|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:799 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-07-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/2077 AOW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Hoogte AOW-pensioen met een korting van 16%. Appellant heeft een pensioenoverzicht uit 2016 met een overzicht van verzekerde jaren. Bij de toekenning van het AOW-pensioen in 2023 is een korting van 16% toegepast. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb in dit geval niet toereikend en deugdelijk gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling onjuist was. Onder deze omstandigheden moet de Svb op grond van het vertrouwensbeginsel bij de vaststelling van het AOW-pensioen van appellant uitgaan van de in het pensioenoverzicht uit 2016 vermelde tijdvakken van verzekering. De Svb mag op het AOW-pensioen van appellant geen korting toepassen over de periode van 24 augustus 1979 tot en met 4 november 1981. Hoger beroep slaagt. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent aan appellant vanaf 17 september 2023 een AOW-pensioen toe van 90% van het maximale pensioen. | | Trefwoorden | : | aow | | | ingezetene | | | kwekerij | | | uitkering | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2077 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2024, 24/2013 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (college)
Datum uitspraak: 18 juni 2026
SAMENVATTING
Appellant is het niet eens met de hoogte van zijn AOW-pensioen en stelt onder andere dat de Svb kan worden gehouden aan een pensioenoverzicht uit 2016, waarin stond dat hij al eerder verzekerd was voor de AOW dan waarvan de Svb nu is uitgegaan. Deze grond slaagt. De vaststelling door de Svb in het pensioenoverzicht was niet evident onjuist en later opgekomen gegevens versterken het standpunt van appellant. De Svb heeft dan ook niet deugdelijk en toereikend gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling onjuist was.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft daarnaast verzocht de Svb te veroordelen in de door hem geleden schade, waaronder de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
De Svb heeft in een pensioenoverzicht van 8 april 2016 vastgesteld dat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW van 17 november 1973 tot en met 23 augustus 1979 en verzekerd is voor die wet vanaf 24 augustus 1979.
1.2.
Appellant heeft op 10 juli 2023 een AOW-pensioen aangevraagd. Met een besluit van 5 december 2023 heeft de Svb appellant vanaf 17 september 2023 een AOW-pensioen toegekend met een korting van 16%. De Svb is daarbij afgeweken van het pensioenoverzicht door vast te stellen dat appellant pas vanaf 5 november 1981 verzekerd is voor de AOW. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt maar de Svb heeft met een besluit van 22 februari 2024 (bestreden besluit) de vaststelling van het AOW-pensioen op 84% van het maximale pensioen gehandhaafd. De Svb heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant pas vanaf 5 november 1981, de datum van inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam, als ingezetene kan worden beschouwd en op die grond verzekerd is. Er is geen reden om appellant vanaf 10 februari 1978 (de datum waarop appellant stelt in Nederland te zijn gekomen) verzekerd te achten. Appellant had geen geldige verblijfsvergunning, stond niet ingeschreven bij de gemeente en de Svb heeft niet kunnen vaststellen dat hij heeft gewoond of gewerkt in Nederland. Dat bij het pensioenoverzicht is uitgegaan van verzekering vanaf 24 augustus 1979 berust op onjuiste gegevens en is niet getoetst aan de voorwaarden voor ingezetenschap.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat appellant in de periode van 10 februari 1978 dan wel 24 augustus 1979 tot en met 4 november 1981 in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Volgens de rechtbank blijkt daarvan niet uit de verklaring van 20 juni 2023 van de GGD die appellant heeft overgelegd. Ook overweegt de rechtbank dat appellant geen bewijs heeft overgelegd van zijn stellingen dat hij in dienstbetrekking bij kwekerij [naam] in [plaats] zou hebben gewerkt of op een adres in de [straat] in [woonplaats] zou hebben verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet, omdat meer gewicht toekomt aan het algemeen belang dat de AOW correct wordt toegepast. Ook overweegt de rechtbank dat appellant niet is benadeeld omdat het lagere AOW-pensioen wordt aangevuld door een uitkering op grond van de AIO.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellant tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van de Svb
3.2.
De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van de AOWuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant is in hoger beroep opgekomen tegen het feit dat hij niet AOW-verzekerd is geacht over het tijdvak 24 augustus 1979 tot en met 4 november 1981. Hij heeft onder andere een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en gesteld dat hij heeft mogen vertrouwen op de juistheid van het pensioenoverzicht van 8 april 2016, waarin hij is aangemerkt als verzekerd voor de AOW over de periode van 24 augustus 1979 tot en met 4 november 1981. De Svb had dat gewekte vertrouwen gestand moeten doen. Deze beroepsgrond slaagt om de volgende redenen.
