|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:836 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-07-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/1296 ZW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beëindiging ZW-uitkering en weigering toekenning WIA-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom niet meer of andere beperkingen zijn aangenomen. Bevestiging van de aangevallen uitspraak. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | 25/1296 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 mei 2025, 24/3437 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 13 februari 2023 heeft beëindigd en of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 1 mei 2023 een WIA-uitkering toe te kennen. Volgens appellant heeft hij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de geselecteerde functies vervullen, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering en onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd en terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Akça-Altun, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Akça-Altun. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als chauffeur voor 29,89 uur per week. Op 3 mei 2021 heeft hij zich ziekgemeld met fysieke klachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZWbeoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 januari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 12 januari 2023 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 13 februari 2023 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Op 24 mei 2023 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Het Uwv heeft bij besluit van 31 mei 2023 geweigerd appellant met ingang van 1 mei 2023 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij de voorgeschreven wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.
1.3.
Bij besluit van 1 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 12 januari 2023 en 31 mei 2023 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het maatmaninkomen vanwege een onjuist CBS-indexcijfer gewijzigd. Het voorgaande heeft geleid tot de conclusie dat appellant nog 82,38% van het maatmaninkomen kan verdienen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank is niet gebleken dat in de FML van 2 januari 2023 de beperkingen van appellant zijn onderschat. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. De informatie die appellant in beroep heeft overgelegd, geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. De ingebrachte medische informatie geeft geen ander beeld dan de verzekeringsgeneeskundige rapportages. Daarnaast ziet een deel van de overgelegde informatie (de operatie aan de rechterpols) op een periode na de datum in geding. Wat betreft de door appellant geclaimde urenbeperking hebben de artsen van het Uwv navolgbaar gemotiveerd dat er geen sprake is van een ernstige medische aandoening die leidt tot een stoornis in de energiehuishouding. Het Uwv heeft zich daarnaast terecht op het standpunt gesteld dat er op de datum in geding geen sprake was van een verminderde beschikbaarheid door behandeling. Ter zitting heeft appellant bevestigd dat hij in de betreffende periode wekelijks fysiotherapie had en af en toe het ziekenhuis bezocht. Hiermee is geen sprake van een intensieve behandeling waardoor appellant verminderd beschikbaar was voor arbeid. Omdat de rechtbank geen twijfels had aan de vastgestelde belastbaarheid is het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de belasting binnen de geduide functies past bij de aangenomen beperkingen zoals neergelegd in de FML. Wat betreft het opleidingsniveau volgt uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem, en is in vaste rechtspraak van de Raad aanvaard, dat opleidingsniveau 2 veronderstelt dat een betrokkene basisonderwijs heeft voltooid, eventueel aangevuld met meerdere jaren vervolgonderwijs zonder diploma. Daarbij is het niet relevant of het onderwijs in Nederland of in het buitenland is gevolgd. Niet in geschil is dat appellant het basisonderwijs in Turkije heeft afgerond en een aantal jaren vervolgonderwijs heeft gevolgd. Appellant voldoet hiermee aan opleidingsniveau 2. Ook de beroepsgrond dat bij het selecteren van functies ten onrechte geen rekening is gehouden met de taalbarrière slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal op grond van artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt aangemerkt als een bekwaamheid die algemeen gebruikelijk is en binnen zes maanden kan worden verworven. Onder de werking van dit artikel zijn de functies met opleidingsniveau 1 begrepen. In dit geval zijn dat de functies textielproductenmaker (SBC-code 111160) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010). Voor deze functies geldt dat ervan uit mag worden gegaan dat appellant de algemeen gebruikelijke bekwaamheid (mondelinge beheersing van de Nederlandse taal) binnen zes maanden kan verwerven. Daarbij heeft de rechtbank nog overwogen dat appellant niet heeft onderbouwd dat het niet kunnen verwerven van deze bekwaamheid een gevolg is van een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. De functie productiemedewerker industrie (SBCcode 111180) vereist opleidingsniveau 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat ook deze functie terecht passend is geacht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant een taalcursus Nederlands heeft gevolgd en eerder in Nederland werkzaam is geweest als chauffeur en productiemedewerker. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Raad volgt, dat ook iemand met een beperkte taal- en leesvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat kan worden geacht om eenvoudige productiematige functies te vervullen. Naar het oordeel van de rechtbank is de functie productiemedewerker industrie zo’n functie. Uit de omschrijving van de inhoud van deze functie blijkt dat daarin geen groot beroep wordt gedaan op de beheersing van de Nederlandse taal. Het betreft een eenvoudige en routinematige functie. De arbeidskundig analist heeft aangegeven dat de medewerker mondelinge instructies en aanwijzingen ontvangt van de chef, met eventueel een afbeelding van de printplaat. Er is minimaal sprake van lezen (vakjargon), maar voornamelijk mondelinge aanwijzingen en instructies. Appellant moet daarom in staat worden geacht te kunnen voldoen aan de beperkte eisen die in deze functie worden gesteld aan de schriftelijke en mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de ZW-uitkering van appellant terecht is beëindigd met ingang van 13 februari 2023. