Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:4196 
 
Datum uitspraak:01-07-2026
Datum gepubliceerd:16-07-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:C/16/610475 / KL RK 26-12 C/16/610475 / KL RK 26-12
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:verzoek tot tenuitvoerlegging arbitraal vonnis toegewezen na afwijzing verzoek tot vernietiging door het Gerechtshof
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
perceel
taxatie
 
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer / rekestnummer: C/16/610475 / KL RK 26-125


Beschikking van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026


in de zaak van



[verzoeker]
,
te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker (voornaam)] ,
advocaat: mr. M.J.G. Peters,

tegen



[verweerder]
,
te [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
in persoon,
hierna te noemen: [verweerder (voornaam)] .





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van mr. Peters met bijlagen, binnengekomen op 21 april 2026;
- een e-mail met bijlagen van verweerder, binnengekomen op 22 april 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. Peters;
- de spreekaantekeningen van [verweerder (voornaam)] ;
- de mondelinge behandeling op 10 juni 2026, alwaar zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] (hierna: [verzoeker (voornaam)] ) met mr. Peters;
- de heer [verweerder] (hierna: [verweerder (voornaam)] ).



1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling overlegt [verweerder (voornaam)] een ontvangstbevestiging van zijn cassatieberoep en afschrift van het beroep bij de Hoge Raad.



1.3.
Ten slotte is beschikking bepaald op heden.





2De feiten


2.1
Aan de commissie van scheidslieden is bij beschikking van de rechtbank van 2 december 2020 opdracht gegeven een beslissing naar billijkheid te nemen over de afwikkeling van de beëindiging van de samenwerking tussen [verzoeker (voornaam)] en [verweerder (voornaam)] en daarmee de verdelingen/of vereffening van het gemeenschappelijke vermogen vast te stellen.



2.2
Bij tussenvonnis van 24 augustus 2021 heeft de commissie van scheidslieden bepaald dat de VOF door opheffing in de zin van artikel 11, eerste lid aanhef en onder sub b van de vennootschapsovereenkomst is beëindigd per l mei 2018. De aard van de samenwerking is daarmee veranderd in een op vereffening gerichte verdelingsgemeenschap.



2.3
In het tussenvonnis van 7 juni 2022 heeft de commissie beslist over de wijze van vereffening/verdeling van het vermogen van de verdelingsgemeenschap:
- de eigendom van de onroerende zaken die behoren tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen, met uitzondering van de ondergrond van de windmolens, aan [verzoeker (voornaam)] worden toegedeeld en dat [verzoeker (voornaam)] een nog nader te bepalen bedrag aan [verweerder (voornaam)] zal betalen ter compensatie van de overbedeling van de onroerende zaken.



2.4
Bij arbitraal eindvonnis van 16 mei 2023 heeft de commissie de verdeling en toedeling van het gemeenschappelijk vermogen vastgesteld en het bedrag van overbedeling dat [verzoeker (voornaam)] aan [verweerder (voornaam)] dient te betalen. Het arbitraal vonnis is gedeponeerd bij de rechtbank Midden-Nederland (Depotnummer: 8/2023) en door [verzoeker (voornaam)] is verlof verzocht tot tenuitvoerlegging.



2.5
Bij beschikking d.d. 13 december 2023 Rechtbank Midden-Nederland (C/16/563281);
- is verlof verleend tot tenuitvoerlegging van 2 arbitraal tussenvonnissen d.d. 24 augustus 2021 en 7 juni 2022);
- is verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale eindvonnis d.d. 16 mei 2023 geweigerd. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat in het arbitrale vonnis fundamentele beginselen van procesrecht zijn geschonden, namelijk het beginsel van hoor en wederhoor ten aanzien van het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de verdeling. Het arbitraal vonnis is daarmee in strijd met de openbare orde. De overige bezwaren van [verweerder (voornaam)] zijn door de voorzieningenrechter afgewezen.



