|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:4884 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 24/4319 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Weigering intrekking natuurvergunning. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | agrarisch natuur- en landschapsbeheer | | | derogatie | | | landbouw | | | natuur- en landschapsbeheer | | | perceel | | | psn | | | stikstofdepositie | | | veehouderij | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4319
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. drs. [gemachtigde]),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland,
(gemachtigde: mr. C.F. Geerdes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats] (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om de aan vergunninghouder verleende natuurvergunning in te trekken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag door het college. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet tot intrekking over gaat. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder exploiteert op het perceel [perceel] te [plaats] een veehouderij. De veehouderij ligt op ongeveer 240 meter van het Natura 2000-gebied “Binnenveld” en op ongeveer 4,5 kilometer van het Natura 2000-gebied “Veluwe”.
Het college heeft aan de vergunninghouder op 19 november 2012, 21 februari 2014, 3 augustus 2015 en 30 september 2016 natuurvergunningen verleend. In de natuurvergunning van 30 september 2016 zijn 1.850 vleeskalveren en 14 schapen vergund.
2.1.
Bij brief van 30 maart 2023 heeft eiseres het college verzocht om toepassing te geven aan artikel 2.4, artikel 5.4, eerste lid, onder c en artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en de natuurvergunningen in te trekken.
2.2.
Op 30 oktober 2023 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank vanwege het niet tijdig nemen van een besluit (zaaknummer 23/7123).
2.3.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 12 december 2023 het beroep gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen een termijn van twee weken een besluit te nemen op de aanvraag, op straffe van een dwangsom van € 100 voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college met een maximum van € 15.000.
2.4.
Op 7 maart 2024 heeft het college een ontwerp-weigeringsbesluit genomen.
2.5.
Eiseres heeft op 3 april 2024 een zienswijze ingediend.
2.6.
Op 26 juni 2024 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag door het college.
2.7.
Op 24 juli 2024 heeft het college alsnog een besluit genomen en geweigerd om de natuurvergunningen in te trekken.
2.8.
Het beroep heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op dit alsnog genomen besluit. Eiseres heeft beroepsgronden ingediend en het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres mr. [persoon A] en mr. [gemachtigde]. Namens het college mr. C.F. Geerdes, drs. [persoon B] en drs. [persoon C].
Namens vergunninghouder [persoon D] en [persoon E].
Beoordeling door de rechtbank
Ingetrokken beroepsgrond
3. Eiseres heeft op de zitting de beroepsgrond met betrekking tot artikel 2.4 van de Wnb ingetrokken.
Leeswijzer
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de Logtsebaan-uitspraak en in de uitspraken van 2 juli 2025 uiteengezet onder welke omstandigheden een natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken of gewijzigd en welke eisen aan de motivering van een beslissing op een verzoek om intrekking of wijziging van een natuurvergunning worden gesteld.
Het toetsingskader uit deze Afdelingsjurisprudentie vormt de leidraad bij de beoordeling van de beroepsgronden. De rechtbank bespreekt hierna eerst de beroepsgronden die zien op artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb (strijd met wettelijk voorschrift). De rechtbank zal daarna ingaan op de beroepsgronden die zien op artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb (passende maatregel).
Is de natuurvergunning verleend in strijd met een wettelijk voorschrift?
5. Artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb bepaalt dat een natuurvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd als de natuurvergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend.
6. In het bestreden besluit staat het volgende met betrekking tot deze intrekkingsgrond:
“Wij zijn van oordeel dat aan de natuurvergunningen van 3 augustus 2015 (kenmerk [kenmerk 1]) en van 30 september 2016 (kenmerk [kenmerk 2]) wel passende beoordelingen ten grondslag liggen. Weliswaar stellen wij mede door de ontwikkeling van de rechtspraak inmiddels hogere eisen aan een passende beoordeling waaronder de onderbouwing van additionaliteit bij toepassing van de mitigerende maatregel extern salderen, maar dat neemt niet weg dat voorafgaand aan de verlening van de voormelde natuurvergunningen wel een passende beoordeling is verricht. Gelet hierop zijn de natuurvergunningen niet in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb en artikel 6, derde lid, van Habitatrichtlijn en is er dus geen sprake van strijd met een wettelijk voorschrift. Dit betekent dat wij niet bevoegd zijn om genoemde natuurvergunningen op grond van artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wnb in te trekken. Aan een belangenafweging komen wij derhalve niet toe. Wij verwijzen hierbij ook naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 11 april 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:2061).”
