|
|
|
| ECLI:NL:HR:2026:1198 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-07-2026 | | Instantie | : | Hoge Raad | | Zaaknummers | : | 24/04650 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Collectieve actie. WAMCA. Ontvankelijkheidseisen belangenorganisatie (art. 3:305a lid 1-3 BW). Toetsing ontvankelijkheidseisen in hoger beroep ex tunc of ex nunc? Representativiteitsvereiste. Mocht hof oordeel over vereisten art. 80 AVG in verbinding met art. 82 AVG uitstellen tot inhoudelijke fase? Uitzondering op verbod van terugwijzing in WAMCA-procedures? | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | forfaitair | | | san | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummers 24/04650 en 24/04656
Datum 17 juli 2026
ARREST
In zaak 24/04650 van
1. ORACLE NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. ORACLE CORPORATION,
gevestigd te Austin, Texas, Verenigde Staten van Amerika,
3. ORACLE AMERICA, INC.,
gevestigd te Redwood Shores, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Oracle,
advocaat: R.L.M.M. Tan,
tegen
STICHTING THE PRIVACY COLLECTIVE,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
hierna: TPC,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas.
en in zaak 24/04656 van
1. SFDC NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. SALESFORCE, INC.,
gevestigd te San Francisco, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Salesforce,
advocaten: T. Cohen Jehoram, M.H.K. Jansen en J.J. Valk,
tegen
STICHTING THE PRIVACY COLLECTIVE,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
hierna: TPC,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas.
1Procesverloop in de zaken 24/04650 en 24/04656
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/688682 / HA ZA 20-863 van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2021 en 29 december 2021;
b. de arresten in de zaak 200.308.490/01 van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024 en 24 september 2024.
Oracle en Salesforce hebben ieder afzonderlijk tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
TPC heeft in beide zaken een verweerschrift tot verwerping ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Oracle en Salesforce hebben in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot referte ten aanzien van onderdeel 1, en voor het overige tot verwerping.
De zaken zijn voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusies van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekken in beide zaken tot verwerping in het principaal cassatieberoep en vernietiging in het incidenteel cassatieberoep, en tot verwijzing.
De advocaten van Oracle en Salesforce hebben schriftelijk op die conclusies gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
Deze collectieve actie heeft betrekking op persoonsgegevens van tien miljoen Nederlandse internetgebruikers. TPC heeft daarin schadevergoedingsvorderingen en andere vorderingen ingesteld tegen Oracle en Salesforce wegens gestelde privacyschendingen die samenhangen met het plaatsen van cookies en het opbouwen en gebruiken van profielen van internetgebruikers voor onder meer gerichte reclame. Deze cassatieprocedure gaat over de ontvankelijkheidseisen die gelden bij een collectieve actie op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: WAMCA).
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) TPC is opgericht op 29 mei 2020. De statuten van TPC bepalen onder meer:
“Doel en middelen: Artikel 3 1. De Stichting heeft ten doel het behartigen van belangen van natuurlijke personen die gebruikmaken van het internet door te surfen op het internet en/of door gebruik te maken van producten en/of diensten die persoonsgegevens in digitale vorm kunnen opslaan, overdragen of verwerken, waardoor jegens die internetgebruikers op enig moment een schending van hun recht op bescherming van hun privacy of hun recht op bescherming van hun persoonsgegevens plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, een en ander in de ruimste zin van het woord.”
(ii) TPC heeft op 3 juni 2020 Oracle en Salesforce, internationale ondernemingen die een dienst genaamd ‘Data Management Platform’ aanbieden aan klanten, aansprakelijk gesteld voor de door haar achterban geleden schade als gevolg van inbreuken op het recht op bescherming van privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens. TPC heeft Oracle en Salesforce daarbij uitgenodigd om met haar in onderhandeling te treden over het toekennen van een redelijke vergoeding voor de door de achterban van TPC geleden schade.
(iii) Naar aanleiding van deze brieven heeft op 3 juli 2020 overleg plaatsgevonden tussen TPC en Salesforce. Op 7 juli 2020 heeft overleg plaatsgevonden tussen TPC en Oracle.
(iv) TPC maakt gebruik van de website www.theprivacycollective.nl.
(v) TPC had ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding een bestuur, maar geen toezichthoudend orgaan. Ten tijde van de zitting in hoger beroep had TPC een bestuur, bestaande uit drie personen, en een raad van toezicht, bestaande uit drie personen.
2.3
In deze procedure vordert TPC, voor zover in cassatie van belang, verklaringen voor recht over handelen in strijd met de in de inleidende dagvaarding genoemde fundamentele rechten uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) en de Telecommunicatiewet, en hoofdelijke aansprakelijkheid daarvoor van Oracle en Salesforce. Daarnaast vordert TPC ge- en verboden en veroordeling van Oracle en Salesforce ieder voor zich tot betaling van € 5 miljard, althans € 500 per persoon van de relevante achterban van TPC en vergoeding van de volledige (buitengerechtelijke) proceskosten, daaronder begrepen de kosten van de procesfinancier en de door TPC voorgestane claimafhandelaar.
2.4
De rechtbank heeft TPC niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, op de grond dat niet is voldaan aan het representativiteitsvereiste van art. 3:305a lid 2 BW.
2.5
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, TPC ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter verdere afdoening met inachtneming van hetgeen in het arrest van 18 juni 2024 (hierna: het eerste tussenarrest) en het arrest van 24 september 2024 (hierna: het tweede tussenarrest) is overwogen en beslist, en bepaald dat tegen die arresten tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
2.6
Het hof heeft daartoe in het eerste tussenarrest, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheidseisen
ex tunc of ex nunc
4.6
Partijen twisten over de vraag of TPC alleen dan ontvankelijk is als zij reeds op het moment van de indiening van de vordering in eerste aanleg aan alle ontvankelijkheidseisen voldeed (ex tunc-toets) of dat het erop aan komt of zij nu aan die eisen voldoet, dat wil zeggen daaraan voldeed ten tijde van het sluiten van het onderzoek op de zitting in appel (ex nunc-toets).
4.7
Het hof is van oordeel dat toetsing ex nunc dient plaats te vinden. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.7.1
De hoofdregel van het burgerlijk procesrecht is, dat ontvankelijkheid in hoger beroep ex nunc getoetst wordt. Dat is vaste rechtspraak en valt te verklaren vanuit de ruime herstelfunctie die aan het hoger beroep naar Nederlands procesrecht toekomt. Het is, vanuit een oogpunt van goede rechtspleging, ongewenst om, als in eerste aanleg blijkt van een gebrek dat hersteld kan worden, herstel van dat gebrek in appel buiten beschouwing te laten. Dat zou afbreuk doen aan de integrale nieuwe toetsing van het geschil in appel. Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2022 (Trafigura, ECLI:NL:HR:2022:165) waarin ook de ontvankelijkheid in een collectieve actie aan de orde was, zij het onder de oude versie van art. 3:305a BW, volgt dat herstel van een aanvankelijk bestaand ontvankelijkheidsgebrek kan leiden tot ontvankelijkheid in appel.
