Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:5518 
 
Datum uitspraak:13-07-2026
Datum gepubliceerd:16-07-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB-25_4658
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Besluit tot afwijzing van verzoek tot handhaving. College terecht besloten dat geen sprake is van een overtreding. Hinderwetvergunning is van rechtswege komen te vervallen. Emissiepunten niet gewijzigd. Geen sprake van een klaarblijkelijke dreigende overtreding.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
bestemmingsplan
bestuursdwang
melkvee
omgevingsvergunning
paarden
perceel
stallen
varkens
veehouderij
veestapel
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/4658
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats ] , eisers
(gemachtigde: mr. J.W. Verhoeven),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, het college
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1] uit [woonplaats ] , derde-partij
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek van eisers tegen de activiteiten die plaatsvinden op het perceel van de derde-partij in [woonplaats ] .


1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers [eiser 1] en de gemachtigde, mr. S. Tihouna en de gemachtigde namens het college en de derde-partij en de gemachtigde.




Procesverloop

2. Op 18 juli 2024 hebben eisers verzocht om handhavend optreden. Volgens eisers wordt zonder een vergunning een veehouderij geëxploiteerd en landbouwhuisdieren gehouden op het perceel van de derde-partij dat is gelegen op het adres [adres 1] in [woonplaats ] (het perceel).
Verder hebben eisers verzocht om (preventief) handhavend op te treden tegen het feit dat het woon- en leefklimaat van eisers onevenredig wordt geschaad door de bedrijvigheid en de milieubelastende activiteiten op het perceel. Eisers zijn eigenaar van de woning op het perceel [adres 2] in [woonplaats ] . Het perceel van eisers grenst aan het perceel van de derde-partij.


2.1.
Op 30 juli 2024 en 24 september 2024 hebben controles plaatsgevonden op het perceel.



2.2.
Op 27 september 2024 heeft het college besloten om het verzoek van eisers af te wijzen (het primaire besluit). Volgens het college is er geen overtreding van een wettelijk voorschrift.



2.3.
In het pro-forma bezwaarschrift van 7 november 2024 hebben eisers het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank op grond van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij hebben in hun bezwaarschrift aangegeven dat de kwestie gaat om de uitleg van de wet waarover beide partijen een verschillende interpretatie hebben waardoor een bezwaarschriftprocedure geen toegevoegde waarde heeft.



2.4.
Op 28 januari 2025 heeft het college dit verzoek toegewezen en het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank.



2.5.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 februari 2025 besloten het beroepschrift ter verdere behandeling terug te zenden als bezwaarschrift aan het college. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onder de gegeven omstandigheden niet doelmatig is om de bezwaarfase over te slaan en daarom het college kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met het verzoek tot rechtstreeks beroep.



2.6.
Op 14 april 2025 hebben eisers aanvullende bezwaargronden ingediend.



2.7.
Op 2 september 2025 heeft het college besloten op het bezwaar van eisers (de beslissing op bezwaar). Het college heeft besloten om het primaire besluit (ongewijzigd) in stand te laten.



2.8.
Op 13 oktober 2025 hebben eisers beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.



2.9.
Op 9 juni 2026 heeft het college gereageerd op het beroep met een verweerschrift.




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

4. De rechtbank verklaart het beroep van eisers ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Beroepsgronden


Is sprake van een overtreding van de Hinderwetvergunning?

5. Eisers betogen dat de Hinderwetvergunning van de derde-partij nooit in werking is getreden en daarom de veehouderij op het perceel zonder recht of titel wordt geëxploiteerd en ook de landbouwhuisdieren zonder recht of titel worden gehouden. Eisers stellen dat in voorschrift 7.1 van de Hinderwetvergunning uitdrukkelijk is bepaald dat binnen 50 meter van de woning van eisers geen enkele activiteit was/is toegestaan. Aangezien het terrein en de stallen zich bevinden binnen een afstand van 50 meter tot de woning van eisers, is niet voldaan aan voorschrift 7.1 van de Hinderwetvergunning en daarom is de Hinderwetvergunning nooit in werking getreden dan wel van rechtswege komen te vervallen, aldus eisers. Dit volgde volgens eisers uit artikel 27, eerste en derde lid, van de Hinderwet. Door zonder recht of titel landbouwhuisdieren in de stallen te houden wordt volgens eisers in de huidige situatie onder andere artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 3.200, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) overtreden.