2.6

[verweerder (voornaam)] is een vernietigingsprocedure tegen het arbitrale vonnis van 16 mei 2023 gestart bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In tussenarrest d.d. 5 november 2024 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het Hof de vernietigingsprocedure geschorst en de commissie in staat gesteld om de grond voor vernietiging ongedaan te maken. De commissie heeft ten onrechte partijen geen gelegenheid geboden zich uit te laten over het taxatierapport van [onderneming] betreffende de onroerende zaken behorende tot het vennootschapsvermogen, hierdoor is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Het arbitraal vonnis is daarmee in strijd met de openbare orde.



2.7
De commissie heeft op 28 april 2025 opnieuw eindvonnis gewezen. De commissie heeft alsnog hoor en wederhoor toegepast onder verbetering en aanvulling van de gronden en geoordeeld dat de eindbeslissing van het arbitrale eindvonnis d.d. 16 mei ongewijzigd blijft. Het betreffende herziene arbitraal eindvonnis is gedeponeerd bij deze rechtbank d.d. 4 juni 2025. [verzoeker (voornaam)] verzoekt verlof tot tenuitvoerlegging van dat vonnis.



2.8
Bij arrest d.d. 24 maart 2026 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het Hof, na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld op de voet van artikel 1065a lid 4 Rv zich uit te laten, de vorderingen van [verweerder (voornaam)] tot vernietiging van de arbitrale vonnissen (inclusief die van 28 april 2025) afgewezen.



2.9

[verweerder (voornaam)] heeft op 4 juni 2026 cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van 5 november 2024 alsmede het eindarrest van 24 maart 2026 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.





2Het verzoek en het verweer


2.1.

[verzoeker (voornaam)] heeft de voorzieningenrechter verzocht om een exequatur te verlenen ten aanzien van het arbitraal eindvonnis dat is gewezen op 16 april 2023 en een herzien arbitraal eindvonnis dat is gewezen op 28 april 2025 tussen [verzoeker (voornaam)] en [verweerder (voornaam)] . [verzoeker (voornaam)] heeft er groot belang bij dat het verlof wordt verleend en dat het (herziene) arbitrale eindvonnis ten uitvoer kan worden gelegd. [verzoeker (voornaam)] en [verweerder (voornaam)] zijn al vele jaren in geschil over de beëindiging van de VOF en de afwikkeling daarvan. Het Hof heeft onderhavige kwestie uitvoerig in haar arresten besproken, de commissie van scheidslieden heeft een herzien arbitraal eindvonnis gewezen en het Hof heeft de vordering van [verweerder (voornaam)] tot vernietiging afgewezen.



2.2.

[verweerder (voornaam)] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [verweerder (voornaam)] verzoekt de voorzieningenrechter het verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal eindvonnis van 16 april 2023 en het herzien arbitraal eindvonnis van 28 april 2025 niet te verlenen, althans deze op te schorten totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in het ingestelde cassatieberoep tegen de arresten van het Hof. [verweerder (voornaam)] meent dat ook het (herziene) arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde.



2.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover voor de beoordeling van belang – nader worden ingegaan.





3De beoordeling
Kern van de zaak


3.1
De voorzieningenrechter zal het gevraagde verlof om het arbitrale eindvonnis en het herziene arbitrale eindvonnis ten uitvoer te mogen leggen, verlenen. Dat wordt hieronder toegelicht.


Het juridisch kader




3.2

[verzoeker (voornaam)] heeft gevraagd om verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis van
16 april 2023 en het arbitrale eindvonnis van 28 april 2025. Dat verzoek kan, ingevolge artikel 1063 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv), alleen worden geweigerd als na summierlijk onderzoek is gebleken dat het arbitrale vonnis zal worden vernietigd op een van de gronden genoemd in artikel 1065, eerste lid, of herroepen op een van de gronden genoemd in artikel 1068, eerste lid, dan wel indien in strijd met artikel 1056 een dwangsom is opgelegd. In dit laatste geval betreft de weigering alleen de tenuitvoerlegging van de dwangsom.



