Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:3651 
 
Datum uitspraak:24-06-2026
Datum gepubliceerd:24-06-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202401993/1/R2
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 7 januari 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe het verzoek van MOB en Leefmilieu om de natuurvergunning van 7 mei 2019 van de [appellante sub 1] voor het in werking hebben en exploiteren van een geitenhouderij aan de [locatie] in Borger in te trekken, afgewezen. Aan [appellante sub 1] is op 7 mei 2019 een natuurvergunning verleend voor het uitbreiden van de veestapel van 620 volwassen en 250 opfokgeiten met een ammoniakemissie van 1378 kg/jaar naar 1235 volwassen geiten met een ammoniakemissie van 2346,50 kg/jr. MOB en Leefmilieu hebben verzocht om intrekking van deze natuurvergunning op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, en het tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens MOB en Leefmilieu ligt aan de vergunning geen toereikende passende beoordeling ten grondslag. Ook worden volgens MOB en Leefmilieu onvoldoende passende maatregelen genomen om verslechtering of verstoring te voorkomen van de natuurwaarden in onder meer het Natura 2000-gebied Drouwenerzand. Het college heeft bij het besluit van 2 juni 2022 de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning gehandhaafd. Volgens het college is de intrekking van de natuurvergunning niet nodig en ook onevenredig, omdat de verwachting is dat op termijn de instandhoudingsdoelen in de betrokken Natura 2000-gebieden zullen worden gehaald.
Trefwoorden:ammoniak
ammoniakemissie
forfaitair
omzetbelasting
stikstofdepositie
veestapel
 
Uitspraak
202401993/1/R2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       [appellante sub 1], gevestigd in [plaats],
2.       het college van gedeputeerde staten van Drenthe,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 7 maart 2024 in zaak nr. 22/2711 in het geding tussen:
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu (MOB en Leefmilieu), beide gevestigd in Nijmegen,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2020 heeft het college het verzoek van MOB en Leefmilieu om de natuurvergunning van 7 mei 2019 van [appellante sub 1] voor het in werking hebben en exploiteren van een geitenhouderij aan de [locatie] in Borger in te trekken, afgewezen.
Bij besluit van 30 juni 2020 heeft het college het door MOB en Leefmilieu daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 februari 2022 heeft de rechtbank het beroep van MOB en Leefmilieu gegrond verklaard en het besluit van 30 juni 2020 vernietigd.
Bij besluit van 2 juni 2022 heeft het college het bezwaar van MOB en Leefmilieu opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 maart 2024 heeft de rechtbank het door MOB en Leefmilieu daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2  juni 2022 vernietigd en bepaald dat het college binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellante sub 1] hoger beroep ingesteld.
MOB en Leefmilieu hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft het college het bezwaar van MOB en Leefmilieu opnieuw ongegrond verklaard.
MOB en Leefmilieu hebben gronden ingediend tegen het besluit van 11 juni 2024.
MOB en Leefmilieu en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op 21 mei 2026 op een zitting behandeld. Daar zijn [appellante sub 1], vertegenwoordigd door de maten [maat A], [maat B] en [maat C], bijgestaan door mr. S. Keywani, advocaat in Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Bos, advocaat in Groningen, en B.J.H. Koolstra, verschenen. Voorts zijn op de zitting MOB en Leefmilieu, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, rechtsbijstandverlener in Gennep en [partij], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een natuurvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om de natuurvergunning in te trekken is ingediend op 17 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Aan [appellante sub 1] is op 7 mei 2019 een natuurvergunning verleend voor het uitbreiden van de veestapel van 620 volwassen en 250 opfokgeiten met een ammoniakemissie van 1378 kg/jaar naar 1235 volwassen geiten met een ammoniakemissie van 2346,50 kg/jr. MOB en Leefmilieu hebben verzocht om intrekking van deze natuurvergunning op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, en het tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens MOB en Leefmilieu ligt aan de vergunning geen toereikende passende beoordeling ten grondslag. Ook worden volgens MOB en Leefmilieu onvoldoende passende maatregelen genomen om verslechtering of verstoring te voorkomen van de natuurwaarden in onder meer het Natura 2000-gebied Drouwenerzand.
