|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:3943 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ZWO 25/3365 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen lasten onder dwangsom ter voorkoming van herhaling. Eiseres heeft geen procesbelang meer bij de beoordeling van haar beroep omdat de looptijd van de lasten is verstreken. Eiseres heeft geen dwangsommen verbeurd. Ook heeft eiseres geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat zij door de opgelegde lasten schade heeft geleden of kosten heeft gemaakt om aan de lasten te voldoen. Het beroep is niet-ontvankelijk. | | Trefwoorden | : | perceel | | | varkenshouderij | | | waterschap | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3365
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats],
hierna: [eiseres]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen,
hierna: het dagelijks bestuur
(gemachtigde: mr. M. Hoek).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de opgelegde lasten onder dwangsom ter voorkoming van herhaling. [eiseres] is het niet eens met de opgelegde lasten omdat zij meent dat zij geen overtreding heeft begaan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van [eiseres] niet-ontvankelijk is omdat zij geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep. De looptijd van de lasten onder dwangsom is verstreken en [eiseres] heeft geen dwangsommen verbeurd. Ook heeft zij niet gesteld op een andere manier schade te hebben geleden als gevolg van de opgelegde lasten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 op het bezwaar van [eiseres] is het dagelijks bestuur bij de oplegging van de last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling gebleven.
2.1.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft aangegeven af te zien van haar recht om op een zitting te worden gehoord.
2.2.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het dagelijks bestuur heeft ook afgezien van het recht om op een zitting te worden gehoord.
2.3.
Naar aanleiding van de berichten van partijen heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiseres] exploiteert een varkenshouderij, een transportbedrijf en een biovergister aan de [adres]. Toezichthouders van het dagelijks bestuur hebben bij een bedrijfscontrole geconstateerd dat er afvalwater aan de achterzijde van het bedrijf via een grote duiker werd geloosd op oppervlaktewater grenzend aan waterloop [waterloop] (overtreding 1). Ook is tijdens de controle geconstateerd dat aan de zijkant van het bedrijf percolaat afkomstig van de agrarische bedrijfsstoffen tussen en onder de omwandingen wegstroomt en werd geloosd op het oppervlaktewater (overtreding 2). Met de brief van 6 november 2024 heeft het dagelijks bestuur [eiseres] aangeschreven om de overtredingen ongedaan te maken en niet te herhalen.
3.1.
Bij verschillende hercontroles hebben toezichthouders geconstateerd dat het afvalwater aan de achterzijde van het bedrijf afkomstig is uit de gaswaarderingsinstallatie. Op 19 februari 2025 hebben toezichthouders geconstateerd dat overtreding 1 tijdelijk ongedaan is gemaakt omdat het vervuilde water uit de gaswaarderingsinstallatie in een opvangbak met beperkte opvangcapaciteit werd opgevangen en vervolgens werd afgevoerd, maar er geen definitieve oplossing is gevonden om de overtreding te beëindigen. Voor overtreding 2 is tijdens dezelfde controle geconstateerd dat de overtreding niet ongedaan is gemaakt omdat nog steeds percolaat afkomstig van de agrarische bedrijfsstoffen tussen en onder de omwandingen wegstroomt en wordt geloosd op het oppervlaktewater.
3.2.
Het dagelijks bestuur heeft met de brief van 7 maart 2025 een (vernieuwd) voornemen tot het opleggen van lasten onder dwangsom aan [eiseres] toegestuurd. Het dagelijks bestuur wil voor overtreding 1 een last onder dwangsom opleggen om te voorkomen dat de overtreding opnieuw plaatsvindt. Hij heeft de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 5.000,- per overtreding van de last per week, met een maximum van
€ 15.000,-. Aan deze last is een proeftijd gekoppeld van één jaar ingaande op de dag dat het handhavingsbesluit wordt bekendgemaakt. Voor overtreding 2 heeft het college het voornemen geuit om een last onder dwangsom op te leggen om de overtreding te beëindigen. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op € 1.000,- per overtreding van de last per week met een maximum van € 3.000,-. Aan deze last zal een begunstigingstermijn van één week worden verbonden. Het dagelijks bestuur heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na bekendmaking van het voornemen een zienswijze in te dienen.
3.3.
Met het besluit van 23 april 2025 heeft het dagelijks bestuur aan [eiseres] voor overtreding 1 een definitieve last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling met een looptijd van één jaar opgelegd. Volgens het dagelijks bestuur is de kans dat opnieuw vervuild water op het oppervlaktewater wordt geloosd groot. De opvangbak die door [eiseres] wordt gebruikt heeft een beperkte capaciteit en moet daarom meerdere keren per week worden geleegd om uitstroming naar het oppervlaktewater te voorkomen. Daarom is gekozen voor een last ter voorkoming dat een overtreding opnieuw plaatsvindt. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op € 5.000,- per overtreding met een maximum van
€ 15.000,-.