5.1.
Het college voert hierover aan dat het geen reden ziet om aan te nemen dat de Hinderwetvergunning nooit in werking is getreden. Volgens het college leidt het niet voldoen aan een voorschrift behorende bij een vergunning er niet toe dat de werking van de vergunning wordt opgeschort. Het college stelt dat eisers ten tijde van de verlening van de Hinderwetvergunning een handhavingsverzoek hadden kunnen doen vanwege eventuele strijd met de voorschriften.



5.2.
De rechtbank stelt vast dat door de derde-partij meldingen zijn gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) dan wel het Bal. Deze meldingen zijn door het college geaccepteerd. Zoals de voorzieningenrechter reeds in haar uitspraak van 2 augustus 2023 heeft geoordeeld zijn vanaf het moment dat de inrichting een type B inrichting is geworden, de algemene regels uit het Activiteitenbesluit gaan gelden en is er geen milieuvergunning meer vereist voor de inrichting. De eerder gedane meldingen onder het Activiteitenbesluit gelden als meldingen onder het Bal. Blijkens deze meldingen is het bedrijf van de derde-partij verschillende malen gewijzigd en zijn ook het soort en aantal dieren veranderd.



5.3.
In de uitspraak van 2 augustus 2023 van deze rechtbank heeft de voorlopige voorzieningenrechter geoordeeld over het besluit tot het afwijzen van een eerder handhavingsverzoek van eisers dat was gericht op de vermeende overtreding van de verleende Hinderwetvergunning aan de derde-partij dan wel tegen de overtreding van het Activiteitenbesluit omdat in strijd zou worden gehandeld met voorschrift 7.1 van de Hinderwetvergunning. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak onder meer het volgende overwogen: ‘De voorzieningenrechter stelt voorop dat, hoewel de oude Hinderwetvergunning niet is vervallen of ingetrokken, dat niet betekent dat op de inrichting van Bouw niet de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Vanaf het moment dat de inrichting een type B inrichting is geworden, zijn die algemene regels gaan gelden. Het college heeft daarom terecht getoetst aan normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.’ De rechtbank ziet geen aanleiding hier in deze zaak anders over te denken.



5.5.
Anders dan de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat de Hinderwetvergunning reeds is vervallen en de activiteiten op het perceel zijn toegestaan op basis van en gereguleerd door algemene regels. Vanaf het moment dat de inrichting van de derde-partij een type B inrichting is geworden, zijn namelijk de algemene regels gaan gelden. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) brengt een redelijke uitleg van de (inmiddels vervallen) artikelen 8.1 en 8.40 van de Wet milieubeheer mee dat, ondanks het ontbreken van een expliciete wettelijke grondslag, een vergunning van rechtswege is vervallen nadat het Activiteitenbesluit op de inrichting van toepassing wordt en op grond van het Activiteitenbesluit de inrichting niet meer vergunningplichtig is. In een dergelijk geval staat vast dat aan de vergunning - afgezien van het mogelijk tijdelijk doorwerken als nadere eis of maatwerkvoorschrift van onderdelen daarvan - geen betekenis meer zal toekomen.


Is sprake van een overtreding van artikel 22.101 van het Omgevingsplan van de gemeente Nijkerk?

6. Eisers betogen dat sprake is van een overtreding van artikel 22.101 van het omgevingsplan van de gemeente Nijkerk (het omgevingsplan), dat een afstand van 50 meter vereist tussen de activiteiten van de derde-partij en het woonhuis van eisers. Eisers stellen dat de emissiepunten van zowel de melkveestal als de paardenstal zich (ook na de verrichte aanpassingen) bevinden op minder dan 50 meter van de woning van eisers. Daarbij merken eisers op dat wanneer zij gebruik maken van de bouwmogelijkheden waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, deze gebouwen op een nog kleinere afstand komen te liggen tot de emissiepunten van de melkveestal en de paardenstal.



