Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:7812 
 
Datum uitspraak:03-07-2026
Datum gepubliceerd:20-07-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/5769 en ROT 25/573 ROT 25/5769 en ROT 25/573
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:WIA / ZW. Beroepen ongegrond. In het kader van een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) heeft ook de herbeoordeling plaatsgevonden van een langlopende WIA-uitkering. Het UWV heeft terecht geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor beide uitkeringen zodat deze zijn beëindigd. Eiser heeft geen medische gegevens ingebracht die ertoe leiden dat in de FML meer beperkingen moeten worden opgenomen. Ook de arbeidskundige gronden leiden niet tot een andere uitkomst. Partijen hebben expliciet ingestemd met behandeling door de rechtbank Rotterdam terwijl de rechtbank feitelijk niet bevoegd was gelet op de woonplaats van eiser. De beroepen waren al twee keer eerder doorgestuurd door andere rechtbanken.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 25/5769 en ROT 25/5730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser
(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) en de WIA-uitkering van eiser. Het UWV heeft de uitkeringen beëindigd omdat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd (ZW) dan wel minder dan 35% arbeidsongeschikt is (WIA). Eiser is het niet eens met de beëindiging en stelt dat hij meer beperkt is dan is aangenomen en hij mede daarom de geselecteerde functies niet kan verrichten. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de beëindiging van de uitkeringen.


1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het UWV de uitkeringen terecht heeft beëindigd. Eiser heeft geen objectief (medisch) bewijs ingebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten. Het UWV heeft de verdiencapaciteit (ZW) en de mate van arbeidsongeschiktheid (WIA) juist vastgesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser ontvangt sinds 12 september 2011 een WIA-uitkering. Vanaf 6 december 2023 heeft eiser recht op een ZW-uitkering. Met het besluit van 31 oktober 2024 heeft het UWV de ZW-uitkering per 1 december 2024 stopgezet. Het UWV heeft met het besluit van 8 november 2024 de WIA-uitkering per 9 januari 2025 stopgezet.

3. Met twee bestreden besluiten van 20 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de beëindiging van de uitkeringen gebleven.


3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



3.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.




Beoordeling door de rechtbank


Bevoegdheid rechtbank Rotterdam


4. De rechtbank stelt op grond van de historische BRP-gegevens vast dat eiser ten tijde van het instellen van de beroepen in Dongen woonde (en ook nu nog woont) en deze rechtbank daarom niet bevoegd is. De beroepen zijn ingesteld bij de rechtbank Oost-Brabant. Deze rechtbank heeft de zaken (kennelijk vanwege onduidelijkheid over de woonplaats) doorverwezen naar de rechtbank Zeeland – West-Brabant en deze rechtbank heeft de zaken weer doorverwezen naar de rechtbank Rotterdam. Ter zitting is hierover met partijen gesproken en zij hebben uitdrukkelijk verzocht om een behandeling door deze rechtbank. De rechtbank acht zich daarom bevoegd de zaken te behandelen.


Totstandkoming van de bestreden besluiten


5. Eiser heeft zich op 8 december 2022 ziek gemeld. Hij werkte sinds 6 december 2022 als airconditioner monteur voor 39,77 uur per week. Eiser ontving sinds 12 september 2011 een WIA-uitkering, nadat hij op 14 september 2009 is uitgevallen toen hij werkzaam was als machine-operator / frezer voor 37,35 uur per week. Na einde wachttijd is destijds vastgesteld dat eiser 80-100% arbeidsongeschikt was en recht had op een WIA-uitkering (WGA-uitkering). In het kader van een herbeoordeling in 2016 heeft het UWV in bezwaar geen benutbare mogelijkheden (GBM) vastgesteld. Sindsdien is eiser niet meer herbeoordeeld in het kader van de WIA-uitkering, maar is eiser wel weer aan het werk gegaan.


