Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:6358 
 
Datum uitspraak:13-05-2026
Datum gepubliceerd:18-06-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/712823 / HA ZA 26-22
Rechtsgebied:Ondernemingsrecht
Indicatie:Tussenvonnis incident. Opzegging van vof. Verzoek tot voorlopige voorzieningen: verbod om vof te vertegenwoordigen. Inhoudelijke beslissing aangehouden.
Trefwoorden:bedrijfswoning
glasopstanden
glastuinbouwbedrijf
perceel
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/712823 / HA ZA 26-22


Vonnis in incident van 13 mei 2026


in de zaak van




1. [persoon A] ,
hierna te noemen: [naam 1] ,

2. [persoon B],
hierna te noemen: [naam 2] ,

3. [persoon C],
hierna te noemen: [naam 3]4. [persoon D],
hierna te noemen: [naam 4] ,5. [persoon E],
hierna te noemen: [naam 5] ,

allen wonend in [woonplaats] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna samen te noemen: [naam 1] c.s.,
advocaat: mr. F.J. Hordijk,

tegen




1. [persoon F] ,
hierna te noemen: [naam 6] ,2. [persoon G],
hierna te noemen: [naam 7] ,

3.

[persoon H]
,
hierna te noemen: [naam 8] ,

allen wonend in [woonplaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: [naam 6] c.s.,
advocaat: mr. G.J.M. Volders,





1De zaak in het kort


[naam 1] c.s. en [naam 6] c.s. waren samen de vennoten van [naam V.O.F.] . (hierna: de vof). Er is onenigheid ontstaan tussen enerzijds [naam 1] c.s. en anderzijds [naam 6] c.s., als gevolg waarvan in ieder geval [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] de vof hebben opgezegd. Tussen partijen is onder andere in geschil of ook [naam 1] de vof heeft opgezegd. [naam 6] c.s. vorderen hoofdzakelijk als voorlopige voorziening dat de rechtbank [naam 1] verbiedt om de vof te vertegenwoordigen of om anderszins handelingen te verrichten voor of namens de vof. De rechtbank geeft in dit tussenvonnis haar voorlopige visie op de juridische situatie. Deze voorlopige visie is dat ook [naam 1] de vof-akte heeft opgezegd, zodat [naam 1] c.s. geacht moeten worden uit de vof te zijn getreden. Voorts dat het recht tot voortzetting van de toedeling en overname van de vof-aandelen en de daaraan verbonden verdelings- en overnamerechten van [naam 1] c.s. door [naam 6] c.s. is geëindigd, zodat liquidatie/vereffening volgt. Tot slot dat niet vast staat dat tussen partijen een totale minnelijke regeling tot stand is gekomen. De rechtbank houdt vooralsnog iedere beslissing op de vorderingen in het incident aan. De rechtbank beveelt een gelijktijdige mondelinge behandeling in zowel het incident als in de hoofdzaak.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 december 2025, met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, inclusief verzoek voorlopige voorziening van 18 maart 2026, met producties 1 tot en met 21; en
- de conclusie van antwoord in incident in reconventie van 8 april 2026, met productie 15.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.






3De feiten, voor zover van belang in het incident


3.1.

[naam 1] en [naam 6] zijn broers. [naam 1] is gehuwd met [naam 2] . [naam 3] en [naam 4] zijn kinderen van [naam 1] en [naam 2] . [naam 5] is de ex-partner van een andere dochter van [naam 1] en [naam 2] . [naam 6] is gehuwd met [naam 7] . [naam 8] is hun zoon.



3.2.
Vanaf 1985 hebben [naam 1] en [naam 6] samen met hun echtgenotes [naam 2] en [naam 7] in de commanditaire vennootschap [naam C.V.] . (hierna: de cv) een glastuinbouwbedrijf gedreven. [naam 1] en [naam 6] waren ieder beherend vennoot. [naam 2] en [naam 7] waren ieder commanditair vennoot. De onderneming teelt sinds 1999 snijhortensia’s.



3.3.

[naam C.V.] . is beëindigd en partijen zijn per 1 januari 2022 [naam V.O.F.] . (hierna: de vof) gestart, waarin ook de volgende generatie ( [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 8] ) is toegetreden.



