|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:16629 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.27395 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Visumzaak. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de visumaanvraag van eiseres mogen afwijzen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | | Uitspraak | uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.27395
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. E. Walraven).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de visumaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.1. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, meneer [referent] (zoon van eiseres, tevens referent) via een digitale verbinding en de gemachtigde van de minister. Tevens was aanwezig namens de minister:
mr. R.P.G. van Bel.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1963 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op
6 mei 2024 heeft zij verzocht om afgifte van een visum kort verblijf voor familiebezoek bij
haar zoon [referent] , die tevens referent is in deze procedure. Hij woont in Nederland en heeft sinds 14 juli 2020 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres volgens hem het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. De minister verwijst hiervoor naar de nareisprocedure die eiseres en haar echtgenoot hebben doorlopen, nadat haar zoon een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen in Nederland. Uit die nareisprocedure volgt dat getwijfeld kan worden aan het daadwerkelijke doel van het beoogde verblijf van eiseres. Verder bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat niet is gebleken van (voldoende) economische en sociale binding met Pakistan. De minister heeft het bezwaar afgewezen als kennelijk ongegrond.
Beoordelingskader
5. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijvoorbeeld het arrest Koushkaki)1 beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. De rechter kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen. Uit het arrest Koushkaki volgt dat de verplichting van de autoriteiten van de lidstaten tot het afgeven van een visum veronderstelt dat er geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren. Bij de beoordeling of die twijfel bestaat dienen de autoriteiten rekening te houden met enerzijds de algemene situatie in het land van de aanvrager en anderzijds zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, eventuele eerdere (il)legale verblijven in de lidstaten en de banden met het land waarin hij woont en in de lidstaten. Het is aan de visumaanvrager om informatie te verstrekken die de twijfel kan wegnemen.
Het beroep van eiseres
6. Voordat de rechtbank ingaat op de beroepsgronden van eiseres, merkt zij op dat eiseres op 8 januari 2026, enkele minuten voor aanvang van de zitting, nog een aanvullend stuk heeft overgelegd, te weten een brief van 1 oktober 2025 van de gemeente [gemeente] met betrekking tot een voorgenomen huwelijk van referent op [datum huwelijk] 2026. Gezien de te late indiening hiervan zal de rechtbank, zoals tijdens de zitting is meegedeeld, dit stuk vanwege strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling betrekken. Daar komt bij dat (de inhoud van) dit stuk niet bekend was ten tijde van het bestreden besluit en gelet op de ex tunc-toetsing geen rol kan spelen bij de beoordeling.
Doel en omstandigheden van het beoogde verblijf en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren
7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte aanneemt dat sprake is van vestigingsgevaar. Ze stelt dat het reisdoel duidelijk is. Ze wil namelijk haar zoon komen bezoeken in Nederland. Aan de relatie tussen hen wordt niet getwijfeld, dus is volgens haar daarmee het reisdoel aangetoond. Dat eiseres in het verleden de intentie had om (samen met
1ECLI:EU:C:2013:862.
haar echtgenoot) langdurig in Nederland te verblijven, kan haar niet levenslang worden tegengeworpen. Ze heeft met haar echtgenoot een goedlopend agrarisch bedrijf en hebben de afgelopen jaren geen problemen meer ondervonden wegens hun geloof. Daarom reist haar echtgenoot ook niet meer mee.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister heeft mogen twijfelen aan het voornemen van eiseres om na afloop van de visumtermijn terug te keren naar Pakistan. Ook heeft hij voldoende gemotiveerd dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij hier voor een kort familiebezoek zal blijven. Het volgende is daarvoor van belang.
8.1.