5.1.
Het UWV heeft in 2024 tegelijk met een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) voor de ZW-uitkering ook een herbeoordeling WIA uitgevoerd. Eiser is daarvoor op het spreekuur van de arts van het UWV geweest. Deze arts heeft in het kader van beide uitkeringen onderzocht wat de arbeidsbeperkingen van eiser zijn. Deze beperkingen zijn opgenomen in de gelijkluidende functionele mogelijkhedenlijsten (FML) van 20 september 2024 en geldig vanaf 17 september 2024 (datum in geding). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van het UWV in twee afzonderlijke rapporten van 30 oktober 2024 vastgesteld welk werk eiser kan doen met die beperkingen. Daarbij acht de arbeidsdeskundige eiser in beide situaties niet geschikt voor zijn eigen werk (dus als machine-operator / frezer in het geval van de WIA-uitkering en als airconditioner monteur in het geval van de ZW-uitkering). De arbeidsdeskundige heeft in het kader van de ZW drie en de WIA vijf andere functies geselecteerd die eiser, ondanks zijn beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft in het kader van de ZW berekend dat eiser met de middelste van de drie functies 90,16% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde (maatmaninkomen). Omdat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde als airconditioner monteur, heeft het UWV bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een ZW-uitkering. Voor de WIA-uitkering heeft de arbeidsdeskundige bepaald dat eiser met de middelste van de eerste drie geselecteerde functies 23,08% minder kan verdienen dan met het loon dat hij verdiende als machine-operator/frezer en eiser dus 23,08% arbeidsongeschikt is. Omdat dit minder is dan 35%, heeft eiser geen recht op een WIA-uitkering.



5.2.
In het kader van het bezwaar van eiser tegen beide besluiten heeft het UWV opnieuw onderzoek gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft in het rapport van 30 mei 2025 de conclusies van de eerste verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 18 juni 2025 het maatmaninkomen aangepast door toepassing van een ander indexcijfer. De geselecteerde functies blijven gehandhaafd. Door de aanpassing van het maatmaninkomen wordt in het kader van de ZW de verdiencapaciteit vastgesteld op 85,28%. Voor de WIA wordt de arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend en vastgesteld op 23,23%. Deze aanpassingen leiden in het bestreden besluit niet tot een andere conclusie dan dat eiser geen recht heeft op een ZW-uitkering en WIA-uitkering. Daarom heeft het UWV de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.



5.3.
De beroepen van eiser tegen de bestreden besluiten zijn inhoudelijk identiek en zullen in deze uitspraak samen worden besproken.


Toetsingskader


6. Een verzekerde zonder werkgever heeft geen recht (meer) op een ZW-uitkering als hij of zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voor hij ziek werd. Het recht op een WIA-uitkering vervalt als een verzekerde minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daarvan is sprake als hij of zij minimaal 65% of meer kan verdienen van het laatst verdiende loon. De beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een ZW-uitkering of een WIA-uitkering, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.


Heeft het UWV de beperkingen van eiser correct vastgesteld?


7. Eiser vindt dat zijn medische situatie is onderschat en dat hij lichamelijk meer beperkt is dan het UWV heeft vastgesteld in de FML. Naast de beperkingen die zijn opgenomen als gevolg van zijn mentale klachten, had de verzekeringsarts volgens eiser ook fysieke beperkingen moeten opnemen. Eiser geeft aan dat hij pijn aan zijn rug en nek heeft. Door zijn verstoorde slaapritme moet ook een urenbeperking worden opgenomen. Verder kan eiser niet werken met oordoppen en zonder oordoppen teveel prikkels ervaart. Ook heeft eiser last van trillingen in zijn handen en daardoor geen fijne motoriek en geen knijp- en grijpkracht. Eiser stelt zich daarbij op het standpunt dat het UWV ten onrechte geen aanvullende informatie en stukken heeft opgevraagd bij de behandelend sector.



7.1.
De rechtbank overweegt dat het UWV de besluitvorming heeft gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op die rapporten als die rapporten:


op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;


geen tegenstrijdigheden bevatten; en


voldoende begrijpelijk zijn.


Als iemand vindt dat de besluiten van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid niet juist zijn, moet hij aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.



7.2.
De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiser last heeft van mentale klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bevestigd dat daarvoor door de eerste verzekeringsarts voldoende beperkingen zijn opgenomen in de FML. De verzekeringsarts merkt verder op dat er geen medische redenen zijn om fysieke beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit bevestigd. De rechtbank vindt dat de rapporten van de eerste verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoen aan de onder overweging 7.1 genoemde voorwaarden. De eerste arts heeft eiser op 17 september 2024 gezien en hem – door gebrek aan medewerking – beperkt lichamelijk en psychisch onderzocht. Er heeft een gesprek over de gezondheid en het functioneren van eiser plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en aan de hand van de bezwaargronden beoordeeld of de eerste verzekeringsarts tot de juiste conclusie is gekomen. Mede door een gebrek aan nieuwe medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien de FML aan te passen.