3.4.
De onderneming wordt geëxploiteerd in het glastuinbouwbedrijf staande en gelegen aan de [adres 1] te Berkel en Rodenrijs. [naam 1] en [naam 2] wonen in een agrarische bedrijfswoning, staande en gelegen aan het voornoemde adres.



3.5.

[naam 6] en [naam 7] zijn rechthebbende van de agrarische bedrijfswoning, staande en gelegen aan de [adres 2] te Berkel en Rodenrijs.



3.6.
De onderneming wordt gefinancierd door Coöperatieve Rabobank U.A. Tot zekerheid van verhaal van haar vorderingen is ten behoeve van Rabobank een eerste recht van hypotheek gevestigd op het aan de onderneming c.q. de relevante vennoten in eigendom toebehorende onroerend goed.



3.7.
Partijen hebben de volgende activa ingebracht in het vermogen van de vof.

a. Iedere vennoot: arbeid en vlijt in en hun persoonlijke kennis en zakelijke relaties met betrekking tot de bedrijfsvoering;

b. [naam 6] en [naam 1] hebben daarnaast ingebracht:

1. de eigendom van de roerende zaken en voorraden, zoals opgenomen en tegen de boekwaarde vermeld op de balans van de cv op 31 december 2021;

2. alle aan de onderneming verbonden vergunningen en ontheffingen; en

3. de economische eigendom van de onroerende zaken, bestaande uit een perceel tuinland, bedrijfsruimten, glasopstanden en verdere aanhorigheden gelegen aan en nabij de [adres 1] te Berkel en Rodenrijs.



3.8.
De bedrijfswoningen van [naam 1] en [naam 6] zijn nadrukkelijk van de inbreng uitgezonderd.



3.9.
Op grond van artikel 10 van de vof-akte zijn [naam 1] en [naam 6] zelfstandig en onbeperkt bevoegd om rechtshandelingen voor rekening van de vof te verrichten die redelijkerwijs tot het doel van de vof behoren en aan het normale bestuur en beheer dienstbaar kunnen zijn. Voor de andere vennoten gelden beperkingen.



3.10.
Op enig moment is tussen partijen onenigheid ontstaan over onder meer de verdeling van de winst tussen de vennoten.



3.11.
Artikel 16 lid 1 en lid 2 van de vof-akte luiden als volgt:


“16.1 Iedere Vennoot kan de Overeenkomst opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden en uitsluitend tegen het einde van een boekjaar.




16.2.

Een Vennoot dient de Overeenkomst op te zeggen door middel van behoorlijke kennisgeving aan de medevennoot. Behoorlijke kennisgeving kan slechts plaatsvinden door middel van een aangetekende brief, door middel van een deurwaardersexploot of door schriftelijke verklaring die door alle Vennoten is ondertekend.”




3.12.
Artikel 17.1 van de vof-akte luidt als volgt:


“17.1 De Vennoot aan wie het eindigen van de Overeenkomst niet kan worden toegerekend, heeft het recht het bedrijf van de Vennootschap voort te zetten. Dit recht tot voortzetting moet door een Vennoot als volgt worden uitgeoefend:


(a) De Vennoot aan wie het recht tot voortzetting toekomt dient, indien de Overeenkomst is opgezegd, aanspraak te maken op zijn recht tot voorzetting binnen de opzegtermijn.

(b) Indien de Overeenkomst door een andere omstandigheid is beëindigd, moet de Vennoot aan wie het recht tot voortzetting toekomt aanspraak maken op zijn recht binnen zes maanden na beëindiging van de Overeenkomst. Op het recht tot voortzetting moet aanspraak gemaakt worden door de medevennoot of diens rechtverkrijgenden hiervan schriftelijk in kennis te stellen. Wordt niet tijdig aanspraak gemaakt op het recht tot voortzetting door de Vennoot aan wie dit recht toekomt, vervalt het recht ten aanzien van de betreffende Vennoot bij het verstrijken van de hiervoor bepaalde termijn.