6.1.
Eiseres betoogt dat de natuurvergunning van 30 september 2016 is verleend met gebruikmaking van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Met de PAS-uitspraak van mei 2019 is vast komen te staan dat natuurvergunningen die verleend zijn op basis van het PAS niet passend zijn beoordeeld. De uitspraak van de rechtbank waar het college naar verwijst zag op een natuurvergunning die niet met toepassing van het PAS was verleend, maar met gebruikmaking van extern salderen. Deze uitspraak is dus niet vergelijkbaar.
Het college heeft zich daarom volgens eiseres ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij niet bevoegd was om met toepassing van artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb de natuurvergunning in te trekken.
6.2.
Zoals eiseres terecht heeft aangegeven betreft de uitspraak van de rechtbank van 11 april 2024 geen vergelijkbare zaak, want in die zaak was de natuurvergunning niet verleend met toepassing van het PAS. Het college heeft in het verweerschrift erkend dat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek kent. De Afdeling heeft namelijk in de uitspraak van 22 oktober 2025 overwogen dat een PAS-vergunning in strijd met de wettelijke voorschriften is verleend.
De beroepsgrond slaagt.
Is de intrekking nodig ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn?
7. Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb bepaalt dat een natuurvergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Dit artikel uit de Habitatrichtlijn voorziet in een permanente beschermingsverplichting en strekt ertoe dat passende maatregelen getroffen worden als verslechtering of significante verstoring van natuurlijke habitats en habitats van soorten dreigt.
In de hiervoor genoemde uitspraken van 2 juli 2025 heeft de Afdeling over de motivering van het besluit op een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van dit artikel het volgende overwogen:
“(…). De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig, die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of een wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Het college kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, en al zijn of nog zullen worden getroffen. Het college moet ook inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan en het betrokken pakket of programma voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan het college daar naar verwijzen. Vergelijk 28.2 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (hierna: de PAS-uitspraak). Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden.
(…). Het bovenstaande betekent dat het college niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van het college noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft het college daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan het college voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Het college zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat het college inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Hrl. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.”
7.1.
Eiseres betoogt – kort samengevat – dat het college met de verwijzing naar de maatregelen onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn wordt gerealiseerd in de Natura 2000-gebieden “Binnenveld” en “Veluwe”.
Verslechtering of significante verstoring van en de effecten op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden
7.2.
Niet in geschil is dat in de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden “Binnenveld” en “Veluwe” een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden dreigt. Ook is niet in geschil dat de activiteiten van de veehouderij effecten hebben op de natuurwaarden in dit gebied, nu de hoogste bijdrage in stikstofdepositie op Natura 2000-gebied “Binnenveld” volgens de AERIUS-berekeningen 15,39 mol/ha/jaar bedraagt en de hoogste bijdrage in stikstofdepositie op Natura 2000-gebied “Veluwe” 3,34 mol/ha/jaar. Dit betekent dat passende maatregelen moeten worden getroffen.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit heeft verwezen naar een pakket aan maatregelen dat wordt genomen om de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden terug te brengen, bestaande uit de Contourennota, het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN), de Uitvoeringsagenda Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS) en maatregelen die in de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden zijn opgenomen. Verder heeft het college verwezen naar de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv), de Regeling Circulaire Mestverwerking, de Kadernota Agrifood, Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer, Gebiedscoöperatie Het Binnenveld, de Pilot ondernemingsplan Gelderse Vallei en de Regeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-gebieden. Het college heeft verder aangegeven dat het doel is om in 2025 tot een reductie van 25% van de emissies van de Gelderse stikstofbronnen te komen, en dat het doel verder is om de in de wet opgenomen resultaatsverplichting om in 2030 tenminste 50% en in 2035 tenminste 74% van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarden (KDW) te brengen.
