|
|
|
| ECLI:NL:HR:2026:959 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-06-2026 | | Instantie | : | Hoge Raad | | Zaaknummers | : | 23/00291 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Omzetbelasting; art. 1, 2, 4 en 7 Wet omzetbelasting 1968; ondersteuning werkzaamheden van tuchtcolleges advocatuur; ondernemerschap; zelfstandigheid; rechtstreeks verband; verbruik. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | san | | | subsidies | | | wet op de omzetbelasting | | | | Uitspraak | HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00291
Datum 19 juni 2026
ARREST
in de zaak van
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 december 2022, nrs. BK-21/01231 tot en met BK-21/01237, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 20/6882, SGR 20/6883, SGR 20/6884, SGR 20/6887, SGR 20/6888, SGR 20/6890 en SGR 20/6891) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken van het jaar 2019 en over het tijdvak 1 april 2020 tot en met 31 juli 2020, een aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, en een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020.
1Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 mei 2025 geconcludeerd dat middelonderdeel c faalt.Belanghebbende heeft op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft in het beroepschrift in cassatie verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade voor het geval de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, wordt overschreden.De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Op grond van artikel 46 van de Advocatenwet zijn advocaten onderworpen aan tuchtrechtspraak. Deze tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend door onafhankelijke en bij de wet ingestelde tuchtcolleges, te weten in eerste aanleg door de raden van discipline en in hoger beroep, tevens in hoogste ressort, door het hof van discipline (hierna tezamen: de tuchtcolleges).
2.2
Belanghebbende, een stichting, is op 2 juni 2015 opgericht met als doel i) het bieden van kwalitatief goede, onafhankelijke, uniforme en moderne ondersteuning van de werkzaamheden van de tuchtcolleges in de uitoefening van de aan hen opgedragen tuchtrechtspraak, ii) het beheer en de distributie van de door de Nederlandse orde van advocaten (hierna: de NOvA) beschikbaar gestelde financiële middelen ten behoeve van het functioneren van de tuchtrechtspraak voor advocaten, en iii) het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Haar bestuur bestaat uit een voorzitter, een bestuurder die is afgevaardigd door de NOvA, en een bestuurder die is afgevaardigd door de tuchtcolleges.
2.3
Belanghebbende is belast met de organisatie en de coördinatie van de tuchtrechtspraak voor advocaten. Zij zorgt ervoor dat altijd personeel beschikbaar is ter ondersteuning van de tuchtcolleges. In dat kader werft zij griffiers, administratief medewerkers en, zo nodig, overig personeel zoals managers. Griffiers van de tuchtcolleges worden op grond van artikel 46b, lid 16, respectievelijk artikel 51, lid 3, van de Advocatenwet aangewezen (tot 1 januari 2020: “benoemd”) en ontslagen door het desbetreffende tuchtcollege. De griffiers zijn in loondienst bij belanghebbende. Verder zorgt belanghebbende ervoor dat voor de tuchtcolleges en het personeel zittingszalen en werkplekken beschikbaar zijn. Zij verzorgt de catering tijdens de zittingen en organiseert de beveiliging. Verder stelt belanghebbende de begroting van de tuchtcolleges op en draagt zij zorg voor het inhoudelijk jaarverslag. Zij beheert de websites van de tuchtcolleges. Zij publiceert de uitspraken van de tuchtcolleges en doet de persvoorlichting. Ook beheert belanghebbende diverse (kennis)systemen voor de tuchtcolleges.
2.4
Tot 1 januari 2018 werden de kosten die samenhangen met de uitoefening van de tuchtrechtspraak voor advocaten geheel gedragen door de Staat. Sinds die datum geldt de Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen. Volgens de memorie van toelichting bij deze wet is de ratio voor de doorbelasting van de kosten van tuchtrechtspraak voor de in die wet bedoelde beroepsgroepen tweeledig. Ten eerste hebben de beroepsbeoefenaars zelf primair voordeel van de tuchtrechtspraak. Ten tweede zorgt doorbelasting voor een financiële prikkel om te zorgen voor een efficiënte inrichting van de kwaliteits- en integriteitsbewaking binnen de beroepsgroep. Sinds 1 januari 2018 is dan ook de NOvA op grond van de Advocatenwet verplicht de kosten van de tuchtrechtspraak voor haar rekening te nemen.