3.13.
Artikel 19.1 van de vof-akte luidt als volgt:


“19.1 Het aandeel van de uitgetreden Vennoot in alle Goederen die deel uitmaken van het Vennootschapsvermogen (..) wordt krachtens verdeling toebedeeld aan de voortzettende Vennoot c.q. door de voortzettende Vennoot overgenomen, onder de verplichting de waarde van dat aandeel in geld uit te keren aan de uitgetreden Vennoot en tevens alle schulden en verplichtingen die met het bedrijf van de Vennootschap samenhangen over te nemen en voor eigen rekening te nemen en hiervoor de uitgetreden Vennoot vrijwaring te verlenen. De toedeling respectievelijk de overname van het aandeel zal echter eerst plaatsvinden nadat de voortzettende Vennoot schriftelijk verklaart de toedeling en overname en alle daar uit voortvloeiende verplichtingen te aanvaarden. Deze aanvaarding dient plaats te vinden binnen zes maanden nadat de Overeenkomst is geëindigd. Indien de voortzettende Vennoot de toedeling niet tijdig schriftelijk aanvaardt, eindigt het recht tot voortzetting van het bedrijf van de Vennootschap en de daaraan verbonden verdelings- en overnamerechten.”




3.14.
Artikel 19.5 van de vof-akte luidt als volgt:


“19.5 De voortzettende vennoot heeft het recht om de eigendom van het woonhuis van de uittredende Vennoot sub 1 of sub 2 tegen de Waarde in het economische verkeer over te nemen.”




3.15.
Op 21 november 2024 hebben [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] middels een ondertekende schriftelijke verklaring de vof-akte opgezegd tegen eind 2024. Deze brieven zijn (mede)ondertekend door alle vennoten.



3.16.
Vanaf februari 2025 hebben partijen, en voornamelijk alleen [naam 1] en [naam 6] , een mediation-traject doorlopen. Dit traject heeft niet tot overeenstemming geleid en is in september 2025 geëindigd.



3.17.
Bij e-mail van 29 september 2025 heeft de advocaat van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] [naam 6] c.s. geïnformeerd dat [naam 6] c.s. geen recht meer hebben tot voortzetting van de onderneming en de daaraan verbonden verdelings- en overnamerechten, omdat [naam 6] c.s. niet binnen de in artikel 19.1 van de vof-akte opgenomen termijn hebben verklaard de toedeling, respectievelijk overname van de vennootschapsaandelen van de uittreden vennoten te aanvaarden.



3.18.
Partijen hebben met elkaar onderhandeld over de voortzetting van de vof. Aan de zijde van [naam 1] c.s. waren [persoon I] van Mooiman Accountants (hierna: [persoon I] ) en [persoon J] van Vissers Legal betrokken. Aan de zijde van [naam 6] c.s. waren [persoon K] van Triple Group (hierna: [persoon K] ) en [persoon L] van Cees Advocaten betrokken.



3.19.
Op 4 februari 2026 is per e-mail een concept vaststellingsovereenkomst verzonden door [persoon I] aan [persoon K] . Partijen hebben nadien nog verder onderhandeld over de inhoud van een te sluiten vaststellingsovereenkomst. Uiteindelijk is geen vaststellingsovereenkomst ondertekend.






4Het geschil in de hoofdzaak


4.1.

[naam 1] c.s. vorderen in conventie in de hoofdzaak in de kern – samengevat – de vereffening en verdeling van het vennootschapsvermogen van de vof. Daartoe voeren zij aan dat [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] de vof-akte hebben opgezegd tegen eind 2024. [naam 6] c.s. hebben daarna niet binnen de in de vof-akte opgenomen termijn aan de vier opzeggers kenbaar gemaakt gebruik te willen maken van hun voortzettings- en overnamerecht, zodat zij geen recht meer hebben op voortzetting van het bedrijf en de aan de voortzetting verbonden verdelings- en overnamerechten.



4.2.

