres geen verklaring wenst af te leggen. Op 30 december 2024 heeft toezichthouder B vastgesteld dat er geen e-mail is ingezonden. In het rapport zijn eiseres, als bedrijf, en de chauffeur als overtreders genoemd. In de bij het rapport gevoegde rVDM (zie voetnoot 6) is vermeld dat de geplande laaddatum
4 december 2024 is, dat de vracht drijfmest betreft, dat eiseres de (feitelijk) vervoerder is, dat het varkensbedrijf de leverancier is en voorts wie de afnemer is. Voorts zijn bij het rapport gevoegd de foto van de mislukte monsterzak, (de publicatie van) de oprichtingsakte van eiseres en e-mails van toezichthouder B aan (de gemachtigde van) eiseres.
2.2.
Verweerder heeft het boetebesluit ten aanzien van eiseres genomen, waarbij het
rapport en een bijlage met de wettelijke bepalingen zijn gevoegd. Meegedeeld is dat sprake is van feitcode M227, het niet of niet naar waarheid melden van een storing van de apparatuur. Eiseres heeft een storing van de apparatuur niet doorgegeven. Als er tijdens het mestvervoer een storing in haar apparatuur is, dat moet zij dit meteen doorgeven op de website van e-CertNL of in haar bedrijfsmanagementsysteem. Eiseres heeft geen melding gemaakt van de storing bij de vracht met rVDM-nr. 9118231462. Dit is een overtreding van de Meststoffenwet.
2.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit.
In het bestreden besluit is de opgelegde boete gehandhaafd en is geen aanleiding is gezien voor matiging van de boete. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.4.
Eiseres heeft in haar bezwaarschrift tegen het boetebesluit voorts verzocht om
uitstel van betaling van de boete tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Met de bijkomende beschikking heeft verweerder het dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de bijkomende beschikking doorgezonden naar de rechtbank.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Het onderhavige beroep heeft van rechtswege mede betrekking op de bijkomende
beschikking. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres voorafgaand aan de behandeling van het beroep ter zitting de cautie gegeven.
3.1.
Eiseres heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat zij belang heeft bij
beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde boete, vanwege toekomstige gevolgen. Meerdere boetes kunnen mogelijk leiden tot intrekking van het intermediairschap. Voorts kunnen, volgens eiseres, twee boetes van meer dan € 100,- in het kader van een vergunningaanvraag leiden tot een negatief Bibob-advies.
Cautie en wilsafhankelijke informatie
4. Eiseres heeft aangevoerd dat de toezichthouder zich wel heeft gelegitimeerd en
vragen heeft gesteld aan de chauffeur, maar dat daarbij geen cautie is gegeven. De cautie is ook nadien niet gegeven, wat de chauffeur heeft bevestigd. Dat in het rapport is opgenomen dat de cautie wel is gegeven, is een standaardopmerking, maar in de praktijk wordt de cautie zelden verleend aan de chauffeur. Volgens eiseres mag de verklaring van de chauffeur daarom niet worden gebruikt. Eiseres stelt dat sprake is van wilsafhankelijke informatie en dat een bevel tot verstrekking daarvan gepaard moet gaan met de mededeling dat de informatie niet zal worden gebruikt voor boeteoplegging of strafvervolging. Deze mededeling is niet gedaan en daarom kan de verklaring van de chauffeur ook om deze reden niet gebruikt worden. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat de toezichthouder zijn vordering om gegevens te verstrekken eerst aan haar had moeten richten. Nu dit niet is gebeurd, is gehandeld in strijd met artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het rapport is bovendien niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt.
4.1.
Verweerder heeft toegelicht dat de cautie voor het verhoor aan de betrokkene wordt
verleend. Deze moet worden verleend vanaf het moment dat er sprake is van een criminal charge. Hiervan is sprake vanaf het moment waarop ten aanzien van de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. Daarvan was in dit geval pas sprake toen de chauffeur aangaf dat de monsterafname was mislukt en dat hij daarvan geen melding had gemaakt. Op dat moment heeft de toezichthouder de chauffeur op de hoogte gesteld van de geconstateerde overtreding en heeft de toezichthouder aangegeven dat hij niet verplicht was tot antwoorden. Verweerder verwijst in dit kader naar rechtspraak.
