|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2025:9871 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-10-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 16-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/424694 / HA RK 24-13 C/02/424694 / HA RK 24-13 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Prijsvaststellingsprocedure ex art. 9.16 Omgevingswet. Belang van de gemeente bij de procedure, peildatum, comparatieve methode. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | akkerbouwgewassen | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | koopovereenkomst | | | perceel | | | taxatie | | | | Uitspraak | RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/424694 / HA RK 24-138
Beschikking van 21 oktober 2025
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN (DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON) DE GEMEENTE VEERE,
zetelend te Domburg,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. J.J. Hoekstra,
tegen
1 [belanghebbende 1] ,
2. [belanghebbende 2],
3. [belanghebbende 3],
4. [belanghebbende 4],
allen wonende te [woonplaats] ,
belanghebbenden,
hierna samen, in mannelijk enkelvoud, te noemen: [de belanghebbende] ,
advocaat: mr. E.W.J. de Groot.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 26 september 2024
- de nota ter descente met producties van de gemeente van 5 december 2024
- de nota ter descente met producties van [de belanghebbende] van 5 december 2024
- het proces-verbaal van descente van 5 december 2024 met aangehecht de brief van
[de belanghebbende] van 19 december 2024 en de brief van de gemeente van 24 december
2024
- het deskundigenadvies van 3 juli 2025
- de brief van de gemeente aan de rechtbank van 26 augustus 2025 met bijlagen
- het procesdossier van [de belanghebbende] met inventarislijst en 6 producties
- de brief van de voorzitter van de door de rechtbank benoemde deskundigen aan de
rechtbank van 18 september 2025
- de pleitaantekeningen van de gemeente
- de mondelinge behandeling van 23 september 2025, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt
- de e-mail van mr. De Groot van 2 oktober 2025.
1.2.
Op de door de gemeente bij brief van 22 september 2025 gevoegde bijlage 1 wordt geen acht geslagen. [de belanghebbende] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij het indienen is de in het “Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter” in artikel 1.6.4 genoemde termijn niet in acht genomen. Afgezien daarvan wordt het stuk buiten beschouwing gelaten omdat de termijn waarop het is ingediend in strijd is met de goede procesorde. De advocaat van [de belanghebbende] heeft de inhoud daarvan niet met hem en zijn deskundige kunnen bespreken. [de belanghebbende] is als gevolg daarvan de kans ontnomen om op de inhoud daarvan voldoende adequaat te kunnen reageren.
1.3.
Bij beschikking van 26 september 2024 heeft deze rechtbank mr. J.R. Vermeulen (voorzitter), [deskundige 1] en [deskundige 2] tot deskundigen benoemd. De rechtbank heeft de deskundigen opgedragen om overeenkomstig artikel 15.21 tot en met 15.25 Omgevingswet (hierna: Ow) een advies uit te brengen over de waarde van de percelen:
[perceelnummer 1] , groot 14.065 m²
[perceelnummer 2] , groot 9.665 m² (hierna: de percelen).
Op 5 december 2024 heeft de descente plaatsgevonden in het bijzijn van partijen, hun raadslieden en adviseur(s), de deskundigen en de rechter-commissaris.
1.4.
Het concept-deskundigenrapport is op 7 april 2025 aan partijen gestuurd. Beide partijen hebben daarop gereageerd. Het definitieve rapport van de deskundigen is opgemaakt op 3 juli 2025 en vervolgens aan de rechtbank en aan partijen toegezonden.
2De beoordeling
Het belang van de gemeente bij de prijsvaststellingsprocedure
2.1.
[de belanghebbende] stelt dat de gemeente geen belang heeft bij deze procedure. Als de rechtbank de prijs bepaalt op het door de deskundigen getaxeerde bedrag dan zal [de belanghebbende] de gemeente niet vragen om mee te werken aan de levering van de onroerende zaak tegen betaling van die prijs. [de belanghebbende] was en is met de gemeente in gesprek over zelfrealisatie. Het overleg met de gemeente heeft enig tijd stilgelegen, maar is nog niet van de baan. [de belanghebbende] wil op die weg voortgaan. De gemeente voert deze procedure dus alleen zodat zij een richtprijs heeft waar zij van uit kan gaan bij het onderhandelen over de verkrijging van andere percelen in het plangebied. Daarvoor is deze procedure niet bedoeld.
2.2.