[naam 6] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [naam 1] c.s. met veroordeling van [naam 1] c.s. in de kosten van deze procedure. In reconventie vorderen [naam 6] c.s. – samengevat – dat voor recht wordt verklaard dat (i) [naam 1] c.s., waaronder ook [naam 1] moet worden verstaan, de vof-akte op 21 november 2024 rechtsgeldig hebben opgezegd per 1 januari 2025, (ii) [naam 6] c.s. gerechtigd zijn de vof 1 januari 2025 voort te zetten, (iii) partijen overeenstemming hebben bereikt over de toedeling en overname van de vennootschapsaandelen van [naam 1] c.s. en (iv) [naam 1] c.s. te veroordelen tot nakoming van de in een (romp)overeenkomst tussen partijen gemaakte afspraken.

Daartoe voeren [naam 6] c.s. aan dat ook [naam 1] op 21 november 2024 een schriftelijke verklaring tot uittreding heeft ondertekend en laten medeondertekenen. Daarnaast zijn de afspraken over de toedeling en overname van de vennootschapsaandelen tussen partijen al uitgebreid en gedetailleerd op papier gezet in een vaststellingsovereenkomst en zijn partijen het voor het overgrote deel al eens, waardoor er (minimaal) sprake is van een rompovereenkomst. Op grond van art. 3:33 en 3:35 BW mocht [naam 6] c.s.. er gerechtvaardigd op vertrouwen dat daarmee ook definitieve overeenstemming op alle essentiële punten is bereikt.






5Het geschil in het incident


5.1.

[naam 6] c.s. vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [naam 1] c.s. hoofdelijk, doch in ieder geval [naam 1] , bij wege van voorlopige
voorziening, voor de duur van dit geding verbiedt om de vof te vertegenwoordigen of werkzaamheden te verrichten, dan wel om zich op een andere wijze te bemoeien met de exploitatie van de onderneming, met uitsluiting van handelingen die betrekking hebben op de overdracht van zijn werkzaamheden, op straffe van een dwangsom;

II. bepaalt, bij wege van voorlopige voorziening, voor de duur van dit geding, dat

[naam 6] c.s. de vof voorlopig voort mogen zetten en mogen besturen met uitsluiting van [naam 1] c.s., waarbij [naam 1] c.s. wordt veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit incidentele vonnis [naam 6] c.s. toegang te verschaffen tot het kantoor en de administratie van de vof, op straffe van een dwangsom; en

III. [naam 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit incident.


[naam 6] c.s. leggen daaraan ten grondslag wat zij ook in de hoofdzaak hebben aangevoerd.



5.2.

[naam 1] c.s. voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [naam 6] c.s. in hun vorderingen, althans tot afwijzing van hun vorderingen, dan wel slechts tot gedeeltelijke toewijzing, met veroordeling van [naam 6] c.s. in de kosten van het incident. Daartoe voeren [naam 1] c.s. het volgende aan. [naam 1] is nog steeds vennoot. [naam 6] c.s. worden door [naam 1] niet belemmerd in de exploitatie van de vof. De betrokkenheid van [naam 1] heeft niet tot nadelige gevolgen voor de vof geleid. Er is geen (totale) minnelijke regeling tussen partijen tot stand gekomen. Het contact tussen de heren [persoon I] en [persoon K] heeft plaatsgevonden zonder mandaat van partijen. [naam 6] c.s. hebben geen belang bij de vorderingen in het incident.



5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






6De beoordeling in het incident


De rechtbank komt in beginsel toe aan een afweging van de materiële belangen van partijen ingevolge artikel 223 Rv, maar zal in dit vonnis nog geen beslissing nemen



6.1.
Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. De partij die de voorlopige voorziening vordert dient een zodanig belang te hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. Indien dat het geval is dienen in het algemeen vervolgens de belangen van partijen te worden afgewogen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, en van de proceskansen daarin.

In artikel 223 lid 2 Rv is bepaald dat de betreffende vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak. De gevraagde voorziening hangt samen met de hoofdvordering, nu deze een deel van de hoofdvordering in reconventie betreft. Voorts is de vordering gericht op een voor de duur van de procedure te treffen maatregel. Derhalve komt de rechtbank in beginsel toe aan een afweging van de materiële belangen van partijen bij het al dan niet treffen van een dergelijke maatregel.