4.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Uit het rapport blijkt niet dat de toezichthouder bij het staande houden van de vrachtauto in het kader van vervoerscontroles en met de vraag naar vervoersdocumenten en het mestmonster al een vermoeden had dat er sprake was van een overtreding van de Msw, in dit geval het niet melden dat het mestmonster was mislukt. Dit is pas gebleken toen de chauffeur op de vraag naar de documenten en het mestmonster zelf aangaf dat het mestmonster was mislukt en dat hij - desgevraagd - daarvan geen melding had gemaakt. De rechtbank overweegt dat eiseres niet heeft onderbouwd wat de chauffeur volgens haar heeft gezegd over de cautie. Dat de vermelding van de cautie in het rapport een standaardopmerking is en dat de cautie in de praktijk zelden wordt verleend, is evenmin onderbouwd. Als in een andere zaak al geen cautie zou zijn verleend, dan betekent dit niet dat daarvan dan in deze zaak evenmin sprake is geweest. Eiseres heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval geen cautie is verleend. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de vermelding in het rapport dat de cautie is verleend en overweegt dat de cautie in dit geval is verleend op het juiste moment, namelijk vanaf het moment waarop duidelijk werd dat sprake was van een beboetbare overtreding. De verklaring van de chauffeur, zoals vermeld in het rapport, is als zodanig niet betwist door eiseres.
4.3.
Verweerder heeft zich met betrekking tot het gestelde over wilsafhankelijke
informatie op het standpunt gesteld dat een verklaring, zijnde het beantwoorden van vragen, wordt gezien als wilsafhankelijk materiaal. Dergelijk materiaal mag niet onder dwang worden verkregen, omdat de betrokkene dan wordt gedwongen om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. In dit geval heeft de chauffeur vrijwillig, na het verlenen van de cautie, een verklaring afgelegd. Deze wilsafhankelijke informatie is niet onder dwang verkregen.
De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. Niet gebleken is dat sprake was van het afleggen van een verklaring door de chauffeur na een daartoe strekkende vordering respectievelijk onder dwang. De verwijzing van eiseres naar rechtspraak treft daarom geen doel. De rechtbank overweegt dat daarbij niet kan worden voorbijgegaan aan het feit dat een foto van de defecte monsterzak bij het rapport is gevoegd en dat er geen storingsmelding zichtbaar was in het systeem.
4.4.
Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van strijd met artikel 5:13 van de Awb, waarin is bepaald dat een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Verweerder heeft uiteengezet dat de toezichthouder heeft gevraagd naar de
vervoersdocumenten en het mestmonster behorend bij het onderhavige rVDM. Daarmee zijn gegevens opgevraagd in het kader van de naleving van de wettelijke voorschriften waarop hij toezicht uitoefende. Tijdens het vervoer van dierlijke meststoffen dient de chauffeur te beschikken over de gevraagde gegevens en de toezichthouder mocht deze informatie opvragen. De toezichthouder heeft ook contact opgenomen met (de gemachtigde van) eiseres, maar heeft, na een herinnering, geen verklaring mogen ontvangen.
4.5
Verweerder betwist niet dat het rapport niet is opgemaakt op ambtseed of
ambtsbelofte, maar stelt zich op het standpunt dat dit niet maakt dat hij het boetebesluit niet op het rapport mocht baseren. Het rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder, van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van hetgeen hij heeft waargenomen. Verweerder heeft daartoe verwezen naar rechtspraak.
