Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:3021 
 
Datum uitspraak:29-04-2026
Datum gepubliceerd:22-06-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:UTR 25/5689
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Verweerder heeft in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning voor het innemen van een ligplaats door een gesloten vaartuig op de locatie Kromme Mijdrecht kunnen weigeren. Daarbij heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het innemen van een ligplaats door het vaartuig in dit geval leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden. Het beroep op het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Trefwoorden:agrarisch
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: J.H.P. Kusters),

en



Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Apeloo, en J. Teunissen).




Inleiding

Eiseres woont aan [adres 1] in [plaats] (het perceel) en is eigenaar van het vaartuig ‘ [naam] ’ (het vaartuig). Zij wenst het vaartuig op het eigen erf af te meren aan een bestaande steiger in de rivier de Kromme Mijdrecht. Op 21 mei 2024 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het innemen van een ligplaats door het vaartuig op de locatie Kromme Mijdrecht ter hoogte van het perceel. Het gesloten vaartuig is 7,40 meter lang en 2,40 meter breed. De hoogte van het vaartuig boven de waterspiegel is 1,90 meter.

Met het besluit van 16 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.

Eiseres is het niet eens met deze weigering en heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is de geweigerde omgevingsvergunning in stand gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres was daarbij aanwezig samen met haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Het toetsingskader

1. De locatie ligt binnen het ‘Gebied ligplaatsen’ van de Omgevingsverordening provincie Utrecht (de Omgevingsverordening). Voor het ‘Gebied ligplaatsen’ zijn regels gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden (LNCA-waarden).

2. Op grond van artikel 2.36 van de Omgevingsverordening is het verboden een voorwerp, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden.

3. Op grond van artikel 2.37, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening is het in het ‘Gebied ligplaatsen’ verboden zonder omgevingsvergunning een vaartuig, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van artikel 2.36a. In dit artikel is een aantal gevallen vrijgesteld van de vergunningplicht.

4. Op grond van artikel 2.29a van de Omgevingsverordening wordt een omgevingsvergunning voor een activiteit met een woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven of aanlegplaats in het ‘Gebied ligplaatsen’ alleen verleend voor zover de LNCA-waarden niet onaanvaardbaar worden geschaad.



Het geschil

5. Tussen partijen is niet in geschil dat het vaartuig niet onder de in de Omgevingsverordening genoemde vrijstellingsbepaling valt. Ook is niet in geschil dat voor het vaartuig daarom een omgevingsvergunning nodig is. In geschil is of verweerder de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren, omdat met het innemen van een ligplaats door het vaartuig op het perceel de landschappelijke waarden en de cultuurhistorische waarden onaanvaardbaar worden aangetast. Volgens verweerder is dat het geval en bestaat er daarom geen ruimte meer voor een afweging van andere belangen.

6. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de weigering van de omgevingsvergunning in stand kan blijven.



Beoordeling door de rechtbank


Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel


7. Eiseres stelt dat zij in haar zienswijze met de getoonde kaarten en legenda heeft aangetoond dat er geen sprake is van bijzondere landschappelijke waarden op de betreffende locatie. Daarbij stelt eiseres dat de motivering in het bestreden besluit op meerdere fronten tekort schiet. De stellingen van verweerder in het bestreden besluit over de LNCA-waarden zijn volgens eiseres te abstract en generiek geformuleerd en worden niet geconcretiseerd voor de specifieke locatie. De motivering reikt volgens eiseres niet verder dan dat er sprake is van een visuele onderbreking van de oever zonder dat hierbij wordt ingegaan op welk gevolg de onderbreking heeft. Daarbij weegt volgens eiseres mee dat verweerder gehouden is aan een verzwaarde motiveringsplicht, omdat er is afgeweken van het advies van de onafhankelijke bezwaarschriftencommissie. In het beroepschrift heeft eiseres verder gewezen op de discrepantie tussen de abstracte motivering van verweerder in het bestreden besluit en de concrete feiten van de situatie ter plaatse. Kort gezegd, komt het erop neer dat het feitelijke beeld van de locatie volgens eiseres in schril contrast staat met de idyllische, maar incorrecte voorstelling van zaken die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag legt. Daarbij voert eiseres aan dat de concrete situatie ter plaatse niet deugdelijk zou zijn onderzocht en meegewogen. Eiseres wijst op het stelselmatig negeren van de door haar in bezwaarfase aangedragen informatie over het verstedelijkte karakter van de omgeving, de aanwezige bebouwing, het intensieve recreatieve gebruik en de daadwerkelijke visuele impact. Gelet hierop is het bestreden besluit volgens eiseres in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

