|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2017:5916 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-07-2017 | | Datum gepubliceerd | : | 10-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.137.649 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Hoger beroep. Intellectuele eigendom, auteursrechtinbreuk: ongeoorloofde verveelvoudiging en openbaarmaking van krantenartikelen. Schadeberekening; artikel 27 lid 2 Auteurswet (Aw); vaststelling van de schadevergoeding op basis van de gestelde licentievergoeding hier niet passend; afstemming schade op gemiste advertentie-inkomsten wel passend. | | Trefwoorden | : | forfaitair | | | tarieven | | | varkens | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.137.649
(zaaknummer rechtbank Gelderland 834254)
arrest van 11 juli 2017
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[appellant] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. L. van Leeuwen,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Cozzmoss B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna: Cozzmoss,
advocaat: mr. R.M.I. van Straaten.
1Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
21 november 2012 en 5 juni 2013 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) heeft gewezen.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 september 2013,
- de memorie van grieven (met productie),
- de memorie van antwoord (met producties),
- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij berichten van 9 mei 2017 door beide partijen zijn ingebracht.
2.2
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).
2.3
[appellant] vordert in het hoger beroep – kort samengevat – dat het hof het vonnis van 5 juni 2013 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen in conventie van Cozzmoss alsnog zal afwijzen en de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Cozzmoss, op de voet van artikel 1019h Rv, in de volledige proceskosten van beide instanties.
3De vaststaande feiten
3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het vonnis van 5 juni 2013. Aangevuld met een enkel ander tussen partijen vaststaand feit, gaat het hof aldus uit van de volgende feiten.
3.2
Cozzmoss hield zich ten tijde van het ontstaan van het onderwerpelijke geschil bezig met onder andere het handhaven van auteursrechten die rusten op geschreven teksten en artikelen van bij haar aangesloten (rechts-)personen. De opdrachtgevers van Cozzmoss voorzagen haar van auteursrechtelijk beschermde teksten, waarna zij met speciaal ontwikkelde software op het internet zocht naar openbaar gemaakte teksten die inbreuk maken op de desbetreffende auteursrechten.
3.3
Trouw B.V. (hierna: Trouw) en De Volkskrant B.V. (hierna: De Volkskrant) beschikken over tal van auteursrechtelijk beschermde werken en hebben Cozzmoss opdracht gegeven om op haar eigen naam hun auteursrechten te handhaven en in rechte geldend te maken. Zij hebben daartoe een last aan Cozzmoss verleend.
3.4
[appellant] is een onderneming van de heer [naam1] en mevrouw [naam2] . Blijkens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel houdt zij zich bezig met het verstrekken van advies, het verlenen van diensten op het gebied van consultancy en management en de verkoop en implementatie van software. Zij is houdster van de domeinnaam www. [appellant] .nl en verantwoordelijk voor de inhoud van die website, waarop zij, onder meer, door de heer [naam1] geschreven opiniestukken plaatst over de thema’s duurzaam eten en wonen. In een aantal van deze stukken heeft [appellant] door middel van een hyperlink verwezen naar integraal op het eigen informatiesysteem geplaatste pfd-bestanden van krantenartikelen van Trouw en De Volkskrant.
3.5
Bij brief van 15 juni 2011 heeft de advocaat van Cozzmoss aan [appellant] geschreven dat Cozzmoss had geconstateerd dat [appellant] op haar website www. [appellant] .nl de volgende artikelen zonder toestemming van Trouw en De Volkskrant openbaar had gemaakt:
- Niet politiek correct? Ik vertel wat waar is Trouw
- Met lokaal voedsel eten ben je er niet Trouw
- Kippen en varkens moeten geduld hebben Trouw
- ’t Zit hem in de boon – deel 1 De Volkskrant
- ’t Zit hem in de boon – deel 2 De Volkskrant
- Duurzame warmtepomp breekt huizenverkoper vaak op De Volkskrant
- Nederlander slaat zich door de crisis met bitterbal en kroket De Volkskrant.
De advocaat van Cozzmoss heeft [appellant] gesommeerd om de hiervoor genoemde artikelen van haar website te verwijderen en om een schadevergoeding van € 4.359,36 aan haar te voldoen. Dit bedrag had Cozzmoss opgebouwd uit twee maal de ‘economische waarde’ van de desbetreffende artikelen, door Cozzmoss gesteld op € 2.059,68, vermeerderd met administratiekosten van € 240,-.