De gemeente betwist dat zij geen belang heeft bij de procedure.
2.3.
De rechtbank passeert het verweer dat de gemeente geen belang (meer) heeft bij deze procedure. Het feit dat [de belanghebbende] te kennen geeft af te zullen zien van vervreemding aan de gemeente brengt niet met zich mee dat de gemeente geen belang bij deze procedure heeft. Of het tot zelfrealisatie door [de belanghebbende] zal komen is op dit moment allerminst zeker. Kennelijk heeft [de belanghebbende] , zoals de gemeente onweersproken stelt, de door de gemeente al geruime tijd geleden opgestelde intentieovereenkomst nog niet ondertekend. Partijen zijn over zelfrealisatie nog in onderhandeling. Voor het geval partijen het daarover niet eens kunnen worden heeft de gemeente belang bij het oordeel over de prijs in deze procedure.
De prijs
2.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 22.1 Ow jo. artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet maakt een vóór 1 januari 2024 geldend bestemmingsplan deel uit van het thans geldende tijdelijke deel van het omgevingsplan. Zowel de verbeelding als de regels van het vóór 1 januari 2024 geldende bestemmingsplan vormen dus, naast de omgevingsplanregels, van rechtswege het planologisch kader. Ter plaatse van de percelen gold het op 20 mei 2013 door de raad van de gemeente Veere vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied Veere”. Daarna hebben nog 7 partiële herzieningen van het bestemmingsplan plaatsgevonden. In dat bestemmingsplan was aan de percelen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” toegekend en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”, de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – randzone” en een aantal gebiedsaanduidingen. De percelen worden op dit moment gebruikt als cultuurgrond ten behoeve van de teelt van akkerbouwgewassen. Dit gebruik is in overeenstemming met de geldende planologische regeling.
2.5.
De gemeente heeft ter gelegenheid van de descente meegedeeld dat zij eerder op basis van een in haar opdracht opgesteld taxatierapport een aanbod tot verwerving van de percelen heeft gedaan van € 700.000,00. Nadien is de gemeente tot het inzicht gekomen dat de percelen deel uitmaken van een groter complex als bedoeld in artikel 15.24 Ow. Dit complex is door de gemeente omschreven in de Nota ter descente randnummers 2.1 tot en met 2.3 en omvat percelen waarop de gemeente eveneens een voorkeursrecht heeft gevestigd en een perceel dat in eigendom bij de gemeente is. Hierop beoogt de gemeente woningbouw en de daarbij behorende voorzieningen zoals infrastructuur, sport, supermarkt en groen. De gemeente kent aan de percelen, op basis van de residuele methode, een waarde toe van € 26,00 per vierkante meter, € 616.980,00 voor het geheel. [de belanghebbende] stelt dat de percelen zijn aan te merken als een afzonderlijk en zelfstandig te ontwikkelen complex en als zodanig gewaardeerd moeten worden. In een door [de belanghebbende] overgelegd taxatierapport van [taxateur] wordt de waarde van de percelen, op basis van vergelijkingstransacties en een residuele benadering, getaxeerd op € 130,00 per vierkante meter. Deze prijs wil [de belanghebbende] ontvangen.
2.6.
Op grond van artikel 16.122 Ow lid 2 moet de rechtbank bij de vaststelling van de prijs de artikelen 15.21 tot en met 15.25 Ow toepassen. Volgens artikel 15.22 lid 1 Ow moet de rechtbank de werkelijke waarde van de percelen bepalen, waarbij moet worden uitgegaan van de prijs die tot stand zou zijn gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen de vervreemder als redelijk handelend verkoper en de gemeente als redelijk handelend koper. De waarde van de percelen moet daarbij in beginsel worden bepaald met inachtneming van onder meer de bestemming, de ligging en de huidige en toekomstige bebouwings- en gebruiksmogelijkheden. Indien sprake is van meer bouw- of gebruiksmogelijkheden kan [de belanghebbende] aanspraak maken op de hoogste waarde.
De peildatum
2.7.
De deskundigen hebben als peildatum voor de waardering de datum van toezending van het deskundigenadvies, 3 juli 2025, aangehouden. Op grond van de voor de deskundigen die als register-taxateur zijn ingeschreven geldende regelgeving is het hun niet toegestaan, en overigens ook niet mogelijk, om tegen een in de toekomst gelegen datum te taxeren. Volgens de gemeente heeft de datum van het definitieve rapport als peildatum te gelden en volgens [de belanghebbende] de datum van deze beschikking. De rechtbank zal de datum van deze beschikking als peildatum nemen, omdat dat de datum is waarop de rechtbank de prijs vaststelt en eventuele eigendomsoverdracht in de toekomst ligt.