8. De rechtbank stelt voorop dat uit de artikelen 2.37, aanhef en onder a, en 2.29a van de Omgevingsverordening volgt dat in het ‘Gebied ligplaatsen’ een omgevingsvergunning voor het innemen van een ligplaats door een vaartuig alleen kan worden verleend als er geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de LNCA-waarden. Bij het beantwoorden van de vraag of de LNCA-waarden onaanvaardbaar worden aangetast komt verweerder beoordelingsruimte toe. Voor de invulling aan die beoordelingsruimte heeft verweerder aangesloten bij wat provinciale staten daarover in de toelichting op artikel 2.37, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening hebben opgenomen. In die toelichting staat dat voor het bij een erf afmeren van een open vaartuig van een maximale lengte van 7 meter de grens vormt van wat landschappelijk aanvaardbaar is. Voor een gesloten vaartuig of vaartuig langer dan 7 meter wordt een omgevingsvergunning in beginsel alleen verleend voor zover het vaartuig is ingeschreven in het Register Varend Erfgoed Nederland of als er op de desbetreffende locatie geen sprake is van de aanwezigheid van landschappelijke waarden.

9. Vanwege deze beoordelingsruimte die aan verweerder is gegeven, mag de rechtbank het bestreden besluit alleen terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in deze zaak geen eigen oordeel geeft over de vraag of een omgevingsvergunning voor het innemen van een ligplaats door het vaartuig wel of niet moet worden verleend. De rechtbank beoordeelt in deze zaak alleen of verweerder het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd en de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Daarbij moet de rechtbank de invulling die in de toelichting op artikel 2.37, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening is gegeven aan de beoordeling van een onaanvaardbare aantasting van de LNCA-waarden tot uitgangspunt nemen.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat het vaartuig niet is ingeschreven in het Register Varend Erfgoed Nederland. Het gaat dus om de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de LNCA-waarden, omdat op de betreffende locatie landschappelijke waarden aanwezig zijn. Daarbij heeft verweerder in het bestreden besluit de landschappelijke waarden alsook de cultuurhistorische waarden van het gebied beschreven. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder verwezen naar de adviezen van de landschapsdeskundige en van de deskundige op het gebied van cultuurhistorie.

11. Zo is in de adviezen beschreven dat de gewenste ligplaats voor het vaartuig in het Groene Hart is gelegen, in het deelgebied ‘Rivierlint’. Dit deelgebied bestaat uit een smal meanderend lint rond een kleine rivier, wegen, erven en beplanting aan weerszijden. Het lint ligt verhoogd in het omliggende open weidelandschap, met grastaluds op de overgang. Het deelgebied kenmerkt zich door een open karakter. De betreffende locatie is onderdeel van het cultuurhistorische lint langs de Kromme Mijdrecht en ligt binnen een dicht boerderijlint in het buitengebied. De boerderijen liggen gescheiden van de rivier door de weg. De beide oevers worden zelfstandig van elkaar bekeken. Het boerderijlint is minder dicht dan aan de oostzijde. Aan de smalle weg op de dijk staat een handvol oorspronkelijke boerderijen. De betreffende locatie heeft geen grotere verstedelijking aan deze zijde van de rivier en is conform een (agrarisch) erfensemble passend in de structuur van de lintbebouwing. De rivier is de basis van de strokenverkaveling van het aanliggende veenweidegebied. Deze ontginningsas is een belangrijk landschappelijk hoofstructuur. Dit deel van de Kromme Mijdrecht is de veenweidestrook zeer smal geworden door het ontstaan van de droogmakerijen aan weerszijden. Hierdoor is het van belang om de ontginningstructuur met rivier, begeleidende lintbebouwing en opstrekkend verkavelde weilanden in stand te houden. Een boot aanleggen hoort bij het gebruik van een rivier. Echter de hoogte hiervan is beperkt doordat dan de doorgaande lijn van de rivieroever als ontginningsas leesbaar en zichtbaar blijft. Dit is voor alle rivierlinten in dit deel van het Groene Hart van toepassing.