3.4.
Met het besluit van 23 april 2025 heeft het dagelijks bestuur aan [eiseres] voor overtreding 2 ook een definitieve last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling opgelegd met een looptijd van één jaar. Op 18 maart 2025 hebben toezichthouders geconstateerd dat de agrarische bedrijfsstoffen niet meer aanwezig waren op het perceel en daarom geen percolaat meer het oppervlaktewater instroomde. De omwanding was echter nog niet hersteld. Zodra [eiseres] opnieuw bedrijfsstoffen binnen de omwanding plaatst en deze stoffen met hemelwater in contact komen, is de kans volgens het dagelijks bestuur op een herhaling van de overtreding groot. Daarom is gekozen voor een last ter voorkoming dat een overtreding opnieuw plaatsvindt. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op € 1.000,- per overtreding met een maximum van € 3.000,-.
3.5
[eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 april 2025. Volgens haar is een last onder dwangsom bedoeld om een overtreding te beëindigen of een dreigende overtreding te voorkomen. Zij stelt dat er voor het dagelijks bestuur geen grondslag bestaat om de lasten op te leggen omdat zij geen overtreding heeft begaan. Ook stelt [eiseres] dat de last onevenredig is in relatie tot de gestelde overtredingen.
3.6.
Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 is het dagelijks bestuur, onder verbetering van de verschrijving van enkele feitelijke onjuistheden, in bezwaar bij de oplegging van de lasten onder dwangsom ter voorkoming van herhaling gebleven. Volgens hem heeft [eiseres] de twee overtredingen in de periode van oktober 2024 tot maart 2025 weldegelijk herhaaldelijk begaan. In bezwaar heeft [eiseres] volgens het dagelijks bestuur niet onderbouwd dat geen sprake (meer) is van een (dreigende) overtreding. Het dagelijks bestuur meent dat het terecht tot de conclusie is gekomen dat er gevaar is voor herhaling van de overtredingen.
Procesbelang
4. De rechtbank beoordeelt of [eiseres] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, dit wordt het procesbelang genoemd. Indien het procesbelang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Hieronder legt de rechtbank uit waarom.
4.1.
Voor de vraag of er (nog) procesbelang bestaat, is van belang wat [eiseres] met haar beroep nastreeft. Het doel dat zij hiermee wil bereiken, moet zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor haar feitelijke betekenis hebben. Voor de vraag of er (nog) procesbelang bestaat, is dus relevant wat de betrokkene met het rechtsmiddel nastreeft. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als zij reeds een zodanige rechtspositie heeft als met de procedure maximaal kan worden verwezenlijkt, ontbreekt een procesbelang. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
4.2.
Daarbij geldt in zaken zoals deze dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij [eiseres] stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de opgelegde lasten en de schade tot een zekere mate aannemelijk heeft gemaakt.
4.3.
In het verweerschrift heeft het dagelijks bestuur aangegeven dat de looptijd van de opgelegde lasten is geëindigd op 23 april 2026. Vanaf die datum kan [eiseres] geen dwangsommen meer verbeuren en de werking van de lasten is op dit moment beëindigd. Op verzoek van [eiseres] heeft het dagelijks bestuur met de brief van 5 juni 2026 ook bevestigd dat de werking van de opgelegde lasten is beëindigd en de lasten als ingetrokken mogen worden beschouwd. Volgens het dagelijks bestuur bestaat er voor [eiseres] geen actueel procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil omdat de lasten zijn uitgewerkt en er geen dwangsommen meer kunnen worden verbeurd.
4.4.
[eiseres] heeft zich in beroep alleen op het standpunt gesteld dat zij geen overtredingen heeft begaan en de lasten onder dwangsom ter voorkoming van de overtredingen zonder grondslag zijn opgelegd.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat de looptijd van de lasten onder dwangsom van één jaar inmiddels is verstreken en daarmee is uitgewerkt. [eiseres] heeft gedurende de looptijd geen dwangsommen verbeurd. Ook anderszins heeft [eiseres] geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat zij door de opgelegde lasten schade heeft geleden of kosten heeft gemaakt om aan de last te voldoen. Zij heeft niet gesteld, noch aannemelijk gemaakt, dat de beoordeling van de lasten voor haar nog feitelijke betekenis heeft. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] geen procesbelang (meer) heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:703.
Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 10 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3346, r.o. 6. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|