4.7.2
De WAMCA voorziet onmiskenbaar in een verscherping van de gebruikelijke ontvankelijkheidseisen in een collectieve actie als deze. De ratio daarvan is onder meer gelegen in de wens tot het weren van ongewenste eisers, waarbij vooral gedacht is aan eisers met (financiers met) oneigenlijke, eigen commerciële beweegredenen en aan eisers die niet op hun taak berekend zijn. Die ratio zou echter moeten leiden tot het voortdurend in de gaten houden van de inrichting van eiser, zodat het eens en voor al toelaten van een eiser zodra zijn inrichting, helemaal aan het begin, in orde is bevonden ongewenst is. Dat pleit voor toetsing ex nunc, waarbij alle ontwikkelingen in de beschouwingen kunnen worden betrokken.
4.7.3
In het bij invoering van de WAMCA gewijzigde art. 3:305a BW wordt het moment waarop aan de ontvankelijkheidseisen moet zijn voldaan (…) (nog steeds) niet genoemd. Wel is in art. 1018c lid 5 sub c Rv uitdrukkelijk sprake van het moment waarop het geding aanhangig wordt, maar dat onderdeel ziet louter op de vraag of de vordering summierlijk ondeugdelijk is. Dat is een wezenlijk andere vraag dan die naar de ontvankelijkheid samenhangend met de inrichting en de aard van de eisende rechtspersoon zoals die nader in de wet, met name in art. 3:305a BW, is omschreven.
Als art. 1018c lid 5 sub c Rv zou gelden in hoger beroep zijn er geen aanknopingspunten waaruit volgt dat deze bepaling met zich brengt dat de volledige ontvankelijkheidstoets ex tunc dient te geschieden. Dit volgt evenmin uit het in art. 1018c lid 1 aanhef en sub d Rv neergelegde voorschrift dat de dagvaarding een omschrijving bevat van de wijze waarop voldaan is aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW.
4.7.4
Oracle en Salesforce hebben zich niet alleen beroepen op de tekst van art. 1018c lid 5 Rv maar hebben ook aangevoerd dat het ongewenst is dat tijd, geld en moeite wordt geïnvesteerd in een procedure die is aangespannen door een eiser die niet vanaf het begin heeft gezorgd dat aan alle ontvankelijkheidseisen is voldaan. Vanuit dat oogpunt verdient het in deze redenering de voorkeur dat in zo’n geval opnieuw begonnen kan worden door een eiser die daarvoor wel heeft gezorgd.
Dat argument weegt naar het oordeel van het hof onvoldoende zwaar. De door alle betrokkenen reeds geïnvesteerde tijd, geld en moeite omdat in eerste aanleg reeds stukken zijn uitgewisseld en standpunten ingenomen, behouden juist waarde als wordt voortgegaan met een reeds aangevangen procedure door een eiser die inmiddels orde op zaken heeft gesteld. Als het gaat om gebreken die zich naar hun aard lenen voor herstel in de appelfase, zoals de governance, valt niet in te zien waarom anders geoordeeld zou moeten worden in WAMCA-zaken dan in civiele dagvaardingszaken in het algemeen. De herstelfunctie van het appel komt daarmee naar behoren tot haar recht.
4.7.5
Het hof is, op voorgaande gronden, van oordeel dat toetsing van de ontvankelijkheid ex nunc dient te geschieden.
De overige eisen van art. 3:305a BW
(…)
Gelijksoortigheid van de belangen
4.11
Dat TPC een stichting met volledige rechtsbevoegdheid is en dat haar statutaire doelomschrijving voldoet aan de eis van art. 3:305a lid 1 BW staat niet ter discussie. Uit de activiteiten die TPC sinds haar oprichting heeft ontplooid volgt in voldoende mate dat zij het belang waar het in deze procedure om gaat ook feitelijk behartigt. (…)
(…)
Schadevorderingen
4.14
Het komt dus aan op de derde categorie, de schadevorderingen. Dat is ook de categorie waarop Oracle en Salesforce hun pijlen voornamelijk richten. De actie van TPC strekt ertoe dat in beginsel 10 miljoen Nederlandse internetgebruikers een gelijk forfaitair bedrag aan immateriële schadevergoeding ontvangen. Oracle en Salesforce betwisten de schade en betogen dat niet aannemelijk is dat al die personen immateriële schade hebben geleden en zeker niet dat die schade steeds gelijk is.
4.15
Schadevorderingen vormen de reden voor de verscherpte ontvankelijkheidstoets in de WAMCA ten opzichte van het oude art. 3:305a BW, dat het vorderen van schadevergoeding in een collectieve actie niet toestond. Schade is meestal afhankelijk van de bijzonderheden van het geval en de betrokken persoon. Dat is niet altijd en in alle gevallen zo, maar het is aan TPC om haar standpunt dienaangaande aannemelijk te maken. De schade waarvan TPC vergoeding vordert is immateriële schade. Haar standpunt komt erop
neer dat elke persoon van wie de persoonsgegevens zijn verwerkt/gebruikt op de door haar onrechtmatig geachte wijze reeds daardoor immateriële schade leidt, die in alle gevallen kan worden gesteld op € 500. Het effectiviteitsbeginsel vergt volgens TPC dat deze schade in een collectieve actie kan worden gevorderd. Daarvan gaat een aanzienlijke afschrikwekkende werking uit. Zij beroept zich onder meer op twee uitspraken van het HvJEU, Meta/Bundesverband (ECLI:EU:C:2022:322, C-319/20) en Österreichische Post (ECLI:EU:C:2023:370, C-300/21) en van de Hoge Raad, onder meer NAM/Groningse aardbevingsschade (ECLI:NL:HR:2019:1278). Oracle en Salesforce betwisten dat.
(…)
4.16.1
TPC grondt haar vorderingen ook op art. 82 AVG dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op de AVG het recht geeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade. Voor het ontstaan van dit Unierechtelijk recht op immateriële schadevergoeding is eveneens vereist dat daadwerkelijk schade is geleden; een enkele inbreuk op de AVG volstaat niet. Het gaat om compensatie van die schade en niet om punitive damages. De afschrikwekkende werking van het moeten betalen van een schadevergoeding (dan wel de dreiging daarvan) kan dus ook in dit opzicht geen rol spelen en de vordering is niet toewijsbaar voor zover die strekt tot toekenning van punitive damages.
4.16.2
Ook de (gegronde) vrees voor misbruik van de gegevens door een derde kan immateriële schade opleveren, maar de enkele omstandigheid dat een persoon niet langer de volledige controle over zijn/haar persoonsgegevens heeft betekent niet dat deze persoon schade lijdt. Zie onder meer HvJEU 4 mei 2023, Österreichische Post, HvJEU 14 december 2023, (C-340/21), HvJEU 21 december 2023, Krankenversicherung Nordrhein, (C-667/21, ECLI:EU:C:2023:1022 en ECLI:EU:C:2023:986) en HvJEU 25 januari 2024, MediaMarkt Saturn, (C-687/21, ECLI:EU:C:2024:72). Over de vraag welke eisen gesteld moeten worden aan op basis van deze bepaling te vergoeden immateriële schade zullen wellicht prejudiciële vragen gesteld moeten worden. Dat geldt mogelijk ook voor de betekenis van art. 80 lid 2 AVG, in het bijzonder het opdracht-vereiste, voor een actie als de onderhavige.
