Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:15679 
 
Datum uitspraak:12-06-2026
Datum gepubliceerd:26-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 25/4284
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Gedeeltelijk afgewezen handhavingsverzoek; concreet zicht op legalisering; geen sprake van een situatie waarin op voorhand duidelijk is dat een eventuele omgevingsvergunning ter legalisering geen rechtskracht zal verkrijgen; geen juridisch vacuüm; gevreesde waardedaling woning eisers dwingt niet tot handhaving; geen verplichting tot het stellen van voorwaarden bij gedeeltelijk afzien van handhaving; college heeft handhavingsverzoek terecht gedeeltelijk afgewezen. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
bodemonderzoek
buitengebied
geluidhinder
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/4284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. N.J. Loekemeijer)

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college
(gemachtigde: S. Verouden, werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH)).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [woonplaats]
(gemachtigde: ir. F.W.A. Helsloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het handhavingsverzoek van eisers. Zij hebben het college gevraagd om op te treden tegen het gebruik van het perceel [adres 1] in strijd met de planregels. De derde-partij is eigenaar van dit perceel.


1.1.
Het college heeft besloten om gedeeltelijk af te zien van handhaving. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en heeft vastgehouden aan het eerdere standpunt (het bestreden besluit). Eisers hebben tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het college terecht weigert om verdergaand te handhaven.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht gedeeltelijk heeft afgezien van handhavend optreden. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eisers hebben op 25 juni 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 24 juli 2025 hebben zij de beroepsgronden aangevuld.


2.1.
Het college heeft op 12 augustus 2025 gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
Eisers hebben op 11 mei 2026 aanvullende stukken ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op de zitting behandeld. Eisers zijn niet in persoon verschenen. Wel aanwezig waren [naam] , dochter van eisers, hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.

Inleiding



De situatie op het perceel

3. De derde-partij is eigenaar van het perceel [adres 2] . Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Buitengebied 2015, tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op het perceel rust de bestemming ‘Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1’ als bedoeld in artikel 3.1 van de planregels. Het college heeft op basis van onderzoek door de toezichthouder van 21 juli 2020 geoordeeld dat het feitelijk gebruik van het perceel strijdig is de planregels wat betreft (a) de aanwezigheid van genaamd [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ), een logeeropvang voor kinderen met autisme en ADHD-gerelateerde ontwikkelingsstoornissen;(b) de bewoning van twee agrarische bedrijfswoningen;(c) de aanwezigheid van een paardenpension en (d) een paardenweide, gelegen achter het paardenpension.


Handhavingsverzoek



3.1.
Op 2 juli 2021 hebben eisers het college gevraagd om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel in strijd met de planregels (het handhavingsverzoek).


Aanvraag omgevingsvergunning ter legalisering (1)



3.2.
Op 9 maart 2022 heeft de derde-partij namens [bedrijf] een omgevingsvergunning aangevraagd om het strijdige gebruik te legaliseren. Op 10 oktober 2023 hebben eisers het college opnieuw verzocht om handhavend op te treden.


Standpunt college



3.3.
Het college heeft op 12 september 2023 besloten niet mee te werken aan een door de derde-partij ingediend principeverzoek. Vervolgens heeft het college op 6 november 2023 het voornemen bekendgemaakt om de derde-partij een last onder dwangsom op te leggen.


Gewijzigd standpunt college



3.4.
Naar aanleiding van de door de derde-partij ingediende zienswijze hebben twee wethouders op 31 januari 2024 een bezoek gebracht aan [bedrijf] . Naar aanleiding van dit bezoek heeft het college zijn standpunt heroverwogen. Het college heeft de conclusie getrokken dat de gebouwen op het perceel niet meer geschikt zijn voor een agrarisch bollenteeltbedrijf, mede omdat het complex een gemeentelijk monument is. Onder voorwaarden is het college daarom bereid planologisch mee te werken aan de logeeropvang voor kinderen met autisme en ADHD-gerelateerde ontwikkelingsstoornissen en de bewoning van de twee agrarische bedrijfswoningen. Tegen het paardenpension en de paardenweide treedt het college daarentegen wél handhavend op. Het college heeft de derde-partij hierover geïnformeerd bij brief van 8 april 2024. Deze brief heeft het college op 1 mei 2024 doorgestuurd aan eisers.


Voornemen handhavend optreden



3.5.
Het college heeft de derde-partij vervolgens bij brief van 15 mei 2024 een voornemen gestuurd om handhavend op te treden tegen het paardenpension en de paardenweide. De derde-partij heeft hiertegen een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft het college op 10 juni 2024 de definitieve last onder dwangsom opgelegd.


Aanvraag omgevingsvergunning ter legalisering (2)



3.6.
De derde-partij heeft op 24 augustus 2024 een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft de beslistermijn telkens opgeschort met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tot nu toe heeft het college nog niet op de aanvraag beslist.


Het primaire en bestreden besluit op het handhavingsverzoek



3.7.
Met het primaire besluit van 28 augustus 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van eisers met betrekking tot het paardenpension en de paardenweide toegewezen. Voor het overige heeft het college het verzoek afgewezen.



3.8.
Met het besluit op bezwaar van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Het college heeft het primaire besluit daarbij in stand gelaten.



