|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:315 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-07-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 24/236 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Verzoek van milieuorganisaties om intrekking van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en efsenvaleraat omdat die werkzame stoffen in Nederlandse oppervlaktewateren worden aangetroffen in hoeveelheden die de normen uit de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden. Het Ctgb heeft geen aanleiding gezien om de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen in te trekken. Het College laat het bestreden besluit in stand. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | perceel | | | tuinbouw | | Wetreferenties | : | Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/236
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN), te Assen en
Stichting Natuur- en Milieufederatie Zuid Holland (NMZH), te Den Haag (samen: de milieuorganisaties)
(gemachtigden: mr. M.R.J. Baneke en M. Mantingh)
en
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)
(gemachtigden: mr. M.K. Konings en mr. M.K. Polano)
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
met als derde partijen
Sumitomo Chemical Agro Europe S.A.S., te Saint Didier au Mont d’Or (Frankrijk) (Sumitomo)
(gemachtigde: mr. E. Broeren)
en
Arysta LifeScience Benelux Sprl, te Ougree (België)
en
SBM Développement S.A.S., te Ecully (Frankrijk)
Procesverloop
Met een brief van 10 mei 2023 heeft het Ctgb gereageerd op een verzoek van de milieuorganisaties om intrekking van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat.
Met het besluit van 24 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Ctgb beslist op het bezwaar van de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023.
De milieuorganisaties hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.
Het Ctgb en de milieuorganisaties hebben nadere stukken ingezonden.
Sumitomo heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 11 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen gemachtigde Baneke van de milieuorganisaties, vergezeld van [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], de gemachtigden van het Ctgb, vergezeld van [naam 5], en de gemachtigde van Sumitomo, vergezeld van [naam 6].
De milieuorganisaties hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.
Overwegingen
Samenvatting
In deze zaak staan toelatingen door het Ctgb van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en efsenvaleraat ter discussie. De milieuorganisaties hebben verzocht om intrekking van de toelating van deze middelen, omdat de werkzame stoffen die deze middelen bevatten in Nederlandse oppervlaktewateren worden aangetroffen in hoeveelheden die de normen uit de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden. Het Ctgb heeft geen aanleiding gezien om de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen in te trekken. Het College laat het bestreden besluit in stand.
Inleiding
1.1
De milieuorganisaties hebben met een brief van 7 maart 2023 aan het Ctgb om intrekking verzocht van de toelating van alle gewasbeschermingsmiddelen op basis van cypermethrin, esfenvaleraat en abamectine (voor zover het toepassingen betreft in bedekte teelt). Volgens de milieuorganisaties blijkt uit de Bestrijdingsmiddelenatlas dat in de periode van 2017 tot en met 2021 de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen van deze werkzame stoffen in oppervlaktewateren zijn overschreden.
1.2
Het Ctgb heeft het verzoek tot intrekking van de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen niet ingewilligd. In het bestreden besluit heeft het Ctgb uiteengezet dat en waarom hij niet tot intrekking van de toelatingen overgaat.
1.3
De besluitvorming van het Ctgb heeft betrekking op twaalf gewasbeschermingsmiddelen, waaronder Talisma EC, Belem 0.8 MG, Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC. Arysta LifeScience Benelux Sprl is de toelatinghouder van Talisma EC.
SBM Développement S.A.S. is de toelatinghouder van Belem 0.8 MG en Sumitomo Chemical Agro Europe S.A.S. is de toelatinghouder van Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC.
Beoordeling College
Is sprake van een besluit en zijn de milieuorganisaties hierbij belanghebbenden?
2.1
Het College ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023 bezwaar konden maken en of zij belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) zijn. Sumitomo heeft dit in twijfel getrokken.
