Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:3948 
 
Datum uitspraak:08-07-2026
Datum gepubliceerd:08-07-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202505757/1/A2
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de raad van de gemeente Moerdijk om een onteigeningsbeschikking te bekrachtigen voor zover deze ziet op het perceel kadastraal bekend gemeente Klundert, sectie A, nummer 1918 (verder: perceel A1918), toegewezen. De gemeente Moerdijk is voornemens om de Randweg Klundert te realiseren. Op een deel van het perceel A1918 (totaal groot 2.79.90 ha) is een (deel van de) weg met aan weerszijden water voorzien. Perceel A1918 is in eigendom van [appellant sub 1]. [appellant sub 1] gebruikt het perceel voor akkerbouw. De raad heeft op 30 januari 2025 een onteigeningsbeschikking gegeven. Hierin heeft de raad - voor zover in deze procedure van belang - besloten om een deel ter grootte van 5.879 m2 van het perceel A1918 ter onteigening aan te wijzen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk heeft namens de raad de rechtbank op 11 februari 2025, op grond van artikel 16.93, eerste lid, van de Omgevingswet, verzocht de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen. [appellant sub 1] heeft bedenkingen ingediend tegen de onteigeningsbeschikking.
Trefwoorden:akkerbouw
omgevingsvergunning
onteigening
perceel
 
Uitspraak
202505757/1/A2.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Klundert, gemeente Moerdijk,
2. de raad van de gemeente Moerdijk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant van 1 oktober 2025 in zaak nr. 25/1781 op het verzoek om bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking van de raad, waartegen [appellant sub 1] bedenkingen heeft ingediend.
Procesverloop
Bij uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de raad om een onteigeningsbeschikking te bekrachtigen voor zover deze ziet op het perceel kadastraal bekend gemeente Klundert, sectie A, nummer 1918 (verder: perceel A1918), toegewezen.
Tegen de uitspraak van 1 oktober 2025 heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 1] heeft een zienswijze gegeven en een kostenopgave overgelegd.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 maart 2026, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. C.F. van Helvoirt, advocaat in Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.X. Botter en mr. N.C.H. Vrijsen, beiden advocaat in Breda, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       De gemeente Moerdijk is voornemens om de Randweg Klundert te realiseren. Op een deel van het perceel A1918 (totaal groot 2.79.90 ha) is een (deel van de) weg met aan weerszijden water voorzien. Perceel A1918 is in eigendom van [appellant sub 1]. [appellant sub 1] gebruikt het perceel voor akkerbouw.
2.       De raad heeft op 30 januari 2025 een onteigeningsbeschikking gegeven. Hierin heeft de raad - voor zover in deze procedure van belang - besloten om een deel ter grootte van 5.879 m2 van het perceel A1918 ter onteigening aan te wijzen.
3.       Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk heeft namens de raad de rechtbank op 11 februari 2025, op grond van artikel 16.93, eerste lid, van de Omgevingswet, verzocht de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen.
4.       [appellant sub 1] heeft bedenkingen ingediend tegen de onteigeningsbeschikking.
Aangevallen uitspraak
5.       De rechtbank heeft het verzoek van de raad om de onteigeningsbeschikking die betrekking heeft op het deel van het perceel A1918 te bekrachtigen, toegewezen.
6.       De rechtbank heeft onder 5.7 van de bestreden uitspraak overwogen dat de raad in strijd met artikel 3.11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit heeft verzuimd om samen met de (ontwerp)onteigeningsbeschikking alle stukken ter inzage te leggen die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het (ontwerp)besluit. Voor de beoordeling van de noodzaak van de onteigening is redelijkerwijs vereist dat kennis wordt genomen van de inhoud van het verwervingslogboek (en relevante bijlagen) over het minnelijk overleg. Van de raad kon redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij alle logboeken voor eenieder ter inzage zou leggen, omdat daarin persoonsgegevens en financiële gegevens in zijn opgenomen van betrokkenen. Van de raad kon naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs wel worden verwacht dat hij belanghebbenden op enigerlei wijze zou hebben gewezen op de mogelijkheid om een kopie van het verwervingslogboek (en bijlagen) dat specifiek betrekking had op die belanghebbende, op te vragen.
7.       De rechtbank heeft aanleiding gezien dit gebrek in de totstandkoming van de onteigeningsbeschikking te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De raad heeft in beroep alsnog het verwervingslogboek (en bijlagen) overgelegd. [appellant sub 1] is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren en de gronden van beroep aan te vullen. Verder is niet aannemelijk dat anderen dan [appellant sub 1] zijn benadeeld, omdat het logboek (en bijlagen) betrekking had op het minnelijk overleg dat specifiek met [appellant sub 1] heeft plaatsgevonden.