2.5
Belanghebbende ontvangt met ingang van 1 januari 2018 jaarlijks een kostendekkende financiële bijdrage van de NOvA. De hoogte van deze bijdrage is gebaseerd op een jaarlijkse begroting van belanghebbende, waarbij een eventueel overschot wordt verrekend met de bijdrage voor het volgende jaar. Tot die begroting behoren, naast de personele kosten, onder meer (kosten)posten voor de zaalhuur voor zittingen, huur van werkplekken van de tuchtcolleges, abonnementen op vakbladen, de organisatie van de jaarvergadering en projecten die strekken tot het verbeteren van de organisatie van de tuchtrechtspraak, met inbegrip van digitalisering.Belanghebbende brengt de tuchtcolleges voor de hiervoor in 2.3 vermelde activiteiten geen vergoeding in rekening.
2.6
Bij brief van 13 maart 2018 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2019 aangifteplichtig is voor de omzetbelasting en dat zij omzetbelasting is verschuldigd over de bijdrage die zij ontvangt van de NOvA.
2.7
Belanghebbende heeft de hiervoor in 2.6 bedoelde aanwijzingen van de Inspecteur opgevolgd en heeft over de bijdrage van de NOvA omzetbelasting op aangifte voldaan. Zij heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte van omzetbelasting over het eerste tot en met vierde kwartaal van 2019, tegen een teruggaafbeschikking omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2020 en tegen de voldoening van omzetbelasting op aangifte over het tweede kwartaal van 2020. Ook heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2020. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur die bezwaren afgewezen.
3De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende diensten verricht die belast zijn met omzetbelasting.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in het economische verkeer diensten onder bezwarende titel verricht jegens de tuchtcolleges en dat de hiervoor in 2.5 bedoelde, van de NOvA ontvangen bijdrage de vergoeding als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) voor deze diensten vormt. Aan dat oordeel heeft het Hof het volgende ten grondslag gelegd.
3.3
Het oordeel dat belanghebbende jegens de tuchtcolleges diensten onder bezwarende titel verricht, heeft het Hof erop gebaseerd dat de tuchtcolleges de directe begunstigden van de door belanghebbende verrichte diensten zijn en daarom – als aanwijsbare verbruikers – moeten worden aangemerkt als de afnemer van de door belanghebbende verrichte diensten. Belanghebbende stelt het benodigde personeel en middelen ter beschikking aan elk van de tuchtcolleges zodat zij de in de Advocatenwet vermelde tuchtrechtrechtspraak (op efficiënte wijze) kunnen uitoefenen. De jaarlijkse bijdrage die belanghebbende ontvangt van de NOvA, vormt de financiële tegenprestatie voor deze door belanghebbende verrichte diensten, waarmee zij op grond van haar statuten is belast.Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de hoogte van de aan belanghebbende verstrekte (kostendekkende) bijdrage is gebaseerd op de jaarlijkse begroting van belanghebbende, bestaande uit posten die noodzakelijk zijn om voormelde ondersteunende diensten te kunnen verrichten aan de tuchtcolleges. Deze begroting is gebaseerd op een schatting van het aantal zaken dat de tuchtcolleges verwachten te zullen behandelen. Dit betekent dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de door belanghebbende aan de tuchtcolleges verrichte diensten en de door belanghebbende ontvangen bijdrage van de NOvA. Aan dit rechtstreekse verband doet volgens het Hof niet af of belanghebbende al dan niet een (civielrechtelijke) overeenkomst heeft gesloten met de tuchtcolleges op grond waarvan zij verplicht is om de (ondersteunende) diensten aan de tuchtcolleges te verrichten.
3.4
Het Hof heeft aan de hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen mede ten grondslag gelegd dat belanghebbende in feite permanent ter beschikking staat om, waar nodig, diensten te verrichten ten behoeve van de tuchtcolleges. In dat geval is het voor het vaststellen van een rechtstreeks verband tussen de door belanghebbende verrichte diensten aan de tuchtcolleges en de door belanghebbende ontvangen bijdrage van de NOvA niet noodzakelijk dat wordt aangetoond dat een betaling betrekking heeft op geïndividualiseerde handelingen van de griffiers. De diensten van belanghebbende zijn derhalve verricht onder bezwarende titel, aldus het Hof.