(…)
Representativiteit
(…)
4.21
Het hof stelt voorop dat de wet op dit punt geen getalsmatig criterium stelt. Uit de langdurige wetsgeschiedenis van de WAMCA blijkt dat van het noemen van een getal, absoluut of relatief, bewust is afgezien. Uit de omstandigheid dat niet alleen verenigingen, die vanzelfsprekend leden hebben, maar ook stichtingen die dat niet hebben als eiser kunnen optreden volgt dat de wetgever het kennelijk niet zonder meer noodzakelijk heeft geacht dat vastgesteld kan worden wie precies de achterban van de eiser vormt. Het is ook niet nodig dat aannemelijk wordt gemaakt dat de gehele (nader nauw te omschrijven) groep die gebaat kan zijn door deze actie van TPC deze actie thans wenst of steunt. Free riding is, zoals Oracle en
Salesforce ook erkennen, toegestaan. Noodzakelijk, maar tevens voldoende is dat een achterban bestaat, dat wil zeggen dat een niet te verwaarlozen aantal personen behorende tot die (nauw te omschrijven) groep achter deze actie van TPC staat. Daarvoor is wel degelijk relevant dat maatschappelijke organisaties zoals de Consumentenbond en diverse stichtingen (bijvoorbeeld Stichting Privacy First, Internet Society Nederland, Datavakbond, Stichting Databescherming Nederland, Freedom Internet, stichting Massaschade en Consument) steun voor deze collectieve actie hebben uitgesproken. Daaruit blijkt immers dat de gebeurtenissen – wellicht na enige bewustwording – in de Nederlandse maatschappij en in het bijzonder door internetgebruikers in Nederland als problematisch worden ervaren en dat organisaties met een track record die TPC niet heeft onderschrijven dat (deze) actie ten behoeve van die internetgebruikers moet worden gevoerd. De likes geven daarnaast aan dat een weliswaar niet zeer groot, maar toch behoorlijk aantal natuurlijke personen instemmen met deze actie. Inmiddels is de inrichting van de website zodanig dat duidelijk is tegen wie deze actie zich richt en waarover deze gaat. Zelfs als de onderzoeken van Kroll, waartegen Oracle en Salesforce bezwaren hebben geuit en waarop gelet op de processuele gang van zaken, de vraagstelling en de methodologie inderdaad wel wat valt af te dingen, buiten beschouwing worden gelaten is het vorenstaande voldoende.
(…)”
2.7
In het tweede tussenarrest heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“AVG
2.2
Het hof handhaaft de beslissingen in het arrest van 18 juni 2024. Wat betreft de AVG-grondslag van de vorderingen houden die mede in dat punitive damages niet aan de orde kan zijn en dat de vraag of er schade is, dan wel of de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is, in dit geval een kwestie is waarover dient te worden beslist bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen en niet reeds thans, bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de collectieve vorderingen. In verband met de beslissing of deze vordering van TPC tot vergoeding van die schade toewijsbaar is zal mede aan de orde moeten komen hoe het opdrachtvereiste van art. 80 lid 1 jo. art 82 AVG moet worden uitgelegd en op welk moment en op welke wijze die opdracht dient te zijn verstrekt. Met de AVG is het betreffende deel van het materiële recht geharmoniseerd, maar dat betekent niet zonder meer dat dat ook geldt voor het formele recht, dat in het algemeen tot de competentie van de lidstaten behoort en waartoe ontvankelijkheidseisen
(kunnen) behoren. Het is vaste jurisprudentie dat de lidstaten hun formele recht zo moeten toepassen dat de juiste werking van het Unierecht verzekerd is, maar daarmee is nog niet duidelijk dat dit opdrachtvereiste in het kader van deze Nederlandse collectieve actie reeds in de ontvankelijkheidsfase aan de orde is en evenmin dat dit zonder meer in de weg staat aan de ontvankelijkheid van TPC; dat is een punt waarover wellicht prejudiciële vragen gesteld zullen moeten worden. Daarop wordt in dit stadium, waar het debat over de toewijsbaarheid gelet op het systeem van de Wet Afhandeling Massaschade in Collectieve Actie (WAMCA) nog niet is voltooid en ook niet voltooid kon zijn, niet vooruitgelopen.
Terugverwijzing naar de rechtbank
2.3.1
Het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank. Het zich hier voordoende geval, waarin TPC in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar op de voet van artikel 3:305a BW (zoals dat luidde ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding) ingestelde collectieve vorderingen, is op één lijn te stellen met het geval waarin een uitzondering op het verbod op terugverwijzing is aanvaard omdat ten onrechte ontslag van instantie is verleend. Er is immers op louter processuele gronden niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
2.3.2
Dat is voorts in overeenstemming met de bijzondere aard van de WAMCA-procedure, die door de wetgever zo is ingericht dat de procedure feitelijk kan worden gesplitst in twee delen, waarvan het eerste de ontvankelijkheid van de eiser in zijn vorderingen (en enige andere voorvragen) omvat en pas in het tweede deel wordt toegekomen aan de toewijsbaarheid van de vordering. Gedaagde hoeft immers pas voor antwoord omtrent de toewijsbaarheid te concluderen (art. 1018c lid 5 slot jo 1018g Rv) als het debat over de ontvankelijkheid is afgerond, de exclusieve belangenbehartiger is aangewezen, de nauw omschreven groep is vastgesteld, er gelegenheid voor opt-out is gegeven en een poging is gedaan tot het treffen van een minnelijke regeling. In dit geval is door Oracle en Salesforce nog niet voor antwoord omtrent de toewijsbaarheid geconcludeerd.
2.3.3.
Terugverwijzing na vernietiging van het niet-ontvankelijkheidsoordeel in een collectieve actie waarop de WAMCA van toepassing is, is daarmee een duidelijk omschreven en in de praktijk goed te hanteren geval waarin uitzondering op het verbod op terugverwijzing gerechtvaardigd is.
2.3.4
Anders dan TPC betoogt is terugverwijzing niet in strijd met de door de wetgever met de collectieve actie beoogde efficiëntie en doelmatigheid. Die doelen zijn gediend met de gebundelde afdoening van vorderingen in één collectieve actie, in plaats van verspreid over meerdere procedures door individuele eisers en/of partijen die opkomen voor een deel van de achterban. Er is echter voorzien in twee feitelijke instanties, hetgeen de diepgang van het debat ten goede komt en, net als in het Nederlands burgerlijk procesrecht in het algemeen, alle partijen de kans biedt om gebruik te maken van de herstelmogelijkheden van het hoger beroep. Op die manier wordt zoveel mogelijk gewaarborgd dat alle partijen de uitkomst kunnen accepteren, hetgeen in collectieve acties in het bijzonder van belang is. De vertraging die inherent is aan de terugverwijzing naar de rechtbank en de extra kosten die daaraan voor TPC verbonden zijn leveren daartegenover in dit geval niet een voldoende zwaarwegend belang van TPC op om de zaak bij het hof te houden.