De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport, indien de controle is verricht, het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Het rapport is, zoals uit genoemde rechtspraak volgt, niet zonder betekenis. De toezichthouders hebben zich gelegitimeerd ten overstaan van de chauffeur en in het rapport staan hun namen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport, zie ook de overwegingen 4.1. tot en met 4.3.
Is sprake van een overtreding?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er geen overtreding is begaan. Zij geeft aan
dat verweerder stelt dat het gaat om het niet melden van een storing. De sealer is volgens verweerder onderdeel van de bemonsteringsapparatuur. Als deze te heet wordt, betekent dit volgens verweerder dat sprake was van een storing. Deze storing had volgens verweerder gemeld moeten worden. Eiseres stelt dat in de boetebeschikking niet is vermeld om welke storing het gaat. Het te warm worden van een mestzak door de sealer kwalificeert daarnaast niet als een gegeven welke doorgegeven moet worden volgens artikel 34 van de Msw. Ook met een kapotte sealnaad kan er namelijk nog steeds een analyse van het monster gemaakt worden Daarbij is het probleem met de sealer niet ontstaan tijdens het vervoer, maar bij het laden van de drijfmest en zijn in het rapport de relevante gegevens die de chauffeur heeft verteld niet vermeld. Eiseres geeft aan dat de chauffeur, nadat hij de vracht geladen had en vaststelde dat de sealnaad niet goed gesloten werd door het mestapparaat (de sealer werd te heet, waardoor het plastic doorbrandde), direct contact heeft opgenomen met reparateur W. Deze reparatie is dezelfde dag uitgevoerd. Feitelijk was de chauffeur al op weg naar de reparateur toen hij werd gecontroleerd. De chauffeur was niet bevoegd om de mesttank te lossen op de locatie waar hij reeds geladen had om het probleem van het sealapparaat te verhelpen. Hij moest dan ook met een volle tank naar de reparateur rijden. Dit kwalificeert niet als vervoer van drijfmest, omdat de chauffeur niet de intentie had om deze drijfmest naar de afnemer te brengen, aldus eiseres.
5.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 1, eerste lid, onder s, van het UBM,
is bepaald dat onder vervoer van meststoffen het laden en lossen van deze meststoffen is inbegrepen. De daarbij genoemde uitzondering inzake het feitelijk transporteren binnen een bedrijf is niet van toepassing. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder o, van de Msw wordt onder intermediaire onderneming verstaan: onderneming, niet zijnde een bedrijf, in het kader waarvan al dan niet uitsluitend dierlijke meststoffen worden verhandeld of worden gebruikt.
Dat de chauffeur niet de intentie had om de mest te lossen bij de afnemer, omdat hij onderweg was naar de monteur wordt eveneens niet gevolgd. De mest is gelost bij de afnemer overeenkomstig de rVDM. Of de chauffeur al dan niet is gestopt bij de monteur, wat niet is onderbouwd, kan hier niet aan afdoen.
De rechtbank overweegt dat in artikel 53 van de URM is bepaald dat de apparatuur adequaat moet functioneren. Over oorzaken van het niet adequaat functioneren is niets bepaald. Dit geldt ook voor het begrip storing dat in artikel 53, derde lid, van de URM wordt gehanteerd. In artikel 53, tweede lid, van de URM is, in aanvulling op het eerste lid, bepaald dat de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang met de GR-apparatuur adequaat dienen te functioneren.
In de Toelichting bij de Urm, is bovendien vermeld:
“Uiteraard is er sprake van adequaat functioneren als de apparatuur conform de ter zake geldende prestatiekenmerken functioneert. Daarnaast geldt bovendien dat de vervoerder, tot wiens verantwoordelijkheid het adequaat functioneren van de apparatuur behoort, ervoor zorg moet dragen dat de bij de satellietvolgapparatuur horende antenne of antennes op geen enkele wijze worden gehinderd en dat de stroomvoorziening van de automatische gegevensregistratie en de satellietvolgapparatuur op geen enkele wijze wordt onderbroken. Uiteraard kan het voorkomen dat er gedurende het vervoer een storing optreedt als gevolg waarvan de apparatuur niet meer naar behoren functioneert. Met het oog hierop voorziet het tweede lid van artikel 54 in de mogelijkheid dat de dierlijke meststoffen alsnog vervoerd mogen worden, indien de storing telefonisch is gerapporteerd aan de meldkamer van de Algemene Inspectie dienst.”