3.5
Het Hof heeft verder geoordeeld dat belanghebbende voor de heffing van omzetbelasting niet geacht kan worden een eigen kring te vormen met de tuchtcolleges en dat zij ook niet kan worden vereenzelvigd met de tuchtcolleges. Uit de gedingstukken en hetgeen belanghebbende ter zitting van het Hof heeft toegelicht, volgt naar het oordeel van het Hof dat belanghebbende onafhankelijk van de tuchtcolleges optreedt. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat belanghebbende bij de uitvoering van haar ondersteunende taken voor de tuchtcolleges in eigen naam contracten afsluit met leveranciers en daarbij zelf onderhandelt over de contractvoorwaarden en dat zij haar eigen werknemers in dienst heeft om de ondersteunende werkzaamheden te kunnen verrichten voor de tuchtcolleges. Hoewel de bij belanghebbende werkzame griffiers formeel worden aangewezen en ontslagen door de tuchtcolleges, is belanghebbende degene die met hen in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid een arbeidsovereenkomst aangaat. Verder heeft het Hof aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat belanghebbende en de tuchtcolleges ieder een eigen begroting voeren ten behoeve van de aan hen opgedragen werkzaamheden en dat belanghebbende aan de hand van haar begroting rechtstreeks een financiële bijdrage ontvangt van de NOvA. De begroting van de tuchtcolleges, die in de regel alleen betrekking heeft op de inzet van leden van de rechterlijke macht ten behoeve van de tuchtrechtspraak, wordt ingediend bij het ministerie van Justitie dat vervolgens de begroting vaststelt en een declaratie voor de inzet van de rechterlijke macht indient bij de NOvA. Het Hof heeft bij dit een en ander in aanmerking genomen dat aangezien belanghebbende ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de tuchtcolleges verricht, belanghebbende en de tuchtcolleges een intensieve overlegstructuur hebben.
3.6
Ook heeft het Hof de stelling van belanghebbende verworpen dat haar diensten niet in het economische verkeer worden verricht vanwege het feit dat het belanghebbende op grond van haar statuten niet vrij staat haar diensten aan anderen aan te bieden. Naar het oordeel van het Hof kunnen (en worden) de (specialistische) ondersteunende diensten die belanghebbende verricht, ook door andere partijen aangeboden op een algemene markt. Dat het belanghebbende op grond van haar statuten niet vrij staat haar diensten aan anderen aan te bieden zodat de tuchtcolleges de enige afnemers zijn, leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Daarvoor acht het Hof redengevend dat de activiteit van belanghebbende duurzaam van aard is en plaatsvindt tegen vergoeding.
4Beoordeling van het middel
4.1
Het middel richt zich tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende diensten onder bezwarende titel in het economische verkeer verricht zodat die diensten zijn belast met omzetbelasting.
4.2
Middelonderdeel a is gericht tegen de hiervoor in 3.5 weergegeven oordelen van het Hof dat belanghebbende handelt voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid, en zodoende onafhankelijk van de tuchtcolleges optreedt, zodat zij niet met de tuchtcolleges een eigen kring vormt, noch met de tuchtcolleges kan worden vereenzelvigd. Volgens het middelonderdeel ontberen de vaststellingen dat belanghebbende voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid handelt, onder meer wat betreft het aangaan van arbeidsovereenkomsten, feitelijke grondslag. Het middelonderdeel klaagt verder erover dat het Hof met deze oordelen niet dan wel niet voldoende heeft gerespondeerd op de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde stelling dat, gelet op het bijzondere wettelijk gereguleerde karakter van de tuchtrechtspraak en in verband daarmee de bijzondere positie van belanghebbende, belanghebbende organisatorisch verweven is met de tuchtcolleges en wat betreft de wijze van uitoefening van taken volledig afhankelijk is van de tuchtcolleges, zodat zij in wezen deel uitmaakt van de tuchtcolleges en bij gebrek aan zelfstandigheid geen diensten onder bezwarende titel verricht. De juistheid van deze laatstvermelde stelling vergt volgens het middelonderdeel een ander toetsingskader dan het Hof bij de beoordeling van de begrippen eigen kring en vereenzelviging heeft gehanteerd.
4.3.1
Voor zover het middelonderdeel erover klaagt dat het Hof niet voldoende heeft gerespondeerd op de stelling van belanghebbende dat zij voor de heffing van omzetbelasting haar activiteiten niet zelfstandig uitoefent, wordt het terecht voorgesteld. Dit kan echter niet tot cassatie leiden.