2.4
Het hof zal, gelet op de terugverwijzing, thans geen beslissingen nemen als door TPC gevraagd aangaande de mogelijkheid tot opt-out etc. (art. 1018 f lid 3 Rv) en evenmin als onder [art.] 1018 e Rv bedoeld. Die beslissingen zijn aan de rechtbank.
Tussentijds cassatieberoep
2.5
Het verzoek van Oracle en Salesforce tot het openstellen van tussentijds beroep in cassatie, zowel voor dit arrest als voor het arrest van 18 juni 2024, wordt toegewezen. (…)”
3Beoordeling van de middelen in de principale beroepen
Opmerkingen vooraf
3.1.1
Op 1 januari 2020 is de WAMCA in werking getreden. Op de vorderingen van TPC zijn art. 3:305a BW en art. 1018b e.v. Rv van toepassing zoals deze bepalingen zijn gewijzigd respectievelijk ingevoerd met de WAMCA, nu de vorderingen van TPC na 1 januari 2020 zijn ingesteld en betrekking hebben op feiten die hebben plaatsgevonden na 15 november 2016 (art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek).
3.1.2
De Implementatiewet richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten – die in werking is getreden op 25 juni 2023 – heeft de WAMCA op een aantal punten gewijzigd. Deze implementatiewetgeving is temporeel niet van toepassing op de onderhavige zaak.
Peilmoment voor toetsing ontvankelijkheidseisen in WAMCA-procedures
3.2.1
Onderdeel 1 van het middel in beide zaken richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.7-4.7.5 van het eerste tussenarrest) dat de toetsing van de ontvankelijkheid van de collectieve vordering in hoger beroep ex nunc dient te geschieden, naar het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting in hoger beroep.
Onderdeel 1.1 van het middel in de zaak van Oracle klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat toetsing aan de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA (in het bijzonder de eisen van art. 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW) als uitgangspunt ex tunc moet geschieden, namelijk naar het moment dat de belangenorganisatie de dagvaarding uitbrengt waarmee de collectieve vordering wordt ingesteld. Dit geldt volgens onderdeel 1.2 van het middel in de zaak van Oracle in ieder geval voor het representativiteitsvereiste van art. 3:305a lid 2 BW.
Onderdeel 1 van het middel in de zaak van Salesforce voert klachten van gelijke strekking aan.
3.2.2
In het civiele procesrecht is uitgangspunt dat het hoger beroep niet uitsluitend strekt tot een beoordeling van de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beslissing, maar, binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, tot een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, waarbij de rechter in hoger beroep heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing.
3.2.3
Art. 1018c lid 1, aanhef en onder d, Rv – dat bepaalt dat de dagvaarding waarmee de collectieve vordering als bedoeld in art. 3:305a BW wordt ingesteld, een omschrijving vermeldt van de wijze waarop ‘is voldaan’ aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW – bevat een instructie aan de belangenorganisatie om in de dagvaarding de informatie op te nemen die de rechter in staat stelt om de ontvankelijkheid te beoordelen, maar regelt niet naar welk moment de rechter dient te toetsen of aan de ontvankelijkheidseisen is voldaan (ex tunc of ex nunc). Uit het bepaalde in art. 1018c lid 5, onder a, Rv dat de inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering slechts plaatsvindt ‘indien en nadat’ de rechter heeft beslist dat de eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW, kan evenmin worden afgeleid naar welk moment de rechter dient te toetsen of aan de ontvankelijkheidseisen is voldaan. Art. 1018c lid 5, aanhef en onder a, Rv maakt slechts duidelijk dat de rechter eerst de ontvankelijkheid van de belangenorganisatie moet vaststellen alvorens hij kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de collectieve vordering (zie ook hierna in 4.2.3).
3.2.4
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de rechter een doorlopende controle kan uitvoeren op de ontvankelijkheid van de op de voet van art. 1018e Rv aangewezen exclusieve belangenbehartiger. Niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers kunnen bij de rechter aan de orde stellen dat de exclusieve belangenbehartiger niet langer aan de ontvankelijkheidseisen voldoet, waarna de rechter kan ingrijpen, de exclusieve belangenbehartiger zijn rol kan ontnemen en een van de andere eisers die partij zijn gebleven in de procedure kan benoemen ter vervanging van de oorspronkelijke exclusieve belangenbehartiger. Ook blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de rechter een representatieve belangenorganisatie ontvankelijk kan verklaren op voorwaarde dat één van de eisen waaraan in de dagvaarding nog niet is voldaan binnen een redelijke termijn alsnog wordt vervuld, en dat de rechter een belangenorganisatie de gelegenheid kan bieden een gebrek te herstellen, bijvoorbeeld door aanpassing van de afspraken met de financier. Een en ander wijst erop dat de wetgever ervan is uitgegaan dat bij de beoordeling of een belangenorganisatie aan de ontvankelijkheidseisen voldoet, ook rekening kan worden gehouden met na het uitbrengen van de dagvaarding gewijzigde feiten en omstandigheden.
3.2.5
De tekst en de wetsgeschiedenis van de WAMCA bevatten aldus geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in een WAMCA-procedure bij de beslissing in hoger beroep over de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in haar collectieve vordering, moet worden afgeweken van het hiervoor in 3.2.2 weergegeven uitgangspunt. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klachten falen daarom.
Representativiteitsvereiste in WAMCA-procedures
3.3.1
Onderdeel 2 van het middel in beide zaken bestrijdt met verschillende klachten het oordeel van het hof (in rov. 4.21 van het eerste tussenarrest) dat aan het representativiteitsvereiste is voldaan. Het hof heeft bij dit oordeel tot uitgangspunt genomen dat, om te voldoen aan het representativiteitsvereiste, noodzakelijk maar ook voldoende is dat een achterban bestaat, dat wil zeggen een niet te verwaarlozen aantal personen behorende tot de (nauw te omschrijven) groep waarvoor TPC in deze collectieve procedure opkomt, achter de collectieve actie van TPC staat. Vervolgens heeft het hof overwogen dat relevant is dat maatschappelijke organisaties zoals de Consumentenbond en diverse stichtingen steun voor deze collectieve actie hebben uitgesproken, en dat uit de likes die op de website van TPC zijn uitgebracht blijkt dat een weliswaar niet zeer groot, maar toch behoorlijk aantal natuurlijke personen instemt met deze actie.
3.3.2
Onderdeel 2.1 van het middel in de zaak van Oracle klaagt dat het hof heeft miskend dat de representativiteit van de belangenorganisatie moet worden beoordeeld “gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen” (art. 3:305a lid 2 BW). Volgens het onderdeel volgt hieruit onder meer dat de belangenorganisatie, in een niet-ideële actie als de onderhavige, een achterban zal moeten hebben die ten opzichte van het totale aantal personen behorend tot de groep waarvoor de organisatie opkomt en de ten behoeve van hen gevorderde schadevergoeding, een voldoende grote omvang heeft, waarbij het van de omstandigheden van het geval afhangt welke omvang volstaat. Met het oordeel dat voor het voldoen aan het representativiteitsvereiste voldoende is dat een achterban bestaat, dat wil zeggen een niet te verwaarlozen aantal personen behorende tot die (nauw te omschrijven) groep achter deze actie van TPC staat, heeft het hof een te lage drempel aangelegd, aldus het onderdeel.