8.       De rechtbank heeft verder, voor zover in deze procedure van belang, onder 7.4 van de bestreden uitspraak overwogen dat onteigening van een deel van het perceel van [appellant sub 1] noodzakelijk is, omdat de raad een redelijke poging heeft gedaan om het perceel minnelijk te verwerven. Uit het door de raad overgelegde logboek blijkt dat voorafgaand aan het geven van de onteigeningsbeschikking een reëel en serieus overleg heeft plaatsgevonden, waarin is geprobeerd om tot overeenstemming te komen over kavelruil dan wel een bedrag in geld. De Omgevingswet verplicht de onteigenende partij niet tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegrond of andere oplossingen. Uitgangspunt is dat de Omgevingswet een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt. Desondanks kunnen vragen om compensatiegrond of andere oplossingen aan de orde komen in het kader van de toetsing van het gevoerde minnelijke overleg. Indien een belanghebbende in het minnelijk overleg duidelijk maakt de voorkeur te geven aan vervangende grond of een andere oplossing, moet de raad nagaan of hieraan tegemoet gekomen kan worden.
9.       Uit het logboek blijkt, zo overweegt de rechtbank, dat de raad in voldoende mate heeft onderzocht of tegemoet kon worden gekomen aan de wens van [appellant sub 1] om te komen tot kavelruil. Bij brief van 22 maart 2023 heeft de raad [appellant sub 1] een aanbod gedaan tot kavelruil met een perceel in Willemstad en een termijn van vier weken gegeven om op dit aanbod te reageren. Op 12 april 2023 en op 2 mei 2023 heeft de raad [appellant sub 1] opnieuw om een reactie gevraagd. Op 10 mei 2023 heeft de raad [appellant sub 1] laten weten dat het aanbod op 2 juni 2023 komt te vervallen als er geen inhoudelijke reactie komt. Omdat [appellant sub 1] niet binnen die termijn heeft gereageerd, kon de raad redelijkerwijs overgaan tot een aanbod in geld. Dat heeft de raad op 4 augustus 2023 en op 19 maart 2024 gedaan. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat zij van oordeel is dat van het bod van 19 maart 2024 niet gezegd kan worden dat het niet kan worden gezien als serieuze poging tot minnelijke verwerving. Uit de brief waarin het bod is gedaan, volgt op welke wijze het bedrag is berekend. [appellant sub 1] heeft vastgehouden aan zijn wens tot kavelruil en heeft niet inhoudelijk gereageerd op de biedingen in geld. Gelet op die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de raad een redelijke poging heeft gedaan om het perceel minnelijk te verwerven.
Betoog van [appellant sub 1] in hoger beroep
Logboek
10.     [appellant sub 1] betoogt dat het logboek (met bijlagen) ten onrechte niet bij de ter inzage gelegde stukken zat en dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad. In de zienswijzefase was hij niet in de gelegenheid om te reageren op het logboek en de onderliggende stukken. Daardoor kon hij zich geen oordeel vormen over de vraag of was voldaan aan het noodzaakcriterium. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de raad heeft verzuimd om samen met de (ontwerp)onteigeningsbeschikking alle stukken ter inzage te leggen, die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het (ontwerp)besluit en dat dit in strijd is met artikel 3:11 van de Awb en artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit. De onteigeningsbeschikking is niet volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid. De rechtbank had daarom het verzoek tot bekrachtiging af moeten wijzen. Artikel 16.107, aanhef en onder sub a, van de Omgevingswet schrijft dwingend voor dat het bekrachtigingsverzoek in ieder geval wordt afgewezen als de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke voorschriften is voorbereid. De rechtbank heeft dit gebrek ten onrechte gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Ook betoogt [appellant sub 1] dat de raad geen kennis heeft genomen van het complete verwervingslogboek, zodat de onteigeningsbeschikking ook om die reden onzorgvuldig is voorbereid.