4.3.2
Het in artikel 7, lid 1, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 9, lid 1, van BTW-richtlijn 2006 bedoelde vereiste van zelfstandigheid in de uitoefening van economische activiteiten moet ruim worden uitgelegd. Om te beoordelen of een persoon zelfstandig handelt in de uitoefening van een economisch activiteit, is van belang dat die persoon activiteiten in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid verricht en dat hij het aan die activiteiten verbonden bedrijfsrisico draagt. Daarbij kan het nuttig zijn om rekening te houden met eventuele bepalingen van nationaal recht om vast te stellen of is voldaan aan de criteria op grond waarvan kan worden aangenomen dat een economische activiteit zelfstandig wordt uitgeoefend.
4.3.3
Anders dan middelonderdeel a stelt, kunnen de hiervoor in 3.5 weergegeven vaststellingen het oordeel van het Hof dragen dat belanghebbende haar werkzaamheden voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid verricht. Het Hof heeft daarmee niet miskend wat in en krachtens artikel 60 van de Advocatenwet is geregeld over de wijze waarop leden van de tuchtcolleges worden bezoldigd, noch dat de tuchtcolleges op grond van artikel 46b, lid 16, respectievelijk artikel 51, lid 3, van de Advocatenwet elk hun griffier aanwijzen en deze ontslaan, noch dat de bij belanghebbende in dienst zijnde griffiers volgens artikel 46ba, lid 1, en artikel 57, lid 2, van de Advocatenwet voor de inhoud van hun werk verantwoording zijn verschuldigd aan de tuchtcolleges. Deze bepalingen beogen blijkens de wetsgeschiedenis de onafhankelijkheid van de tuchtrechters en de griffiers in de uitoefening van hun taak te verzekeren. Die wettelijke bepalingen brengen niet mee dat belanghebbende, een rechtspersoon, ondergeschikt is aan de tuchtcolleges en dat daarombij belanghebbende zelfstandigheid in de uitoefening van de economische activiteit is uitgesloten. Ook het feit dat tussen belanghebbende en (leden van) de tuchtcolleges intensief overleg plaatsvindt om ervoor te zorgen dat de tuchtcolleges en griffiers hun wettelijke taken in het kader van de tuchtrechtspraak naar behoren kunnen uitoefenen, impliceert niet het door het middelonderdeel verdedigde ontbreken van zelfstandigheid in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet. Het bestaan van een dergelijke overlegstructuur wijst er juist op dat belanghebbende over organisatorische vrijheid met betrekking tot de menselijke en materiële middelen beschikt bij het faciliteren en ondersteunen van de tuchtcolleges bij de uitoefening van hun wettelijke taak.
4.3.4
Eveneens anders dan middelonderdeel a betoogt, kan uit de hiervoor vermelde wettelijke bepalingen ook niet worden afgeleid dat belanghebbende, een rechtspersoon, geen enkel aan haar activiteiten verbonden bedrijfsrisico draagt. Dat belanghebbende een subsidie ter financiering van door haar te verrichten werkzaamheden van de NOvA ontvangt, betekent niet dat de NOvA rechtens de aan de werkzaamheden verbonden bedrijfsrisico’s van belanghebbende draagt.
4.3.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.3 en 4.3.4 is overwogen, kan niet met succes worden betoogd dat belanghebbende vanwege specifieke juridische regelgeving zodanig verweven is met de tuchtcolleges dat zij niet zelfstandig handelt in de uitoefening van een economische activiteit.
4.4.1
Middelonderdeel b is gericht tegen het hiervoor in 3.6 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende haar diensten in het economische verkeer verricht. Volgens het middelonderdeel heeft het Hof met dit oordeel miskend wat de vereisten zijn voor deelname aan het economische verkeer waaronder wordt begrepen het aanbieden van handelingen onder bezwarende titel op een algemene markt. Voor de gespecialiseerde diensten die belanghebbende aanbiedt aan de tuchtcolleges, namelijk het uitvoeren van griffierswerkzaamheden die in de Advocatenwet zijn omschreven, bestaat geen algemene markt, aldus het middelonderdeel. Gelet op het bepaalde in de statuten van belanghebbende kunnen haar diensten niet op een algemene markt worden aangeboden, en gelet op wat in de Advocatenwet en in en krachtens de Verordening op de advocatuur is bepaald, mogen en kunnen deze diensten niet door een andere partij dan belanghebbende jegens de tuchtcolleges worden verricht. In dit kader wijst middelonderdeel b naar hetgeen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 2016, Gemeente Borsele, C-520/14, ECLI:EU:C:2016:334, is overwogen wat betreft het beoordelen van optreden op een algemene markt.