Uit het voorgaande volgt dat de vervoerder verantwoordelijk is voor het adequaat functioneren van de apparatuur. De rechtbank overweegt dat de chauffeur heeft verklaard dat het monsterapparaat niet goed functioneerde, dat de sealnaad van de monsterzakken niet goed sloot en dat hij niet wist dat hij een storing moest melden. Ook eiseres heeft benoemd dat de sealer te heet werd. De rechtbank vermag niet in te zien dat verweerder de sealer niet als onderdeel van de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur heeft kunnen zien beschouwen. De chauffeur heeft, gelet op het rapport en anders dan eiseres nu zonder onderbouwing stelt, ten overstaan van de toezichthouders niet aangegeven dat hij reeds onderweg was naar de door eiseres genoemde reparateur. Bij een storing van de bemonsteringsapparatuur moet direct een melding worden gedaan. De chauffeur heeft geen directe melding gedaan, omdat hij niet wist dat dat moest. Eiseres heeft evenmin terstond een melding gedaan. Het standpunt van aiseres dat mogelijk geen sprake was van een storing, is op geen enkele wijze onderbouwd.
5.2.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder de verklaring
van de chauffeur en ook het rapport mogen betrekken bij het bestreden besluit. Verweerder heeft het niet terstond doen van de betreffende melding mogen beschouwen als een overtreding.
5.3.
Ingevolge artikel 48 van het UBM worden dierlijke meststoffen vervoerd door
een intermediair wiens onderneming is geregistreerd. Ingevolge artikel 48b van het UBM geschiedt het vervoer van een vracht drijfmest door een intermediair met een transportmiddel dat is uitgerust met de voorgeschreven apparatuur die op naam van de intermediair is geregistreerd. De regels omtrent het vervoer van dierlijke meststoffen in de Msw gelden voor de intermediaire onderneming. Eiseres is als betrokken intermediair terecht als normadressaat voor de toepassing van de URM aangemerkt en ook van de overtreding.
Kan de overtreding aan eiseres worden verweten?
6. Artikel 5:41 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete
oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat haar van de overtredingen geen verwijt kan worden gemaakt.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. Eiseres is
verantwoordelijk voor het adequaat functioneren van de apparatuur. De storing had gemeld moeten worden en dat is niet gedaan. Dit valt eiseres te verwijten. Verweerder was bevoegd om een boete op te leggen aan eiseres.
Is er aanleiding om af te zien van het opleggen van een boete of de boete te matigen?
7. Ingevolge artikel 62, tweede en derde lid, van de Msw worden bij of krachtens
Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding – zoals hier aan de orde – ten hoogste kan worden opgelegd en welk maximum daarbij geldt. Bedoelde boetebedragen zijn in artikel 73, eerste lid, van de UBM neergelegd, waarbij in het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij ministeriële regeling per overtreding de hoogte van de bestuurlijke boete wordt aangewezen overeenkomstig het eerste lid. Dit is nader uitgewerkt in de URM.
Ingevolge artikel 130 van de URM wordt de hoogte van de bestuurlijke boete
terzake van overtredingen, bedoeld in artikel 51 Msw, vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat voor de desbetreffende overtreding is vermeld in Bijlage M. In Bijlage M is vermeld dat bij feitcode M227, het niet of niet naar waarheid melden van een storing van de apparatuur, de hoogte van de boete € 300,- bedraagt. De regelgeving biedt geen ruimte voor het geven van een waarschuwing, zoals eiseres wenst. Dit is een afweging die de wetgever heeft gemaakt.
7.1.