7.4.
Het college heeft in het bestreden besluit echter niet inzichtelijk gemaakt wat de effecten van de maatregelen zijn op de Natura 2000-gebieden “Binnenveld” en “Veluwe”. Dat volgens het college door de landelijke en provinciale maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen zullen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in het Natura 2000-gebieden “Binnenveld” en “Veluwe”. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie beroep en finale geschilbeslechting
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.1.
In artikel 8:41a van de Awb staat dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. Het college heeft in het verweerschrift van 19 december 2025 en de daarbij behorende bijlagen een nadere motivering opgenomen. Volgens het college is met deze aanvullende motivering het motiveringsgebrek hersteld. De rechtbank beoordeelt hierna bij wijze van finale geschilbeslechting of de aanvullende motivering toereikend is en of daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Toetsingskader finale geschilbeslechting
8.2.
Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, als het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende is gemotiveerd en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.
De rechtbank dient daarbij uit te gaan van de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het doen van de uitspraak. Bij de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank beoordelingsvrijheid.
9. De rechtbank zal hierna ingaan op de aanvullende motivering in het verweerschrift met betrekking tot de intrekkingsgrond uit artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb en beoordelen of met deze nieuwe motivering de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.
De aanvullende motivering in het verweerschrift
10. In het verweerschrift van 19 december 2025 heeft het college een update gegeven van de resultaten van de bestaande maatregelen. Verder heeft het college aangegeven dat in december 2024 de Versnellingsaanpak Stikstof (VAS) is aangekondigd. In de VAS worden volgens het college verschillende sporen opgepakt:
• het strokenbeleid. Dit moet leiden tot een reductie van stikstofemissies ten opzichte van 2018 van 60-70 % in 500 meter-stroken rondom de Natura 2000-gebieden “Veluwe”, “Landgoederen Brummen”, “Willinks Weust” en “Bekendelle”. Deze maatregel zal in oktober 2026 worden vastgesteld en tot die tijd geldt het voorbereidingsbesluit waarin een verbod op nieuwe en gewijzigde stikstofemitterende activiteiten binnen deze gebieden is vastgelegd.
• beleidsregels voor intern en extern salderen, waarin een reductieplicht is opgenomen.
• bronmaatregelen voor de stikstofemissie van agrarische bedrijven (van gemiddeld 42 % ten opzichte van 2018), voor de industrie (van 38 % in 2030 ten opzichte van 2019) en mobiliteit en wonen (van 25 % in 2030 ten opzichte van 2019).
10.1.
Voor het Natura 2000-gebied “Binnenveld” heeft het college voor de habitattypen Overgangs- en trilvenen (H7140A) en Blauwgraslanden (H6410) met AERIUS-monitor 2025 inzichtelijk gemaakt wat de ontwikkeling van de stikstofdepositie is op deze habitattypen ten opzichte van de KDW. Deze KDW is voor Overgangs- en trilvenen (H7140A) 1.214 mol N/ha/jr en voor Blauwgraslanden (H6410) 786 mol N/ha/jr.
Het college geeft voor Overgangs- en trilvenen (H7140A) aan dat dit habitattype in 2035 niet meer (naderend) overbelast is. Uit deze prognose blijkt dat stikstofdepositie voor dit habitattype geen drukfactor van betekenis meer is.
Voor habitattype Blauwgraslanden (H6410) neemt de stikstofdepositie wel af, maar uit AERIUS-monitor 2025 volgt dat de KDW in 2030 of 2035 nog niet wordt gehaald. De verwachte depositie is in 2035 873 mol N/ha/jaar, zodat deze volgens het college wel onderweg is naar de KDW.
10.2.