3.3
Volgens artikel 1065 lid 1 Rv kan vernietiging van een arbitraal vonnis slechts plaatsvinden op een of meer van de volgende gronden:
a. een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt;
b. het scheidsgerecht is in strijd met de daarvoor geldende regelen samengesteld;
c. het scheidsgerecht heeft zich niet aan de opdracht gehouden;
d. het vonnis is niet overeenkomstig het in artikel 1057 bepaalde ondertekend of niet met redenen omkleed;
e. het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, is in strijd met de openbare orde.



3.4
Art. 1068 lid 1 Rv houdt in dat herroeping van een arbitraal vonnis slechts kan plaatsvinden op een of meer van de navolgende gronden:
a. a) het vonnis berust geheel of ten dele op na de uitspraak ontdekt bedrog, door of met medeweten van de wederpartij in de arbitrale procedure gepleegd,
b) het vonnis berust geheel of ten dele op bescheiden die na de uitspraak vals blijken te zijn, c) een partij heeft na de uitspraak bescheiden die op de beslissing van het scheidsgerecht van invloed zouden zijn geweest en door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden, in handen gekregen. Art. 1068 lid 2 Rv houdt in, voor zover hier van belang, dat de vordering tot herroeping wordt aangebracht binnen drie maanden nadat het bedrog of de valsheid in geschrifte bekend is geworden of een partij de nieuwe bescheiden in handen heeft gekregen.


Inhoudelijke beoordeling




3.5
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het is de bedoeling van de wetgever geweest, de executie niet op te houden met een uitvoerig onderzoek door de voorzieningenrechter. Het gaat erom, of er zich in eerste instantie weigeringsgronden voordoen, zodat het onderzoek van de voorzieningenrechter naar de vraag of zich vernietigingsgronden voordoen als bedoeld in art. 1065 lid 1 Rv of 1068 lid 1 Rv bepaald summier kan blijven. De wet spreekt thans in art. 1063 lid 1 Rv dan ook van een ‘summierlijk onderzoek’. Er is in de exequaturprocedure geen ruimte voor een uitgebreide inhoudelijke toetsing van de arbitrale vonnissen. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de inhoudelijke weren van [verweerder (voornaam)] , voor zover deze berusten op andere gronden dan voormelde vernietigings- of herroepingsgronden. De exequaturprocedure is niet bedoeld als een verkapt hoger beroep.



3.6
In zijn e-mail van 22 april 2026 aan de rechtbank stelt [verweerder (voornaam)] dat hij inmiddels over nieuwe feiten beschikt, die aantonen dat vanuit [verzoeker (voornaam)] sprake is van een vooropgezet plan en misleiding door valse informatie te hebben verstrekt en dat tevens sprake zou zijn van verduistering van geld. [verweerder (voornaam)] onderbouwt zijn stellingen niet, althans volstrekt onvoldoende. Bovendien lijkt dit standpunt te zien op een van de gronden genoemd in artikel 1068 lid 1 Rv tot herroeping van het arbitraal vonnis. Ter zitting daarnaar gevraagd heeft [verweerder (voornaam)] expliciet aangegeven geen beroep te doen op een van de herroepingsgronden. Het bovenstaand standpunt van [verweerder (voornaam)] leidt ook niet tot de conclusie dat het arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde en (opnieuw) voor vernietiging in aanmerking zou moeten komen.