4.4.2
Leveringen en diensten zijn aan de heffing van omzetbelasting onderworpen wanneer zij onder bezwarende titel worden verricht en deel uitmaken van een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, eerste alinea, van BTW-richtlijn 2006, waarvoor de betrokkene wordt beschouwd als belastingplichtige en dus ook als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet. De economische activiteit is in artikel 9, lid 1, tweede alinea, van BTW-richtlijn 2006 omschreven als alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter en omvat alle stadia van de productie, de distributie en de dienstverrichting.Het begrip economische activiteit is een objectief begrip in die zin dat de activiteit op zichzelf wordt beschouwd, onafhankelijk van het oogmerk of het resultaat ervan. Een activiteit moet als ‘economisch’ worden aangemerkt, indien deze duurzaam wordt verricht en degene die de activiteit uitoefent een vergoeding ontvangt. Gelet op de moeilijkheid het begrip economische activiteit nauwkeurig te definiëren, moeten alle omstandigheden waaronder die activiteit plaatsvindt, worden onderzocht, waarbij per geval een beoordeling daarvan wordt verricht tegen de achtergrond van hetgeen de typische gedraging zou zijn van een ondernemer die op het betrokken gebied actief is.
4.4.3
Het Hof heeft zijn oordeel dat belanghebbende haar diensten verricht in het economische verkeer doen steunen op de oordelen i) dat de (specialistische) ondersteunende diensten die belanghebbende verricht, ook door andere partijen worden aangeboden op een algemene markt, en ii) dat de omstandigheid dat de tuchtcolleges de enige afnemers zijn van belanghebbende omdat het haar, op grond van haar statuten, niet vrij staat om haar diensten aan te bieden aan een willekeurige andere partij, niet leidt tot een ander oordeel.
4.4.4
Het betoog van middelonderdeel b neemt tot uitgangspunt dat belanghebbende is belast met het uitvoeren van griffierswerkzaamheden die in de Advocatenwet zijn omschreven. Kennelijk moet dat volgens het middelonderdeel als leidend worden beschouwd voor de beoordeling of belanghebbende diensten verricht in het economische verkeer. Daarmee gaat het middelonderdeel eraan voorbij dat de diensten die belanghebbende aanbiedt, méér omvatten dan die specifieke dienstverlening. Belanghebbende is belast met de organisatie en de coördinatie van de tuchtrechtspraak voor advocaten. Die taak omvat de hiervoor in 2.2 en 2.3 weergegeven diensten. Uitgaande van die diensten tezamen heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende zich met haar dienstverlening – waarvoor de bijdrage van de NOvA wordt verstrekt – op een algemene markt begeeft en dat die diensten ook door andere partijen kunnen (en worden) aangeboden op een algemene markt. In dit oordeel ligt besloten het oordeel van het Hof dat het zorg dragen voor het nakomen van de in de Advocatenwet neergelegde voorschriften met betrekking tot de griffiers weliswaar een relevant onderdeel van de taakstelling van belanghebbende is, maar dat die zorgverplichting niet typerend is voor de dienstverlening van belanghebbende. Met inachtneming van het voorgaande, geven de hiervoor in 3.6 en 4.4.3 weergegeven oordelen van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip algemene markt. Dat dienstverleners slechts één afnemer hebben, omwille van naleving van wettelijke voorschriften of uit vrije wil, sluit optreden op een algemene markt niet uit. Die oordelen kunnen verder, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook middelonderdeel b faalt derhalve.
4.5.1
Middelonderdeel c voert aan dat tussen de door belanghebbende verrichte diensten en de door belanghebbende van de NOvA ontvangen bijdrage niet een rechtstreeks verband bestaat dan wel dat niet kan worden gesproken van verbruik in de zin van het communautaire stelsel van omzetbelasting zoals omschreven in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Volgens middelonderdeel c heeft het Hof miskend dat belanghebbende haar werkzaamheden verricht in het algemeen belang, namelijk het belang van de rechtsstaat, rechtzoekenden en de maatschappij, die gebaat zijn met efficiënte en kwalitatief goede tuchtrechtspraak voor de gehele advocatuur. De door belanghebbende van de NOvA ontvangen bijdrage moet daarom worden beschouwd als een subsidie die voor de heffing van omzetbelasting onbelast is, aangezien deze subsidie niet in rechtstreeks verband staat met de door belanghebbende verrichte diensten.