6.2.
De rechtbank acht het in dit stadium wenselijk om een inhoudelijk tussenvonnis in het incident te wijzen, teneinde partijen inzicht te geven in de voorlopige juridische beoordeling van de zaak in het kader van het incident. In dit tussenvonnis zal echter nog geen beslissing worden genomen op de vorderingen in het incident, zodat niet toe wordt gekomen aan de afweging van de materiële belangen van partijen in het kader van de gevorderde voorlopige voorzieningen.



[naam 1] c.s. hebben de vof-akte opgezegd




6.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] op 21 november 2024 de vof-akte hebben opgezegd tegen eind 2024 door middel van een ondertekende schriftelijke verklaring die zij hebben laten medeondertekenen door alle andere vennoten. Wel is tussen partijen in geschil of ook [naam 1] de vof heeft opgezegd.



6.4.

[naam 6] c.s. stellen dat ook [naam 1] op 21 november 2024 een schriftelijke verklaring heeft ondertekend en laten medeondertekenen door de andere vennoten. Deze schriftelijke ondertekening heeft volgens [naam 6] c.s. plaatsgevonden tijdens een bespreking en in het bijzijn van alle vennoten. Iedere vennoot zou zijn eigen ondertekende opzegging voor administratieve doeleinden vervolgens opsturen naar de boekhouder van de vof. [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] hebbend dit gelijk gedaan. [naam 5] heeft dat later op verzoek alsnog gedaan en [naam 1] heeft dat uiteindelijk niet gedaan. [naam 1] c.s. hebben de stelling dat [naam 1] ook een verklaring heeft ondertekend niet betwist en hebben slechts aangevoerd dat hij nog steeds vennoot is zonder in te gaan op de stelling van [naam 6] c.s.



6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [naam 1] c.s., waaronder [naam 1] , de vof inderdaad opgezegd. Aangezien [naam 1] c.s. de stelling van [naam 6] c.s. niet hebben betwist, gaat de rechtbank ervan uit dat eenieder van hen op 21 november 2024 een opzeggingsverklaring heeft ondertekend. Die verklaringen zijn bij dezelfde gelegenheid door alle medevennoten ondertekend. Nadien heeft alleen [naam 1] zijn ondertekende schriftelijke verklaring niet naar de boekhouder opgestuurd.



6.6.
Het niet toezenden van de verklaring aan de boekhouder is juridisch echter niet van doorslaggevend belang. Dat doet er namelijk niet aan af dat [naam 1] c.s. allen een dergelijke schriftelijke verklaring hebben ondertekend, die is medeondertekend door de andere vennoten. Dat brengt mee dat sprake is van opzeggingen in de zin van artikel 16.2 van de vof-akte. Weliswaar hebben die opzeggingen niet met inachtneming van de in artikel 16.1 genoemde opzegtermijn van ten minste drie maanden plaatsgevonden, maar daarmee hebben kennelijk alle vennoten op 21 november 2024 ingestemd. Hiermee staat vast dat [naam 1] c.s. de vof-akte hebben opgezegd tegen eind 2024.


Door de opzegging worden [naam 1] c.s. geacht uit de vof te zijn getreden




6.7.
Artikel 15.1 onder a van de vof-akte bepaalt dat de vof-akte (ten aanzien van een vennoot) eindigt door opzegging als bedoeld in artikel 16. Artikel 15.2 schrijft voor dat de overeenkomst niet eindigt als zich één van de onder 15.1 genoemde vermelde feiten voordoet en de vof daarna nog uit minimaal twee vennoten bestaat. De laatste zin van artikel 15.2 luidt: “De Vennoot aan wie één van de hiervoor vermelde feiten kan worden toegerekend, wordt geacht uit de vennootschap te zijn getreden.” Op grond van artikel 15.2 worden [naam 1] c.s. daarom geacht uit de vof te zijn getreden. Daarmee komt geen definitief einde aan “de Overeenkomst”. De vof bestond na die opzegging immers nog uit drie vennoten, namelijk [naam 6] c.s.


