Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:4433 
 
Datum uitspraak:19-06-2026
Datum gepubliceerd:19-06-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:26/1611
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening over de omgevingsvergunning voor het vestigen van een tijdelijk AZC aan de Boekelsedijk in Uden. Op 8 september 2026 behandelt de meervoudige kamer van deze rechtbank alle beroepen tegen deze omgevingsvergunning. De zitting van de rechtbank vindt plaats voordat het AZC in gebruik wordt genomen. In verband hiermee beperkt de voorzieningenrechter zich tot een belangenafweging. De bouwwerkzaamheden zijn al wel gestart en leiden tot bouwverkeer. De overlast die verzoekers daarvan ondervinden weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het belang van het COA om de bouw van het AZC voor 1 oktober a.s. te kunnen afronden.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
gewassen
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/1611
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen



[verzoekers]
, uit [woonplaats] en [woonplaats] , verzoekers,
(gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer)

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maashorst, het college
(gemachtigden: mr. F.A.J. Steenbakkers en mr. L.J. Gerritsen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Centraal Orgaan opvang asielzoekers, uit
's-Gravenhage (het COA), (gemachtigden: mr. L.A. van Els en [naam] ).

en

de raad van de gemeente Maashorst.



Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan het COA verleende omgevingsvergunning voor het vestigen van een tijdelijk AZC op het perceel Boekelsedijk in Uden. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. Op 8 september 2026 zal de meervoudige kamer van deze rechtbank de omgevingsvergunning in zijn geheel bespreken. De rechtbank zal in die zitting ook andere beroepen die tegen de omgevingsvergunning zijn ingesteld behandelen. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten voor het stilleggen van de bouw van het AZC en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen van een voorlopige voorziening, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af.


1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter betrokken dat de rechtbank het beroep van verzoekers behandelt voordat het AZC op 1 oktober in gebruik zal worden genomen. De bouwwerkzaamheden zijn al wel gestart en leiden tot bouwverkeer. De overlast die verzoekers daarvan ondervinden weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het belang van het COA om de bouw van het AZC voor 1 oktober a.s. te kunnen afronden. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit. Het COA mag de bouw van het AZC dus voortzetten.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.




Procesverloop

2. Het college heeft met het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een tijdelijk AZC voor een periode van maximaal tien jaar aan de Boekelsedijk in Uden (de omgevingsvergunning). Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/880. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.


2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Verzoekers [naam] , [naam] en [naam] , [naam] (uit de klankbordgroep) en de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van het COA.




Beoordeling door de voorzieningenrechter


De feiten

3. Op 31 oktober 2025, aangevuld op 6 november 2025 is door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) een aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijk AZC voor de periode van maximaal 10 jaar op het perceel kadastraal bekend gemeente Uden, Sectie I, nummers 3553 en 308 (ged) en Sectie P, nummer 736 (ged), plaatselijk bekend als Boekelsedijk Uden (hierna: perceel). Bij besluit van 10 februari 2026 heeft het college de omgevingsvergunning voor een periode van maximaal 10 jaar onder voorschriften verleend voor de activiteit: Bouwen (omgevingsplan) en Afwijken van regels in het omgevingsplan (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

3.1
Het perceel waar het AZC wordt gerealiseerd heeft op grond van het bestemmingsplan “Woongebieden” als onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Maashorst de bestemming ‘Agrarisch’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – champignonkwekerij’. Het tijdelijk AZC is in strijd met het omgevingsplan. Er is daarom een omgevingsvergunning aangevraagd voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Die omgevingsvergunning is op 10 februari 2026 verleend.



3.2.
Op 10 april 2026 is een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit verleend.


3.3.
Tegen de op 10 februari 2026 verleende omgevingsvergunning is door verzoekers beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft geen betrekking op de omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit van 10 april 2026.


Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.



4.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekers op dit moment geen spoedeisend belang hebben bij het voorkomen van de ingebruikname van het AZC op 1 oktober 2026. Het beroep van verzoekers wordt op 8 september 2026 behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank. Dat betekent dat de rechtbank de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning kan beoordelen voordat het AZC in gebruik zal worden genomen.