Ingevolge artikel 5:46, derde lid, van de Awb legt het bestuursorgaan, indien de
hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
7.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de boete moet worden gematigd.
Eiseres heeft gesteld dat het mislukken van het mestmonster geen enkele invloed
heeft op de mestketen. In dergelijke gevallen wordt volgens eiseres een forfaitaire waarde aan het mestmonster toegekend. Daarom moet de boete volgens eiseres worden gematigd.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de forfaitaire waarde die aan het monster wordt toegekend minder specifiek is dan de werkelijke waarde. Met het toekennen van een forfaitaire waarde wordt zeer terughoudend omgegaan. Het is noodzakelijk dat de hele meststroom transparant is. Betrouwbare gegevens over mestvervoer zijn noodzakelijk om te kunnen beoordelen of een bedrijf de gebruiksnormen en de mestverwerkingsplicht heeft nageleefd en aan de verantwoordingsplicht kan voldoen. Betrouwbare gegevens over het mestvervoer zijn daarom van groot belang om te borgen dat milieudoelen worden gerealiseerd. Het mislukken van een mestmonster heeft daarom wel degelijk invloed op de mestketen. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. Het mislukken van het mestmonster is dan ook geen bijzondere omstandigheid om de boete te matigen.
7.2.1.
Volgens eiseres heeft de chauffeur direct contact opgenomen met de monteur toen
hij constateerde dat de sealnaad van de monsterzak niet goed sloot. De chauffeur is daarop naar de monteur gereden. De rechtbank merkt op dat dit onverlet laat
dat sprake was van een storing aan de bemonsteringsapparatuur. De storing had gemeld moeten worden en dat is niet gedaan. Dit valt eiseres te verwijten. Dat wat eiseres in dit kader heeft betoogd vormt geen bijzondere omstandigheid om de boete te matigen.
7.2.2.
Eiseres heeft gesteld dat zij geen economisch voordeel geniet bij het niet melden
van een storing. Deze stelling van eiseres is niet onderbouwd en wordt niet overtuigend geacht. De betrokken vracht met drijfmest is, ondanks de overtreding, wel vervoerd en gelost bij de afnemer. Ook hier is geen sprake van een bijzondere omstandigheid.
7.2.3.
Voor zover eiseres heeft gewezen op de eventuele gevolgen bij meerdere boetes
(zie bij 3.1.) voor het intermediairschap en bij een vergunningaanvraag, overweegt de rechtbank dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn. Het betreft toekomstige onzekere gebeurtenissen.
7.3.
Andere bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding zouden moeten
geven, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de boete gezien de aard en ernst van de geconstateerde overtreding evenredig is.
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
8. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is niet onderbouwd. Dat verweerder in zijn
algemeenheid heeft verklaard soms waarschuwingen op te leggen betekent niet dat verweerder in dit geval geen boete mocht opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres dan ook terecht een boete opgelegd wegens overtreding van de Msw.
De bijkomende beschikking
9. Ingevolge artikel 4:94, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de
wederpartij uitstel van betaling verlenen.
Aan de mogelijkheid om uitstel van betaling te verlenen is behoefte in gevallen waarin in redelijkheid niet van de schuldenaar kan worden verwacht dat hij de verschuldigde geldsom binnen de betalingstermijn aan het bestuursorgaan betaalt. Als voorbeeld wordt gegeven het geval waarin uitstel wordt verleend om de belanghebbende de gelegenheid te geven de periode van bezwaar en beroep te kunnen overbruggen. Wie verzoekt om uitstel van betaling zal aannemelijk moeten maken dat hij niet over het geld beschikt of kan beschikken om het verschuldigde bedrag op tijd te betalen. Verlening van uitstel van betaling staat er niet aan in de weg dat de wettelijke rente kan gaan lopen of doorloopt.