6.1.
Het college voert hierover aan dat geen sprake is van een overtreding. Het college stelt dat de voorlopige voorzieningenrechter in de uitspraak van 2 augustus 2023 heeft geoordeeld dat zowel de melkveestal als de paardenstal voldoen aan de afstandseisen. Verder stelt het college dat de toezichthouder heeft geconstateerd tijdens de controle dat de melkveestal en de paardenstal niet zijn gewijzigd wat betreft de emissiepunten en het college geen reden heeft om aan te nemen dat de stallen zijn verplaatst. De omstandigheid dat de afstand niet precies is gemeten door de toezichthouder is niet relevant.



6.2.
In de controlerapport(en) van de toezichthouder is onder meer het volgende opgenomen:
Controle op 30-7-2024: ‘Ik heb samen met mevrouw [naam 1] gekeken naar de veebezetting en of het emissiepunt van stal nog op voldoende afstand is van het dichtstbijzijnde geurgevoelig object.

(…)


Zowel de koeienstal als de paardenstal zijn geen wijzigingen aangebracht ten opzichte van de eerdere controle/verzoek tot handhaving. Door bovenstaande constateringen voldoet de stal aan de gestelde geurafstanden.’




6.3.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat geen sprake is van een overtreding. Daartoe neemt de rechtbank in acht dat de voorlopige voorzieningenrechter uitdrukkelijk in haar uitspraak van 2 augustus 2023 heeft geoordeeld dat geen sprake is van een overtreding omdat de emissiepunten van zowel de paarden als de melkveestal zijn gesitueerd op een afstand van meer dan 50 meter tot de woning van eisers. Zoals blijkt uit het controlerapport van de toezichthouder van 5 augustus 2024 van de controle van 30 juli 2024 zijn er geen wijzigingen aangebracht aan de betreffende stallen. Hiermee staat ook vast dat de emissiepunten van de betreffende stallen ook niet zijn gewijzigd. Voor zover eisers hebben gesteld dat het college ten onrecht geen rekening heeft gehouden met hun mogelijkheden tot het zonder omgevingsvergunning bouwen van bouwwerken binnen 50 meter van de emissiepunten, merkt de rechtbank op dat, zoals ook de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, het college hiermee geen rekening hoefde te houden bij de beoordeling van het handhavingsverzoek van eisers. De beroepsgrond slaagt niet.


Hebben eisers verzocht om intrekking?

7. Eisers betogen dat het college had moeten besluiten om de Hinderwetvergunning in te trekken omdat er gedurende meer dan een jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de Hinderwetvergunning. Sinds 1997 worden namelijk geen varkens meer gehouden op het perceel en de varkens kunnen ook niet meer gehouden worden, aangezien de varkensrechten vergeven zijn en een en ander planologisch ook onmogelijk is, aldus eisers. Deze intrekking dient volgens eisers onder meer te geschieden met het oog op het belang van een actueel vergunning bestand.



7.1.
Het college voert hierover aan dat het college geen reden ziet om over te gaan tot intrekking van een – volgens eisers bestaande – omgevingsvergunning. Het college stelt dat de derde-partij voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. Met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit is de inrichting op het perceel een meldingsplichtige type B inrichting geworden. Ter onderbouwing hiervan verwijst het college naar de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van 2 augustus 2023. Daarbij merkt het college op dat deze gedane meldingen na de inwerkingtreding van de omgevingswet gelden als meldingen op grond van het Bal.



7.2.
De rechtbank stelt vast dat eisers onder meer het volgende hebben opgenomen in het handhavingsverzoek van 18 juli 2024:

De huidige bedrijvigheid / milieubelastende activiteiten aan de [adres 1] voldoet niet aan de wet- en regelgeving. Aangezien de [eisers] daar overlast van ondervindt, wenst de [eisers] dat de bedrijvigheid / de milieubelastende activiteiten op de [adres 1] in [woonplaats ] gestaakt worden, en gestaakt blijven. Dit zou bereikt kunnen worden door - bijvoorbeeld - intrekking op grond van artikel 5.40 Omgevingswet van de Hinderwetvergunning / daarmee gelijk te stellen milieuvergunning, of door te handhaven op de voorschriften.