4.2.
De omgevingsvergunning maakt ook de bouw van het AZC mogelijk. De bouwwerkzaamheden zijn in volle gang. Verzoekers stellen dat de bouw gepaard gaat met feitelijke gevolgen zoals (geluid)overlast, verkeersonveiligheid en veranderend uitzicht. Zij verzoeken om de omgevingsvergunning te schorsen. Daarmee willen ze bereiken dat de bouwactiviteiten worden stilgelegd tot de rechtmatigheid van het bestreden besluit inhoudelijk is beoordeeld. Verzoekers stellen daarbij dat het bouwen van het AZC in beginsel onomkeerbaar is.



4.3.
Omdat de bouw van het AZC is begonnen en naar verwachting pas in september 2026 gereed is ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

De belangenafweging

5. De voorzieningenrechter weegt de belangen van de betrokken partijen en treft al dan niet op basis van deze belangen een voorlopige voorziening. Onderdeel van die belangenafweging kán een inschatting over de rechtmatigheid van het besluit zijn, maar dit is niet noodzakelijk. Tegen de omgevingsvergunning van 10 februari 2026 zijn meerdere beroepen ingesteld. Die beroepen worden op 8 september 2026 behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank. De voorlopige voorzieningprocedure is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet geschikt om voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het om een omvangrijke zaak gaat waaraan meer tijd en aandacht moet worden besteed dan mogelijk is in de voorlopige voorzieningprocedure, dat er meerdere beroepen tegen de omgevingsvergunning zijn ingesteld waarvan de voorzieningenrechter geen kennis heeft genomen en dat alle beroepen tegen de omgevingsvergunning nog voor de ingebruikname van het AZC door een meervoudige kamer van de rechtbank zullen worden behandeld. De voorzieningenrechter beperkt zich in deze zaak daarom tot een belangenafweging waarbij zij de belangen die met het stilleggen van de bouw zijn gediend afweegt tegen de belangen bij voortzetting van de bouw.
6. De afstand tussen de woningen van verzoekers en de bouwlocatie is dusdanig dat de meeste verzoekers geen zicht hebben op de bouwlocatie. Aannemelijk is gemaakt dat vanuit de slaapkamer van de woning op het adres [adres] zicht is op de bovenste bouwlaag van het AZC. Het belang van behoud van uitzicht speelt dus bij bijna alle verzoekers geen rol en dit is ter zitting ook erkend. Het verlies van enig uitzicht vanuit de slaapkamer van de woning aan de [adres] is niet van zodanige betekenis dat het de stillegging van de bouwwerkzaamheden zou kunnen rechtvaardigen.
7. Verzoekers hebben aangevoerd dat het aspect verkeersveiligheid tijdens de bouw voor hen een grote rol speelt. Verzoekers hebben melding gemaakt van twee incidenten waarbij bouwverkeer is betrokken. Verder hebben zij er op gewezen dat het bouwverkeer ’s-avonds wordt geparkeerd bij de ingang van de sportvelden en daar voor een onoverzichtelijke en gevaarlijk situatie zorgt.



7.1.
Het college heeft daartegen aangevoerd dat het aspect verkeersveiligheid is beoordeeld en opgenomen in de omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit van 10 april 2026. In die vergunning is de verkeersveiligheid met voorschriften gewaarborgd. Die vergunning ligt echter niet ter toetsing voor in deze procedure.



7.2.
Het COA heeft ten aanzien van dit punt opgemerkt dat voorafgaande aan de bouw brieven zijn verstuurd met contactgegevens waar incidenten gemeld kunnen worden. Daarmee wordt gewaarborgd dat de voorschriften met betrekking tot de bouwwerkzaamheden worden nageleefd. Dat draagt bij aan een verkeerveilige situatie tijdens de bouw.