Onderdeel 2.1 van het middel in de zaak van Salesforce voert klachten van gelijke strekking aan.
3.3.3
De WAMCA heeft tot doel een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen. De wetgever heeft hierbij gestreefd naar een balans tussen het belang van gedupeerden om hun rechten te kunnen verwezenlijken en het belang van aangesproken partijen om beschermd te worden tegen ongefundeerde of lichtvaardige massaclaims.
Een van de hoofdlijnen van de WAMCA betreft de aanscherping van de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW op het punt van governance, financiering en representativiteit voor belangenorganisaties die een collectieve vordering instellen. De wetgever heeft op (onder meer) dit punt de aanbevelingen naar aanleiding van het consultatievoorstel van de zogenoemde ‘Juristengroep’ (bestaande uit juristen die deels in de regel opkomen voor aangesproken partijen en deels juist voor gedupeerden) zo veel mogelijk overgenomen. De reden voor deze aanscherping van de ontvankelijkheidseisen is met name erin gelegen dat in de WAMCA de mogelijkheid van een collectieve schadevergoedingsvordering is geïntroduceerd en een zwaardere rol is toegekend aan belangenorganisaties.De aangescherpte ontvankelijkheidseisen mogen niet zodanig streng worden uitgelegd dat de toegang tot de collectieve procedure daarmee feitelijk illusoir wordt.
Als onderdeel van de aangescherpte ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties is met de WAMCA in art. 3:305a lid 2 BW het representativiteitsvereiste toegevoegd: de belangenorganisatie dient voldoende representatief te zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen.
3.3.4
In de wetsgeschiedenis is het representativiteitsvereiste als volgt toegelicht:
“Naast de kwaliteit van de belangenorganisatie, is eveneens van belang in hoeverre deze organisatie, gelet op haar achterban, als opkomend voor de groep gedupeerden kan worden gezien. Het gaat dan om de mate waarin een belangenorganisatie als representatief voor deze groep gedupeerden kan worden gezien. Indicaties hiervoor zijn het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding. Voor elke collectieve vordering zal de belangenorganisatie dus duidelijk moeten maken voor wie zij opkomt. Dit betekent niet dat een lijst met namen en andere gegevens van de achterban hoeft te worden overgelegd. Voldoende is dat de belangenorganisatie nauwkeurig omschrijft voor welke groep van personen zij opkomt, bijvoorbeeld «alle consumenten die op datum X bij bedrijf Y product Z hebben gekocht» of «alle personen die wonen op plek X en schade hebben geleden door de brand die plaatsvond op datum Y bij bedrijf Z». Met de omschrijving van de groep van personen voor wie wordt opgekomen is alleen voldaan aan het vereiste dat duidelijk moet zijn voor wie een belangenorganisatie opkomt. Over de vraag of alle personen behorend tot de achterban daadwerkelijk schade hebben geleden, of er aansprakelijkheid bestaat voor deze schade en of voldaan is aan het vereiste van causaal verband tussen de gebeurtenis en de schade, is daarmee nog niets gezegd. Dit moet in de procedure worden vastgesteld.
De eerste zin van lid 2 geeft de rechter de mogelijkheid om te toetsen of een belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Deze eis voorkomt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen zonder de vereiste ondersteuning van een achterban. Niet iedere willekeurige organisatie kan zich opwerpen als verdediger van de belangen van gedupeerden. Op voorhand moet duidelijk zijn dat zij kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen bepaald worden in relatie tot het totaal aantal gedupeerden. Dit kan bijvoorbeeld worden getoetst op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld.”
3.3.5
Hieruit blijkt dat het bij de toetsing aan het representativiteitsvereiste erom gaat of de belangenorganisatie de steun heeft van een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie zij opkomt. Deze eis strookt met het uitgangspunt van de WAMCA dat (behoudens een tijdige opt-out) alle personen die behoren tot de groep voor wie de aangewezen exclusieve belangenbehartiger opkomt, door de uitspraak worden gebonden (zie ook hierna in 4.2.5).
3.3.6
In de WAMCA is geen getalsmatig criterium voor de invulling van het representativiteitsvereiste opgenomen. Wanneer sprake is van steun van een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie de belangenorganisatie opkomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een indicatie hiervoor kan blijkens de wetsgeschiedenis zijn het aantal bij een belangenorganisatie aangesloten leden of het aantal personen dat zich actief voor de collectieve vordering heeft aangemeld. Actieve aanmelding voor de collectieve vordering of lidmaatschap van een belangenorganisatie zijn echter niet vereist om te kunnen aannemen dat sprake is van steun van een voldoende groot deel van de totale groep voor wie de belangenorganisatie in de collectieve procedure opkomt. Zo kan bijvoorbeeld in aanmerking worden genomen of de personen die zich bij de belangenorganisatie hebben aangesloten, een evenwichtige afspiegeling vormen van de totale groep voor wie de belangenorganisatie opkomt. Is dat het geval, dan ligt het voor de hand dat uit de steun van de bij de belangenorganisatie aangesloten personen kan worden afgeleid dat de collectieve vordering ook de steun heeft van een voldoende groot deel van de totale groep. Ook andere omstandigheden kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de belangenorganisatie aan het representativiteitsvereiste voldoet.
3.3.7
Uit hetgeen hiervoor in 3.3.4-3.3.6 is overwogen, volgt dat het hof in rov. 4.21 van het eerste tussenarrest voor de invulling van het representativiteitsvereiste een te lage drempel heeft aangelegd door te oordelen dat in dit verband voldoende is dat “een achterban bestaat, dat wil zeggen dat een niet te verwaarlozen aantal personen behorend tot die (…) groep achter deze actie van TPC staat”. Het hof had dienen te beoordelen of de collectieve vordering van TPC de steun heeft van een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie TPC opkomt. De hiervoor in 3.3.2 weergegeven klachten slagen.
3.3.8
Onderdeel 2.2 van het middel in de zaak van Oracle klaagt onder meer dat het hof bij zijn oordeel in rov. 4.21 heeft miskend dat steun van andere belangenorganisaties (zoals door het hof genoemd) slechts kan bijdragen aan het oordeel dat de belangenorganisatie die de collectieve procedure voert voldoende representatief is, indien reeds is vastgesteld, althans aannemelijk is, dat een voldoende groot aantal beweerde gedupeerden de actie ondersteunt. De onderdelen 2.1 en 2.2 van het middel in de zaak van Salesforce voeren een klacht van dezelfde strekking aan.
3.3.9
Deze klachten falen. Ook de steun van andere belangenorganisaties kan worden betrokken bij de beoordeling (zoals hiervoor in 3.3.5-3.3.6 omschreven) of de belangenorganisatie die de collectieve vordering heeft ingesteld, aan het representativiteitsvereiste voldoet.