Volgens het college hebben het Rijk en de provincies op basis van de natuurdoelanalyses (hierna: NDA’s) en adviezen van de Ecologische Autoriteit (hierna: EA) echter aanvullende passende maatregelen getroffen die nog niet zijn verdisconteerd in de prognoses van AERIUS Monitor 2025. Er zal daarom sprake zijn van een grotere daling dan de resultaten die nu zichtbaar zijn in AERIUS Monitor 2025. Daarbij wijst het college op:
• de resultaten uit de Gelderse Versnellingsaanpak Stikstof;
• de resultaten van Gelders beleid, namelijk de Kadernota Agrifood, de Gebiedscoöperatie Binnenveld, Pilot ondernemingsplan Gelderse Vallei);
• andere gebiedsprocessen van de provincie, waaronder Food Valley met bijbehorend uitvoeringsplan.
Verder geeft het college aan dat uit de NDA voor Binnenveld blijkt dat niet alleen een blijvende daling van stikstof van belang is om verslechtering te voorkomen en voor voldoende herstel van de natuur, maar dat hydrologische maatregelen evenzeer van belang zijn. Het is volgens het college zeer wel denkbaar dat verslechtering kan worden uitgesloten in situaties van (lichte) overschrijding van de KDW. Er moet bijvoorbeeld weer meer grondwater naar het gebied stromen en het water moet hier langer worden vastgehouden. Daarnaast dient verbinding gemaakt te worden met nabijgelegen natuurgebieden om te zorgen voor een groter en niet meer versnipperd gebied. Daar heeft de kalverhouderij verder geen invloed op.
10.3.
Het college heeft verder in de memo die als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd aangegeven dat:
• nog niet alle (opkoop)maatregelen, zoals de Lbv, Lbv+, de Maatregel gerichte opkoop (MGO) en de Vrijwillige Opkoop Kalverhouderijen provincie Gelderland verwerkt zijn in AERIUS-monitor 2024. De prognoses van AERIUS Monitor 2024 zijn gebaseerd op uitgangspunten uit de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (hierna: KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving. Op basis van de KEV 2022, was de LBV+ maatregel nog geen vastgesteld beleid, maar geagendeerd beleid. Deze effecten zitten dus nog niet in AERIUS Monitor. In de recente KEV 2024 zijn deze effecten wel opgenomen, maar dit is nog niet verwerkt in AERIUS-monitor.
Het college veronderstelt dat voor de provincie Gelderland sprake is van een forse onderschatting omdat de Lbv en Lbv+ landelijke regelingen betreffen waarvoor het PBL een gemiddeld effect per provincie toekent. Uit RVO-cijfers blijkt echter dat Gelderland het hoogste aantal Lbv(+) aanmeldingen heeft van alle provincies (circa 50 %). Van de Vrijwillige Opkoop Kalverhouderijen provincie Gelderland zijn 4 van de 5 opgekochte bedrijven meegenomen. De omvang van deze bedrijven blijkt veel groter en daarom is dit in de KEV 2024 gecorrigeerd en dit zal worden meegenomen in toekomstige effecten van AERIUS-monitor. De afschaffing van derogatie was nog niet meegenomen in de raming van de KEV 2022. De Universiteit van Wageningen heeft becijferd dat dit een daling van l,6 kiloton N/jr oplevert.
• De KEV de effecten per provincie prognosticeert. De emissie-effecten van maatregelen voor de toekomstjaren worden daarbij ruimtelijk over de gehele provincie uitgespreid, terwijl de hier onderzochte maatregelen, in zoverre wel verwerkt in de toekomstprognoses van AERIUS, juist rondom overbelaste N2000-gebieden zijn gerealiseerd. Doordat NH3 neerslaat in de directe omgeving zijn de werkelijke effecten op de N2000 gebieden veel groter dan wanneer de emissies over de gehele provincie worden uitgespreid.
• De uitstoot per hectare van natuurinclusieve landbouw lager is, als gevolg van beweiden en bemesten, ten opzichte van traditionele landbouw. De recente KEV 2024 doet hierover prognoses, maar is nog niet opgenomen in AERIUS-monitor.
Het college heeft het voorgaande in de onderstaande tabel gekwantificeerd:
10.4.