Minnelijk overleg
11.     [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gevoerde minnelijk overleg onvoldoende serieus was. Vanaf het begin is de verwerving van zijn perceel voor hem bespreekbaar geweest op voorwaarde dat compensatie plaatsvindt door middel van het ter beschikking krijgen van ruilgrond. Het verkrijgen van vervangende grond is noodzakelijk voor de huidige en toekomstige agrarische bedrijfsvoering. Het aanbod van 22 maart 2023 dat strekte tot kavelruil met een perceel in Willemstad was niet serieus, omdat het bedrijf er financieel en qua bedrijfsvoering op achteruit zou gaan. De raad heeft niet inhoudelijk gereageerd op door hem gedane serieuze tegenvoorstellen, waarbij werd gewezen op gronden in eigendom bij het Rijksvastgoedbedrijf, bij de gemeente Moerdijk en percelen die op Funda te koop werden geboden. De raad heeft zich ook onvoldoende ingespannen om zelf ruilgrond te verwerven en heeft niet bij agrarische makelaars in de omgeving geïnformeerd naar de beschikbaarheid van vervangende grond.
Incidenteel hoger beroep van de raad
12.     De raad betoogt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het logboek niet ter inzage hoeft te worden gelegd. Daarbij gaat de rechtbank er volgens de raad wel ten onrechte aan voorbij dat artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit een limitatieve opsomming bevat van de ter inzage te leggen stukken en daarin is het logboek niet genoemd. Ook als niet moet worden uitgegaan van een limitatieve opsomming, dan is er geen grond om het logboek krachtens artikel 3:11 van de Awb ter inzage te leggen, omdat het geen stuk is dat redelijkerwijs is benodigd om het ontwerp te kunnen beoordelen. Een logboek bevat immers alleen stukken die al bekend zijn bij de grondeigenaar. Er bestaat ook geen rechtsplicht om een grondeigenaar te wijzen op de mogelijkheid om een logboek in te zien. Dat volgt niet uit de wet en een logboek is ook niet nodig om een zienswijze in te kunnen dienen tegen de ontwerp-onteigeningsbeschikking.
Beoordeling door de Afdeling
Ter inzagelegging logboek van het minnelijk overleg
13.     De Afdeling gaat eerst in op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de raad het logboek en bijbehorende bewijsstukken met de (ontwerp)onteigeningsbeschikking ter inzage had moeten leggen en, zo ja, of de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb mocht passeren. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en het incidenteel hoger beroep van de raad worden op dit punt gezamenlijk behandeld.
14.     Artikel 3:11, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:
"Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven."
15.     Artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit luidt als volgt:
"Het ontwerp van de onteigeningsbeschikking wordt ter inzage gelegd met:
a. een grondtekening waarop is weergegeven of vermeld:
1°.de ligging van de percelen of gedeelten van percelen die tot de te onteigenen onroerende zaak of zaken behoren en de kadastrale nummers van die percelen op een goed afleesbare en op de tekening vermelde schaalgrootte;
2°.elke te onteigenen onroerende zaak;
3°.de aansluiting van de te onteigenen onroerende zaak of zaken op het daaromheen gelegen gebied; en
4°.een noordpijl en de naam van de gemeente of gemeenten; en
b. het ter inzage gelegde ontwerp van het omgevingsplan of het projectbesluit, het vastgestelde omgevingsplan of projectbesluit, de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of de verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarmee de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk wordt gemaakt, met daarop ook een projectie van de grondtekening, bedoeld onder a."
16.     Artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit bepaalt welke stukken met de ontwerp-onteigeningsbeschikking ter inzage moeten worden gelegd. Het verwervingslogboek is daarbij niet vermeld. [appellant sub 1] heeft op de zitting verklaard dat hij zijn betoog dat het verwervingslogboek ter inzage had moeten worden gelegd, baseert op artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Het gaat hem er in de kern om dat hij kan zien welk ontwerpbesluit, met welke bijlagen, aan de raad ter besluitvorming wordt voorgelegd. Zou het verwervingslogboek destijds op de voet van artikel 3:11 Awb met het ontwerpbesluit ter inzage zijn gelegd, dan had hij de inhoud van dat logboek, met de verwijzingen naar zijn wens om tot kavelruil te komen, nader onder de aandacht van de raad kunnen brengen, aldus [appellant sub 1].
16.1.  De Afdeling overweegt hierover als volgt. Artikel 3:11 van de Awb bepaalt als hoofdregel dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage legt. Er is geen reden om, in weerwil van het bepaalde in artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit, aan te nemen dat op artikel 3:11 van de Awb de verplichting voor het bestuursorgaan kan worden gebaseerd om het verwervingslogboek als onderdeel van de op het te nemen besluit betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat hij wil kunnen controleren of de raad wel op de hoogte wordt gesteld van zijn tegenwerpingen (op voorhand) tegen het ontwerp-onteigeningsbesluit, overweegt de Afdeling dat in het ontwerp van het te nemen besluit nog niet behoeft te worden ingegaan op reeds bekende zienswijzen van belanghebbenden (vgl. HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7, onder 3.5.6). Belanghebbenden kunnen aan de hand van het ontwerp-onteigeningsbesluit zienswijzen indienen, die het bestuursorgaan bij het te nemen onteigeningsbesluit dient te betrekken.