2.1.    Het college heeft bij het besluit van 2 juni 2022 de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning gehandhaafd. Volgens het college is de intrekking van de natuurvergunning niet nodig en ook onevenredig, omdat de verwachting is dat op termijn de instandhoudingsdoelen in de betrokken Natura 2000-gebieden zullen worden gehaald. Het college baseert die verwachting op de maatregelen die worden genomen in het kader van de landelijke aanpak stikstofproblematiek, waaronder de Wet stikstofreductie en natuurherstel (Wsn) met de daarin neergelegde resultaatsverplichtingen over het totaal aantal hectares stikstofgevoelige habitats dat onder de kritische depositiewaarde (KDW) moet zijn in bepaalde jaren, de voorgenomen provinciale aanpak ter uitvoering daarvan, de Maatregel Gerichte Aankoop en provinciale regelingen voor aankoop van bedrijven, het verbod op bemesten van gronden in het Natuurnetwerk Nederland, de maatregelen gericht op het terugdringen van NOx op basis van het Strategisch luchtakkoord en de Groene Economische Agenda.
2.2.    Het college heeft op 20 december 2023 een aanvullende motivering aan de rechtbank gestuurd. Het college stelt zich daarin op het standpunt dat de intrekking van de natuurvergunning geen passende maatregel kan zijn omdat de depositiedaling die door de intrekking van de natuurvergunning kan worden bereikt (maximaal 0,63 mol/ha/jr) niet tot het tegengaan van verslechtering leidt. Voor de onderbouwing van dit standpunt verwijst het college naar het rapport ‘Ecologische beoordeling intrekkingsverzoek Strengenweg Borger’, d.d. 19 december 2023, opgesteld door B.J.H. Koolstra.
De uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft het beroep van MOB en Leefmilieu gegrond verklaard en heeft het besluit van 2 juni 2022 vernietigd. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71 (Logtsebaan-uitspraak), dat het college bij de afwijzing van een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van het tweede lid van artikel 5.4 van de Wnb, inzichtelijk moet maken op welke wijze hij invulling geeft aan zijn beoordelingsruimte bij de keuze van de maatregelen die passend zijn. Volgens de rechtbank is voor het maken van die keuze inzicht in de staat van instandhouding van de natuurwaarden, de vraag of passende maatregelen nodig zijn en hoe snel die moeten worden getroffen, nodig. Dat inzicht heeft het college volgens de rechtbank niet geboden voor het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Drouwenerzand. Verder overweegt de rechtbank dat het college met de verwijzing naar de landelijke en provinciale aanpak stikstofreductie onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt met welke andere maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke reductie van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn.
Verder overweegt de rechtbank dat het college niet heeft beslist op de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb.
3.1.    De rechtbank ziet in de aanvullende motivering van het college van 20 december 2023 geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 2 juni 2022, voor zover dat betrekking heeft op de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb, in stand te laten. De reden daarvoor is dat het rapport dat aan het standpunt van het college ten grondslag ligt uitgaat van een verkeerd uitgangspunt. Omdat het college in het besluit van 2 juni 2022 niet beslist heeft op de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb, bestaat volgens de rechtbank evenmin aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit op dat punt in stand te laten.
De hoger beroepen van het college en [appellante sub 1]
4.       [appellante sub 1] en het college hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [appellante sub 1] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het besluit van het college onvoldoende is gemotiveerd. Verder is zij net als het college van mening dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand had moeten laten, omdat de intrekking van de natuurvergunning geen passende maatregel kan zijn.
Beoordelingskader
5.       Op grond van artikel 5.4, eerste lid aanhef en onder c, van de Wnb kan een natuurvergunning onder andere worden ingetrokken of gewijzigd als de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend.
5.1.    Een natuurvergunning wordt op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb in elk geval ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.
5.2.    In overwegingen 6.1 tot en met 7.3 van de Logtsebaan-uitspraak, in combinatie met overwegingen 10 tot en met 10.7 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, is nader beschreven wat de verhouding is tussen het eerste en tweede lid van artikel 5.4 van de Wnb en welke afweging het college moet maken wanneer om intrekking van een natuurvergunning is verzocht. Het in die uitspraken beschreven beoordelingskader is ook in dit geval van toepassing.