Verzoek om handhaving


1. Concreet wordt verzocht handhavend op te treden tegen:


- het feit dat er geen vergunning/ontheffing/toestemming is voor de exploitatie van een veehouderij op de [adres 1] in [woonplaats ] .


Voor een gedetailleerde onderbouwing van dit punt verwijs ik u kortheidshalve naar het document dat als
productie 1
aan deze brief is gehecht.


2. U wordt ook verzocht handhavend op te treden tegen:


- het feit dat er geen vergunning/ontheffing/toestemming is voor het houden van landbouwhuisdieren in de stallen op de [adres 1] in [woonplaats ] .


3. U wordt tot slot verzocht (preventief) handhavend op te treden tegen het feit dat het woon- en leefklimaat van de [eisers] onevenredig wordt geschaad door de bedrijvigheid / milieubelastende activiteiten op de [adres 1] in [woonplaats ] . Namens de [eisers] vraag ik specifiek uw aandacht voor de mogelijkheden die de [eisers] hebben om vergunningvrij aan of uit te bouwen en vergunningvrij een (preventieve) mantelzorgwoning te realiseren. Deze bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de [eisers] worden belemmerd vanwege De bedrijvigheid / milieubelastende activiteiten aan de [adres 1] belemmeren de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de [eisers] , omdat de bedrijvigheid op veels te korte afstand van hun perceel [adres 2] plaatsvindt. Bovendien heeft uitbreiding van de veestapel in de huidige stallen, zoals gemeld, een onevenredige impact op het woon- en leefklimaat van de [eisers] .


Conclusie


Vaststaat dat de huidige bedrijvigheid / milieubelastende activiteiten aan de [adres 1] niet voldoen aan de wet- en regelgeving.


U wordt dan ook verzocht handhavend op te treden door bijvoorbeeld de Hinderwetvergunning of de daarmee gelijk te stellen milieuvergunning in te trekken danwel door te handhaven op de voorschriften, behorende bij de Hinderwetvergunning (of de daarmee gelijk te stellen milieuvergunning).




7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek van eisers niet hoefde te kwalificeren als een intrekkingsverzoek. Eisers verzoeken het college immers om een handhavingstraject te starten vanwege overtredingen. Weliswaar is de mogelijkheid van intrekking van vergunningen als voorbeeld genoemd in de laatste zinnen van het handhavingsverzoek, maar dit is geen vorm van handhaving. Immers, als er een overtreding wordt geconstateerd, leidt het opleggen van een last onder bestuursdwang of dwangsom in het handhavingsbesluit ertoe dat de overtreding feitelijk wordt opgeheven. Het intrekken van een vergunning leidt niet tot het opheffen van een overtreding. Daarbij geldt voor intrekken van vergunningen ook een ander juridisch kader dan voor het beoordelen van een handhavingsverzoek. Daarbij merkt de rechtbank op, los van de omstandigheid dat de Hinderwetvergunning van rechtswege is vervallen, dat in het handhavingsverzoek van eisers ook niet is toegelicht waarom zij verzoeken om intrekking van de Hinderwetvergunning, anders dan dat in strijd met wet- en regelgeving (waaronder deze Hinderwetvergunning) door de derde-partij wordt gehandeld. Dit is door het college onderzocht in het kader van het handhavingstraject en zoals hierboven reeds is overwogen, is van een overtreding geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.


Had het college preventief handhavend moeten optreden?

8. Eisers betogen dat het college ten onrechte niet heeft besloten om (preventief) handhavend op te treden. Eisers stellen dat het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigt. Volgens eisers is een mantelzorgwoning vergunningsvrij toegestaan maar wordt dit geblokkeerd door de bedrijfsactiviteiten op een veel te korte afstand tot het perceel van eisers. Verder stellen eisers dat ten tijde van het verzoek om handhavend optreden een wijzigingsplan in werking was en op grond daarvan aan het perceel de aanduiding ‘paardenhouderij’ toegekend, de vorm van het bouwvlak vergroot en veranderd om ruim baan te maken voor een nieuwe paardenstal voor 40 paarden. Deze paardenstal is volgens eisers ook geprojecteerd op minder dan 50 meter afstand van de woning van eisers. Het voorgaande is volgens eisers ondanks de omstandigheid dat het wijzigingsplan is geschorst door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).