3.7
Ter zitting heeft [verweerder (voornaam)] verder aangevoerd dat de beoordeling van de scheidslieden onvoldoende is gericht geweest op de afwikkeling van de vermogensrechtelijke verhouding tussen [verzoeker (voornaam)] en [verweerder (voornaam)] als vennoten van de VOF. Deze stelling is ook al eerder door de voorzieningenrechter in de beschikking van 13 december 2023 aan de orde gekomen. De voorzieningenrechter heeft toen al geoordeeld dat de stelling dat de arbiters zich niet aan hun opdracht hebben gehouden door [verweerder (voornaam)] niet is onderbouwd. Dat is thans niet anders. De arbiters hebben uitvoering gegeven aan hun opdracht, maar [verweerder (voornaam)] is het met het resultaat niet eens. Kern van het bezwaar van [verweerder (voornaam)] komt er kort gezegd op neer dat ten onrechte de bedrijfswoning (eigendom van [verzoeker (voornaam)] ) niet is meegenomen in de beoordeling en taxatie, terwijl volgens [verweerder (voornaam)] het perceel, de bedrijfswoning, de bedrijfsgebouwen, de agrarische bestemming en de bedrijfsvoering een samenhangend geheel vormt. Dat [verweerder (voornaam)] het niet eens is met de wijze waarop de scheidslieden de vermogensrechtelijke verdeling hebben vastgesteld betekent niet dat daarmee het arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde. In het kader van dit geding is het niet aan de voorzieningenrechter een vergaande inhoudelijke beoordeling van het arbitraal vonnis te geven. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het Hof ook in haar arrest van 5 november 2024 en van 24 maart 2026 heeft overwogen dat de wijze waarop het agrarisch erf en de bedrijfsgebouwen zijn getaxeerd geen grond opleveren voor vernietiging.



3.8
Aldus is op basis van het boven gestelde, na summierlijk onderzoek, niet gebleken dat het arbitrale vonnis alsnog op die gronden zal worden vernietigd.


Cassatieberoep




3.9
Ter zitting heeft [verweerder (voornaam)] het cassatieberoep van 4 juni 2026 tegen het tussenarrest van 5 november 2024 en het eindarrest van 24 maart 2026 van het Hof overhandigd. De voorzieningenrechter begrijpt dat [verweerder (voornaam)] de in het middel aangevoerde argumenten tevens ten grondslag legt aan het bezwaar tegen de ten uitvoerlegging van het herziene arbitraal vonnis. Door toepassing te geven aan artikel 1065a lid 1 Rv, zonder partijen voorafgaand aan het tussenarrest in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over mogelijke terugverwijzing naar het scheidsgerecht, heeft het Hof het in artikel 1065a lid 2 Rv en of artikel 19 Rv neergelegde beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Partijen zijn daarover niet gehoord, aldus het middel. Daarnaast komt volgens het middel een arbitraal vonnis dat gewezen is in strijd met de openbare orde niet voor terugverwijzing in aanmerking onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis.



3.10
Het is in beginsel niet aan de voorzieningenrechter in het kader van dit geding te oordelen of het cassatieberoep enige kans van slagen maakt. Wel merkt de voorzieningenrechter het volgende op. De wettekst van artikel 1065a Rv laat in het midden welke vernietigingsgronden kunnen leiden tot een terugverwijzing naar het scheidsgerecht. De memorie van toelichting bij dit artikel vermeldt evenwel dat terugverwijzing niet plaatsvindt indien een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (artikel 1065 lid 1 sub a Rv) of het arbitraal vonnis is gewezen in strijd met de openbare orde (artikel 1065 lid 1 sub e Rv). Artikel 34 lid 4 Modelwet, waarop artikel 1065a Rv is gebaseerd, biedt geen verklaring voor de stelling dat geen terugverwijzing plaatsvindt na een schending van de openbare orde. De terugverwijzingsregeling van artikel 34 lid 4 Modelwet werd slechts met één vernietigingsgrond onverenigbaar geacht: het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Strijd met de openbare orde werd in dit verband niet genoemd. Het Hof overweegt in haar arrest van 24 maart 2026 dan ook, in lijn met het voorgaande, dat in de parlementaire geschiedenis weliswaar is opgemerkt dat een vonnis dat in strijd met de openbare orde is gewezen niet voor terugverwijzing in aanmerking komt, maar een categorische beperking op dat punt niet volgt uit de tekst van de wet, terwijl de ratio en het systeem van de wet daartoe ook niet dwingen.