Na opzegging gold een termijn van zes maanden voor [naam 6] c.s. om schriftelijk te verklaren de toedeling en overname en alle daaruit voortvloeiende verplichtingen te aanvaarden



6.8.
De gevolgen van het uittreden van [naam 1] c.s. zijn geregeld in artikel 19 van de vof-akte. Met verwijzing naar artikel 19.1 van de vof-akte overweegt de rechtbank dat door enkele opzegging de uittredende vennoot de voortzettende vennoot (uiteraard) niet kan dwingen om het aandeel van de uittredende vennoot over te nemen. De voortzettende vennoot heeft op grond van de vof-akte de keuze om de toedeling en overname al dan niet te aanvaarden. Aanvaarding levert immers niet alleen rechten op, maar ook de ingrijpende verplichting om de waarde van het aandeel van de uitgetreden vennoot in geld aan hem/haar uit te keren en tevens om alle schulden en verplichtingen die met het bedrijf van de vof samenhangen over te nemen en voor eigen rekening te nemen en hiervoor de uitgetreden vennoot vrijwaring te verlenen.



6.9.
Tegelijkertijd geldt dat de uittredende vennoot binnen afzienbare termijn duidelijkheid behoort te verkrijgen over de vraag of de voortzettende vennoot de toedeling en overname al dan niet aanvaardt. De uittredende vennoot heeft er immers belang bij om binnen afzienbare termijn de waarde van zijn/haar aandeel in geld uitgekeerd te krijgen en om gevrijwaard te worden ter zake van de schulden en verplichtingen die met de onderneming van de vof samenhangen. Daarom dient de voortzettende vennoot binnen een bepaalde termijn een bindende keuze te maken. Die termijn is in het tweede gedeelte van artikel 19.1 van de vof-akte gesteld op zes maanden nadat de overeenkomst is geëindigd.


6.10.
Als de voortzettende vennoot de toedeling en overname na de termijn van zes maanden nog niet schriftelijk heeft aanvaard, eindigt het recht tot voortzetting van de onderneming van de vof en de daaraan verbonden verdelings- en overnamerechten. Met deze regeling is in de vof-akte een evenwicht tussen de gerechtvaardigde belangen van enerzijds de uittredende en anderzijds de voortzettende vennoten gecreëerd.


Het recht tot voortzetting van de toedeling en overname is geëindigd




6.11.

[naam 1] c.s. hebben de vof-akte opgezegd tegen eind 2024, zodat de termijn van zes maanden voor [naam 6] c.s. is ingegaan op 1 januari 2025. Aangezien [naam 6] c.s. niet binnen de termijn van zes maanden de toedeling en overname hebben aanvaard, is naar het oordeel van de rechtbank het recht tot voortzetting van de onderneming van de vof en de daaraan verbonden verdelings- en overnamerechten geëindigd.



6.12.
De visie van [naam 6] c.s. dat zij niet hoefden aan te geven of zij de vof wilden voortzetten, acht de rechtbank op grond van de tekst en strekking van de vof-akte onjuist. Aan het feit dat de vof nog uit meer dan twee vennoten bestond na de uittreding van [naam 1] c.s. kan niet het rechtsgevolg worden verbonden dat [naam 6] c.s. als voortzettende vennoten worden geacht de toedeling en overname te hebben aanvaard. De stelling van [naam 6] c.s. dat uit de tekst van de opzegging door [naam 1] c.s. al volgt dat de overblijvende vennoten de vof zouden voortzetten en dat dit destijds al is afgesproken, acht de rechtbank ook onjuist. Dat de onderneming feitelijk (voorlopig) werd voortgezet gedurende in ieder geval de termijn van zes maanden, lag in de rede. Anders zou immers (waarschijnlijk) direct kapitaalvernietiging optreden. Bovendien zou dan door [naam 6] c.s. in praktische zin geen gebruik kunnen worden gemaakt van de termijn van zes maanden om zich te bezinnen op de vraag of zij al dan niet wilden overgaan tot aanvaarding.