De taxatiemethode
2.8.
De deskundigen zijn bij het vaststellen van de door hen geadviseerde prijs uitgegaan van de comparatieve methode. De deskundigen zijn van mening dat de comparatieve methode de voorkeur heeft boven de residuele benadering. De belangrijkste reden daarvoor is dat de residuele benadering is gebaseerd op een veelheid van aannames. Als gevolg van het hefboomeffect kunnen relatief kleine wijzigingen in parameters een relatief groot effect hebben op de uitkomst van de berekening. Een ander nadeel van de residuele methode is dat het daarbij ontbreekt aan de mogelijkheid om tussentijds in te spelen op gewijzigde omstandigheden. De deskundigen hebben de residuele methode gebruikt om de uitkomst van de op de comparatieve methode gebaseerde taxatie te toetsen.
2.9.
Volgens de gemeente leent juist het te realiseren woningbouwprogramma van (ten minste) 2/3de betaalbare woningen in de gemeente Veere, waaronder op de percelen, zich zeer goed voor de residuele grondwaardeberekening en verzoening van de uitkomst daarvan met de vergelijkingsmethode.
2.10.
De rechtbank is van oordeel dat de door de deskundigen gebruikte comparatieve methode, gelet ook op de aan de residuele methode klevende nadelen, in beginsel de voorkeur verdient. Dit is alleen anders als er te weinig vergelijkingstransacties voorhanden zijn. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank zal dus bij het bepalen van de prijs het advies van de deskundigen gebaseerd op de comparatieve methode, in aanmerking nemen. Zij zal de uitkomst van de residuele methode vergelijken met die van de comparatieve methode.
De werkelijke waarde
2.11.
De deskundigen hebben bij het vaststellen van de waarde van de percelen onderzoek gedaan naar referentietransacties. De deskundigen hebben daarbij geconstateerd dat binnen het plangebied geen referentietransacties beschikbaar zijn. Zij hebben vervolgens gezocht naar referentietransacties in de regio’s Walcheren, Zuid-Beveland en Noord-Beveland. Voorts hebben de deskundigen gezocht naar referenties op de andere Zeeuwse eilanden en in het westelijke deel van de provincie Noord-Brabant. Het onderzoek door de deskundigen heeft geresulteerd in referentietransacties “a” tot en met “g”, genoemd in paragraaf 4.2. van de als bijlage 1 bij het deskundigenadvies gevoegde “Taxatiebijlage”. De referentietransacties zijn gerealiseerd in de periode 2021 tot en met 2024 en de gerealiseerde prijzen liggen in de bandbreedte van € 45,00 tot € 97,50 per vierkante meter. Van de genoemde referentietransacties zijn volgens de deskundigen de transacties waarbij de gemeente Kapelle in 2024 gronden van particulieren heeft aangekocht voor € 45,00 per vierkante meter ten behoeve van woningbouw in het plangebied “Zuidhoek 4” te [plaats 2] (referentietransacties a en b) het meest bruikbaar. De deskundigen vinden de marktomstandigheden in [plaats 2] voldoende vergelijkbaar met die in [woonplaats] . Volgens de deskundigen zijn ook de plankarakteristieken waarvan een redelijk handelend verkoper en koper, gegeven de op dit moment beschikbare informatie, ook in [woonplaats] zullen uitgaan voldoende vergelijkbaar. Dat geldt met name voor de differentiatie. De deskundigen komen tot de conclusie dat de comparatieve benadering een werkelijke waarde indiceert van gemiddeld € 45,00 per vierkante meter. De residuele grondwaardeberekening leidt tot een bedrag van circa € 42,50 per vierkante meter. Nu dit in dezelfde orde van grootte ligt als de comparatief geïndiceerde waarde is dit geen aanleiding tot bijstelling daarvan. De deskundigen bepalen de werkelijke waarde van de percelen op gemiddeld € 45,00 per vierkante meter. Dat leidt voor de totale oppervlakte van 23.730 m² tot een bedrag van € 1.067.850,00. De deskundigen zijn van mening dat er geen correctie voor planologische risico’s geboden is.