3.6
[appellant] heeft vervolgens de pdf-bestanden met de artikelen van haar website verwijderd. Later heeft zij € 450,- aan Cozzmoss betaald, welk bedrag Cozzmoss vervolgens heeft teruggestort.
4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.1
Cozzmoss heeft in eerste aanleg (in conventie) gevorderd, primair: de veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van € 2.814,60 en subsidiair tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van € 2.299,68, meer subsidiair tot betaling van door de rechter in goede justitie te bepalen schadevergoeding, met veroordeling van [appellant] ex artikel 1019h Rv in de volledige proceskosten.
4.2
[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie gemotiveerd verweer gevoerd en op haar beurt in reconventie gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat indien komt vast te staan dat er sprake is van auteursrechtinbreuk op de auteursrechten van de lastgevers van Cozzmoss, zij geen vergoeding van schade kan claimen via een standaardberekening van 200% van de economische waarde van het krantenartikel c.q. de krantenartikelen vermeerderd met de kosten, maar dat de berekening van de schade enkel gebaseerd kan zijn op de daadwerkelijk geleden schade die van geval tot geval zal moeten worden begroot, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en waarbij geldt dat voor niet-commercieel hergebruik van krantenartikelen een voor de hand liggend aanknopingspunt voor het berekenen van die schade is de gederfde advertentie-inkomsten, althans de tarieven die collectieve beheersorganisatie CLIP hanteert in de markt voor niet commercieel hergebruik van krantenartikelen, althans de waardering die kranten zelf hanteren voor het hergebruik van krantenartikelen door henzelf dat wil zeggen 2% van de nieuwwaarde. Voorts heeft [appellant] gevorderd dat Cozzmoss wordt veroordeeld in de kosten van de procedure waaronder de nakosten.
4.3
De rechtbank heeft bij vonnis van 5 juni 2013 in conventie [appellant] veroordeeld tot betaling aan Cozzmoss van € 2.124,60 aan schadevergoeding en € 150,75 aan administratiekosten, alsmede tot betaling van de proceskosten, door de rechtbank begroot op € 3.710,96. De vorderingen in reconventie zijn door de rechtbank afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, door de rechtbank begroot op nihil.
5De beoordeling van de grieven en de vordering
5.1
Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. [appellant] onderhoudt de website www. [appellant] .nl waarin zij opiniërende artikelen plaatst op het gebied van duurzaam eten en wonen. Deze opiniestukken zien onder meer op zeven (onder 3.5 genoemde) eerder in De Volkskrant en Trouw gepubliceerde artikelen. [appellant] heeft in haar eigen artikelen links opgenomen, die leiden tot op haar eigen informatiesysteem geplaatste volledige (pfd-) exemplaren van de genoemde artikelen uit De Volkskrant en Trouw. Cozzmoss is een onderneming die zich bezig hield met de handhaving en exploitatie van de auteursrechten van bij haar aangesloten (rechts)personen, waaronder Trouw en De Volkskrant.
5.2
Stellende dat [appellant] de zeven artikelen van De Volkskrant en Trouw zonder toestemming heeft verveelvoudigd en openbaargemaakt, heeft Cozzmoss de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Gelderland en daarbij gevorderd als onder 4.1 weergegeven.
5.3
[appellant] heeft de gestelde auteursrechtinbreuk betwist. Zij heeft aangevoerd dat geen sprake is van openbaarmaking in auteursrechtelijke zin en voorts dat zij voor één van de artikelen (impliciet) toestemming tot de gewraakte handelingen had verkregen. Voorts heeft zij gesteld dat sprake is van geoorloofd citeren (artikel 15a Aw) en heeft zij betoogd dat de handhaving van het auteursrecht van Trouw en De Volkskrant moet wijken voor de door artikel 10 EVRM beschermde uitingsvrijheid. Ten slotte heeft [appellant] de (hoogte van de) gevorderde schade betwist, in het bijzonder de wijze van (forfaitaire) schadeberekening.