2.2
Het verzoek van de milieuorganisaties aan het Ctgb om (ambtshalve) toepassing te geven aan artikel 44 van Verordening 1107/2009, strekt ertoe dat het Ctgb een besluit neemt tot intrekking van de toelating van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. De brief van 10 mei 2023, waarin het Ctgb heeft uiteengezet dat de door de milieuorganisaties verstrekte informatie geen aanleiding geeft om de toelatingen opnieuw te bekijken, houdt een afwijzing in van dat verzoek en tegen een dergelijke afwijzing staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open (zie de uitspraak van het College van 5 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:358).
2.3
Het Ctgb heeft de milieuorganisaties terecht als belanghebbenden aangemerkt. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
2.4
De milieuorganisaties hebben met hun verzoek willen bereiken dat het Ctgb toelatingen van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, die de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden, in zou trekken, zodat de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland, en daarmee in de provincie Zuid-Holland
– de overschrijdingen waarnaar in het verzoek wordt verwezen hebben specifiek ook op dit gebied betrekking – wordt beschermd en verbetert. Dit past bij het doel dat beide milieuorganisaties statutair nastreven. Gezien de op de website van PAN te raadplegen statuten streeft deze stichting onder andere ernaar activiteiten te bevorderen om de toepassing en de verspreiding van synthetische pesticiden en biociden en andere schadelijke producten uit de chemische industrie te verminderen en te elimineren. Om de doelen te bereiken, houdt de stichting zich onder andere bezig met lobbyen, onderzoek, mogelijke voorstellen voor en verzet tegen wetswijzigingen of beleidsbeslissingen in Europese, nationale, regionale, lokale of mondiale fora. In de statuten van de NMZH, die op de website van deze stichting te vinden zijn, staat als doel omschreven: het bevorderen van een evenwichtige duurzame ontwikkeling van de economie, de samenleving en de fysieke omgeving, met daarbij speciale zorg voor de natuur, het landschap en het milieu in de provincie Zuid-Holland. De stichting beoogt dit doel te bereiken door – onder andere – het handelen, of het nalaten daarvan, door overheden te beoordelen, beïnvloeden en begeleiden, zoals door het indienen van bezwaar- en beroepschriften. Op de websites van de milieuorganisaties is informatie te vinden over de feitelijke werkzaamheden, waaronder activiteiten die zich richten tegen watervervuiling.
Dit brengt met zich dat de milieuorganisaties door het besluit van het Ctgb feitelijk en rechtstreeks worden geraakt in een belang dat zij krachtens hun statutaire doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Intrekking van de toelatingen omdat de voorwaarden voor de toelatingen langdurig zijn geschonden?
3.1
Het College zal eerst beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de toelatingsnormen van de gewasbeschermingsmiddelen zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, eerste volzin, in samenhang met het derde lid, van de gewasbeschermingsverordening.
3.2
In artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van de gewasbeschermingsverordening staat dat lidstaten een toelating te allen tijde opnieuw kunnen bekijken indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen. In artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening staan de eisen voor de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Het eerste lid, aanhef en onder e, van artikel 29 bepaalt dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten als het op grond van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening. Het is aan de lidstaat – en in dit geval het Ctgb dat in Nederland op grond van artikel 4 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden de aangewezen instantie is – om te bepalen of het de toelating opnieuw gaat bekijken.
3.3
Wanneer het Ctgb meent dat er aanwijzingen zijn dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen en het voornemens is een toelating in te trekken of te wijzigen, dan licht hij volgens artikel 44, tweede lid, de houder van de toelating in om opmerkingen te formuleren of gegevens te verstrekken. Het derde lid van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening bepaalt dat de lidstaat in voorkomend geval de toelating intrekt of wijzigt. Dit is onder meer het geval als (onder a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening of als (onder c) niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating. Overigens is niet in geschil dat artikel 44 en artikel 29 het gebruik in overeenstemming met de toelatingsvoorwaarden veronderstellen.
3.4
Het Ctgb heeft onderzocht of er aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen en is in het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat die er niet zijn. Op grond daarvan heeft het Ctgb geen aanleiding gezien de toelatingen in te trekken.