2.12.
De gemeente is van mening dat het verschil in moment en stadium waarin de planvorming voor de percelen zich bevindt een lagere waarde rechtvaardigt dan de waarde van € 45,00 per vierkante meter die hoofdzakelijk is ontleend aan referentietransacties uit 2024 waarbij de gemeente Kapelle percelen verwierf. De woningbouwontwikkeling in [plaats 2] is op de peildatum (veel) concreter en zekerder dan in [woonplaats] en was dit ook op het moment van het aangaan van de transacties. Bovendien is de start van de bouw in [plaats 2] in 2026 voorzien. In [woonplaats] moet de omgevingsvisie nog worden vastgesteld en daarna het omgevingsplan. Vervolgens kunnen pas de omgevingsvergunningen worden verleend. De bouw van de woningen zal niet kunnen starten voor 2029-2030. De residuele methode leidt volgens de gemeente tot een bedrag van € 36,00 per vierkante meter. De gemeente verzoekt de rechtbank om de aan de referentietransacties te ontlenen waarde, neerwaarts bijgesteld, met de door de gemeente aan de residuele grondwaardeberekening te ontlenen waarde te verzoenen en aan de hand daarvan de waarde te bepalen.
2.13.
[de belanghebbende] is van mening dat de door de deskundigen geadviseerde prijs veel te laag is. [de belanghebbende] betwist dat de door zijn deskundige genoemde referentietransactie in [plaats 1] niet relevant zou zijn.
2.14.
Wat betreft de door de deskundigen in de taxatiebijlage onder “d” genoemde referentietransactie is de rechtbank van oordeel dat deze niet geschikt is als referentietransactie, omdat de differentiatie niet voldoende vergelijkbaar is. In het plan waarvoor dat perceel is aangekocht is voorzien in 18% sociale huurwoningen, terwijl de woningdifferentiatie zoals opgenomen in de “Zeeuwse Woondeal 2023-2030” van 6 maart 2023 waaraan de gemeente zich heeft te houden, voorziet in 32% sociale huurwoningen. Voor wat betreft de onder “e” tot en met “g” genoemde referentietransacties is de rechtbank van oordeel dat deze als gevolg van de geografische ligging in de onmiddellijke nabijheid van de Randstad onvoldoende vergelijkbaar zijn om als referentietransacties te gebruiken.
2.15.
De transactie aan de [adres] te [plaats 2] , die door [de belanghebbende] is aangedragen oordeelt de rechtbank niet geschikt als referentietransactie. Deze betreft verkoop voor het realiseren van 64 onzelfstandige wooneenheden voor bewoners met een beperking en een gebouw voor dagbesteding. Ten behoeve van die functies is aan het perceel een maatschappelijke bestemming gegeven. Het plan waarvoor dit perceel is aangekocht is niet vergelijkbaar met het plan waarvan de percelen deel uitmaken. Dat betreft een uitleggebied voor wonen.
De rechtbank volgt de deskundigen ook in hun standpunt dat de door [de belanghebbende] aangedragen referentietransactie in [plaats 1] niet geschikt is als referentie. Door de deskundigen is gemotiveerd uiteen gezet waarom beide locaties niet vergelijkbaar zijn. Zo betreft [plaats 1] een inbreidingslocatie die herontwikkeld wordt, terwijl de percelen deel uitmaken van een uitleggebied met een dorps woonmilieu. Daarnaast hebben de deskundigen toegelicht dat de locatie in [plaats 1] niet vergelijkbaar is wat betreft kosten voor het bouw- en woonrijp maken van de percelen, differentiatie, woningdichtheid en het percentage uitgeefbare grond. [de belanghebbende] heeft daartegen ingebracht dat de dorpen [plaats 1] en [woonplaats] vergelijkbaar zijn, er ten tijde van de verkoop ook in [plaats 1] nog geen bestemmingsplan lag en de kosten van de sloop van de kerk, die zich op het perceel in [plaats 1] bevindt, ten minste vergelijkbaar zijn met de (extra) kosten voor het bouw- en woonrijp maken van het perceel in [woonplaats] . De rechtbank gaat hieraan voorbij. De dorpen [dorpen] hebben een ander karakter. [woonplaats] is meer dorps, zoals de deskundigen ook aannemen, dan [plaats 1] . Het perceel in [plaats 1] is anders dan de percelen bouwrijp en [de belanghebbende] heeft zijn aanname dat de kosten van afbraak van de kerk opwegen tegen de kosten van bouwrijp maken van de percelen, niet onderbouwd. Met de deskundigen is de rechtbank dan ook van oordeel dat het perceel in [plaats 1] niet geschikt is als referentietransactie. Ook de door [de belanghebbende] opgevoerde referentietransactie met betrekking tot de [straat] is naar het oordeel van de rechtbank niet geschikt om als referentietransactie in aanmerking te nemen. Deze is daarvoor te oud. De levering heeft kennelijk plaatsgevonden op 10 mei 2012. De koopovereenkomst moet dus nog van voor die datum zijn. De marktomstandigheden waren destijds anders. Bovendien is onduidelijk waarvan bij deze transactie wat betreft woningaantallen, differentiatie en fasering is uitgegaan.