16.2.  Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke voorschriften is voorbereid, ofwel door het verwervingslogboek niet op de voet van artikel 3:11 van de Awb of artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit met de ontwerp-beschikking ter inzage te leggen, ofwel door te verzuimen belanghebbenden op enigerlei wijze te wijzen op de mogelijkheid om een kopie van het logboek (en bijlagen) dat specifiek betrekking heeft op die belanghebbende, op te vragen. De vraag of een geconstateerd gebrek in de voorbereiding van het onteigeningsbesluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb mocht worden gepasseerd, in het licht van het bepaalde in artikel 16.107, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, behoeft in dit geding dus geen beantwoording. Zie daarover hierna onder 16.5.
16.3.  Voor wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat de raad geen kennis heeft kunnen nemen van het complete verwervingslogboek, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft op de zitting, onder verwijzing naar verschillende bijlagen bij het raadsvoorstel, het standpunt ingenomen dat hij ten tijde van de besluitvorming, mede aan de hand van de door [appellant sub 1] ingediende zienswijze, geïnformeerd was over het verloop van de onderhandelingen, inclusief de wens van [appellant sub 1] om gecompenseerd te worden in vervangende grond. [appellant sub 1] heeft, ook op de zitting, geen aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat aan dit standpunt van de raad zou moeten worden getwijfeld.
16.4.  Het vorenstaande betekent dat het betoog van [appellant sub 1] niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van de raad slaagt wel. Omdat de rechtbank het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking heeft toegewezen, leidt gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep van de raad niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
16.5.  Voor de rechtspraktijk voegt de Afdeling aan het voorgaande nog het volgende toe. Het bepaalde in artikel 16.107, aanhef en onder a, van de Omgevingswet staat er, gelet op de schakelbepalingen van artikel 16.113, eerste lid, van de Omgevingswet en artikel 16.117, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet, niet aan in de weg dat in de gevallen waarin aan de voorwaarden van artikel 6:22 van de Awb is voldaan, in de bekrachtigingsprocedure die bepaling kan worden toegepast.
Noodzaak onteigening: minnelijk overleg
17.     [appellant sub 1] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het gevoerde minnelijk overleg onvoldoende serieus was, zodat de noodzaak voor onteigening niet is komen vast te staan. Hij verwijst daarbij naar zijn wens om gecompenseerd te worden in ruilgrond.
18.     De Afdeling stelt bij de beoordeling van dit betoog voorop dat de Omgevingswet bij onteigening voor de eigenaar een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt. De Omgevingswet kent bij onteigening geen recht op compensatie anders dan in geld, zoals bijvoorbeeld door middel van het aanbieden van vervangende grond in een grondruil. Indien de onteigende te kennen geeft dat hij bij onteigening geheel of gedeeltelijk gecompenseerd wil worden door middel van de verwerving in eigendom van vervangende grond, zal de mogelijkheid om deze wens te honoreren als onderdeel van de op de voet van artikel 11.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet vereiste redelijke poging tot minnelijke verwerving onderzocht moeten worden, veelal in overleg met andere publieke of particuliere grondeigenaren, en zal de onteigenaar van dat onderzoek aan de eigenaar verslag moeten doen. Bij dat onderzoek mag de onteigenaar zijn eigen, op de urgentie van de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving toegesneden, planning betrekken.
19.     [appellant sub 1] heeft de weergave door de rechtbank van het verloop van de onderhandelingen, zoals weergegeven onder 9 hiervoor, in hoger beroep niet betwist. Uit dat verloop blijkt dat de gemeente met [appellant sub 1] in het kader van de minnelijke onderhandelingen ter voorkoming van onteigening met hem heeft gesproken over de mogelijkheid van het ter beschikking stellen van ruilgrond. Dit heeft op 22 maart 2023 geleid tot een concreet aanbod waarin een kavelruil met een perceel in Willemstad was betrokken. Dat aanbod heeft niet geleid tot overeenstemming, en is uiteindelijk vervallen omdat een reactie van [appellant sub 1] uitbleef. Voor zover [appellant sub 1] er in hoger beroep over klaagt dat de gemeente niet serieus is ingegaan op door hem zelf aangedragen percelen en dat de rechtbank dit heeft miskend, heeft de raad er op gewezen dat de gemeente [appellant sub 1] na onderzoek heeft meegedeeld dat het Rijksvastgoedbedrijf niet bereid was om de door [appellant sub 1] als ruiloptie gewenste grond te verkopen aan de gemeente, dat de gemeente over het perceel gemeente Klundert, sectie A nummer 1919 al contractuele afspraken met een derde partij had gemaakt, dat [appellant sub 1] over twee agrarische percelen in Moerdijk die destijds op Funda stonden desgevraagd had laten weten daarin geen interesse te hebben, waarbij die percelen ook naar het oordeel van de taxateur van de gemeente qua grootte, kwaliteit en ligging niet toereikend waren, en dat de volkstuinen geen optie zijn omdat deze nog volop in gebruik zijn en de gemeente deze gronden niet wil afstaan. [appellant sub 1] heeft hier, ook in hoger beroep, niets tegenover gesteld.