3.3.10
Onderdeel 2.2 van het middel in de zaak van Oracle klaagt voorts dat het hof bij zijn oordeel in rov. 4.21 heeft miskend dat een systeem van anonieme likes (waarvan in dit geval in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen dat dit in deze zaak aan de orde is) geen deugdelijke wijze is om aannemelijk te maken dat een voldoende groot deel van de totale groep gedupeerden de collectieve actie ondersteunt. Bij een dergelijk systeem kan immers niet worden vastgesteld of de likes afkomstig zijn van beweerde gedupeerden. Onderdeel 2.3 van het middel in de zaak van Salesforce voert een klacht van vergelijkbare strekking aan.
3.3.11
Het hof heeft aan zijn oordeel dat TPC aan het representativiteitsvereiste voldoet, mede de likes die op de website van TPC zijn uitgebracht, ten grondslag gelegd. Het hof heeft daarbij ten onrechte niet betrokken of – zoals Oracle en Salesforce hebben aangevoerd en het hof niet ongegrond heeft bevonden – de likes volledig anoniem zijn uitgebracht en of daaruit is af te leiden of deze afkomstig zijn van personen die behoren tot de groep voor wie TPC in deze collectieve actie opkomt. In zoverre slagen de hiervoor in 3.3.10 weergegeven klachten.
3.3.12
Onderdeel 2.3 van het middel in de zaak van Oracle klaagt over de motivering van het oordeel van het hof dat aan het representativiteitsvereiste is voldaan.
Het onderdeel betoogt onder meer dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de leden van de door het hof bedoelde maatschappelijke organisaties behoren tot de groep van beweerde gedupeerden, laat staan waarom deze leden daadwerkelijk de actie van TPC ondersteunen.
Oracle heeft volgens het onderdeel voorts gemotiveerd betwist dat uit de likes steun van beweerde gedupeerden blijkt, gelet op (a) de omstandigheid dat het overgrote deel van de likes behaald is op basis van de ‘oude’ website, die onvoldoende inzicht gaf in de actie waaraan steun werd gegeven en die zich nog mede richtte op het buitenland, terwijl er op basis van de ‘nieuwe’ website maar zeer weinig likes zijn bijgekomen, en (b) de wijze waarop de website van TPC was ingericht, zowel ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg als ten tijde van het appel, te weten dat de likes anoniem zijn verzameld. Zonder nadere motivering, is daarmee onbegrijpelijk het oordeel dat de likes aangeven dat een weliswaar niet zeer groot, maar toch behoorlijk aantal natuurlijke personen instemmen met de actie van TPC, voor zover het hof hiermee doelt op instemming van de beweerde gedupeerden, aldus het onderdeel.
Zonder nadere motivering valt volgens het onderdeel bovendien niet in te zien waarom de steun van een niet zeer groot aantal natuurlijke personen voldoende is, afgezet tegen de omvang van de groep beweerde gedupeerden (tien miljoen Nederlandse internetgebruikers) en hun beweerde schadevergoedingsrecht (in totaal € 5 miljard, althans € 500,-- per persoon).
De onderdelen 2.2 en 2.3 van het middel in de zaak van Salesforce bevatten vergelijkbare klachten.
3.3.13
De hiervoor in 3.3.12 weergegeven klachten slagen, nu het hof bij zijn oordeel dat TPC aan het representativiteitsvereiste voldoet, niet voldoende gemotiveerd is ingegaan op de feiten en omstandigheden en de stellingen van Oracle en Salesforce waarop de klachten wijzen.
3.3.14
De overige klachten van onderdeel 2 van het middel in beide zaken behoeven geen behandeling.
3.3.15
Het slagen van de hiervoor in 3.3.2, 3.3.10 en 3.3.12 weergegeven klachten brengt mee dat ook rov. 4.22.3 en rov. 4.23 van het eerste tussenarrest niet in stand kunnen blijven voor zover het hof daarin heeft voortgebouwd op zijn oordeel dat aan het representativiteitsvereiste is voldaan. In zoverre slagen ook de hierop gerichte klachten van onderdeel 6.1 van het middel in de zaak van Oracle en van onderdeel 7 van het middel in de zaak van Salesforce.
Art. 80 en art. 82 AVG
3.4.1
Onderdeel 3 van het middel in de zaak van Oracle bestrijdt het oordeel van het hof (in rov. 4.16.1-4.19 van het eerste tussenarrest en rov. 2.2 van het tweede tussenarrest) dat TPC ook ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op art. 82 AVG.
Onderdeel 3.1 klaagt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat het opdrachtvereiste van art. 80 lid 1 AVG in verbinding met art. 82 AVG een ontvankelijkheidseis van Unierecht betreft.
Onderdeel 3.2 klaagt dat indien het hof heeft geoordeeld dat het opdrachtvereiste op dit moment niet in de weg staat aan ontvankelijkheid van TPC in haar schadevorderingen en dat de kwestie of aan het opdrachtvereiste is voldaan om die reden kan worden uitgesteld tot een later moment in de procedure, het hof het systeem van de WAMCA heeft miskend. Over de ontvankelijkheid van TPC in de ingestelde vorderingen, waaronder haar schadevorderingen, moet volgens het onderdeel definitief worden beslist voordat de door het hof bedoelde inhoudelijke fase van het geschil kan aanvangen. Dit geldt daarom ook voor het opdrachtvereiste op grond van de AVG, aldus het onderdeel.
Onderdeel 6 van het middel in de zaak van Salesforce bevat vergelijkbare klachten, en klaagt daarnaast dat het hof ook art. 1018c lid 5, onder c, Rv heeft miskend, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd door de essentiële stelling van Salesforce onbesproken te laten dat de schadevorderingen gelet op het bepaalde in art. 80 AVG summierlijk ondeugdelijk zijn.
3.4.2
Art. 82 lid 1 AVG – waarop TPC haar vorderingen in deze procedure mede baseert – bepaalt dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op de AVG, het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.
Art. 80 lid 1 AVG bepaalt dat de betrokkene het recht heeft een orgaan, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, waarvan de statutaire doelstellingen het openbare belang dienen en dat of die actief is op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens, opdracht te geven de klacht namens hem in te dienen, namens hem de in de art. 77, 78 en 79 AVG bedoelde rechten uit te oefenen en namens hem het in art. 82 AVG bedoelde recht op schadevergoeding uit te oefenen, indien het lidstatelijke recht daarin voorziet.
Ingevolge art. 80 lid 2 AVG kunnen de lidstaten bepalen dat een orgaan, organisatie of vereniging als bedoeld in art. 80 lid 1 AVG, over het recht beschikt om onafhankelijk van de opdracht van een betrokkene in die lidstaat een klacht in te dienen bij de overeenkomstig art. 77 AVG bevoegde toezichthoudende autoriteit en de in de art. 78 en 79 AVG bedoelde rechten uit te oefenen, indien het/zij van mening is dat de rechten van een betrokkene uit hoofde van deze verordening zijn geschonden ten gevolge van de verwerking.
