Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:5250 
 
Datum uitspraak:15-06-2026
Datum gepubliceerd:23-06-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/2275
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Last onder dwangsom voor het aan- en afrijden met vrachtwagens op een perceel en het uitvoeren van andere milieubelastende activiteiten, zoals het wassen van vrachtwagens.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
stallen
woon-werkverkeer
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2275

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: de heer en mevrouw [belanghebbenden] uit [woonplaats] , belanghebbenden (gemachtigde: [gemachtigde 3] ).


Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een door het college aan verzoekers opgelegde last onder dwangsom voor het aan- en afrijden met vrachtwagens op het perceel [adres 1] in [woonplaats] in de avond- en nachtperiode (tussen 19:00 uur en 7:00 uur) en het uitvoeren van andere milieubelastende activiteiten op het perceel, zoals het wassen van vrachtwagens.


1.1.
Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.



1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het college bevoegd om handhavend op te treden en heeft het college dat in redelijkheid op deze wijze kunnen doen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop

2. Verzoekers wonen op het perceel aan de [adres 1] in [woonplaats] , gemeente Hulst (het perceel). Het betreft een voormalig agrarisch bedrijf en op het perceel staan een woning en een loods.


2.1.
Op 27 juni 2023 is het wijzigingsplan ‘ [adres 1] ’ vastgesteld. Met dit bestemmingsplan is de voormalige agrarische bestemming van het perceel omgezet naar een woonbestemming. Met de uitspraak van 28 februari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een deel van het bestemmingsplan vernietigd, namelijk voor zover binnen het plangebied maximaal twee vrachtwagens en vier aanhangers voor woon-werkverkeer zijn toegestaan.



2.2.
Naar aanleiding van een verzoek om handhaving werd er op 7 mei 2024 een last onder dwangsom aan verzoekers opgelegd. Het rijden en het parkeren van vrachtwagens en aanhangers op het perceel werd door het college in strijd met de bestemming “Wonen” geacht.



2.3.
Op 18 december 2024 hebben verzoekers bij het college een verzoek ingediend om alsnog medewerking te verlenen aan het rijden, parkeren en stallen van vrachtwagens binnen de woonbestemming. Daartoe is het akoestisch onderzoek ‘GRO-toets aspect geluid [adres 1] te [woonplaats] ’ van 7 december 2023 ingediend. Dat is getoetst door de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (RUD Zeeland).



2.4.
Op 7 augustus 2025 heeft het college besloten om in principe medewerking te verlenen aan het parkeren van vrachtwagens binnen de woonbestemming in de dagperiode tussen 07.00 uur en 19.00 uur. Het onderhouden, repareren en reinigen van de vrachtwagens op deze locatie is niet toegestaan.



2.5.
Op 12 september 2025 hebben belanghebbenden, die wonen op het perceel [adres 2] in [woonplaats] , een verzoek om handhaving ingediend. Zij vinden dat er op het perceel structureel activiteiten plaatsvinden die niet verenigbaar zijn met de geldende woonbestemming. Het betreft volgens hen het dagelijks parkeren en rijden van vrachtwagens en aanhangers. Belanghebbenden hebben geconstateerd dat deze activiteiten nog steeds plaatsvinden, ondanks de gedeeltelijke vernietiging van het wijzigingsplan dat dit gebruik mogelijk maakte.



2.6.
Op 17 september 2025 hebben toezichthouders van de gemeente geconstateerd dat er na 19.00 uur met een vrachtwagen op de oprit werd gereden en dat deze werd geparkeerd op het perceel. Op 25 september 2025 zijn verzoekers aangeschreven om dit niet meer te doen, omdat verzoekers dan in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) handelen. Dit geldt ook voor het onderhoud, de reparatie en de reiniging van vrachtwagens op het perceel.



2.7.
Daarna heeft de gemeente meerdere meldingen en foto’s ontvangen van het af- en aanrijden met vrachtwagens op het perceel na 19.00 uur. Verzoekers hebben geen medewerking willen verlenen aan controles door de gemeente.



2.8.
Bij brief van 19 december 2025 heeft het college aan verzoekers meegedeeld dat het voornemens is een last onder dwangsom op te leggen, vanwege het handelen in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.