Anders dan [appellant sub 1] stelt, omvat, indien de eigenaar de wens te kennen heeft gegeven om geheel of gedeeltelijk gecompenseerd te worden door middel van de verwerving in eigendom van vervangende grond, het onderzoek als bedoeld onder 18 hiervoor in het algemeen niet dat de gemeente steeds gehouden is om eigener beweging makelaars in de omgeving te benaderen met de vraag of er misschien gronden in de stille verkoop staan. Dat geldt in het bijzonder niet in geval, zoals in deze zaak aan de orde, de gemeente in haar onderzoek beschikbare ruilgrond aantreft, zij deze beschikbaarheid verwerkt in een concrete aanbieding, en [appellant sub 1] daarop niet of niet tijdig reageert.
19.1.  [appellant sub 1] heeft in hoger beroep niet betwist dat de gemeente aan hem diverse biedingen in geld heeft gedaan. Ook die biedingen hebben niet geleid tot overeenstemming over minnelijke verwerving, omdat de gemeente daarop geen inhoudelijke reactie van [appellant sub 1] ontving. In hoger beroep stelt [appellant sub 1] dat de verwerving van zijn perceel voor hem bespreekbaar is geweest op voorwaarde dat compensatie plaatsvindt door middel van het ter beschikking krijgen van ruilgrond. Daaruit volgt, naar het oordeel van de Afdeling, dat [appellant sub 1] zelf niet werkelijk heeft open gestaan voor een aanbod gebaseerd op een volledige schadeloosstelling in geld.
19.2.  Anders dan [appellant sub 1] in hoger beroep aanvoert, kan van het gevoerde minnelijke overleg ten slotte niet gesteld worden dat het onvoldoende serieus is gevoerd om de enkele reden dat het niet gelukt is elkaar te vinden in een minnelijke verwerving op basis van kavelruil, en deze uitkomst voor hem teleurstellend is. Dat de inspanningen niet tot het door [appellant sub 1] gewenste resultaat hebben geleid, betekent niet dat er onvoldoende serieus minnelijk overleg is geweest.
20.     Het betoog van [appellant sub 1] slaagt niet.
Conclusie
21.     Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.
22.     Het incidenteel hoger beroep van de raad is gegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
Proceskosten
23.     [appellant sub 1] heeft om een volledige proceskostenveroordeling verzocht op grond van artikel 16.120 van de Omgevingswet en heeft voorafgaand aan de zitting een gespecificeerde kostenopgave overgelegd ten bedrage van € 7.215,23 inclusief BTW. Deze opgave betreft kosten van door mr. Van Helvoirt verleende rechtsbijstand in hoger beroep. [appellant sub 1] heeft op de zitting aanvullend aanspraak gemaakt op vergoeding van proceskosten in hoger beroep ten bedrage van € 6.931,49 inclusief BTW. De raad heeft op de zitting te kennen gegeven met beide kostenopgaven te kunnen instemmen.
24.     De Afdeling acht het verzoek toewijsbaar. Het moet redelijk worden geacht dat [appellant sub 1] zich in de hoger beroepsprocedure juridisch laat bijstaan. De Afdeling acht voorts de omvang van de daartoe feitelijk gemaakte kosten redelijk. De raad heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht om daarover anders te oordelen. De raad zal worden veroordeeld tot vergoeding aan [appellant sub 1] van een bedrag van € 14.146,72.
Griffierecht
25.     De raad moet op de voet van artikel 16.119 van de Omgevingswet het griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;
II.       veroordeelt de raad van de gemeente Moerdijk tot vergoeding van de bij L.E.M. [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 14.146,72;
III.      gelast dat de raad van de gemeente Moerdijk het door [appellant sub 1] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Planken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
299
Link naar deze uitspraak