3.4.3
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) blijkt dat de AVG in beginsel beoogt de nationale regelgevingen inzake de bescherming van persoonsgegevens volledig te harmoniseren. De bepalingen van deze verordening bieden de lidstaten evenwel de mogelijkheid om strengere of afwijkende nationale bepalingen vast te stellen die hun een beoordelingsmarge laten met betrekking tot de wijze waarop deze regels kunnen worden toegepast (‘open clausules’). Dit geldt met name voor art. 80 lid 2 AVG, dat de lidstaten een beoordelingsmarge laat bij de uitvoering ervan. De lidstaten moeten, wanneer zij de hun door een dergelijke open clausule geboden mogelijkheid benutten, hun beoordelingsmarge gebruiken onder de voorwaarden en binnen de grenzen die in de bepalingen van de AVG zijn gesteld, en aldus een wettelijke regeling vaststellen die geen afbreuk doet aan de inhoud en de doelstellingen van die verordening.
3.4.4
In rov. 2.2 van het tweede tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat bij de beoordeling of de schadevergoedingsvordering van TPC op grondslag van de AVG toewijsbaar is, mede aan de orde zal moeten komen hoe het opdrachtvereiste van art. 80 lid 1 AVG in verbinding met art. 82 AVG moet worden uitgelegd en op welk moment en op welke wijze die opdracht dient te zijn verstrekt. Hierin ligt besloten dat het hof de beantwoording van deze vraag heeft uitgesteld tot de inhoudelijke fase van deze WAMCA-procedure.
3.4.5
Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12.31-12.35 en 12.37, kan er geen redelijke twijfel over bestaan dat de AVG niet vereist dat in een Nederlandse WAMCA-procedure de rechter de vraag of (dient te worden en) is voldaan aan het opdrachtvereiste van art. 80 lid 1 AVG steeds in de ontvankelijkheidsfase van die procedure beoordeelt. Dit volgt ook niet uit de regel van art. 1018c lid 5, aanhef en onder a, Rv dat de inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering slechts plaatsvindt, indien en nadat de rechter heeft beslist dat de eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen zoals neergelegd in art. 3:305a BW. Deze ontvankelijkheidseisen omvatten immers niet mede het opdrachtvereiste van art. 80 lid 1 AVG, indien de collectieve vordering (mede) op de AVG is gebaseerd. De WAMCA staat er dus evenmin aan in de weg dat de rechter de toetsing aan dit vereiste niet in de ontvankelijkheidsfase, maar in de inhoudelijke fase van een WAMCA-procedure verricht. In het oordeel van het hof in rov. 4.27 van het eerste tussenarrest en rov. 2.2 van het tweede tussenarrest ligt voorts besloten dat het hof de vordering van TPC niet summierlijk ondeugdelijk heeft bevonden (als bedoeld in art. 1018c lid 5, onder c, Rv), ook niet in verband met het opdrachtvereiste van art. 80 lid 1 AVG.
3.4.6
Uit hetgeen hiervoor in 3.4.2-3.4.5 is overwogen volgt dat de in 3.4.1 weergegeven klachten falen en dat geen aanleiding bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.
3.5.1
Onderdeel 4 van het middel in de zaak van Oracle richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.11 van het eerste tussenarrest dat uit de activiteiten die TPC sinds haar oprichting heeft ontplooid in voldoende mate volgt dat zij het belang waar het in deze procedure om gaat, ook feitelijk behartigt.
Onderdeel 4.2 klaagt onder meer dat het hof met dit oordeel de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend door niet te toetsen of ook is voldaan aan het actiefvereiste van art. 80 lid 1 AVG.
Onderdeel 4.3 klaagt dat voor zover het hof van oordeel was dat het de vraag of aan het actiefvereiste van art. 80 lid 1 AVG is voldaan, kon uitstellen tot een later moment in de procedure, het heeft miskend dat de rechter vóór aanvang van de inhoudelijke fase moet beoordelen of aan alle ontvankelijkheidseisen van de AVG is voldaan, waaronder het actiefvereiste.
Onderdeel 6 van het middel in de zaak van Salesforce bevat vergelijkbare klachten, en klaagt naast het actiefvereiste ook over het vereiste van art. 80 lid 1 AVG dat de belangenorganisatie geen winstoogmerk heeft.
3.5.2
Deze klachten falen eveneens. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het de beantwoording van de vraag of aan de vereisten van art. 80 lid 1 AVG is voldaan, heeft uitgesteld tot de inhoudelijke fase van deze WAMCA-procedure. Uit hetgeen hiervoor in 3.4.2-3.4.6 is overwogen volgt dat dit het hof vrijstond.
Overige klachten in de principale beroepen
3.6
De overige klachten van de middelen in beide zaken kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4Beoordeling van de middelen in de incidentele beroepen
Reikwijdte schadevergoedingsvordering TPC
4.1.1
Onderdeel 1 van de middelen in beide zaken is gericht tegen rov. 4.14 en 4.15 van het eerste tussenarrest, voor zover het hof daarin heeft overwogen dat de schade waarvan TPC vergoeding vordert, immateriële schade is. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd omdat het hof eraan voorbij ziet dat TPC niet alleen vergoeding van immateriële schade, maar ook van materiële schade heeft gevorderd. Daarom kon het hof niet volstaan met het beoordelen van de vraag of de gevorderde vergoeding van immateriële schade voldoet aan het gelijksoortigheidsvereiste, maar had het ook moeten beoordelen of de vordering tot vergoeding van materiële schade aan dit vereiste voldoet, aldus het onderdeel.
4.1.2
Uit de in onderdeel 1 genoemde vindplaatsen in de gedingstukken blijkt dat TPC ook vergoeding heeft gevorderd van materiële schade. De hiervoor in 4.1.1 weergegeven klacht slaagt dus.
Uitzondering op het verbod van terugwijzing in WAMCA-procedures?
4.2.1
Onderdeel 4 van de middelen in beide zaken richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 2.3.1-2.4 van het tweede tussenarrest) dat het de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank.
Onderdeel 4.2 klaagt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat de rechter in hoger beroep de zaak na vernietiging van een einduitspraak (in beginsel) niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Dit terugwijsverbod geldt volgens het onderdeel ook indien de rechter in eerste aanleg een partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Onderdeel 4.3 klaagt dat het terugwijsverbod in geval van vernietiging in hoger beroep van een niet-ontvankelijkheidverklaring in eerste aanleg ook geldt voor de WAMCA-procedure, in ieder geval indien daarin (zoals in het onderhavige geval) de vordering slechts door één rechtspersoon als bedoeld in art. 3:305a BW is ingesteld.
4.2.2
Volgens vaste rechtspraak is uitgangspunt dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak de zaak niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Aan die rechtspraak heeft de Hoge Raad ten grondslag gelegd dat door het hoger beroep tegen een einduitspraak in beginsel de gehele zaak, zoals zij voor de eerste rechter diende, naar de hogere rechter wordt overgebracht ter beslissing door deze en dat de hogere rechter zich niet deels aan deze hem opgedragen taak mag onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven. De rechter in hoger beroep mag de zaak wel terugwijzen indien de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen, hetgeen aan de orde is wanneer de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen of ten onrechte ontslag van de instantie heeft verleend. Dat geldt ook in een geval waarin de rechter in hoger beroep heeft vastgesteld dat het eindvonnis vernietigd moet worden omdat het (mede) is gewezen door een daartoe niet meer bevoegde rechter.