Beoordeling door de rechtbank


Overgangsrecht Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving vóór die datum is ingediend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), blijft het oude recht van toepassing. Dit volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. Dit oude recht geldt totdat het besluit op de aanvraag onherroepelijk is. Eisers hebben het handhavingsverzoek op 2 juli 2021 ingediend. Dit betekent dat in deze zaak de Wabo van toepassing blijft.


Gronden van het beroep

5. Eisers betogen dat er geen concreet zicht is op legalisering. Zij voeren aan dat op voorhand duidelijk is dat de omgevingsvergunning die de derde-partij op 24 augustus 2024 heeft aangevraagd, geen rechtskracht zal verkrijgen. Eisers wijzen daarbij op de richtafstand, de aard en beleving van het geluid en andere vormen van overlast. Ook is er volgens hen onduidelijkheid over de vergunningvoorwaarden en beperkt de vergunning hun eigen bedrijfsactiviteiten. Tot slot is de aanvraag volgens eisers in strijd met provinciale regels en de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG).


De beginselplicht tot handhaving


5.1.
Bij de overtreding van een wettelijk voorschrift moet het bevoegde bestuursorgaan in de regel handhavend optreden. Handhaving dient namelijk een algemeen belang. Het bestuursorgaan mag alleen bij bijzondere omstandigheden afzien van handhaving. Dit is bijvoorbeeld het geval als er een concreet zicht is op legalisering. Ook kan handhavend optreden zo onevenredig zijn in verhouding tot de doelen, dat het bestuursorgaan hiervan moet afzien.





Het juridisch kader voor legalisering



5.2.
Er is pas concreet zicht op legalisering als de procedure voor een omgevingsvergunning ten minste is gestart. Hiervoor is een aanvraag nodig. Deze is aanwezig en het college heeft aangegeven genegen te zijn deze toe te kennen. Het zicht op legalisatie kan desondanks ontbreken, indien op voorhand duidelijk is dat de omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat een besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in een latere procedure mogelijk kan worden vernietigd, is onvoldoende om dit aan te nemen. De rechtbank mag de aangevraagde omgevingsvergunning in deze procedure dus alleen beoordelen op de vraag of die situatie zich hier voordoet.


De lopende vergunningprocedure



5.3.
De derde-partij heeft op 24 augustus 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd. In een principebesluit van 8 april 2024 heeft het college gemotiveerd aangegeven te willen meewerken aan legalisering van de bewoning van de twee agrarische bedrijfswoningen en de logeeropvang van [bedrijf] op het perceel. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de door eisers aangevoerde gronden maken dat op voorhand duidelijk is dat de omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. Wat eisers aanvoeren over de geluidhinder en richtafstanden heeft te maken met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook voeren eisers aan dat er strijd is met provinciale regels en de ISG. In beide gevallen gaat om een de vraag of de af te geven omgevingsvergunning op inhoudelijke gronden stand zal kunnen houden. Dat eisers op deze punten tot een andere conclusie komen dan het college naar hun verwachting zal doen, valt niet aan te merken als een reden dat op voorhand duidelijk is dat de omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. De grond slaagt niet.


Het uitblijven van een beslissing



5.4.
Hoewel het college na jaren nog niet op de aanvraag heeft beslist, is er in tegenstelling tot hetgeen eisers aanvoeren, geen sprake van een juridisch vacuüm. Het college heeft op de zitting toegelicht dat er nog onderzoeken lopen, zoals een akoestisch onderzoek en een bodemonderzoek. Dit kost veel tijd. Omdat de beslistermijn met instemming van de aanvrager telkens is verlengd, is de aanvraag nog steeds in behandeling. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat er concreet zicht is op legalisering. Het college heeft het handhavingsverzoek van eisers daarom voor het overige terecht afgewezen. De grond slaagt niet.


De gestelde waardedaling van de woning



5.5.
Eisers vrezen dat de legalisering leidt tot een waardedaling van hun woning. Zij betogen dat de kinderen die in de logeeropvang worden opgevangen door hun problematiek luidruchtiger zijn dan leeftijdgenoten zonder dergelijke problematiek. Een eventuele waardedaling van de woning is echter geen bijzondere omstandigheid die dwingt tot handhaving. Als er sprake is van waardedaling, kunnen eisers het college om een vergoeding (nadeelcompensatie) vragen zodra de omgevingsvergunning definitief is. De grond slaagt niet.





Het stellen van voorwaarden



5.6.
Eisers brengen naar voren dat het college voorwaarden had moeten stellen aan de derde-partij toen het de handhaving deels afwees. De rechtbank is het daar niet mee eens. Geen enkele rechtsregel verplicht het college om voorwaarden te verbinden aan een besluit waarin het gedeeltelijk afziet van handhaving. Er is niet gebleken van een zodanig bijzondere situatie dat het college daar desondanks toe gehouden zou zijn. Indien het dat noodzakelijk acht, kan het college voorwaarden over het toekomstige gebruik van het perceel aan de omgevingsvergunning verbinden. De grond slaagt niet.


Slotsom



5.7.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college terecht gedeeltelijk heeft afgezien van handhavend optreden.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Gemeenteblad 2024, 369548.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4501.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1612, r.o. 11.2.
Link naar deze uitspraak