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft onderbouwd dat op de betreffende locatie landschappelijke waarden aanwezig zijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder op grond van vaste rechtspraak mag afgaan op het advies van een deskundige, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Eiseres heeft geen tegenadvies van een deskundige overgelegd. Wat eiseres in dit verband heeft aangevoerd en nader aangevuld in de brief van 13 maart 2026, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de adviezen, de begrijpelijkheid en de getrokken conclusie. De rechtbank betrekt hierbij dat de landschapsdeskundige in het tweede advies naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 19 augustus 2025 heeft toegelicht dat het betreffende perceel van de twee-onder-één-kapper op de locatie past in het patroon van het cultuurhistorische ontginningslint langs de Kromme Mijdrecht. Zo ligt het betreffende perceel in een prachtig karakteristiek lint in de resterende verkavelingsstructuur van de veenontginning tussen twee droogmakerijen in. De locatie is niet uniek of afwijkend. De ontginningslinten langs de rivierlinten worden in het hele Utrechtse Groene Hart op gelijke manier beschermd om deze leefbaar en beleefbaar te houden vanaf het water en de weg. Verweerder heeft daarom de adviezen van de deskundigen aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

13. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het innemen van een ligplaats door het vaartuig in dit geval leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het advies van de bezwaarschriftencommissie niet wordt opgevolgd. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit toegelicht dat de bezwaarschriftencommissie alleen heeft getoetst aan artikel 2.28 van de Omgevingsverordening, terwijl voor de vraag of er sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de LNCA-waarden de toelichting op artikel 2.37, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening bepalend is. Gezien die toelichting is volgens verweerder in de Omgevingsverordening de afweging gemaakt dat een vaartuig van 7 meter lengte in beginsel de grens is voor wat nog als niet onaanvaardbare aantasting van de LNCA-waarden kan worden beschouwd. Elk vaartuig langer dan 7 meter vormt in beginsel een aantasting van de LNCA-waarden. Gelet op deze beperkte beoordelingsruimte, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht waarom de specifieke situatie ter plaatse niet leidt tot een andere afweging dan die verweerder heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder gesteld dat in dit geval de occupatie van de rivier en haar oever moet worden beperkt om de landschappelijke waarden te behouden. De visuele onderbreking van deze oever, die met het (permanent) afmeren van het vaartuig gepaard gaat, is volgens verweerder een aantasting van de beleving van de rivier. De afweging heeft dus betrekking op de visuele verstoring van het vaartuig als element in het landschap en het effect op de openheid van het landschap. Ook bezien vanaf de dijk wordt volgens verweerder door de hoogte van het vaartuig het zicht op de rivier ontnomen. Dat het vaartuig inpasbaar zou zijn in de omgeving, doet volgens verweerder niets af aan de visuele verstoring op de landschappelijke structuren zoals de rivier en oever. Het gaat daarbij volgens verweerder niet alleen om de aantasting van individuele gevallen, maar alle aantastingen tezamen die tot een grote aantasting en verrommeling van het landelijk gebied leiden en waardoor een ongewenst precedent ontstaat. De rechtbank kan zich hierin vinden.