3.11
Of het Hof door toepassing te geven aan artikel 1065a lid 1 Rv, zonder partijen voorafgaand aan het tussenarrest in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over mogelijke terugverwijzing naar het scheidsgerecht is in het kader van deze procedure niet vast te stellen, laat staan in hoeverre hoor en weder hoor in dit specifieke geval is vereist. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 augustus 2024 ontbreekt.



3.12
Het is uiteindelijk aan de Hoge Raad om te oordelen in hoeverre de aangevoerde bezwaren in cassatie slagen. Dat komt dan voor rekening en risico van [verzoeker (voornaam)] .


Conclusie




3.13
Met de invoering van artikel 1065a Rv heeft de wetgever het primaat van de geschiloplossing bij het scheidsgerecht gelegd. Bovendien beoogt de wetgever met artikel 1065a Rv de efficiënte procesvoering te bevorderen. Artikel 1067 Rv bepaalt dat de overeenkomst tot arbitrage na vernietiging in beginsel van kracht blijft, tenzij het arbitraal vonnis is vernietigd op grond van het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst (artikel 1065 lid 1 sub a Rv). Na vernietiging van een arbitraal vonnis op een van de gronden in artikel 1065 sub b-e Rv zal aldus een nieuwe arbitrage aanhangig (kunnen) worden gemaakt, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. De terugverwijzingsregeling voorkomt dat een geheel nieuwe arbitrage moet worden gevoerd. Een tweede arbitrageprocedure is kostbaar en tijdrovend, en daarom onwenselijk. Terugverwijzing van een arbitraal vonnis dat op zichzelf aan vernietiging blootstaat, verdient alleen daarom al de voorkeur.



3.14
In dat verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat het Hof in haar arrest van 5 november 2024 verder heeft overwogen dat in beginsel de vernietiging van het arbitrale eindvonnis alleen ziet op de beslissing over de waardering van de onroerende zaken en beslissingen die daar op voortbouwen. Het geldt niet voor het resterende deel van de beslissingen in het eindvonnis. Dit betreft volgens het Hof de beslissing dat de onroerende zaken aan [verzoeker (voornaam)] worden toebedeeld, onder de verplichting dat hij de hypothecaire geldlening overneemt, de beslissing over de waardering van de machines en het bedrag dat [verweerder (voornaam)] in verband met de overbedeling op dat punt aan [verzoeker (voornaam)] moet betalen, en de beslissingen over de overgelopen schulden van de VOF, de schulden van [verzoeker (voornaam)] aan de VOF, de gezamenlijk te dragen kosten en de overgeboekte crediteuren. Deze beslissingen worden niet door een vernietigingsgrond geraakt, aldus het Hof. Het scheidsgerecht heeft, nadat zij door het Hof in staat is gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen, partijen alsnog in de gelegenheid gesteld om te reageren op het taxatierapport en nadien aan de hand daarvan (opnieuw) vonnis gewezen. Dit heeft echter niet geleid tot een ander oordeel van de scheidslieden.



3.15
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter, na summierlijk onderzoek, niet gebleken dat er sprake is van enig vernietigingsgrond, anders dan deze waarop reeds al door het Hof is beslist, die er voor zorgen dat de voorzieningenrechter het verlof weigert toe te kennen. Een geslaagd cassatie beroep brengt daar ook geen verandering in.


Verzoek aanhouding




3.8.

[verweerder (voornaam)] heeft subsidiair gevraagd om aanhouding van de beslissing totdat het de Hoge Raad in de cassatieprocedure heeft beslist. De voorzieningenrechter ziet daarvoor geen aanleiding.




Proceskosten




3.9.
Gelet op het voorgaande zullen de proceskosten als hierna vermeld worden gecompenseerd.





4De beslissing
De voorzieningenrechter:


4.1.
wijst het verzoek om een exequatur te verlenen ten aanzien van het arbitraal eindvonnis d.d. 16 april 2023 en het herziene arbitraal eindvonnis d.d. 28 april 2025 toe;



4.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



4.4.
verklaart deze beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;



4.5.
wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
Link naar deze uitspraak