4.5.2
Voor zover middelonderdeel c betoogt dat het Hof met zijn hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen heeft miskend dat belanghebbende handelt in het algemeen belang, waardoor voor de heffing van omzetbelasting geen sprake is van verbruik en dus ook niet van dienstverlening, stelt de Hoge Raad voorop dat het aanmerken van een handeling als een dienst in de zin van artikel 1, aanhef en letter a, van de Wet veronderstelt dat die handeling een identificeerbaar, concreet voordeel oplevert voor een identificeerbare verbruiker.
4.5.3
In de oordelen van het Hof dat belanghebbende het ondersteunen van de tuchtcolleges als doelstelling heeft, dat haar activiteiten volledig daarop zijn gericht en dat de tuchtcolleges de directe begunstigden zijn van de door belanghebbende verrichte handelingen als hiervoor in 2.3 en 2.4 bedoeld, liggen besloten de oordelen dat de handelingen van belanghebbende voor de (leden van de) tuchtcolleges identificeerbare, concrete voordelen – en daarmee verbruik – opleveren en dat die handelingen daarom diensten in de zin van artikel 1, aanhef en letter a, van de Wet zijn. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.5.2 is overwogen, geven die oordelen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij kunnen als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middelonderdeel c faalt in zoverre.
4.5.4
Middelonderdeel c faalt ook voor zover het, onder verwijzing naar de punten 13 tot en met 16 van het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 1988, Apple and Pear Development Council, 102/86, ECLI:EU:C:1988:120 (hierna: het arrest Apple and Pear), aanvoert dat het Hof heeft miskend dat belanghebbende handelt in het algemeen belang, waardoor geen rechtstreeks verband kan bestaan tussen de door belanghebbende verrichte diensten en de bijdragen van de NOvA.
4.5.5
In een geval als het onderhavige waarin drie partijen betrokken zijn bij het verrichten van een dienst in de zin van artikel 1, aanhef en letter a, van de Wet, te weten degene die de dienst verricht, de direct begunstigde van de dienst en de partij die betaalt, is voor de beoordeling of een dienst onder bezwarende titel wordt verricht, niet ter zake dienend of de desbetreffende individualiseerbare dienst bestaat uit het verrichten van bij wet opgedragen en/of bij wet geregelde taken. Anders dan middelonderdeel c betoogt, is dat niet anders wanneer met laatstbedoelde dienstverlening het algemeen belang van de burger en de maatschappij wordt gediend. De opvatting van het middelonderdeel dat in een dergelijk geval de dienstverlening buiten de werkingssfeer van de omzetbelasting moet vallen, vindt geen steun in het recht, ook niet in het arrest Apple and Pear. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie over de bezwarende titel volgt, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, dat indien vaststaat dat individualiseerbare diensten tegen vergoeding worden verricht naar de behoefte van de begunstigde daarvan, het niet van belang is of de diensten eigen activiteiten van de dienstverrichter zijn of voortvloeien uit diens eigen doelstelling. Middelonderdeel c voor het overige faalt daarom ook.
4.6
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 16 maart 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade voor het geval de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, wordt overschreden.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 27 januari 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment waarop de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert een overschrijding op van de redelijke termijn van meer dan 12 maanden, maar minder dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
6Proceskosten
6.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
6.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
6.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
ECLI:NL:GHDHA:2022:2700.
ECLI:NL:PHR:2025:627.
Wet van 7 december 2016, houdende wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen), Stb. 2016, 500.
Gerecht (prejudiciële kamer) 25 februari 2026, Digipolis Antwerpen AG en District09 AG, T-575/24, ECLI:EU:T:2026:156, punten 58 tot en met 65.
Kamerstukken I 2016/17, 34 145, E, blz. 2 en blz. 7.
Zie HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:131, rechtsoverweging 3.2.1 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HvJ 30 maart 2023, Gmina O., C-612/21, ECLI:EU:C:2023:279, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HvJ 29 februari 1996, Jürgen Mohr, C-215/94, ECLI:EU:C:1996:72, punt 22, en HvJ 18 december 1997, Landboden-Agrardienste GmbH & Co., C-384/95, ECLI:EU:C:1997:627, punt 23.
Vgl. HvJ 29 oktober 2009, Commissie/Finland, C-246/08, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HvJ 11 maart 2020, San Domenico Vetraria SpA, C-94/19, ECLI:EU:C:2020:193, punt 21, en HvJ 13 mei 2026, Stellantis Portugal, C-603/24, ECLI:EU:C:2026:404, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|