7.3.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers hebben aangevoerd met betrekking tot de verkeersveiligheid geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen of de bouwwerkzaamheden stil te laten leggen. Verzoekers hebben incidenten genoemd die betrekking hebben op de verkeers(on)veiligheid van de fietsers in relatie tot het bouwverkeer. Het college heeft onweersproken gesteld dat de omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit van 10 april 2026 voorschriften bevat met het oog op de (verkeers)veiligheid van personen in de omgeving van het bouwterrein. De omgevingsvergunning van 10 april 2026 is hier echter niet aan de orde. Verzoekers hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij bezwaar hebben gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit, maar dat zij niet om een voorlopige voorziening tegen die omgevingsvergunning hebben gevraagd. De omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit maakt dan ook geen deel uit van deze procedure. In deze procedure kan dan ook niet aan de orde komen of de maatregelen die in de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit zijn opgenomen voldoende zijn om de veiligheid van verkeersdeelnemers in de omgeving van het bouwterrein te waarborgen. 7.4. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat het vanzelfsprekend van groot belang is dat de gemeente de geldende veiligheidsvoorschriften handhaaft. Het college heeft tijdens de zitting ook bevestigd het belang daarvan in te zien. Verder is tijdens de zitting gebleken dat de omwonenden die aanwezig waren geen brief van het COA hebben ontvangen met contactgegevens waar incidenten gemeld kunnen worden. Het COA heeft toegezegd de brief alsnog aan de betrokken omwonenden te zullen toezenden. 7.5. De voorzieningenrechter heeft er niet aan voorbijgezien dat verzoekers ook zorgen hebben over de verkeersveiligheid na de ingebruikname van het AZC. De ingebruikname is echter gepland op 1 oktober 2026. Dat is nadat de rechtbank het beroep van verzoekers op de zitting van 8 september a.s. heeft behandeld. De zorgen van verzoekers over de verkeersveiligheid na de ingebruikname van het AZC, kunnen dan worden beoordeeld en leiden dan ook niet tot schorsing van het bestreden besluit.
8. De door verzoekers gestelde onomkeerbaarheid van de bouw leidt in dit geval niet tot toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekers hebben er voor gekozen om het verzoek om een voorlopige voorziening niet meteen na verlenen van de omgevingsvergunning van 10 februari 2026 in te dienen. Zij hebben het verzoek pas op 3 juni 2026 ingediend. Zij hebben dus niet geprobeerd om het bouwen te voorkomen. Ten tijde van de indiening van het verzoek was de bouw in volle gang. Op dit moment zijn al twee van de acht woongebouwen, het kantoorgebouw en het voorzieningengebouw gerealiseerd. Het COA heeft er bewust voor gekozen om de gebouwen te realiseren voordat de omgevingsvergunning onherroepelijk is. De voorzieningenrechter merkt met nadruk op dat het COA daarmee ook het risico heeft genomen dat de beroepsprocedures tegen de omgevingsvergunning kunnen slagen en de rechtbank de omgevingsvergunning kan vernietigen.
9. Het belang van het COA en het college is ermee gediend om de bouw te kunnen voortzetten. Het COA wil voldoende opvangplaatsen voor asielzoekers hebben. Het is een feit van algemene bekendheid dat er in Nederland een groot te kort is aan opvangplekken voor asielzoekers. In de gemeente Maashorst is op dit moment een tijdelijke opvang in het Van der Valk hotel, die per 1 oktober 2026 wordt beëindigd. Op die datum eindigt de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning voor die tijdelijke opvang en eindigt ook het huurcontract. Het COA wil de asielzoekers die nu nog in het Van der Valk hotel worden opgevangen per 1 oktober a.s. verplaatsen naar de opvang aan de Boekelsedijk. Als de bouwwerkzaamheden niet kunnen worden voortgezet, kan de bouw van het AZC niet tijdig worden afgerond. De asielzoekers die in het hotel verblijven kunnen dan niet tijdig in het AZC worden gehuisvest. Volgens het COA en het college kunnen de asielzoekers niet langer in het hotel verblijven en is er geen andere oplossing voor hun huisvesting beschikbaar. Het COA en het college hebben er dus een zwaarwegend belang bij voortzetting van de bouw van het AZC.
10. Na afweging van alle betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.




Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de bouwwerkzaamheden mogen worden voortgezet. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.

















griffier


De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.





Bijlage: Wettelijk kader


Omgevingswet

Artikel 5.1, eerste lid, onder a (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
g
Artikel 5.1, tweede lid, onder a (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. een bouwactiviteit,

Artikel 5.21 (beoordelingsregels aanvraag omgevingsplanactiviteit)
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels, b. de omgevingsvergunning kan worden verleend als sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, en (...)


Bestemmingsplan



3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een agrarisch bedrijf, waarbij het bedrijf zich uitsluitend mag richten het voortbrengen van producten door het telen van gewassen;
(…).


Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL)

Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen), tweede lid
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 12.27a. (lijdelijke beoordelingsregel buitenplanse omgevingsplanactiviteit)
Bij de toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, is in ieder geval sprake van een evenwichtige
toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Link naar deze uitspraak