Staat van instandhouding in het Drouwenerzand
6.       [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank in overweging 7.3 ten onrechte overweegt dat het college de staat van instandhouding van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied Drouwenerzand niet inzichtelijk heeft gemaakt. Dat heeft het college wel gedaan en daarvoor verwijst [appellante sub 1] naar de stukken van 23 februari 2021 en 1 juni 2021 die het college in de eerste procedure bij de rechtbank heeft ingebracht. Daarin heeft het college specifiek voor het Drouwenerzand uiteengezet dat daar geen verslechtering dreigt.
6.1.    Uit de overwegingen 9 tot en met 10 van de uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2022 volgt dat de rechtbank die stukken toen bij haar oordeel heeft betrokken. De rechtbank heeft in overweging 9.4 van die uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen dat het college ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in het Natura 2000-gebied Drouwenerzand niet dreigt. Verder komt de rechtbank in de overwegingen 9 - 10 van die uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud tot het oordeel dat de intrekkingsgrond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb van toepassing is omdat passende maatregelen nodig zijn om dreigende verslechtering of verstoring van natuurwaarden door een overbelasting van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Drouwenerzand te voorkomen en het bedrijf van [appellante sub 1] effecten heeft op die natuurwaarden. [appellante sub 1] heeft tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld.
6.2.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante sub 1] zo dat zij het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 17 februari 2022, dat de intrekkingsgrond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb van toepassing is, alsnog ter discussie wil stellen. Dat kan niet meer. De rechtbank en de Afdeling moeten namelijk uitgaan van de juistheid van de oordelen die de rechtbank in een eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft gegeven als tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld. Dit is anders als die oordelen nauw verweven zijn met wat in hoger beroep aan de orde is gesteld. Maar dat is hier niet het geval.
Het betoog slaagt niet.
Motivering om niet in te trekken
7.       [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat andere passende maatregelen worden genomen, zodat de intrekking van de natuurvergunning niet nodig is als passende maatregel. [appellante sub 1] wijst erop dat het college heeft gemotiveerd welke maatregelen getroffen worden voor een afname van stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden.
7.1.    Uit het beoordelingskader volgt dat het college aannemelijk en inzichtelijk moet maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie in de relevante Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Dit betekent dat het college niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van het college in de relevante Natura 2000-gebieden noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd.
7.2.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college met de verwijzing naar de te treffen maatregelen in het kader van de landelijke en provinciale aanpak stikstof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat het effect van deze maatregelen is op het Natura 2000-gebied Drouwenerzand. Dat volgens het college door de landelijke en provinciale maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is daarvoor een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen zullen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in het Natura 2000-gebied Drouwenerzand (vergelijk de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 13.4).
Het betoog slaagt niet.
Is het intrekken van de natuurvergunning een onevenredige maatregel?
8.       Het college en [appellante sub 1] stellen dat de rechtbank bij haar oordeel ten onrechte niet heeft betrokken dat het intrekken van de natuurvergunning een onevenredige maatregel is. Omdat de intrekking van de vergunning slechts tot een geringe depositiedaling leidt, wegen de belangen van de vergunninghouder bij het behoud van zijn natuurvergunning volgens het college zwaarder dan het belang van de afname van depositie op natuurwaarden door de intrekking van de natuurvergunning.
8.1.    De Afdeling volgt het college en [appellante sub 1] niet in hun betoog. Voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb wijst de Afdeling erop dat de omvang van de depositie niet relevant is voor de vraag of de intrekking van de natuurvergunning kan kwalificeren als passende maatregel (vergelijk de uitspraak van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1953, r.o. 9). De omvang van de depositie kan echter wel een aspect zijn dat betrokken kan worden bij de afweging of voor deze passende maatregel wordt gekozen op het moment dat andere passende maatregelen waarmee een (dreigende) verslechtering wordt voorkomen, ook beschikbaar zijn. Het college heeft immers beoordelingsruimte bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. De vraag of de intrekking van een natuurvergunning een geschikte maatregel is, speelt dus een rol bij de invulling van de beoordelingsruimte. De invulling van de beoordelingsruimte en de afweging en motivering die daaraan ten grondslag liggen is aan het college. Omdat het college geen inzicht heeft geboden in de invulling van de beoordelingsruimte kan de onevenredigheid van een eventuele intrekking van de natuurvergunning niet beoordeeld worden.