Cypermethrin en abamectine
3.5
De milieuorganisaties voeren aan dat er weliswaar niet veel, maar wel een aantal overschrijdingen van de toelatingsnormen voor cypermethrin en abamectine zijn. Volgens de milieuorganisaties is daarbij het resultaat van metingen wel geflatteerd, omdat veel meetpunten niet toetsbaar zijn, zodat ervan uit moet worden gegaan dat er veel meer overtredingen zijn dan de Bestrijdingsmiddelenatlas aangeeft. Er is volgens de milieuorganisaties dan ook alle reden voor het Ctgb om in actie te komen.
3.6
Het Ctgb geeft aan dat voor beide stoffen het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm laag is en dat er in de Bestrijdingsmiddelenatlas geen correlatie met landgebruik is gerapporteerd. Voor cypermethrin ging het in de periode 2018 tot en met 2021 om drie á vier overschrijdingen op een totaal van meer dan 400 locaties en in 2022 om nul overschrijdingen. Voor abamectine was er in de jaren 2021 en 2022 sprake van nul tot twee overschrijdingen. In 2020 waren dat nog 14 overschrijdingen. De reden voor het Ctgb om bij lage aantallen overschrijdingen van de toelatingsnormen niet in te grijpen, is dat het niet nodig is dat alle locaties altijd voldoen aan de toelatingsnormen. Het gebruikelijke beschermdoel voor blootstelling in het milieu is het 90 percentiel van de concentraties in ruimte en tijd. Het Ctgb ziet enkele verspreid voorkomende overschrijdingen per jaar niet als structureel, omdat de kans dat de overschrijding gerelateerd is aan andere oorzaken (zoals onjuist gebruik of weersomstandigheden) groter is dan de kans dat het aan de toelating ligt. Daarnaast moet duidelijk zijn dat het aan de toelating ligt en niet aan illegaal of onjuist gebruik. Als er geen indicatie is dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is, is er onvoldoende bewijs om in te grijpen in de toelating.
3.7
Het College kan het Ctgb volgen in zijn conclusie dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen (en daarmee de toelatingsvoorwaarden). Hoewel het College kan begrijpen dat de milieuorganisaties van het Ctgb verwachten dat het actie onderneemt als sprake is van overschrijdingen van de toelatingsnorm, heeft het Ctgb naar het oordeel van het College toereikend toegelicht waarom daarvoor in dit geval geen aanleiding is. Het gaat om een relatief gezien beperkt aantal geconstateerde overschrijdingen, er lijkt geen correlatie te zijn met landgebruik en er is geen indicatie dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is voor de overschrijdingen. Dat het werkelijke aantal overschrijdingen hoger ligt dan de gerapporteerde overschrijdingen, zoals de milieuorganisaties stellen en door het Ctgb niet is weersproken, is zeker denkbaar. Maar in welke mate daarvan sprake is en wat de oorzaak daarvan is, is een onzekerheid. Gegeven de omstandigheid dat bij de wel geconstateerde overtredingen geen verband is gevonden met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorschriften, ziet het College tegen deze achtergrond geen aanleiding om te oordelen dat de conclusie van het Ctgb geen stand kan houden.
Esfenvaleraat
3.8
De milieuorganisaties voeren aan dat voor gewasbeschermingsmiddelen met als werkzame stof esfenvaleraat geldt dat al jarenlang niet wordt voldaan aan de voorwaarden die bij de toelating zijn gesteld. Met de (stelselmatige) overschrijdingen van de toelatingsnormen (chronische norm voor waterorganismen) voor de stof in glastuinbouwgebieden wordt niet voldaan aan de gewasbeschermingsverordening. Daar komt bij dat het Ctgb erkent dat er problematiek is van langdurige overtredingen met betrekking tot esfenvaleraat. Artikel 44, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening verplicht dan tot intrekking en niet slechts tot “meenemen in een lopende herbeoordeling” zoals het Ctgb schrijft.