2.16.
Door de gemeente zijn geen referentietransacties aangedragen.
2.17.
De rechtbank gaat bij het vaststellen van de werkelijke waarde dus uit van de in de taxatiebijlage bij het deskundigen advies genoemde referentietransacties “a”, “b” en “c”. Dit betekent dat de werkelijke waarde van de percelen ligt in de bandbreedte van € 45,00 tot € 50,62 per vierkante meter. De rechtbank ziet in de ligging van [woonplaats] geen aanleiding om de werkelijke waarde op een hoger bedrag vast te stellen dan het door de deskundigen geadviseerde bedrag van € 45,00 per vierkante meter. Ook voor het vaststellen van de werkelijke waarde op een lager bedrag zoals door de gemeente bepleit ziet de rechtbank geen aanleiding.
2.18.
Het verschil in stadium waarin de planvorming van de percelen zich bevindt ten opzichte van de situatie in [plaats 2] , waar de waarde van € 45,00 per vierkante meter hoofdzakelijk aan is ontleend, is geen aanleiding om de werkelijke waarde op een lager bedrag te bepalen. Voor beide plangebieden heeft de desbetreffende gemeente een voorkeursrecht gevestigd voor de functie wonen. Dat de eerdere aanwijzing van de percelen in [plaats 2] in de structuurvisie volgens de deskundigen een redelijk handelend koper niet meer zekerheid geeft dan bij de percelen in [woonplaats] heeft de gemeente niet voldoende weersproken. Dat geldt ook voor het feit dat er volgens de deskundigen in [plaats 2] nog geen planologische procedure tot toedeling van een woonfunctie aan de desbetreffende percelen is gestart en dat daarvan zeker ten tijde van de transactie nog geen sprake was. Anderzijds is op 28 januari 2025 “De visie van [woonplaats] ” gepubliceerd. Deze gebiedsvisie is tot stand gekomen in samenwerking met de Dorpsraad [woonplaats] en op meerdere kaarten in die visie zijn de percelen aangeduid als beoogde uitbreidingslocatie voor woningbouw op korte termijn. Deze visie is een participatiedocument dat onderdeel is van toekomstige besluitvorming door het gemeentebestuur. Daarnaast is met betrekking tot het plan in [woonplaats] inmiddels het ontwerp van de (gewijzigde) omgevingsvisie ter inzage gelegd waarin ook woningbouw op de percelen is voorzien. Weliswaar moet deze nog worden vastgesteld, maar het is wel een beleidsstuk dat aangeeft waar de gemeente naar streeft. Ook de omstandigheid dat volgens de gemeente de termijn gelegen tussen de peildatum en aanvang bouw in [plaats 2] veel korter zou zijn dan in [woonplaats] geeft de rechtbank geen aanleiding tot het vaststellen van de waarde op een lager bedrag. De gemeente onderbouwt haar stelling dat in [plaats 2] in 2026 met de bouw zal worden begonnen niet. Anderzijds is onduidelijk op grond waarvan de gemeente in haar reactie op het concept-advies nog uitgaat van een start van de bouw (op zijn vroegst) in 2027-2028 en dit nu twee jaar opschuift naar (niet voor) 2029-2030.
2.19.