8.1.
Het college voert hierover aan dat ten tijde van de beoordeling van het handhavingsverzoek er voor het college geen reden was om aan te nemen dat sprake was van een klaarblijkelijke dreiging van een overtreding. Het college stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 augustus 2023, dat beoordeeld moet worden of ten tijde van het handhavingsverzoek sprake was een overtreding en niet of er een overtreding zal ontstaan als er vergunningsvrije werkzaamheden op het perceel van eisers zullen plaatsvinden. Dat eisers mogelijk een mantelzorgwoning willen plaatsen op hun perceel waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist brengt in het voorgaande geen verandering, aldus het college.



8.2.
In de uitspraak van 2 augustus 2023 van deze rechtbank heeft de voorlopige voorzieningenrechter onder meer het volgende geoordeeld:

‘De op te richten paardenstal


Voor wat betreft de te realiseren paardenstal hebben eisers betoogd dat er sprake is van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de stal gebruikt zal worden ten dienste van de paardenhouderij. Dit is in strijd met geldende bestemmingsplan. Daarom moet hiertegen preventief worden opgetreden.


De voorzieningenrechter stelt vast dat voor de bouw van de betreffende paardenstal nog geen omgevingsvergunning is verleend. [naam 1] heeft ter zitting bovendien bevestigd dat hij eerste de bestemmingsplanprocedure wil doorlopen voor hij de paardenhouderij zal opstarten. Tot die tijd houdt hij melkvee en heeft hij een paardenmelkerij. Van een overtreding die klaarblijkelijk dreigt is dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Het college is niet bevoegd handhavend op te treden. Het betoog slaagt niet.’





8.3.
Artikel 5:7 van de Awb luidt: ‘Een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.’



8.4.
Ingevolge artikel 5:7 van de Awb kan een herstelsanctie worden opgelegd, zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. Uit deze bepaling volgt dat een besluit tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom slechts kan worden genomen als zich een gevaar voordoet van een overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden, indien die overtreding in het besluit kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit een oogpunt van rechtszekerheid is vereist.



8.5.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat er geen klaarblijkelijk gevaar is dat overtreding van de emissiepunten door de realisatie van de nieuw op te richten paardenstal klaarblijkelijk zal plaatsvinden. Daartoe acht de rechtbank van belang dat geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor deze nieuw op te richten paardenstal en de Afdeling het wijzigingsplan die deze ontwikkeling mogelijk maakt heeft geschorst. Daarom staat naar het oordeel van de rechtbank op voorhand voldoende vast dat de oprichting van de nieuwe paardenstal niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Dat de derde-partij in het verleden zonder omgevingsvergunning meerdere bouwwerken heeft opgericht, ook als dat betoog juist zou zijn, brengt in het voorgaande geen verandering. De beroepsgrond slaagt niet.


Nooit een natuurvergunning verleend?

9. De grond dat nooit een natuurvergunning is verleend voor de aanwezige paarden hebben eisers ingetrokken op zitting.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep van eisers is ongegrond. Het college heeft het handhavingsverzoek terecht afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.










Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zoals dat is neergelegd in artikel 7:1a, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Deze bevoegdheid heeft de rechtbank op grond van artikel 8:54a, van de Awb.


Uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1314, r.o. 13.


Uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4460, r.o. 4.1.


Uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4460, r.o. 6.1.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:491, r.o. 5.1.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG1831, r.o. 2.1.2.


Artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Omgevingswet luidt:
‘In andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekken:

a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald


b. als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.’




Uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4460, r.o. 11 – 11.1.


Uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:935, r.o. 6.


Zie de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van de Afdeling van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:805, r.o. 5.
Link naar deze uitspraak