4.2.
Appellant heeft in het kader van zijn aanvraag om een pensioenoverzicht in 2016 een verklaring van de GGD Amsterdam overgelegd, waarin staat vermeld dat hij van 24 augustus 1979 tot 1 juni 1980 onder behandeling is geweest voor longtuberculose en dat hij tot januari 1985 onder controle is gebleven. De Svb heeft in het pensioenoverzicht van 8 april 2016 appellant op basis van deze verklaring en de daarbij verstrekte toelichting zonder voorbehoud aangemerkt als verzekerd voor de AOW over onder andere de periode van 24 augustus 1979 tot en met 4 november 1981 (de datum van inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam), en vermeld welk pensioenbedrag hij inmiddels had opgebouwd.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak staat een in een pensioenoverzicht vastgesteld aantal verzekerde jaren niet ook voor de toekomst definitief vast. Nu het feitelijke rechtsgevolg pas intreedt bij het besluit over het AOW-pensioen, moet de Svb op dat moment opnieuw onderzoeken in welke jaren iemand verzekerd was. Voor zover dit onderzoek ziet op jaren waarover via een pensioenoverzicht reeds een standpunt was bepaald, moet wel deugdelijk en toereikend worden gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling onjuist was.
4.4.
Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb in dit geval niet toereikend en deugdelijk gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling onjuist was. Van een evidente fout is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Ter zitting van de Raad heeft de Svb bevestigd dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken in het nadeel van het aannemen van een verzekerd tijdvak, doch dat de overgelegde informatie nu anders wordt gewogen dan ten tijde van het verstrekken van het pensioenoverzicht. Hoewel het nadere standpunt van de Svb op basis van de aanwezige informatie rechtens aanvaardbaar zou zijn geweest, is de conclusie die in 2016 aan de overgelegde stukken is verbonden niet klaarblijkelijk onjuist. Die conclusie wordt ondersteund door een bij de pensioenaanvraag overgelegd bewijs van inschrijving bij het Marokkaanse consulaat en wordt versterkt door een in hoger beroep overgelegde verklaring van een gewezen collega van appellant. Op basis hiervan is de stelling van appellant dat hij in het tijdvak in geding in Nederland verbleef, er in eerste instantie werkte, in augustus 1979 tuberculose heeft opgelopen, daarvoor tot 1 juni 1980 in Nederland is behandeld en later onder controle is gebleven, en dat hij tijdens zijn ziekte een uitkering heeft ontvangen, niet zonder meer onaannemelijk.
4.5.
Onder deze omstandigheden moet de Svb op grond van het vertrouwensbeginsel bij de vaststelling van het AOW-pensioen van appellant uitgaan van de in het pensioenoverzicht vermelde tijdvakken van verzekering. De Svb mag dus op het AOW-pensioen van appellant geen korting toepassen over de periode van 24 augustus 1979 tot en met 4 november 1981.
Conclusie en gevolgen
5.1.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard.
5.2.
De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. De Raad zal aan appellant vanaf 17 september 2023 een AOW-pensioen toekennen van 90% van het maximale pensioen en bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen besluit.
5.3.
Appellant heeft verzocht de Svb te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente, mocht zijn hoger beroep slagen. Dat verzoek zal worden toegewezen. Voor de wijze waarop de Svb de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012.
6. Omdat het hoger beroep slaagt, krijgt appellant een vergoeding van de kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 3.736,- (2 punten voor de indiening van het beroepschrift en hoger beroepschrift en 2 punten voor de zittingen, met een wegingsfactor 1. De waarde per punt is € 934,-). De reiskosten van appellant voor het verschijnen op de zitting in beroep en op de zitting in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 17,40 op basis van openbaar vervoer tweede klas. In totaal bedragen de te vergoeden proceskosten € 3.753,40. Daarnaast dient de Svb het door appellant betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 februari 2024;
- herroept het besluit van 5 december 2023;
- kent aan appellant vanaf 17 september 2023 een AOW-pensioen toe van 90% van het maximale pensioen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de Svb tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven;
- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.753,40;
- bepaalt dat de Svb aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 189,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip verzekerde.
Algemene Ouderdomswet.
Aanvullende inkomensvoorziening ouderen.
Uitspraak van de Raad van 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:387; uitspraak van de Raad van 9 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:421.
Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|