Voor zover dit betoog betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb, wijst de Afdeling erop dat de rechtbank heeft geconstateerd dat het college niet beslist heeft op de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb. De vraag of het college het verzoek op deze grond kon afwijzen op basis van een belangenafweging waarbij hij het belang van de vergunninghouder zwaarder heeft laten wegen dan het natuurbelang, lag bij de rechtbank dus niet voor.
Het betoog slaagt niet.
9.       Het voorgaande betekent dat de rechtbank het besluit van 2 juni 2022 terecht heeft vernietigd omdat dit ontoereikend is gemotiveerd.
Had de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand moeten laten?
10.     Het college en [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover dat betrekking heeft op de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb, in stand had moeten laten op basis van de aanvullende motivering van het college van 20 december 2023. Volgens hen gaat de rechtbank er in overweging 8.6 ten onrechte vanuit dat de intrekking van de natuurvergunning een passende maatregel kan zijn. De intrekking van de natuurvergunning kan dat niet zijn omdat de depositiedaling die door de intrekking van de natuurvergunning kan worden bereikt (maximaal 0,63 mol/ha/jr) niet tot het tegengaan van verslechtering leidt en evenmin bijdraagt aan het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het college en [appellante sub 1] verwijzen ter onderbouwing van hun betoog naar het rapport ‘Ecologische beoordeling intrekkingsverzoek Strengenweg Borger’, d.d. 12 april 2024, opgesteld door B.J.H. Koolstra. Dat rapport is een geactualiseerde versie van het rapport dat bij de rechtbank is ingebracht.
10.1.  De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college met de verwijzing naar het rapport van Koolstra niet alsnog een toereikende motivering heeft gegeven voor de weigering om de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb, in te trekken. De Afdeling volgt [appellante sub 1] en het college niet waar zij stellen dat uit de Logtsebaan-uitspraak kan worden afgeleid dat de intrekking of wijziging van een natuurvergunning geen passende maatregel kan zijn als die intrekking op zich zelf niet leidt tot of bijdraagt aan het tegengaan van verslechtering van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Met de passage in 6.6 van de Logtsebaan-uitspraak waarin staat: "Als de intrekking of wijziging van een natuurvergunning kan bijdragen aan het voorkomen van de dreigende achteruitgang van de natuurwaarden, dan kan dat een passende maatregel zijn", is bedoeld dat de intrekking of wijziging van een natuurvergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op overbelaste natuurwaarden waarvoor passende maatregelen moeten worden genomen, omdat sprake is van een - dreigende - verslechtering of verstoring met significante gevolgen van een habitattype of soort waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, een passende maatregel kan zijn. Met ‘kan’ is bedoeld dat de vraag of de intrekking of wijziging daadwerkelijk moet plaatsvinden afhangt van het antwoord op de vraag of er eventueel ook andere maatregelen kunnen worden genomen en wat daarvan, gegeven de staat van instandhouding van het gebied, het effect is in het licht van de vraag welke daling van stikstofdepositie binnen welke termijn nodig is. De Afdeling verwijst op dit punt ook naar 7.3 van de Logtsebaan-uitspraak. Ook daaruit volgt dat de intrekking van een natuurvergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op natuurwaarden die door een te hoge stikstofbelasting dreigen te verslechteren een passende maatregel is. Omdat de overbelasting van stikstofdepositie wordt veroorzaakt door het cumulatieve effect van (veel) verschillende activiteiten zal de intrekking van die natuurvergunning echter in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Daarom dient het college als het niet voor de intrekking van de natuurvergunning kiest inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn.
Het rapport van Koolstra biedt dat inzicht niet. In dat rapport is voor elk habitattype in het Natura 2000-gebied Drouwenerzand bezien of de afname van stikstofdepositie door de intrekking van de natuurvergunning op zichzelf zal leiden tot het tegengaan van verslechtering en wordt geconcludeerd dat de intrekking van deze natuurvergunning niet tot het tegengaan van verslechtering leidt. Voor zover het college met dit rapport beoogt te onderbouwen dat hij bij zijn keuze van de nodige passende maatregelen niet zal kiezen voor de intrekking van deze natuurvergunning, omdat de depositiedaling daarvoor te gering is, is ook dat geen toereikende motivering van de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning. Daarvoor is immers, zoals uit het beoordelingskader volgt, nodig dat het college aannemelijk en inzichtelijk maakt met welke andere maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke reductie van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1953, r.o. 9).