Niet in geschil is dat eiseres vanaf 22 december 2020 in een nareisprocedure zit. In die procedure heeft de rechtbank inmiddels drie uitspraken gedaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd bevestigd dat de procedure op dit moment nog steeds loopt, omdat eiseres hoger beroep heeft ingesteld tegen de laatste uitspraak van de rechtbank.2 In die uitspraak is het beroep tegen de afwijzing van de mvv voor nareis asiel (opnieuw) ongegrond verklaard. Vaststaat ook dat eiseres tijdens deze nareisprocedure onderhavige visumaanvraag heeft ingediend, namelijk op 6 mei 2024. Dat eiseres stelt dat ze vroeger de intentie had om (samen met haar echtgenoot) langdurig in Nederland te verblijven maar nu niet meer, volgt de rechtbank gezien het karakter van de nareisprocedure niet. Met een mvv-nareis wordt immers langdurig verblijf in Nederland beoogd. In theorie kan iemand, zoals de gemachtigde van eiseres heeft betoogd, ook tijdens een lopende mvv-nareisprocedure beogen om na een kortdurend verblijf weer terug te keren naar haar land van herkomst. De minister hoefde aan die mogelijkheid in dit geval echter geen doorslaggevende betekenis te hechten. Hij heeft bij zijn beoordeling ook mogen betrekken dat referent in Nederland een asielvergunning heeft gekregen mede vanwege het feit dat hij het [naam] geloof aanhangt. Tijdens het asielgehoor van 2 november 2020 heeft referent verklaard dat ook eiseres en haar echtgenoot het [naam] geloof aanhangen en dat het voor hen niet veilig was. De minister heeft vervolgens gewezen op het algemeen ambtsbericht van Pakistan van juli 2024 waaruit blijkt dat de situatie voor aanhangers van het [naam] geloof verslechterd is.3 Gelet hierop heeft de minister mogen vinden dat de stelling van eiseres dat zij geen problemen meer heeft ondervonden, niet zonder meer aannemelijk is en twijfel over tijdige terugkeer versterkt. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en de lopende nareisprocedure heeft de minister ernstig mogen twijfelen aan het opgegeven verblijfsdoel van eiseres en aan haar voornemen om Nederland tijdig te verlaten. De stelling dat de echtgenoot van eiseres niet meereist en zij een goedlopend agrarisch bedrijf hebben leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat, zoals de minister terecht opmerkt, uit de stukken die betrekking hebben op dat bedrijf niet blijkt dat sprake is van een substantieel en regelmatig inkomen dat voorkomt uit werkzaamheden waarvoor eiseres lijfelijk in Pakistan moet zijn.
9. Reeds op grond van het voorgaande heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiseres niet aan de voorwaarden voor visumverlening voldoet. De rechtbank zal daarom de overige beroepsgronden van eiseres die betrekking hebben op haar sociale en economische binding met Pakistan niet bespreken.
2ECLI:NL:RBDHA:2025:4713.
3 Algemeen ambtsbericht van Pakistan van juli 2024, pagina 67.
Artikel 8 van het EVRM
10. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat de minister een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) had moeten maken. Zij wijst erop dat referent, als erkend vluchteling in Nederland, niet terug kan naar Pakistan. Daardoor is volgens haar sprake van een belemmering van uitoefening van het gezinsleven, mede gezien de omstandigheid dat de minister eiseres geen visum wil verlenen. Daar heeft de minister geen rekening mee gehouden, wat volgens haar wel had gemoeten.
10. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet kan slagen. De minister heeft ter zitting terecht opgemerkt dat een visum voor kort verblijf in beginsel niet de geëigende weg is om het uitoefenen van gezinsleven als bedoeld in 8 van het EVRM mogelijk te maken. Het doel van een dergelijk visum is een kort en geen langdurig verblijf. Bij een beroep over een weigering van een visum voor kort verblijf ligt de vraag of de weigeringsgronden in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode mochten worden tegengeworpen en niet of sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.
Horen
12. Eiseres is verder van mening dat de minister haar hoorplicht heeft geschonden, omdat er nog veel onduidelijkheden voor de minister bestonden.
13. De rechtbank oordeelt dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. De Afdeling heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord.4 De minister mag alleen van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.5 Aan eiseres is in bezwaar de gelegenheid geboden om haar visumaanvraag nader te onderbouwen. Daarvoor heeft de minister aan eiseres een ‘Vragenlijst visumaanvraag’ toegezonden. Deze vragenlijst bevat een toelichting over welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Op grond van wat namens eiseres in bezwaar is aangevoerd en overgelegd over haar verblijfsdoel en haar tijdige terugkeer, was het meteen duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
4ECLI:NL:RVS:2021:2564.
5 ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 februari 2026
Mr. O. Veldman M.M. Tank
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, op grond van artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|