Met betrekking tot het Natura 2000-gebied “Veluwe” heeft het college aangegeven dat de totale depositievracht van vergunninghouder op de Veluwe 18.077 mol N/jr bedraagt. Het effect van de vrijwillige beëindigingsregelingen voor de Veluwe betreft een totale depositievracht van 786.914 mol N/jr voor 2025 en 2.234.836 mol N/jr voor 2030. Omdat de vrijwillige beëindigingsregelingen 120 keer effectiever zijn dan intrekking van de natuurvergunning van vergunninghouder, ligt intrekking van de natuurvergunning omwille van het Natura 2000-gebied “Veluwe” niet voor de hand, aldus het college.
11. Zoals de rechtbank in overweging 7 heeft aangegeven moet het college aannemelijk en inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in de relevante Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Dat betekent dat in dit geval het college inzichtelijk moet maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden Binnenveld en Veluwe binnen een afzienbare termijn.
Veluwe
12. Voor wat betreft het Natura 2000-gebied “Veluwe” is de rechtbank van oordeel dat het college weliswaar noemt welke maatregelen worden genomen maar daarmee onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat het effect van die maatregelen is op de concrete habitattypes zoals die op de Veluwe voorkomen. Dat is echter wel nodig om te beoordelen of de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn met die andere maatregelen wordt behaald. Zoals eiseres terecht heeft aangegeven volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat de omstandigheid dat andere maatregelen worden getroffen met een groter effect dan intrekking van deze natuurvergunning, niet dat intrekking van de natuurvergunning niet langer bijdraagt aan het voorkomen van verslechtering in het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Dat de stikstofdepositie van de veehouderij op de Veluwe volgens het college met 3,34 mol/ha/jaar gering is, maakt ook niet dat enkel daarom van intrekking kan worden afgezien. Het motiveringsgebrek is op dit punt niet hersteld, zodat er reeds daarom geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten.
Binnenveld
13. Eiseres betoogt dat het Natura 2000-gebied “Binnenveld” een derde habitattype bevatte, maar dat deze onder meer door stikstofdepositie is verdwenen zodat het behoud ervan niet is gelukt. Over dit habitattype heeft het college niets aangevoerd in de aanvullende motivering.
13.1.
De rechtbank stelt vast dat in het Natura 2000-gebied “Binnenveld” sprake is (was) van drie habitattypen. Zoals eiseres terecht heeft aangegeven is het college slechts op twee habitattypen (Blauwgraslanden (H6410) en Overgangs- en trilvenen (H7140A)) ingegaan en niet op het habitattype Overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (H7140B). Omdat in de aanvullende motivering niet is ingegaan op het derde habitattype is er in zoverre nog steeds sprake van een motiveringsgebrek.
Ook daarom bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.
Conclusie finale geschilbeslechting
14. Gelet op wat de rechtbank onder 8 heeft overwogen, is het beroep van eiseres gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. Het college heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Omdat met het verweerschrift zowel voor wat betreft het Natura 2000-gebied “Veluwe” als “Binnenveld” niet alsnog een toereikende motivering is gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op dit punt in stand te laten. De rechtbank laat wat eiseres verder heeft aangevoerd tegen de aanvullende motivering buiten beschouwing. Daarop kan het college in de nieuwe beslissing op bezwaar ingaan.
Het voorgaande betekent dat het college het verzoek van eiseres opnieuw zal moeten beoordelen.
Proceskosten en griffierecht
15. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op een zitting, met een waarde van € 934 per punt en wegingsfactor 1). Ook de reiskosten (€ 10,20) komen voor vergoeding in aanmerking.
16. Tot slot bepaalt de rechtbank dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 371 aan haar vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 1.878,20,-;
- draagt het college op de door eiseres betaalde griffiekosten van € 371,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. J.M. Emaus en mr. M.A.A. Soppe, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2021:71.
ECLI:NL:RVS:2025:2969 (ro 10) en ECLI:NL:RVS:2025:2973 (ro 6).
ECLI:NL:RVS:2019:1603.
ECLI:NL:RVS:2025:5090, overweging 8.
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2969), overweging 13.4, en de uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1953), overweging 9.1.
Dit kan op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.
Zie overweging 6.2 van de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2325)
Zie overweging 2.4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO0267).
Zie overweging 2.6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL0742).
Zie ter vergelijking overweging 9 van de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1953). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|