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank ook terecht geweigerd om aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het medisch onderzoek bij het Uwv niet zorgvuldig is geweest. Het eerste onderzoek is gedaan door een verzekeringsarts in opleiding en de primaire beslissing is zonder medische stukken genomen. Appellant heeft in bezwaar en in beroep medische stukken en afspraken overgelegd en heeft uitvoerig uiteengezet welke operaties al zijn uitgevoerd en welke operaties nog op de wachtlijst staan. Deze stukken zijn niet of in onvoldoende mate betrokken bij de primaire beslissing van het Uwv, de beslissing op het bezwaar en de uitspraak van de rechtbank. Daarnaast is appellant van mening dat hij meer beperkingen heeft dan in de FML is aangenomen. Ten onrechte heeft rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een urenbeperking. Appellant kan ‘s nachts niet slapen. Hij piekert veel over zijn toestand. Daarnaast heeft appellant vaak afspraken in het ziekenhuis en moest hij wekelijks naan de fysiotherapie. Appellant heeft in hoger beroep een rapport van 25 september 2025 van dr. A. Beumer, orthopedisch chirurg, in het geding gebracht, waaruit blijkt dat in september 2025 een operatie heeft plaatsgevonden aan de linkerhand/pols. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige in te schakelen die zijn lichamelijke en psychische klachten kan onderzoeken en de Raad hierover kan informeren. Hij heeft zelf geen financiële middelen om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij als gevolg van de lichamelijke en psychische klachten niet geschikt is voor de geduide functies. Appellant heeft erop gewezen dat bij alle geduide functies veelvuldig met handen en armen moet worden gewerkt, terwijl hij met name last heeft van zijn handen, armen en schouders. Voor de functies van textielproductenmaker en medewerker bloemzaadproductie moet de medeweker in staat zijn om de Nederlandse taal te lezen en begrijpen. Uit het dossier blijkt dat appellant dat niet kan. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de stellingen van appellant met betrekking tot zijn opleidingsniveau. Appellant is niet in staat de bekwaamheden die nodig zijn om arbeid te verrichten, zoals de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal en eenvoudig computergebruik, binnen zes maanden te verwerven.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat de verzekerde recht heeft op toekenning van uitkering zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest (de wachttijd) en na afloop nog arbeidsongeschikt is.
Medische beoordeling
5.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
5.4.
Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, wordt onderschreven. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit, omdat het onderzoek door de (primaire) arts heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt, onder verwijzing naar de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, overwogen dat appellant door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het spreekuur is gezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van de dossiergegevens, heeft appellant op een spreekuur psychisch en lichamelijk onderzocht en vervolgens het standpunt van de (primaire) arts heroverwogen. Over zijn bevindingen heeft hij op 17 januari 2024 inzichtelijk gerapporteerd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen volledig beeld had van de medische situatie van appellant op de datum in geding en of de eerdere conclusies blindelings heeft overgenomen zonder een eigen afweging.
5.5.
De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom niet meer of andere beperkingen zijn aangenomen. Appellant is aangewezen op fysiek en energetisch relatief licht belastende werkzaamheden waarbij specifiek rekening is gehouden met de beperkte belastbaarheid van de schouders, handen en knieën. Daarnaast is ook de mentale belasting in werk beperkt. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat zijn beperkingen op de datum in geding zijn onderschat. Appellant heeft niet met medische stukken onderbouwd dat hij meer beperkt is. De in hoger beroep overgelegde informatie van de orthopedisch chirurg over een operatie aan de linkerhand/pols in september 2025 ziet op de medische situatie ruim na de datum in geding, zodat hieruit niet volgt dat de belastbaarheid van appellant niet juist is ingeschat. Het standpunt dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen, is niet onderbouwd, zodat dit ook niet leidt tot een ander oordeel. Uit het dossier is niet gebleken van een zodanige verminderde beschikbaarheid vanwege behandeling dat op grond daarvan een urenbeperking moet worden aangenomen.
5.6.
Omdat er geen twijfel is over de juistheid van de medische beoordeling, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
5.7.
De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat appellant in medisch opzicht niet in staat zou zijn om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen. Het standpunt van appellant dat hij vanwege de belasting van zijn handen, armen en schouders daartoe niet in staat is, houdt niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen. Deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel.
5.8.
De slechte beheersing van de Nederlandse taal vormt ook geen reden om aan te nemen dat appellant niet in staat is om de geselecteerde functies uit te oefenen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Niet is gebleken dat er medische redenen zijn waarom appellant niet in staat zou zijn de in de functies vereiste basale beheersing van de Nederlandse taal binnen een redelijke termijn aan te leren.
Weigering WIA-uitkering
5.9.
Gelet op het feit dat het Uwv de ZW-uitkering op goede gronden heeft beëindigd per 13 februari 2023, heeft het Uwv terecht per 1 mei 2023 een WIA-uitkering geweigerd, omdat de wachttijd van 104 weken per die datum niet is volgemaakt.
Conclusie en gevolgen
5.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering en de weigering van een WIA-uitkering in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) C.C.T. Yao
CRvB 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.
De rechtbank noemt als voorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:630.
De rechtbank noemt als voorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2064.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|