Het betoog slaagt niet.
10.2.  Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gegeven dat het college niet op de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb, heeft beslist, meebrengt dat geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op dat punt op basis van de aanvullende motivering deels in stand te laten. Daarbij wijst de Afdeling er op dat uit overweging 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het beoordelingskader voor de toepassing van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb ook van toepassing kan zijn als de intrekkingsgrond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, zich voordoet. Als dat zo is, dan kan het college bij de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, niet volstaan met een belangenafweging.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroepen
11.     De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Het besluit van 11 juni 2024
12.     Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 11 juni 2024 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het bezwaar van MOB en Leefmilieu is in dat besluit opnieuw ongegrond verklaard met een verbetering van de motivering van het besluit tot afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning.
Volgens het college is intrekking van de natuurvergunning niet nodig omdat op Europees, landelijk en provinciaal niveau maatregelen worden genomen en/of in voorbereiding zijn die in combinatie met elkaar leiden tot een emissiereductie van stikstof, die voldoet aan de wettelijke vereisten voor de reductie van stikstofdepositie uit de Wsn. Dat geldt op provinciaal niveau, maar ook voor het Drouwenerzand. Het college wijst in dit kader specifiek op het Koersdocument Drentse Aanpak Stikstof, het Nationaal Programma Landelijk Gebied en het Drents Programma Landelijk Gebied. In die documenten is uitgewerkt met welke mix van maatregelen de reductieopgave voor de ammoniakemissie in Drenthe van 2450 ton ammoniak in 2035 kan worden gehaald. Omdat de maatregelen nog niet allemaal in uitvoering zijn, is het effect ervan nog niet duidelijk. Dat geldt ook voor de ammoniakreductie die het gevolg zal zijn van de deelname van bedrijven aan de vrijwillige opkoopregelingen.
13.     Het besluit van 11 juni 2024 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Tegen dit besluit is van rechtswege een beroep ontstaan voor MOB en Leefmilieu. MOB en Leefmilieu hebben tegen dit besluit gronden naar voren gebracht.
14.     MOB en Leefmilieu stellen dat het college in het besluit niet heeft beslist op hun bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb. Verder voeren zij aan dat het college voor de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb niet kan volstaan met een verwijzing naar de verwachte effecten van generieke maatregelen op provinciaal niveau. Het college had een beoordeling op gebiedsniveau moeten maken. Daarbij had het college voor de relevante Natura 2000-gebieden moeten beoordelen welke daling van stikstofdepositie in die gebieden nodig is, welke maatregelen worden getroffen en binnen welke termijn de daling van stikstofdepositie in die gebieden kan worden gehaald.
14.1.  De Afdeling stelt met MOB en Leefmilieu vast dat het college in het besluit niet heeft beslist op de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb.
Het betoog slaagt.
14.2.  Onder verwijzing naar het beoordelingskader en 7.1 van deze uitspraak overweegt de Afdeling dat MOB en Leefmilieu terecht aanvoeren dat het college in het besluit niet aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Drouwenerzand binnen een afzienbare termijn. Ook heeft het college niet onderbouwd welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van het college in dat Natura 2000-gebied noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Met de verwijzing naar de maatregelen in het Koersdocument Drentse Aanpak Stikstof, het Nationaal Programma Landelijk Gebied en het Drents Programma Landelijk Gebied, die volgens het college zullen leiden tot een daling van emissie op provinciaal niveau en daarmee ook tot een daling van depositie in het Drouwenerzand, heeft het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat het effect van deze maatregelen is op het Natura 2000-gebied Drouwenerzand. Dat volgens het college door deze maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofemissie op provinciaal niveau en daardoor ook van een daling van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Drouwenerzand, is daarvoor een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat deze maatregelen zullen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in het Natura 2000-gebied Drouwenerzand.