De rechtbank passeert ook de stelling van de gemeente dat de taxatie gebaseerd op de residuele methode, die volgens de gemeente uitkomt op € 36,00 per vierkante meter, een bijstelling van de prijs op een lager bedrag dan € 45,00 per vierkante meter rechtvaardigt. Het globale karakter van de door de deskundigen als tweede taxatiemethode en ter controle van de comparatieve benadering uitgevoerde residuele berekening geeft volgens de deskundigen geen aanleiding om naast de globale schatting van de stichtingskosten rekening te houden met een post onvoorzien van 10% op de kosten van het bouw- en woonrijp maken die de gemeente in haar berekening opneemt. Zij wijzen er ook op dat in het kader van het publiekrechtelijke kostenverhaal evenmin is voorzien in een post onvoorzien. De rechtbank zal het advies van de deskundigen volgen. De residuele berekening houdt in dit geval niet meer in dan een toets ten opzichte van de uitkomst van de comparatieve methode. In haar aard is het dus een meer globale berekening dan kostenramingen voor publieke werken zijn. Afgezien daarvan wijkt de berekening van de gemeente die leidt tot een bedrag van € 36,00 per vierkante meter niet slechts wat betreft de post onvoorzien af van de berekening van de deskundigen. Ook de bedragen voor verwerving, kostenstijging en rente wijken af. Door de gemeente is niet concreet aangeven wat de invloed is van de aan te leggen hoofdontsluiting via de [straat] , waar door de deskundigen geen rekening mee is gehouden. De rechtbank kan zich vinden in de uitkomst van € 42,50 per vierkante meter en oordeelt dat deze geen aanleiding is om de uitkomst van de taxatie op grond van de comparatieve methode naar beneden bij te stellen.
2.20.
De prijs wordt per de datum van de beschikking vastgesteld. Deze beschikking wordt een kleine vier maanden na de datum van het definitieve rapport gewezen. Door partijen zijn geen feiten en of omstandigheden gesteld en die zijn aan de rechtbank ook niet gebleken, op grond waarvan dit tijdsverloop aanleiding zou moeten zijn voor een aanpassing van de door de deskundigen geadviseerde waarde.
2.21.
Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank uit van een werkelijke waarde van de percelen van € 45,00 per vierkante meter. De rechtbank zal de prijs voor de percelen dus bepalen op € 1.067.850,00 (23.730 m2 x € 45,00).
De (proces)kosten
2.22.
De kosten van de gerechtelijke procedure, het deskundigenadvies en de redelijkerwijs door de vervreemder voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand gemaakte kosten komen op grond van artikel 16.123 lid 4 Ow in beginsel ten laste van de verzoeker. Het gaat daarbij om de werkelijke kosten van (rechts)bijstand.
2.23.
Ter zitting is door partijen meegedeeld dat de gemeente de tot dit pleidooi door [de belanghebbende] gefactureerde kosten van (rechts)bijstand heeft voldaan. Partijen hebben ter zitting meegedeeld dat de gemeente ook de kosten van (rechts)bijstand voor het pleidooi, rechtstreeks aan (de advocaat van) [de belanghebbende] zal voldoen. Bij e-mailbericht aan de rechtbank van 2 oktober 2025, in kopie verzonden aan [de belanghebbende] , heeft de gemeente meegedeeld dat (de advocaat van) [de belanghebbende] de opgave van de kosten verbonden aan de mondelinge behandeling aan de gemeente heeft toegezonden. De gemeente heeft deze opgave akkoord bevonden en het desbetreffende honorarium betaalbaar gesteld. De kosten van (rechts)bijstand van [de belanghebbende] hoeven gelet daarop geen beoordeling en beslissing.
2.24.
De voorzitter van de commissie van deskundigen heeft bij per e-mail verzonden brief met bijlage van 18 september 2025 aan de rechtbank, in kopie verzonden aan de gemeente, opgave gedaan van de kosten van de deskundigen. In totaal bedragen de opgegeven kosten € 41.308,55 inclusief btw. De gemeente heeft meegedeeld met deze kostenopgave in te stemmen en het opgegeven bedrag te zullen vergoeden. De rechtbank zal de gemeente veroordelen tot betaling aan de deskundigen van het bedrag van € 41.308,55 inclusief btw.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt de prijs van de percelen:
[perceelnummer 1] , groot 14.065 m²
[perceelnummer 2] , groot 9.665 m²
per 21 oktober 2025 gezamenlijk op € 1.067.850,00,
3.2.
veroordeelt de gemeente tot betaling van de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op € 41.308,55 inclusief btw.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit, mr. Kool en mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|