2.9.
Verzoekers hebben een zienswijze ingediend.



2.10.
Met het besluit van 31 maart 2026 (bestreden besluit) heeft het college, onder weerlegging van de zienswijze, een last onder dwangsom opgelegd aan verzoekers.
De last strekt ertoe dat verzoekers per direct:
- niet meer aan- en afrijden met vrachtwagens op het perceel in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 uur en 7.00 uur) en
- geen andere milieubelastende activiteiten meer uitvoeren op het perceel, zoals het wassen van vrachtwagens.
De dwangsom bedraagt € 25.000,- ineens voor het aan- en afrijden van vrachtwagens en € 2.000,- voor het uitvoeren van andere milieubelastende activiteiten zoals het wassen van vrachtwagens, met een maximum van € 8.000,-.



2.11.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft toegezegd in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter geen controles uit te voeren op het perceel.



2.12.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hierbij was verzoekster [verzoekster] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Zij hebben [persoon 1] meegebracht naar de zitting. Namens het college waren aanwezig de gemachtigde, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] . Zij hebben meegebracht naar de zitting [persoon 2] en [persoon 3] , beiden werkzaam bij de RUD Zeeland. Ook belanghebbenden en hun gemachtigde waren aanwezig.




Beoordeling door de voorzieningenrechter


Spoedeisend belang


3. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


3.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekers hebben aangegeven dat hen geen begunstigingstermijn is gegeven en dat zij niet per direct kunnen beschikken over alternatieve parkeergelegenheid voor hun vrachtwagens. Zij riskeren dus op korte termijn hoge dwangsommen te verbeuren.


Wettelijk kader


4. De gemeenteraad van de gemeente Hulst stelt – op grond van de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet – voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



4.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het omgevingsplan van de gemeente Hulst op het moment van deze uitspraak onder andere bestaat uit ‘een tijdelijk deel’. Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door:

1. De kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op het perceel van toepassing was: het wijzigingsplan ‘ [adres 1] ’;

2. De omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat), die zijn opgenomen in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.



4.2.
Gelet op het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat in het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan het perceel de functies ‘Wonen’ en ‘Waarde-Archeologie 3’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen -voormalig agrarisch bedrijf’ zijn gegeven.



4.3.
In artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow staat dat een omgevingsvergunning is vereist voor een omgevingsplanactiviteit. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij de Ow gedefinieerd als:


een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,


een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of


een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.





4.4.
In artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Ow staat dat een omgevingsvergunning is vereist voor een milieubelastende activiteit. Een milieubelastende activiteit wordt in de bijlage bij de Ow gedefinieerd als: een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.

5. Het college is alleen bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom, wanneer sprake is van een overtreding. De bevoegdheid van het college om handhavend op te treden tegen het uitvoeren van een activiteit zonder daarvoor benodigde omgevingsvergunning volgt uit artikel 18.2, tweede lid, van de Ow in samenhang met artikel 5.8 van de Ow.


Wat vindt het college?




5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat uit het akoestisch onderzoek van 7 december 2023 volgt dat gedurende de dagperiode aan de geluidsnormen van artikel 22.41 gelezen in samenhang met artikel 22.63 van het omgevingsplan wordt voldaan. Daarom heeft het college zich bereid getoond om op 7 augustus 2025 een principebesluit te nemen waarin staat dat verzoekers voor deze activiteit geen omgevingsvergunning nodig hebben. Volgens het college is deze activiteit namelijk passend binnen de woonbestemming van het omgevingsplan.

Uit datzelfde akoestisch onderzoek volgt echter dat er in de avond- en nachtperiode een overschrijding van de geluidsnormen plaatsvindt door het rijden van de vrachtwagens.
De RUD stelt hierover in het advies van 23 juni 2025 dat het parkeren van vrachtwagens binnen de werkingssfeer van milieubelastende activiteiten valt, anders dan wonen. De geluidsnormen uit hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan zijn daarmee van toepassing.

Uit de door verzoekers overgelegde gegevens blijkt dat niet voldaan wordt aan deze geluidsnormen, ten gevolge van de aan- en afvoerbewegingen die bij de milieubelastende activiteit parkeren van vrachtwagens horen.

Ook het uitvoeren van andere milieubelastende activiteiten, zoals het wassen van vrachtwagens, levert volgens het college een strijdigheid met de woonfunctie op.
Op grond van artikel 3.285, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal) is er namelijk sprake van een milieubelastende activiteit wanneer op de locatie onderhoud, reparatie en reiniging van de vrachtwagens wordt uitgevoerd.
Ter plaatse is geconstateerd dat het wassen en parkeren van de vrachtwagens op het perceel plaatsvindt. Het wassen en parkeren van de vrachtwagens op het perceel valt daarmee onder het Bal.