Op de zitting heeft het college toegelicht dat de uitwerking van de provinciale stikstofaanpak ten tijde van het nadere besluit nog niet gereed was, maar nu wel. Op 19 mei 2026 heeft het college het programma Toekomstgericht Landelijk Gebied Drenthe (TLGD) vastgesteld. In het TLGD is uitgewerkt welke maatregelen getroffen zullen worden om de benodigde stikstofreductie in Natura 2000-gebieden te kunnen bereiken. De Afdeling kan het TLGD niet betrekken bij de beoordeling van het nadere besluit omdat het TLGD niet ten grondslag ligt aan dat besluit en MOB en Leefmilieu en [appellante sub 1] daar niet op hebben kunnen reageren.
Het betoog slaagt. Wat MOB en Leefmilieu over de afwijzing van het verzoek op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb verder naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking.
Conclusie beroep van rechtswege
15.     Het beroep is gegrond. Het besluit van 11 juni 2024 is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het besluit wordt daarom vernietigd.
Verzoek om voorlopige voorziening
16.     MOB en Leefmilieu hebben de Afdeling verzocht om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen die bevordert dat de stikstofdepositietoename door het bedrijf van [appellante sub 1] niet meer op mag treden tot - in ieder geval - zes weken na het nieuwe besluit op bezwaar.
16.1.  De Afdeling stelt voorop dat de natuurvergunning in rechte onaantastbaar is. In de voorliggende zaak gaat het over mogelijke intrekking van de natuurvergunning. De Afdeling acht het te verstrekkend om een bestaand recht van de veehouder te beperken door het gebruik van de natuurvergunning niet toe te staan in afwachting van een nieuw besluit op bezwaar over een intrekkingsverzoek (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, onder 28-28.1). De Afdeling wijst het verzoek daarom af.
Wat betekent deze uitspraak - hoe nu verder?
17.     Deze uitspraak betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van MOB en Leefmilieu tegen de afwijzing van hun verzoek om intrekking van de natuurvergunning van [appellante sub 1] moet nemen. Daarbij moet het college deze uitspraak en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet en/of tevergeefs is aangevochten in acht nemen. Of dat moet leiden tot het intrekken van (een deel van) de vergunning staat nog niet vast. Bij het alsnog te nemen besluit kan het college het recent vastgestelde TLGD betrekken. De Afdeling zal een termijn stellen voor het alsnog te nemen besluit. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten en griffierecht
18.     Het college moet de proceskosten van MOB en Leefmilieu voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoeden. MOB en Leefmilieu hebben ook verzocht om vergoeding van deskundigenkosten. De kosten van € 400,00, exclusief BTW, voor het opstellen van de notitie ‘Deskundigenadvies effecten stikstofdepositie Drouwenerzand" van 4 juni 2025, door ir. A.B. van den Burg van Biosphere Science Productions, komen voor vergoeding in aanmerking. Verder is verzocht om een vergoeding van 14 uur voor het voorbereiden en bijwonen van de zitting van 21 mei 2026 door de deskundige [partij]. De Afdeling overweegt dat hiervoor een forfaitair aantal uren wordt gehanteerd. Daarom komt voor het voorbereiden en bijwonen van de zitting 4 uur voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het uurtarief van € 100,00, exclusief BTW, komen deze deskundigenkosten uit op € 400,00. Daarmee komen de deskundigenkosten in totaal uit op € 800,00, wat moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting. De reiskosten van de deskundige (€ 36,05) komen ook voor vergoeding in aanmerking, maar de reistijd niet.
19.     Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt van het college griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       verklaart het beroep van Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu tegen het besluit van 11 juni 2024, gegrond;
III.      vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 11 juni 2024;
IV.     wijst het verzoek om voorlopige voorziening van Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu, af;
V.      draagt het college van gedeputeerde staten van Drenthe op om binnen dertien weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI.     bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII.     veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe tot vergoeding van bij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.704,05, waarvan
- € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- € 800,00 is toe te rekenen aan deskundigenkosten, waarbij dit bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting;
- € 36,05 is toe te rekenen aan reiskosten van de deskundige,
met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
VIII.    bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Drenthe een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
Link naar deze uitspraak