10. Eiseres heeft aangevoerd dat het verlenen van betalingsuitstel op verzoek door
verweerder in voorgaande jaren wel gebeurde. Zij heeft daartoe, onder vermelding van boetezaaknummers, verwezen naar betalingsuitstel verleend aan derden in mestboetezaken tot en met de procedure bij het College. Volgens eiseres is het in strijd met het evenredigheidsbeginsel om boetes op te leggen en deze te incasseren, omdat verweerder weigert in bezwaar uitstel van betaling te verlenen. Eiseres stelt dat het een vaststaand gegeven is dat de meeste door verweerder opgelegde boetes uiteindelijk geen stand houden.
10.1.
De rechtbank overweegt dat met de onderhavige uitspraak de opgelegde boete
rechtmatig wordt geacht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de periode van bezwaar en beroep financieel niet kan overbruggen. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat de opgelegde boete een relatief gering bedrag betreft, Eiseres heeft, wat hier ook van zij, niet onderbouwd dat het een vaststaand gegeven is dat de meeste door verweerder opgelegde boetes uiteindelijk geen stand houden. De rechtbank constateert dat eiseres geen feiten en omstandigheden heeft ingebracht die verweerder ertoe hadden moeten nopen haar uitstel van betaling te verlenen.
10.2.
Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel in dit kader slaagt niet. Eiseres
heeft alleen boetezaaknummers van verweerder genoemd, maar deze nummers als zodanig zijn voor de rechtbank niet na te gaan. Voor zover eiseres heeft verwezen naar procedures bij het College, wordt overwogen dat ook deze procedures niet zijn na te gaan nu eiseres hiervan geen ECLI-nummers heeft genoemd. Het had op de weg van eiseres gelegen om dit beter te duiden en het te onderbouwen met stukken. Voor zover eiseres stelt dat de Belastingdienst en andere bestuursorganen betalingsuitstel verlenen over het betwiste bedrag totdat deze onherroepelijk vaststaat, overweegt de rechtbank dat eiseres dit niet heeft onderbouwd en bovendien gaat het om andere bestuursorganen.
Conclusie
11. Het beroep van eiseres is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of
vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Namens verweerder, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Feitcode M227, de artikelen 15, 34 en 51 van de Msw, de artikelen 48b en artikel 49 van het Uitvoeringsbesluit Msw (UBM) en de artikelen 53, 57 en 130, alsmede Bijlage M van de Uitvoeringsregeling Msw (URM).
Zie voetnoot 1.
Onder verwijzing naar artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
Het realtime Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen met nr. 9118231462.
Nr. 7762576.
De artikelen 15 en 34 van de Msw, de artikelen 48b en artikel 49 van het UBM en artikel 53, derde lid, van de URM.
Zie voetnoot 7, nader toegelicht met artikel 51 van de Msw in samenhang met artikel 130 en Bijlage M bij de URM, artikel 53 van de Msw, artikel 1, eerste lid, onder s (wat wordt verstaan onder vervoeren van meststoffen), van het UBM en artikel 57 van de URM. Voorts de artikelen 2.2. en 3.1. (met verwijzing naar de Bijlage bij het Specifiek Interventiebeleid NVWA meststoffen (IB03-SPEC 07, versie 03), deze Bijlage is te raadplegen op de website van de NVWA) en artikel 3.2., van dit Specifiek Interventiebeleid. Voorts het Boetebeleid Meststoffenwet RVO.
Artikel 8:28a van de Awb.
De Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur.
Artikel 5:10a van de Awb.
Uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:2797, r.o. 4.3.
Uitspraak van het College van 7 mei 2019, ECLI:NL:CBB:2019:177.
Uitspraak van het College van 30 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1027, r.o. 4.6.
Staatscourant (Stcrt) 21 november 2005, nr. 226, pag.6, Toelichting pag. 32 (authentieke versie te raadplegen op de website “overheid.nl”).
Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 juli 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:2441, r.o. 6.1.
Zie de Awb, Tekst en Commentaar, dertiende druk, artikel 4:94 van de Awb, aantekening 2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|