Het uitvoeren van milieubelastende activiteiten is uitsluitend toegestaan op locaties waar bedrijfsmatige activiteiten op grond van het omgevingsplan mogelijk zijn. Dit is volgens het college niet passend op een woonbestemming. Op het adres [adres 1] staat bij de Kamer van Koophandel een eenmanszaak ingeschreven, die als activiteit onder andere “Goederenvervoer over de weg (geen verhuizingen) SBI-code 4941” uitvoert.

Het college heeft daarom een last onder dwangsom opgelegd vanwege deze overtredingen.


Wat vinden verzoekers?




5.2.
Verzoekers betwisten de gestelde overtredingen van het omgevingsplan. Zij hebben na het principebesluit informatie aangeleverd waaruit blijkt dat er geen sprake is van reguliere vrachtwagens. Beide vrachtwagens zijn voorzien van geluidreducerende maatregelen (de zogenaamde L-certificering), zodat ook in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur aan de geluidsvoorschriften van het omgevingsplan wordt voldaan op het moment dat sprake is van parkeerbewegingen in de context van woon- werkverkeer. Dat betekent dat deze parkeerbewegingen niet in strijd zijn met het omgevingsplan als deze worden uitgevoerd met de geluidarme vrachtwagens waar verzoekers over beschikken.

Ter onderbouwing van hun standpunt hebben verzoekers een “Geluidsonderzoek vrachtwagenverkeer [adres 1] - incl. effect groene L-certificering” van 15 januari 2026 ingediend en daaruit blijkt volgens hen dat wel voldaan wordt aan de geluidsnormen in de avond- en nachtperiode.

Verzoekers stellen dat de door het college gestelde strijdigheid met de geluidvoorschriften van het omgevingsplan dan ook geldt voor andere voertuigen, waardoor het perceel van verzoekers niet meer legaal te bereiken is, hetgeen in strijd is met hun grondrechten, te weten het recht op ongestoord woongenot, en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Verder stellen verzoekers stellen dat het college er ten onrechte vanuit gaat dat het wassen van een vrachtwagen een milieubelastende activiteit zou zijn. Blijkens het Bal is het wassen van twee vrachtwagens hoogstens als milieubelastende activiteit te beschouwen als dit een functioneel samenhangende activiteit bij een andere milieubelastende activiteit vormt, maar op zichzelf wordt deze activiteit niet aangemerkt als een milieubelastende activiteit, zo menen verzoekers.



5.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tegen het principebesluit van 7 augustus 2025 voor het aan- en afrijden van vrachtwagens op het perceel gedurende de dagperiode geen bezwaar en beroep openstaat en dat dit besluit buiten de omvang van dit geding valt. Daarom zal de voorzieningenrechter het principebesluit hier onbesproken laten.

Ten aanzien van de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden tegen het aan- en afrijden met vrachtwagens in de avond- en nachtperiode overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het incidenteel aan- en afrijden van een vrachtwagen, bijvoorbeeld ten behoeve van laad- en losactiviteiten of bij een verhuizing passend binnen een woonbestemming. Het structureel, dagelijks, of bedrijfsmatig aan- en afrijden van vrachtwagens om deze op een perceel te parkeren, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een gebruik dat het toegestane gebruik binnen de woonbestemming overschrijdt en daarmee in strijd is. Ter zitting is door verzoekers toegelicht dat zij met hun vrachtwagens vanuit het perceel naar opdrachtgevers op verschillende locaties vertrekken, om daar te laden en verder te rijden. Het gaat dus, naar de voorzieningenrechter begrijpt, niet om verkeer van en naar de werklocatie in België, waar een bedrijf van verzoekers is gevestigd, om van daaruit naar locaties van opdrachtgevers te vertrekken. Het gebruik van het perceel is onder deze omstandigheden eerder bedrijfsmatig van aard en niet passend binnen een woonbestemming. Dit geldt ook voor het onderhoud en de reiniging van vrachtwagens.
Kennelijk was ook het college de mening toegedaan dat dit gebruik niet zonder meer passend is binnen een woonbestemming. Het college heeft immers in het verleden het initiatief tot het wijzigingsplan genomen, waarbij het parkeren van twee vrachtwagens en vier aanhangers op het terrein naast de woonbestemming was toegestaan.
De Afdeling heeft het onderdeel van het artikel dat het parkeren en dus rijden met vrachtwagens op het perceel mogelijk maakte, echter vernietigd. Voor dat gebruik is geen andere juridische basis in het ruimtelijk kader gerealiseerd. Ook de brief van 7 augustus 2025 is, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, geen juridische basis voor dit gebruik.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn daarnaast zowel het structureel aan- en afrijden met vrachtwagens als het wassen (de reiniging) van de vrachtwagens op het perceel in dit geval aan te merken als milieubelastende activiteiten. De activiteiten worden met zoveel woorden in artikel 3.285 van het Bal genoemd. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun mening dat slechts sprake is van woon- werkverkeer met lege, geluidsarme vrachtwagens en dat dit gebruik daarom niet in strijd zou zijn de woonfunctie. De vraag of de toepasselijke geluidsnormen worden overschreden is voor de vraag of het gebruik in strijd is met het omgevingsplan niet relevant. De vraag of de toepasselijke geluidsnormen worden overschreden, kan dus in het midden blijven. In de bezwaarprocedure kunnen de verschillende geluidsonderzoeken nader worden beoordeeld. De voorlopige conclusie is echter dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen dit strijdige gebruik.