3.9
Het Ctgb stelt dat voor de stof esfenvaleraat het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm inderdaad aanzienlijk is, met het jaar 2021 als duidelijke uitschieter. Met betrekking tot overschrijdingen van de toelatingsnorm is een structureel patroon te zien in monitoringsgegevens van de Bestrijdingsmiddelenatlas. Voor de periode 2020-2022 zijn er aanwijzingen dat gewasbeschermingsmiddelen voor de specifieke teelt van graszaad aan deze structurele overschrijding hebben bijgedragen. Momenteel is de integrale herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat volgens artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening in uitvoering, na hernieuwde goedkeuring van de stof, waarbij ook de meetgegevens opnieuw zijn geëvalueerd. Omdat deze herbeoordeling hetzelfde effect op het toegelaten gebruik heeft als een herbeoordeling volgens artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening (en kan, indien dit uit de beoordeling volgt, leiden tot dezelfde aanpassingen van het gebruik, voor wat betreft het toelatingscriterium) is het naar het oordeel van het Ctgb weinig zinvol om daar bovenop nog een herbeoordeling volgens artikel 44 van gewasbeschermingsverordening te starten. Het Ctgb onderneemt immers al actie om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat te herzien op basis van het toelatingscriterium.
3.10
Het College kan het Ctgb volgen in zijn keuze om naast de herbeoordeling op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening niet ook een herbeoordeling op grond van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening te starten. Het College betrekt hierbij dat de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening zich, net als artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening op de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen richt. Het betreft hier dan ook eenzelfde beoordeling met eenzelfde effect.
Tussenconclusie
3.11
Het College is van oordeel dat het Ctgb op toereikende gronden heeft besloten geen gebruik te maken van zijn in artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van gewasbeschermingsverordening neergelegde herbeoordelingsbevoegdheid.
Intrekking van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water worden overschreden?
4.1
Het College zal hierna beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsmiddelenverordening.
4.2
In artikel 44, eerste lid, tweede volzin, staat dat een lidstaat (lees: Ctgb) een toelating herziet wanneer hij concludeert dat het mogelijk is dat de doelstellingen zoals bepaald in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, en onder b, i, en artikel 7, leden 2 en 3, van Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt.
4.3
Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water gaat over oppervlaktewateren. Hierin wordt bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheerplan omschreven maatregelenprogramma voor oppervlaktewateren, de lidstaten overeenkomstig artikel 16, eerste en achtste lid, de nodige maatregelen ten uitvoer leggen, met de bedoeling de verontreiniging door zogenaamde prioritaire stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. In bijlage I van Richtlijn 2013/39 staat een lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid. Cypermethrin komt op deze lijst voor, abamectine en esfenvaleraat niet.
4.4
Anders dan artikel 44, eerste lid, eerste volzin, is de tweede volzin dwingender geformuleerd. Deze volzin schrijft voor wat het Ctgb moet doen als hij concludeert dat het mogelijk is dat de daarin bedoelde doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt. In dat geval herziet het Ctgb de toelating. Dat de Uniewetgever heeft beoogd dit onderscheid te maken tussen de eerste en tweede volzin wordt bevestigd door andere taalversies. In de Franse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten de toelating “peuvent réexaminer” en in de tweede volzin staat dat een lidstaat een toelating “réexamine”. In de Engelse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten een toelating “may review” en in de tweede volzin “shall review”. In de Duitse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten “können eine Zulassung jederzeit ändern” en in de tweede volzin dat de lidstaat “überprüft die Zulassung”. In tegenstelling tot de rechterlijke beoordeling in het kader van de eerste volzin, ligt de in de tweede volzin bedoelde herziening in volle omvang ter beoordeling voor aan de rechter omdat het hier een verplichting betreft van het Ctgb.