Betwisting handhavingsbevoegdheid van Cozzmoss
5.4
Voor zover [appellant] in hoger beroep ter gelegenheid van het pleidooi (pleitnota, onder 15) alsnog betwist dat het auteursrecht ter zake van de onderhavige artikelen bij Trouw en De Volkskrant berusten, gaat het hierbij om een nieuwe, te laat aangevoerde, grief. In eerste aanleg, noch in de memorie van grieven heeft [appellant] dit verweer gevoerd. Feiten of omstandigheden op grond waarvan dit verweer in afwijking van de zogenoemde ‘twee-conclusie-regel’ in dit stadium van het geding in hoger beroep toelaatbaar zou zijn, zijn gesteld noch gebleken.
Auteursrechtinbreuk
5.5
Grief 1 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een ongeoorloofde verveelvoudiging en openbaarmaking van de krantenartikelen door [appellant] . In het bijzonder voert de grief aan dat de krantenartikelen door een zoekactie op Google op de websites van de dagbladen te vinden en voor het publiek beschikbaar zijn en [appellant] derhalve met haar handelwijze geen ‘nieuw publiek’ heeft aangeboord.
5.6
De grief faalt. Door verveelvoudigingen van de krantenartikelen in haar eigen digitale informatiesysteem op te nemen en op haar website hyperlinks naar deze verveelvoudigingen te plaatsen heeft [appellant] deze werken zonder toestemming van de rechthebbenden beschikbaar gesteld aan het publiek, en derhalve ongeoorloofd openbaar gemaakt. Naar het oordeel van het Hof doet hieraan niet af dat de artikelen in kwestie tevens voor het publiek beschikbaar waren op de websites van de dagbladen. Anders dan in het geval dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest Svensson van het Hof van Justitie EU (zaak C‑466/12), heeft [appellant] geen hyperlinks geplaatst naar de op de websites van de dagbladen beschikbaar gestelde artikelen, maar de werken in haar eigen digitale informatiesysteem opgenomen en vervolgens hyperlinks naar deze verveelvoudigingen op haar website geplaatst. Dusdoende is een ‘nieuw publiek’ bereikt dat door de rechthebbenden niet in aanmerking kon worden genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke openbaarmaking.
Toestemming
5.7
Grief 3 betoogt dat [appellant] ten aanzien van het artikel ’t Zit hem in de boon’ geen auteursrechtinbreuk kan worden verweten, nu zij in de gegeven omstandigheden moet worden geacht impliciete toestemming te hebben verkregen dit artikel op de onder 4.1 beschreven wijze te verveelvoudigen en openbaar te maken.
5.8
De grief faalt. Anders dan [appellant] betoogt, zijn de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende om daaruit de gestelde (impliciete) toestemming te kunnen afleiden. Dat het artikel is gebaseerd op een interview van [naam1] is niet zonder meer voldoende om te kunnen aannemen dat [naam1] als (mede)auteur van het artikel kan worden aangemerkt en/of de auteursrechtelijke trekken (vooral) tot zijn inbreng kunnen worden herleid. Evenmin kan hieruit, of uit de omstandigheid dat hem geen vergoeding is gegeven voor de tijd en moeite die het interview hem heeft gekost, worden afgeleid dat zij toestemming had voor de gewraakte handelingen. Ook uit de als productie 1 bij memorie van grieven overgelegde e-mailwisseling met [naam3] , de auteur van het artikel in het kader waarvan [naam1] was geïnterviewd, mocht [appellant] redelijkerwijs niet begrijpen dat haar toestemming was verleend tot openbaarmaking van deze bijdrage via haar website. Allereerst dateren de overgelegde e-mails alle van na de op 15 juni 2011 door Cozzmoss uitgebrachte sommatie en kan uit deze mails ook niet worden afgeleid dat [appellant] voordien of later alsnog toestemming heeft verkregen tot het plaatsen van dit artikel of andere artikelen op haar website.
Artikel 15a Aw
5.9
Volgens grief 4 is in het onderhavige geval voldaan aan alle vereisten van artikel 15a Auteurswet (citaatrecht) en is derhalve (ook) om die reden geen sprake van auteursrechtinbreuk.