6.13.
De feitelijke voortzetting van de onderneming direct aansluitend op de opzegging rechtvaardigt niet om aan te nemen dat de overblijvende vennoten daarmee de toedeling en overname al hebben aanvaard. Dit is in lijn met de eigen stellingen van [naam 6] c.s. Bij conclusie van antwoord onder 51 wijzen [naam 6] c.s. er – terecht – op dat het op het moment van de opzegging nog niet duidelijk was wat de waarde was van de vennootschapsaandelen. Zonder wetenschap daarvan en van de financierbaarheid, kon ook volgens [naam 6] c.s. (op dat moment) van hen (nog) niet worden verwacht de toedeling (met alle daaraan verbonden verplichtingen) te moeten aanvaarden.

Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat [naam 6] c.s. binnen de in de vof-akte opgenomen termijn van zes maanden die keuze wel hadden dienen te maken, tenzij partijen daarover alsnog afwijkende afspraken zouden hebben gemaakt. Van dergelijke afwijkende afspraken is niet gebleken. De omstandigheid dat tussen partijen mediation heeft plaatsgevonden maakt het voorgaande niet anders. Mediation stond er niet aan in de weg dat [naam 6] c.s. zich hadden kunnen oriënteren op de waarde van de vennootschapsaandelen en de financierbaarheid ervan. Het was aan [naam 6] c.s. om tijdig te kiezen of zij de aandelen van de uitgetreden vennoten en alle goederen die deel uitmaken van het vennootschapsvermogen toebedeeld wensten te krijgen. Indien zij daarvoor hadden gekozen hadden zij dat schriftelijk kenbaar moeten maken. Dan was daaraan uiteraard (ook) de verplichting verbonden om de waarde van die aandelen in geld uit te keren aan de uitgetreden vennoten en tevens om alle schulden en verplichtingen die met de onderneming van de vof samenhangen over te nemen en voor eigen rekening te nemen en de uitgetreden vennoten hiervoor vrijwaring te verlenen.


Als niet (tijdig) voor voortzetting wordt gekozen, volgt liquidatie/vereffening




6.14.
Het voorgaande brengt in beginsel mee dat nu liquidatie/vereffening in de zin van artikel 18 van de vof-akte dient plaats te vinden. In dit kader bepaalt artikel 18.4 van de vof-akte dat de vereffening dient te zijn afgerond binnen twaalf maanden na beëindiging van de overeenkomst. Ook deze bepaling strekt ertoe te voorkomen dat vennoten gedurende (te) lange tijd in onzekerheid blijven verkeren over de afwikkeling van de vof. Deze termijn is eveneens al verstreken. Dat neemt echter niet weg dat partijen over en weer gehouden blijven zich in te spannen om alsnog op zo kort mogelijke termijn tot een behoorlijke afwikkeling van de vof te komen.


Dat een totale minnelijke regeling tussen partijen tot stand is gekomen, is vooralsnog onvoldoende onderbouwd




6.15.
Naar het oordeel van de rechtbank missen de stellingen van [naam 6] c.s. dat inmiddels een (romp)overeenkomst over de ontvlechting tussen partijen tot stand is gekomen en dat [naam 1] c.s. daar nu aan gebonden zijn, vooralsnog een voldoende onderbouwing.



6.16.

[naam 6] c.s. stellen dat partijen al uitgebreid en gedetailleerd afspraken op papier hebben gezet in de vaststellingsovereenkomst en dat partijen het voor het overgrote deel al eens zijn met elkaar. Daarmee zijn volgens hen de afspraken tussen partijen ook voldoende bepaalbaar en is er (minimaal) sprake van een rompovereenkomst. [naam 6] c.s. stellen met een verwijzing naar art. 3:33 en 3:35 BW dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat daarmee ook definitieve overeenstemming op alle essentiële punten is bereikt.



6.17.

[naam 1] c.s. hebben dat bij conclusie van antwoord in incident betwist en hebben – kort weergegeven – aangevoerd dat er nog geen totale minnelijke regeling tussen partijen tot stand gekomen. Volgens [naam 1] c.s. hebben de heren [persoon I] en [persoon K] (de door [naam 6] c.s. respectievelijk [naam 1] c.s. ingeschakelde adviseurs) weliswaar veel met elkaar gesproken, maar dat was over en weer zonder mandaat van partijen en zonder dat partijen daarmee bekend waren. Er ligt een voorstel namens [naam 6] c.s. waarop [naam 1] c.s. een tegenvoorstel hebben gedaan. Daarbij is aangegeven dat partijen pas overeenstemming hebben als partijen een vaststellingsovereenkomst hebben getekend. Een concreet volledig tegenvoorstel daarop hebben [naam 1] c.s. niet ontvangen.