14. De beroepsgronden van eiseres dat er sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek slagen niet.


Het evenredigheidsbeginsel


15. Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat haar belangen onevenredig worden geschaad. Daarbij voert eiseres aan dat de geweigerde omgevingsvergunning voor dit ene bescheiden vaartuig op de specifieke, reeds ruimtelijk verstoorde locatie geen geschikt middel is om het abstracte doel van bescherming van LNCA-waarden in het Groene Hart te bereiken. Verder was de weigering volgens eiseres niet noodzakelijk, omdat verweerder heeft nagelaten minder ingrijpende alternatieven te overwegen die door eiseres zijn aangedragen zoals een vergunning voor enkel het recreatievaartseizoen, een vergunning onder voorwaarden (over onderhoud) of een tijdelijke vergunning. Met name in het kader van evenwichtigheid, stelt eiseres dat haar belangen ten opzichte van het algemeen belang van verweerder zwaarwegend zijn. Zij wijst daarbij op het volgende. De daadwerkelijke aantasting is minimaal en acceptabel, zonder schade aan beschermde natuurwaarden of monumenten, en het vaartuig belemmert het zicht op de oever niet. Het belang van verweerder wordt onvoldoende in overeenstemming gebracht met andere beleidsstukken van de provincie, zoals de Omgevingsvisie en het Omgevingswetprogramma Recreatie en Toerisme, waarin recreatie en toerisme juist worden aangemoedigd. De aanwezigheid van de rivier beperkt het recreatief gebruik voor eiseres, wat haar leefgenot en de gebruiksmogelijkheden van haar woning en oever direct aantast. Het verplaatsen van het vaartuig zou hoge kosten en tijdsinvesteringen met zich meebrengen, en een gedwongen verkoop zou leiden tot kapitaalvernietiging. Bovendien zou het toestaan van de ligplaats onnodige vaar- en autobewegingen voorkomen, druk op schaarse jachthavenplaatsen verlichten en wordt het vaartuig ook gebruikt in het kader van het beroep van eiseres met jongere cliënten.


16. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat artikel 2.37, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening (in samenhang met artikel 2.29a van de Omgevingsverordening) in haar specifieke geval niet mag worden toegepast wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit artikel bepaalt dwingend wanneer in het ‘Gebied ligplaatsen’ een omgevingsvergunning voor het innemen van een ligplaats wordt verleend. Het gaat dus om een zogenaamde gebonden bevoegdheid die berust op een algemeen verbindend voorschrift (avv). Een avv kan worden getoetst aan ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Uit de zogeheten Harderwijk-uitspraak volgt dat in dit kader de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het besluit een rol kunnen spelen. Gelet op de beroepsgronden van eiseres, zal de rechtbank hierna op deze aspecten ingaan.

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat het weigeren van de omgevingsvergunning als niet is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de Omgevingsverordening zowel geschikt als noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken, namelijk de bescherming van de LNCA-waarden in het ‘Gebied ligplaatsen’. Verweerder heeft verwezen naar de toelichting op artikel 2.28 van de Omgevingsverordening, waaruit volgt dat bij het verloren gaan van de LNCA-waarden het vooral gaat om kleinschalige vormen van aantasting. Door het groter aantal en hogere frequentie levert dat een sluipend, maar daarom niet minder bedreigend proces op. Zeker als het gaat om vele kleine onomkeerbare aantastingen. Het standpunt van eiseres dat de locatie al ruimtelijk verstoord zou zijn, doet volgens verweerder niet af aan zijn plicht om te toetsen of de aanwezige LNCA-waarden onaanvaardbaar worden aangetast. Verder heeft verweerder erop gewezen dat de door eiseres aangedragen alternatieven zijn onderzocht, maar dat die alternatieven alsnog een overtreding van artikel 2.37, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening vormen. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het weigeren van de omgevingsvergunning in dit geval verder gaat dan nodig is. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een minder ingrijpend middel dan het weigeren van de omgevingsvergunning. In wat eiseres hiertegen heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dan ook geen reden voor het oordeel dat de weigering van de omgevingsvergunning niet geschikt en noodzakelijk is.