5.10
Tussen partijen is niet in geschil dat een geval als het onderhavige, waarin in een verhandeling niet een (gedeelte van) een werk als zodanig is opgenomen, maar een link naar een (in dit geval: integraal exemplaar van) dat werk is opgenomen, in beginsel kan worden beoordeeld als een citaat onder artikel 15a Aw. Voorts is niet in geschil dat is voldaan aan de voorwaarden dat het (beweerdelijk) geciteerde werk rechtmatig openbaar is gemaakt, artikel 25 Aw in acht is genomen en de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke wijze is vermeld. Wel verschillen partijen van mening of is voldaan aan de in die bepaling vervatte voorwaarde dat het citeren ‘in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is en aantal en omvang der geciteerde gedeelten door het te bereiken doel zijn gerechtvaardigd’.
5.11
Naar het oordeel van het hof is aan dit laatste vereiste niet voldaan. Hoewel de grief kan worden toegegeven dat het geoorloofd citeren van integrale werken niet principieel is uitgesloten, acht het hof een dergelijke integrale opname van de teksten in het eigen informatiesysteem van [appellant] , waarnaar vervolgens door middel van hyperlinks in de eigen artikelen wordt verwezen, in dit geval niet proportioneel en functioneel noodzakelijk. [appellant] heeft onvoldoende toegelicht waarom het niet van haar had kunnen worden gevergd een relevant gedeelte of samengevatte weergave van de geciteerde artikelen op te nemen. De enkele omstandigheid dat een (aanvankelijk) aangebrachte hyperlink naar de websites van De Volkskrant en Trouw niet (altijd) stabiel bleek, acht het hof in dit verband van onvoldoende gewicht. Voorts heeft Cozzmoss voldoende toegelicht en onderbouwd dat het exploitatiemodel van De Volkskrant en Trouw erin bestaat dat zij – onder meer in verband met advertentie-inkomsten – bezoekers toestaat artikelen als de onderhavige op de eigen websites van De Volkskrant en Trouw te raadplegen. De door [appellant] geboden mogelijkheid de artikelen in de context van haar eigen publicatie zelfstandig en integraal te raadplegen moet daarom geacht te worden afbreuk te doen aan de normale exploitatie van het werk.
Artikel 10 EVRM
5.12
Grief 2 voert aan dat bij de vraag of sprake is van auteursrechtinbreuk een volledige afweging van grondrechten dient plaats te vinden, waarbij de uitingsvrijheid prevaleert, aldus de grief.
5.13
De grief faalt. Aan de door artikel 10 EVRM beschermde uitingsvrijheid wordt niet te zeer afbreuk gedaan door het verbieden van de door [appellant] gehanteerde wijze van openbaarmaking van integrale artikelen van Trouw en De Volkskrant op haar informatiesysteem en (dus) de handhaving van het fundamentele recht op (intellectuele) eigendom dat is gewaarborgd in art. 1 Eerste Protocol EVRM. Zoals onder 5.11 is overwogen, stonden [appellant] andere manieren ter beschikking om haar lezers van de inhoud van de desbetreffende artikelen op de hoogte te brengen. Zo staat als niet (voldoende) weersproken vast dat de desbetreffende artikelen als zodanig ook elders (waaronder op de websites van De Volkskrant en Trouw) voor de lezers van de artikelen van [appellant] waren te raadplegen, terwijl [appellant] ook (relevante) delen daaruit had kunnen citeren of de desbetreffende artikelen (samengevat) had kunnen weergeven. Tegen deze achtergrond heeft [appellant] onvoldoende concrete omstandigheden gesteld, op grond waarvan desondanks zou moeten worden geoordeeld dat de uitingsvrijheid van artikel 10 EVRM in het geding is en de desbetreffende belangen van [appellant] tegenover de belangen van De Volkskrant en Trouw bij handhaving van hun auteursrecht behoort te prevaleren. De gevraagde maatregel – schadevergoeding wegens auteursrechtinbreuk – acht het hof als zodanig ook niet disproportioneel. Het hof verwijst voorts naar hetgeen hierna over de grondslag (en hoogte) van de schadevergoeding zal worden overwogen.
Schadeberekening
5.14
Uit het voorgaande volgt dat [appellant] zich schuldig hebben gemaakt aan auteursrechtinbreuken en zij in beginsel gehouden is de daardoor door De Volkskrant en Trouw geleden schade aan Cozzmoss te vergoeden. Grief 5 legt aan het hof voor, op welke wijze de schade in een geval als het onderhavige moet worden begroot.