6.18.
De rechtbank acht het op dit moment niet wenselijk om [naam 6] c.s. in de gelegenheid te stellen om met uitsluiting van [naam 1] c.s. de onderneming nog geruime tijd voort te zetten, zonder dat [naam 1] c.s. de waarde van hun aandelen in geld uitgekeerd te krijgen en zonder dat zij gevrijwaard worden ter zake van de schulden en verplichtingen die met de onderneming van de vof samenhangen. De rechtbank ziet daarvoor geen rechtvaardiging in de rechtsverhouding tussen partijen. Tegelijkertijd is duidelijk dat de bestaande situatie niet kan blijven voortduren. Evident is dat van een vruchtbare samenwerking tussen partijen geen sprake (meer) is.



6.19.
De door partijen gewenste ontvlechting heeft al (te) lang op zich laten wachten. Het komt de rechtbank daarom wenselijk voor dat ontvlechting alsnog zo spoedig mogelijk plaatsvindt. Als partijen daarover niet alsnog overeenstemming kunnen bereiken, ligt het in de rede dat in de hoofdzaak zal moeten worden beslist op de over en weer ingestelde vorderingen, zodat partijen kunnen proberen om op die manier de liquidatie/vereffening te effectueren.


Vervolg van de procedure: er wordt een mondelinge behandeling bepaald in het incident en in de hoofdzaak



6.20.
De rechtbank zal vooralsnog iedere beslissing op de vorderingen in het incident aanhouden. In het incident zal nu eerst een mondelinge behandeling worden bepaald. Die kan worden gebruikt om de rechtbank nadere inlichtingen te verschaffen en om de mogelijkheden van een minnelijke regeling te beproeven.



6.21.
Om de afwikkeling te bespoedigen zal de mondelinge behandeling in het incident worden gecombineerd met de mondelinge behandeling in de hoofdzaak. Met het oog op het bepalen voor een datum voor de mondelinge behandeling dienen beide partijen binnen veertien dagen na 13 mei 2026 door middel van een B5-formulier opgave te doen van de verhinderdata aan hun zijde in de maanden augustus, september, oktober en november 2026. De rechtbank verzoekt partijen om in dit B5-formulier tevens aan te geven met hoeveel personen (dus inclusief advocaten) zij van plan zijn naar de zitting te komen.
De rechtbank wijst partijen erop dat met door hen op te geven verhinderdata slechts rekening kan worden gehouden indien met inachtneming daarvan planning binnen redelijke termijn mogelijk is. De zitting zal op de rechtbank plaatsvinden. Na opgave van de verhinderdata zullen partijen door middel van berichten van de planningsadministratie van de rechtbank nader worden geïnstrueerd met betrekking tot de mondelinge behandeling.



6.22.
De beslissing omtrent de proceskosten zal ook worden aangehouden tot de uitspraak in de hoofdzaak.






7Het verdere verloop van de hoofdzaak

Voor het verdere verloop van de hoofdzaak verwijst de rechtbank naar 6.21. Verder dienen [naam 1] c.s. in de hoofdzaak nog in de gelegenheid te worden gesteld om een conclusie van antwoord in reconventie te nemen. Daarom wordt de hoofdzaak – parallel aan de te bepalen mondelinge behandeling – verwezen naar de rol op een termijn van zes weken voor de door [naam 1] c.s. te nemen conclusie van antwoord in reconventie.





8De beslissing


in de hoofdzaak



8.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [naam 1] c.s.;


in het incident en in de hoofdzaak




8.2.
beveelt een mondelinge behandeling;



8.3.
bepaalt dat beide partijen met het oog op het plannen van de mondelinge behandeling binnen veertien dagen na 13 mei 2026 door middel van een B5-formulier opgave dienen te doen van de verhinderdata aan hun zijde in de maanden augustus, september, oktober en november 2026;



8.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.[3893/1729]
Link naar deze uitspraak