4.2.3
De wetgever heeft in de WAMCA gekozen voor een systeem waarbij de procedure is gesplitst in een ontvankelijkheidsfase en een inhoudelijke fase. De inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering in een WAMCA-procedure vindt ingevolge art. 1018c lid 5, onder a tot en met c, Rv pas plaats indien en nadat de rechter heeft beslist dat de eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW of art. 3:305a lid 6 BW, dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van de collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering, en dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt. De verweerder mag ingevolge art. 1018c lid 5 Rv in de ontvankelijkheidsfase volstaan met de verweren die betrekking hebben op de in dit artikellid genoemde ontvankelijkheidseisen totdat hierover is beslist, en hoeft in deze fase – in afwijking van art. 128 lid 3 Rv – nog geen inhoudelijk verweer te voeren.
4.2.4
Dit systeem van de WAMCA met de daarin vervatte behandeling in twee fasen brengt mee dat in het geval waarin de rechter in hoger beroep een uitspraak vernietigt waarbij de rechter in eerste aanleg een eisende belangenorganisatie niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van het bepaalde in art. 1018c lid 5 Rv, een uitzondering moet worden aanvaard op het hiervoor in 4.2.2 vermelde uitgangspunt en de rechter in hoger beroep dus in dat geval de zaak mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg.
Het voorgaande geldt eveneens indien het hoger beroep wordt voortgezet na cassatie en verwijzing en het gerechtshof waarnaar de Hoge Raad de zaak heeft verwezen een uitspraak vernietigt waarbij de rechter in eerste aanleg een eisende belangenorganisatie niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dat geval kan dat gerechtshof de zaak eveneens terugwijzen naar diezelfde rechter in eerste aanleg, en geldt in zoverre een uitzondering op het uitgangspunt dat de rechter naar wie de Hoge Raad het geding ter verdere behandeling en beslissing heeft verwezen, ingevolge art. 424 Rv gehouden is zelf het geding verder te behandelen en af te doen zonder dit te verwijzen naar een andere rechter.
4.2.5
Opmerking verdient nog het volgende. Met het oog op de coördinatie en efficiënte en effectieve afwikkeling van massazaken heeft de wetgever in de WAMCA gekozen voor een systeem waarin de rechter uit de eisers die overeenkomstig art. 1018c Rv of art. 1018d Rv een collectieve vordering hebben ingesteld en die voldoen aan de eisen voor ontvankelijkheid van art. 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW, de meest geschikte eiser aanwijst als exclusieve belangenbehartiger (art. 1018e lid 1 Rv). De WAMCA gaat uit van één procedure over een collectieve vordering voor de gehele groep van personen voor wier belangen de exclusieve belangenbehartiger opkomt.
Bij de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger dient de rechter de inhoud van de collectieve vordering en de nauw omschreven groep personen voor wie de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt, af te bakenen (art. 1018e lid 2 Rv). Deze afbakening is van belang omdat de uitkomst in de collectieve procedure bindend is voor alle personen binnen de nauw omschreven groep (art. 1018k lid 1 Rv), behalve (voor zover hier van belang) voor hen die tijdig gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid van een ‘opt-out’ overeenkomstig art. 1018f lid 1 Rv.
4.2.6
Het kan zich voordoen dat de rechter in eerste aanleg oordeelt dat een of meer van de belangenorganisaties die een collectieve vordering hebben ingesteld, niet voldoen aan de hiervoor genoemde ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW, en de andere belangenorganisatie(s) wel. Met het systeem van de WAMCA is niet verenigbaar dat in dat geval de rechter in eerste aanleg al direct een exclusieve belangenbehartiger aanwijst uit de door hem ontvankelijk geachte belangenorganisaties en daarmee de inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering voortzet. Indien de rechter in hoger beroep anders oordeelt over de ontvankelijkheid van de belangenorganisatie(s) die de rechter in eerste aanleg niet-ontvankelijk heeft verklaard, en met die belangenorganisatie(s) afzonderlijk inhoudelijk moet worden voortgeprocedeerd, zou dan immers de situatie ontstaan dat gelijktijdig (en mogelijk in verschillende instanties) meerdere collectieve procedures over hetzelfde onderwerp inhoudelijk moeten worden behandeld en beslist, met het risico op tegenstrijdige uitspraken. Dat heeft de wetgever met de WAMCA juist willen voorkomen.
4.2.7
In de hiervoor in 4.2.6 bedoelde situatie dient de rechter in eerste aanleg de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger, en de overige beslissingen op de voet van art. 1018e Rv, daarom aan te houden totdat onherroepelijk is beslist over de ontvankelijkheid van de desbetreffende belangenorganisatie(s). Indien de rechter in hoger beroep de niet-ontvankelijkverklaring vernietigt, ligt het in deze situatie, gelet op het voorgaande, in de rede dat hij gebruikmaakt van de hiervoor in 4.2.4 vermelde mogelijkheid om de zaak terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg.
4.2.8
De hiervoor in 4.2.1 weergegeven klachten stuiten op het voorgaande af.
Overige klachten in de incidentele beroepen
4.3
De overige klachten van de middelen in beide zaken kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4.4
Nu Oracle en Salesforce zich ten aanzien van onderdeel 1 in cassatie hebben gerefereerd en zij de door dit onderdeel met succes bestreden beslissing van het hof niet hebben uitgelokt, zullen de kosten van de incidentele beroepen worden gereserveerd.
5Beslissing
De Hoge Raad:
in zaak 24/04650:
in het principale en in het incidentele beroep:
- vernietigt de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024 en 24 september 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
in het principale beroep voorts:
- veroordeelt TPC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Oracle begroot op € 16.545,97 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien TPC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep voorts:
- reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
- begroot die kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van TPC op € 2.600,-- voor salaris en aan de zijde van Oracle op € 800,-- voor salaris.
in zaak 24/04656:
in het principale en in het incidentele beroep:
- vernietigt de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024 en 24 september 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
in het principale beroep voorts:
- veroordeelt TPC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Salesforce begroot op € 16.522,37 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien TPC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep voorts:
- reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
- begroot die kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van TPC op € 2.600,-- voor salaris en aan de zijde van Salesforce op € 800,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 17 juli 2026.
PbEG 2000, C 364/1.
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PbEU 2016, L 119/1.
Rechtbank Amsterdam 29 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7647.
Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1651 en Gerechtshof Amsterdam 24 september 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2661.
HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:284, rov. 3.2.2.
Vgl. Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 36.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 45; zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 21 en 28-29.
Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 5 en 25-26.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 1.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 1.
Aanbevelingen juristengroep uitvoering motie Dijksma, Bijlage 789393 bij Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 5, 7, 17 en 21; Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 9.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 17.
Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 5.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 18-19.
HvJEU 28 april 2022, zaak C-319/20, ECLI:EU:C:2022:322 (Meta), punt 57 en 59.
HvJEU 28 april 2022, zaak C-319/20, ECLI:EU:C:2022:322 (Meta), punt 60.
HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, rov. 3.5.2; HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:97, rov. 3.4; HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857, rov. 3.4.1.
HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, rov. 3.5.3.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 39-40; Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 3.
Vgl. o.a. HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6510, rov. 4.1; HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1626, rov. 4.2.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 14.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 46.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 43. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|