Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:321 
 
Datum uitspraak:14-07-2026
Datum gepubliceerd:14-07-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:24/386
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Last onder bestuursdwang. Het College oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, door het ontbreken van procesbelang. De last onder bestuursdwang is uitgewerkt doordat aan de last verbonden geldingstermijn is verstreken. De minister heeft geen bestuursdwang toegepast en heeft dus geen kostenbeschikkingen genomen. Niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling van de last onder bestuursdwang voor appellante nog feitelijke betekenis heeft. Het belang is principieel van aard, en dat levert op zichzelf geen procesbelang op. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Trefwoorden:bestuursdwang
landbouw
stallen
Wetreferenties:Wet dieren
 
Uitspraak
uitspraak


COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/386

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats]

en


de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, nu de staatssecretaris van dit ministerie,

(gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)




Procesverloop in beroep


[naam 1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 12 maart 2024 (bestreden besluit).

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 17 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en namens de minister zijn gemachtigde, [naam 2] en [naam 3] .


[naam 1] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.



Inleiding


1.1
Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben op 16 maart 2023, 2 augustus 2023 en 9 augustus 2023 inspecties verricht op het bedrijf van [naam 1] . Daarvan hebben de toezichthouders op 12 april 2023 en 4 oktober 2023 rapporten van bevindingen opgemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen in deze rapporten heeft de minister geconcludeerd dat [naam 1] artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Besluit houders van dieren, heeft overtreden.



1.2
Met het besluit van 5 oktober 2023 heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd aan [naam 1] (last onder bestuursdwang). [naam 1] moest de overtreding binnen vijf dagen na dagtekening van de last beëindigen en vervolgens herhaling ervan voorkomen. De minister heeft een geldingstermijn van één jaar verbonden aan de last onder bestuursdwang. Die termijn is op 5 oktober 2024 verstreken.



1.3
Met het bestreden besluit heeft de minister het tegen de last onder bestuursdwang gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.



1.4
De toezichthouders hebben op 30 januari 2024 en 18 april 2024 herinspecties verricht op het bedrijf van [naam 1] , om te controleren of hij de maatregelen in de last onder bestuursdwang had nageleefd. Tijdens de inspectie op 30 januari 2024 hebben de toezichthouders vastgesteld dat [naam 1] niet voldeed aan de last onder bestuursdwang. Er is geen bestuursdwang toegepast omdat [naam 1] de overtreding tijdens de inspectie heeft beëindigd. Bij de inspectie van 18 april 2024 hebben de toezichthouders vastgesteld dat [naam 1] voldeed aan de last onder bestuursdwang.




Beoordeling van het beroep


Procesbelang



2.1
Het College beoordeelt eerst of [naam 1] (nog) belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep (procesbelang). Als het procesbelang ontbreekt, is het beroep nietontvankelijk. Dat is naar het oordeel van het College hier het geval. Hieronder legt het College uit waarom.



2.2
Voor de vraag of er procesbelang bestaat, is van belang wat [naam 1] met zijn beroep nastreeft. Het doel dat hij hiermee wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Daarbij geldt in zaken als hier aan de orde dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel indien een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 17 januari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:30, onder 6), 19 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:415, onder 3.1) en 23 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:304, onder 8.1.3)). [naam 1] zal in dat geval (desgevraagd) concreet moeten aangeven waarom de beoordeling van het besluit voor hem nog feitelijke betekenis heeft.



2.3
Het College stelt vast dat de last onder bestuursdwang op 5 oktober 2024 is uitgewerkt doordat de aan de last verbonden geldingstermijn is verstreken. Ook staat vast dat de minister geen bestuursdwang heeft toegepast en dus geen kostenbeschikkingen heeft genomen. Dit betekent dat [naam 1] in beginsel geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.



2.4
Het College heeft [naam 1] gevraagd wat hij met het beroep tegen de last onder bestuursdwang wil bereiken en waarin zijn procesbelang is gelegen. [naam 1] heeft betoogd dat zijn belang is gelegen in de aantasting van zijn integriteit en vakbekwaamheid, en de rechtvaardigheid, omdat de NVWA deze waarden jarenlang niet heeft gerespecteerd. De onaangekondigde inspecties en aantijgingen hebben hem veel stress bezorgd. Tijdens de inspectie van 9 augustus 2023 zijn de toezichthouders van de NVWA zonder zijn toestemming de stallen binnengetreden, en was sprake van huisvredebreuk. [naam 1] heeft het idee dat hij op een zwarte lijst staat en wil genoegdoening.



2.5
Naar het oordeel van het College heeft [naam 1] niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling van de last onder bestuursdwang voor hem nog feitelijke betekenis heeft. [naam 1] heeft niet gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van de last onder bestuursdwang of kosten heeft gemaakt om aan de last te voldoen. Zelfs als het College het standpunt van [naam 1] over de handelwijze van de NVWA zou volgen, valt niet in te zien welke feitelijke betekenis dat voor [naam 1] zou hebben. Het belang van [naam 1] is principieel van aard. Dat heeft hij op de zitting ook erkend. Zoals hiervoor is overwogen, levert dat op zichzelf geen procesbelang op. Het College zal het beroep van [naam 1] dan ook niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang.


Overschrijding van de redelijke termijn




3.1

[naam 1] heeft aangevoerd dat de lange wachttijden in bezwaar en beroep hem geen goed doen. Het College heeft ter zitting gevraagd of hij hiermee aanspraak wil maken op financiële compensatie voor de lange duur van de procedure, wat [naam 1] heeft bevestigd. Het College vat dit op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.



3.2
In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. Dit met uitzondering van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Hiervan is in dit geval geen sprake. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door de minister is ontvangen en loopt tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.



3.3
De minister heeft het bezwaarschrift op 15 november 2023 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden met meer dan zes maanden, maar minder dan één jaar. Dit betekent dat [naam 1] recht heeft op € 1.000,- schadevergoeding. De behandeling van het bezwaarschrift heeft niet meer dan een half jaar in beslag genomen, maar de behandeling van het beroep heeft wel meer dan anderhalf jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan het College toe te rekenen.


Slotsom


4 Het College zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Verder zal het College de Staat veroordelen tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade aan [naam 1] van € 1.000,-. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.




Beslissing

Het College:



verklaart het beroep niet-ontvankelijk;


veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [naam 1] van € 1.000,- voor immateriële schade.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. H.L. van der Beek en mr. S.B. SmitColenbrander, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.





w.g. J.L.W. Aerts w.g. R.H. Verheijen
Link naar deze uitspraak