Cypermethrin
4.5
De milieuorganisaties wijzen erop dat de Kaderrichtlijn Water zich met verplichtingen tot de lidstaten richt. Voor prioritaire stoffen, zoals cypermethrin, bestaat een verplichting om de verontreiniging van oppervlaktewateren met die stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van (prioritaire) stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. Dat volgt uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water. Het Ctgb is bij uitstek de partij die voor Nederland is aangewezen en de middelen heeft om aan deze verplichting te voldoen. Nu de milieuorganisaties het Ctgb erop hebben gewezen dat cypermethrin in veel hogere concentraties voorkomt dan volgens de Kaderrichtlijn Water aanvaardbaar is in Nederlands oppervlaktewater, kan het Ctgb niet werkeloos blijven toezien dat deze situatie voortduurt. Uit de Bestrijdingsmiddelenatlas blijkt dat Cypermethrin in 2018 tot en met 2022 ieder jaar op verscheidene plaatsen in Nederlands oppervlaktewater werd aangetroffen in concentraties die een veelvoud zijn van de norm die volgens de Kaderrichtlijn Water voor die stof nog aanvaardbaar is. Cypermethrin is een chemisch gewasbeschermingsmiddel, andere toepassingen dan gebruik in landbouw en tuinbouw zijn er niet. Als het in ontoelaatbare hoeveelheden in oppervlaktewateren wordt aangetroffen, zonder dat precies kan worden vastgesteld van welk perceel het afkomstig is, vormt dat juist een reden om het gebruik in heel Nederland te beëindigen, aldus de milieuorganisaties.
4.6
Het College stelt voorop en onderschrijft daarmee het standpunt van het Ctgb dat voor het ingrijpen in een toelating relevant is of de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Dit betekent dat een overschrijding per geval moet worden geanalyseerd om de redenen voor de overschrijding te begrijpen, omdat de overschrijding ook kan komen door verkeerd gebruik door particulieren of door gebruik voor andere doeleinden, namelijk als biocide of diergeneesmiddel.
4.7
Het Ctgb heeft de overschrijdingen (volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas) onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn dat de overschrijdingen worden veroorzaakt door het normale gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen volgens de gebruiksvoorschriften. Hierbij heeft het Ctgb betrokken dat cypermethrin een hoge sorptie aan de bodem heeft en alleen nog als granulaat en voor gebruik in opslag is toegelaten. Bij deze gebruikstypen wordt geen dan wel weinig emissie naar het oppervlaktewater verwacht. Granulaat is bovendien pas vanaf 2022 toegelaten, zodat het gebruik hiervan ook geen aanwijzing kan zijn voor het jarenlange aantreffen van de stof. Het gebruik van het middel met een toelating in koolzaad is inmiddels beëindigd. Het is volgens het Ctgb dan ook weinig zinvol om nog bestaande toelatingen van middelen op basis van cypermethrin in te trekken. Daarbij is volgens het Ctgb van belang dat de stof cypermethrin niet uitsluitend als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. Er zijn twee middeltoelatingen op basis van alfa-cypermethrin als biocide, namelijk als insecticide in pluimveebedrijven (voor professioneel en niet-professioneel gebruik). Ook wordt cypermethrin gebruikt als diergeneesmiddel voor schapen. In de Bestrijdingsmiddelenatlas wordt cypermethrin echter gepresenteerd als een groepsstof. Dat betekent dat verschillende chemische vormen van cypermethrin niet altijd door alle laboratoria apart kunnen worden gemeten en dat alle vormen van cypermethrin hieronder vallen. Daarnaast zijn volgens het Ctgb de correlaties concentraties met landgebruik niet goed te duiden. Het College overweegt dat deze analyse van het Ctgb – zoals de milieuorganisaties ook stellen – onzekerheden bevat over de oorzaken van te hoge concentraties cypermethrin in het oppervlaktewater. Maar de milieuorganisaties hebben de door het Ctgb gesignaleerde (ernstige) twijfels of die overschrijding aan het normale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is te wijten niet kunnen wegnemen. Gelet op de beschikbare gegevens en de gemotiveerde uiteenzetting van het Ctgb dat de betreffende gewasbeschermingsmiddelen vanwege de stofeigenschap en het type gebruik naar verwachting niet of nauwelijks in het oppervlaktewater terecht zullen komen, kan het College het Ctgb in zijn conclusie volgen dat de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water niet uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stof cypermethrin.