5.15
Het hof stelt voorop dat de rechter ingevolge artikel 6:97 BW de schade begroot op de wijze die het meest met de aard van de schade in overeenstemming is. Daarbij heeft de rechter de vrijheid de schade abstract vast te stellen (MvAII, Parl. Gesch. Boek 6, p. 339). Op grond van artikel 27 lid 2 Aw, ingevoerd op grond van artikel 13 van de Handhavingsrichtlijn (Richtlijn 2004/48 EG PbEU 2004, L 157/45), kan de rechter in passende gevallen de schadevergoeding vaststellen op een forfaitair bedrag. Daarbij kan dit bedrag worden vastgesteld op basis van de licentievergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien de auteursrechthebbende toestemming zou hebben verleend voor de (inbreukmakende) handeling (Handelingen II 2005/2006, 30 392, nr. 3, p. 27). Blijkens de considerans (overweging 26) van de Handhavingsrichtlijn kan, als de feitelijke schade moeilijk te bepalen is, het bedrag van schadevergoeding worden afgeleid uit elementen als het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd zou zijn geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele eigendomsrecht te gebruiken. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met de kosten van de rechthebbende, zoals de kosten voor opsporing en onderzoek.
5.16
In de onderhavige zaak is gemotiveerd en onderbouwd betwist dat de vaststelling van de schadevergoeding op basis van de door Cozzmoss gestelde licentievergoeding (‘economische waarde’) in dit geval een geschikt aanknopingspunt zou zijn voor de schadebegroting. Tegenover deze betwisting heeft Cozzmoss onvoldoende bewijs geleverd dat de door Cozzmoss als grondslag van de geëiste schadevergoeding gehanteerde gebruiksvergoedingen per woord in de praktijk ook aan kleine gebruikers zoals [appellant] , in rekening worden gebracht, en dat deze tarieven ook voor zulke partijen derhalve marktconform zijn. Uit de door Cozzmoss overgelegde producties 4 en 19 volgt dit laatste niet. Integendeel, deze producties laten facturen met overwegend afgeronde bedragen zien, waaruit niet kan worden opgemaakt dat daaraan de door Cozzmoss ingeroepen tarieven per woord ten grondslag hebben gelegen. Voor zover wel facturen zijn overgelegd waarin de genoemde tarieven per woord zijn vermeld, is niet of onvoldoende gebleken dat deze zijn betaald door een met [appellant] vergelijkbare partij. Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat déze (kleine) partij, [appellant] , de gestelde gebruikstarieven van € 0,36 respectievelijk € 0,37 per woord nimmer zou hebben betaald voor de door haar gekozen wijze van gebruik van de artikelen en zij – geconfronteerd met de licentievergoeding – de artikelen niet zou hebben opgenomen in haar systeem, dan wel zou hebben volstaan met hyperlinks naar de websites van de dagbladen. Op grond van het voorgaande acht het hof in dit geval de door Cozzmoss gestelde en gemotiveerd betwiste ‘economische waarde’ geen geschikt aanknopingspunt voor de schadevaststelling. Uit hetgeen in 5.15 is vooropgesteld volgt ook niet dat de rechter verplicht zou zijn tot het hanteren van de daar genoemde maatstaf, maar slechts dat de schade in een passend geval op een zodanige wijze kan worden vastgesteld.
5.17
Wat betreft de CLIP-tarieven heeft Cozzmoss (onweersproken) aangevoerd dat deze worden gehanteerd voor intern gebruik, waarvan in dit geval geen sprake is. Ook de door kranten tegenover hun freelance auteurs gehanteerde tarieven voor hergebruik, lenen zich naar het oordeel van het hof niet voor toepassing in de verhouding tussen kranten (exploitanten) en derden.