18. Het gaat eiseres vooral om de evenwichtigheid van het bestreden besluit en daarmee om de vraag of het weigeren van de omgevingsvergunning in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend en onevenredig is voor eiseres. De rechtbank is echter van oordeel dat de door eiseres gestelde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat van haar niet verlangd kan worden dat zij aan de voorwaarden voor vergunningverlening voldoet. De rechtbank ziet weliswaar in dat de weigering van de omgevingsvergunning negatieve gevolgen heeft voor eiseres, maar niet aannemelijk is geworden dat die gevolgen zodanig zijn dat verweerder niet in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Daarbij betrekt de rechtbank de toelichting van verweerder dat het doel dat eiseres met haar aanvraag wil bereiken, namelijk het vervoeren van personen, ook te bereiken is met een kleiner vaartuig dat wel binnen de Omgevingsverordening past. Dat geldt volgens verweerder ook voor meerdere door eiseres aangedragen belangen, zoals het recreatief gebruik van de Kromme Mijdrecht. Verder kan eiseres volgens verweerder met het huidige vaartuig een andere ligplaats innemen, waarbij de locatie wel kan worden gebruikt om personen en goederen in- en uit te laden. Daarnaast heeft verweerder eiseres gewezen op de mogelijkheid om de aanlegplaats als bedrijfshaven te bestemmen in het omgevingsplan als vaartochten nodig zijn voor de uitvoering van een bedrijf. In dit verband heeft verweerder ook mogen meewegen dat precedentwerking moet worden voorkomen en dat eiseres deze situatie zelf heeft gecreëerd door zonder vergunning ligplaats in te nemen en daarmee het risico heeft genomen dat hiervoor uiteindelijk geen omgevingsvergunning zou worden verleend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit evenwichtig is.

19. Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.


Het gelijkheidsbeginsel


20. Tot slot voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat op nabijgelegen openbare ligplaatsen wel (veel grotere) vaartuigen worden toegestaan zoals voor de locatie aan [adres 2] . Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar een groot aantal foto’s die zij in haar aanvraag en in andere documenten heeft bijgevoegd waarop volgens eiseres een goed beeld wordt geschetst van de directe omgeving met ook verwijzingen naar de LNCA-waarden.

21. De rechtbank is van oordeel dat de weigering van de omgevingsvergunning niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door eiseres beschreven gevallen niet vergelijkbaar zijn met de situatie van eiseres. Verweerder heeft toegelicht dat de tijdelijke ligplaatsen zijn gelegen bij een ophaalbrug waar vaartuigen moeten wachten tot de ophaalbrug is geopend voor het vaarverkeer. Eiseres heeft dit betwist, maar dit laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat de situatie van eiseres niet te vergelijken is met het tijdelijk mogen aanmeren op daarvoor bestemde tijdelijke aanlegplaatsen. In het geval van [adres 2] heeft verweerder toegelicht dat de locatie van de ligplaats van deze boot voor een deel is gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’ en dus een ander gebied dan waar het vaartuig van eiseres ligt. Volgens eiseres ligt deze boot wel degelijk in het ‘Gebied ligplaatsen’, omdat de oever niet recht is maar golvend waardoor op sommige plaatsen een situatie ontstaat waarbij het stedelijk gebied deels ook op het water van de rivier ligt. Verweerder heeft echter gewezen op de toelichting op artikel 2.29 van de Omgevingsverordening waaruit volgt dat de oever leidend is voor het bepalen of een vaartuig zich bevindt binnen het ‘Gebied ligplaatsen’. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van gelijke gevallen, omdat de regelgeving voor het ‘Gebied ligplaatsen’ anders is. Daarnaast heeft verweerder op de zitting toegelicht dat de situatie aan [adres 2] ook anders is, omdat daar een grindfabriek nabij ligt waardoor geen landschappelijke waarden meer in dat gebied aanwezig zijn.

22. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.



Conclusie en gevolgen

23. De conclusie is dat verweerder in redelijkheid heeft vastgesteld dat de LNCA-waarden onaanvaardbaar worden aangetast door het innemen van een ligplaats door het vaartuig op de betreffende locatie. Verweerder heeft daarom in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.













griffier


rechter






De griffier is verhinderd


deze uitspraak te ondertekenen.


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie artikel 2.28 in samenhang met artikel 2.29 van de Omgevingsverordening.


Weergegeven in tabel 2 op pagina 5 en 6 van het beroepschrift van 1 oktober 2025.


De zogeheten rechtstreekse toetsing.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Link naar deze uitspraak