Abamectine en esfenvaleraat
4.8
De milieuorganisaties voeren aan dat abamectine en esfenvaleraat specifiek verontreinigende stoffen zijn, die de ecologische toestand van een waterlichaam mede bepalen, als bedoeld in de Kaderrichtlijn Water. Dat de milieuorganisaties hun verzoek hebben gedaan in verband met overschrijdingen van normen in oppervlaktewater, zou het Ctgb er niet van hoeven te weerhouden om te onderzoeken of grondwater en water voor drinkwaterwinning mogelijk in gevaar komen door het gebruik van abamectine en esfenvaleraat.
4.9
Het College stelt vast dat op het moment van de besluitvorming van het Ctgb abamectine en esfenvaleraat geen prioritaire stoffen waren. Het Ctgb is voor deze stoffen terecht niet toegekomen aan een herziening van de toelating als bedoeld in artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsverordening. Het verzoek van de milieuorganisaties was namelijk beperkt tot normoverschrijdingen in het oppervlaktewater. De bepalingen van de Kaderrichtlijn Water, die in de tweede volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening worden genoemd, hebben wat betreft oppervlaktewater alleen betrekking op prioritaire stoffen.
4.10
Wat betreft toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met esfenvaleraat, heeft het Ctgb, zoals in 3.9 vermeld, aangegeven dat er een herbeoordeling plaats vindt op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening. Het College merkt in dat verband nog het volgende op. Artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening verwijst net als de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, naar de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen. Eén van de vereisten van artikel 29 in samenhang bezien met artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van de gewasbeschermingsverordening is dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbare effecten mag hebben op het milieu. Het College brengt onder de aandacht dat Advocaat Generaal Kokott in haar conclusie van 5 juni 2025 (ECLI:EU:C:2025:422) in de procedure voor interne herziening van de goedkeuring van cypermethrin heeft geschreven dat de schending van milieukwaliteitsnormen van de Kaderrichtlijn Water een sterke aanwijzing kan vormen voor onaanvaardbare effecten op het milieu. Bij een eventueel beroep tegen de besluitvorming over de herbeoordeling in het kader van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening, kan de rechter bij de toetsing van het besluit (ook) dit vereiste betrekken.
Tussenconclusie
4.11
Het College is van oordeel dat het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine vanwege overschrijding van de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater.
Overschrijding van de redelijke termijn
5.1
De milieuorganisaties hebben het College samen verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten, maar daar is in dit geval geen sprake van. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het Ctgb is ontvangen en loopt door tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.
5.2
Het Ctgb heeft het bezwaarschrift op 14 juni 2023 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn, afgerond met dertien maanden overschreden. De milieuorganisaties hebben daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Ctgb als aan het College toe te rekenen.
5.3
Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Ctgb en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van twee maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb het Ctgb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 230,77 (2/13 x € 1.500,-) aan de milieuorganisaties en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.269,23 (11/13 x € 1.500,-).
Slotsom
6 Het beroep is ongegrond. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.
Proceskosten
7.1
In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het College aanleiding het Ctgb en de Staat te veroordelen in de kosten van de milieuorganisaties in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het Ctgb als aan het College is toe te rekenen, zullen het Ctgb en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van de milieuorganisaties worden veroordeeld (€ 233,50).
7.2
Het Ctgb hoeft de overige proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
Het College:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het Ctgb tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 230,77;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 1.269,23;
- veroordeelt het Ctgb in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt de Staat in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
w.g. J.H. de Wildt w.g. A.C. van Helvoort
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.
Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|