5.18
Daarentegen acht het hof de door [appellant] voorgestelde maatstaf, afgestemd op de door De Volkskrant en Trouw gemiste advertentie-inkomsten, in dit geval wel passend voor het bepalen van de omvang van de door hen geleden schade. [appellant] heeft in dit verband onweersproken aangevoerd dat de pdf-bestanden van de onderhavige artikelen 1.897 maal zijn geraadpleegd en dat het marktconforme tarief per vertoonde advertentie bij drie frames c.q. advertenties per webpagina € 0.01 bedraagt, terwijl op de website van de Persgroep (productie 11 van [appellant] ) als hoogste advertentietarief € 100,- per duizend vertoningen staat vermeld. Op grond hiervan zouden de misgelopen bezoeken aan De Volkskrant en Trouw maximaal € 139,30 aan gemiste advertentie-inkomsten hebben gekost, aldus [appellant] . Cozzmoss heeft hiertegenover het – hiervoor verworpen – standpunt ingenomen dat de door haar voorgestane begrotingswijze (economische waarde) de juiste is, maar zij heeft als zodanig de berekening van [appellant] van de als gevolg van de inbreuk gemiste advertentie-inkomsten niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd betwist. Waar Cozzmoss aanvoert dat de schade ook bestaat in de abonnementen die de kranten zijn misgelopen, heeft zij dat verweer onvoldoende toegelicht en gekwantificeerd. Het hof gaat dan ook uit van de op de door [appellant] gestelde grondslag volgens [appellant] door haar handelen (maximaal) daadwerkelijk veroorzaakte schade, derhalve € 139,30. Grief 5 slaagt derhalve.
5.19
Voor toewijzing van de – gemotiveerd betwiste – verhoging van 25% van het bedrag aan schadevergoeding, bestaat in dit geval onvoldoende grond. Ook grief 6 slaagt derhalve.
5.20
Daarentegen zijn wel toewijsbaar de door Cozzmoss gevorderde administratiekosten (zie hiervoor, 5.15). De hoogte van het door de kantonrechter hiervoor toegewezen bedrag
(€ 150,75) is in hoger beroep door [appellant] niet gemotiveerd betwist, terwijl Cozzmoss van haar zijde tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar desbetreffende vordering geen (incidentele) grief heeft gericht. Grief 8 faalt.
5.19
Tegen de achtergrond van het hiervoor onder 5.15 – 5.20 overwogene, behoeft
grief 7, volgens welke grief sprake is van een ongeoorloofd verdienmodel van Cozzmoss, geen bespreking meer. Overigens acht het hof als zodanig niet ongeoorloofd wanneer rechthebbenden de handhaving van hun (auteurs)rechten door middel van een daartoe strekkende last aan derden opdragen. Over de door Cozzmoss gehanteerde wijze van schadeberekening is hiervoor reeds – toegespitst op het onderhavige geval – geoordeeld. De grief behoeft derhalve ook in zoverre geen bespreking meer.
Vordering in reconventie
5.20
Grief 9 komt vergeefs op tegen de afwijzing van de in reconventie gevorderde verklaring voor recht. Het gaat hierbij om een verstrekkende verklaring voor recht, die in de vorm zoals gevorderd niet toewijsbaar is. Zoals blijkt uit de beoordeling van de vorderingen in conventie, hangt de wijze van schadebegroting sterk af van het concrete geschil en de daarin gevoerde stellingen en verweren. Het hof verwijst bijvoorbeeld naar een eerdere zaak van dit hof (18 december 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BZ4286), waarin het hof de schade in dat concrete geval wel op de door Cozzmoss bepleite wijze heeft vastgesteld. Voorts heeft [appellant] haar belang bij de gevorderde verklaring voor recht onvoldoende toegelicht, mede gezien hetgeen Cozzmoss ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep nader heeft toegelicht over haar (in ieder geval voorlopig) gewijzigde ‘business-model’ waarin zij niet langer namens opdrachtgevers handhavend optreedt. De grief faalt derhalve.
6De slotsom
6.1
De grieven 5 en 6 slagen. De overige grieven falen. In conventie is toewijsbaar een bedrag van € 139,30 aan schadevergoeding en € 150,75 voor administratiekosten. Nu in hoger beroep vast staat dat het door [appellant] eerder betaalde bedrag van € 450,- is teruggestort, strekt dit bedrag niet in mindering op de toegewezen bedragen. Grief 9 tegen de afwijzing van de vordering in reconventie faalt, zodat het vonnis in die procedure moet worden bekrachtigd.
6.2
Nu beide partijen in conventie en in hoger beroep voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van die instanties worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 5 juni 2013 voor zover in conventie gewezen en doet, het vonnis reconventie bekrachtigend, in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt [appellant] om aan Cozzmoss te betalen een bedrag aan schadevergoeding van € 139,30;
veroordeelt [appellant] om aan Cozzmoss te betalen een bedrag van € 150,75 aan administratiekosten;
bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, F.W.J. Meijer en P.B. Hugenholtz, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Meijer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|