Beginselplicht tot handhaving


6. Als sprake is van één of meer overtreding(en) geldt de beginselplicht tot handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025 geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.



6.1.
Het college heeft toegelicht dat al eerder is beoordeeld in hoeverre de overtreding kan worden gelegaliseerd. Naar de voorzieningenrechter begrijpt wordt hierbij verwezen naar de brief van 7 augustus 2025. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning die strekt tot legalisatie is geweigerd en daartegen loopt een bezwaarprocedure. Er is dus geen sprake van (concreet) zicht op legalisatie.



6.2.
Verzoekers hebben een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat volgens hen op het perceel [adres 3] in [woonplaats] bedrijfsactiviteiten plaatsvinden waarbij de geluidsnormen van het omgevingsplan worden overschreden en deze overtreding volgens het college wel gelegaliseerd zou kunnen worden.

Het college heeft echter in het verweerschrift toegelicht dat de situaties aan de [adres 1] en [adres 3] niet vergelijkbaar zijn. Voor het perceel [adres 3] ligt er een handhavingsbesluit voor het handelen en verkopen van houtpallets. Het opslaan is vergund tot 50 m2. Er wordt dus ook op dat perceel gehandhaafd.



6.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn er ook geen andere omstandigheden die maken dat in dit concrete geval van handhavend optreden zou moeten worden afgezien. Het college heeft in dat kader toegelicht dat verzoekers al sinds het handhavingsbesluit van 7 mei 2024 op de hoogte zijn van de illegale situatie en ruim de tijd hebben gehad om in te spelen op de mogelijke consequenties van handhaving, zoals het vinden van een alternatieve locatie om de vrachtwagens te stallen. In het eerdere handhavingsbesluit was een begunstigingstermijn opgenomen van acht weken. Naar aanleiding van het eerste handhavingsbesluit van 7 mei 2024 waren alle vervoersbewegingen met vrachtwagens volledig verboden. De huidige situatie is flexibeler, omdat tussen 07.00 en 19.00 uur het aan- en afrijden met vrachtwagens met het principebesluit is toegestaan.

Dit rechtvaardigt volgens het college ook dat geen nieuwe begunstigingstermijn wordt gegeven. Bovendien gaat het enkel om het nalaten om in de avond- en nachtperiode het perceel op te rijden met de vrachtwagens. De voorzieningenrechter kan het college hierin volgen.

Ten aanzien van de hoogte van de opgelegde dwangsommen heeft het college gemotiveerd uiteengezet dat deze is vastgesteld conform de Nota VTH Beleid Zeeland deel C (Zeeuwse leidraad “richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen”). De eerder opgelegde dwangsom uit het handhavingsbesluit van 7 mei 2024 bood onvoldoende prikkel om de vervoersbewegingen met vrachtwagens te staken. Bovendien kan het college niet voor kleine bedragen aan dwangsommen gaan controleren, omdat verzoekers geen medewerking verlenen aan controles. De voorzieningenrechter kan het college hierin volgen.




Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter naar voorlopig oordeel dat de bezwaargronden van verzoekers geen redelijke kans van slagen hebben. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Dat betekent dat verzoekers per direct aan het handhavingsbesluit moeten voldoen.


7.1.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 15 juni 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.











griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.



ECLI:NL:RVS:2024:836.


Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)


Artikel 2.4 van de Omgevingswet (Ow).


Artikel 4.2, eerste lid, van de Ow.


Artikel 22.1 van de Ow.


Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow.


Artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Ow.


Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van Ow.


Artikel 5:2, eerste lid, onder b, jo. artikel 5:21 van de Awb.


ECLI:NL:RVS:2025:678.
Link naar deze uitspraak