7.3.
De rechtbank begrijpt dat eiser meer beperkingen ervaart, maar uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose is niet beslissend bij de beoordeling. Anders dan eiser stelt, volgt uit vaste rechtspraak dat een verzekeringsarts in beginsel mag uitgaan van zijn eigen medisch oordeel en niet verplicht is om zelf gegevens op te vragen van de behandelend sector. Omdat eiser zelf niet met medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op datum in geding een onjuist beeld had van zijn gezondheidstoestand op de datum in geding, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts. In dat verband merkt de rechtbank op dat eiser in het geheel geen stukken heeft ingebracht ten aanzien van zijn gestelde fysieke klachten. Ten aanzien van eisers psychische klachten zijn in bezwaar en beroep geen nieuwe medische stukken ingebracht. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat er ook geen nieuwe medische stukken zijn die zien op de datum in geding. Dat eiser inmiddels wel een revalidatietraject is gestart voor zijn mentale klachten, leidt in onderhavig beroep niet tot een andere uitkomst, omdat dit een omstandigheid is van na de datum in geding. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat vanwege zijn slaapproblemen een urenbeperking had moeten worden aangenomen, heeft het UWV ter zitting aangegeven dat een urenbeperking het sluitstuk is van de FML waarbij eerst wordt beoordeeld of eiser met de wel opgenomen beperkingen arbeid kan verrichten. Dat is hier volgens het UWV het geval. Het UWV heeft daarbij gewezen op het feit dat de verzekeringsarts gelet op de slaapproblematiek welbeperkingen heeft opgenomen ten aanzien van nachtwerk en onregelmatig werk. Voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank ervan uitgaat dat het UWV de beperkingen van eiser correct heeft vastgesteld en dat de beperkingen in de FML juist zijn.



7.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Kan eiser de geselecteerde functies verrichten?


8. Eiser vindt dat hij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet kan verrichten. Hij stelt dat zijn belastbaarheid in deze functies wordt overschreden mede omdat te weinig beperkingen zijn opgenomen. Verder wijst eiser op de onverenigbaarheid van de geselecteerde functies en zijn beperkingen in de FML ten aanzien van stress door omgevingsgeluid en de aanwezigheid van (veel) andere mensen. Eiser geeft aan dat hij door de stress trillingen krijgt en daardoor niet kan werken met een soldeerbout. Eiser stelt verder dat de door de arbeidsdeskundige geformuleerde voorzieningen om prikkels te onderdrukken (oordoppen of tussenschotten) praktisch niet haalbaar zijn omdat – zo is ter zitting herhaald – eiser mede vanwege de veiligheid niet kan en wil werken met oordoppen en schotten niet op alle werkplekken (zeker niet waar wordt gerouleerd) beschikbaar zijn. De functie medewerker tuinbouw is niet geschikt omdat eiser daarin met aarde en bloemen moet werken, en dit traumatische (rouw)ervaringen triggert. Ter zitting heeft eiser benadrukt dat de bezwaren tegen de geselecteerde functies voor beide beroepen (dus tegen de afwijzing van WIA-uitkering en de ZW-uitkering) gelijk zijn.



8.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vindt dat in het kader van de WIA in ieder geval de functies van assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), assembleerder installatie, motoren, voertuigen (SBC-code 265110) en productiemedewerker industrie (SBC‑code 111180) geschikt zijn. Deze drie functies zijn ook geselecteerd in het kader van de ZW-uitkering. Anders dan eiser stelt, overschrijden de werkzaamheden die horen bij deze functies, de belastbaarheid van eiser zoals opgenomen in de FML niet. De arbeidsdeskundige heeft dit in reactie op het beroepschrift nog toegelicht.



8.2.
De rechtbank overweegt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het kader van het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom de geselecteerde functies de beperkingen van eiser niet overschrijden. Zoals de rechtbank in overweging 7.1 heeft aangegeven, mag van de juistheid van de bevindingen van de arbeidsdeskundige worden uitgegaan, tenzij daarover op objectieve gronden twijfel bestaat. De rechtbank overweegt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij gebrek aan objectief (medisch) bewijs de FML als uitgangspunt heeft kunnen nemen en voor het selecteren van de functies geen rekening heeft hoeven houden met andere fysieke of mentale beperkingen. Voor zover eiser niet kan of wil werken met oordoppen, heeft het UWV zich onweersproken op het standpunt gesteld dat het gebruik van oordoppen op de werkvloer is toegestaan en geen veiligheidsrisico oplevert. Omdat eiser niet beperkt is op het dragen van oordoppen of andere gehoorbescherming, is de enkele omstandigheid dat eiser dat niet prettig vindt – zoals hij ter zitting heeft toegelicht – onvoldoende om de geselecteerde functie buiten beschouwing te laten. Datzelfde geldt voor de schotten. Het UWV heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat het bij de geselecteerde functies toegestaan is schotten te plaatsen ook in geval van roulerende plekken. De rechtbank begrijpt dat eiser zich door het gebruik van deze voorzieningen zich afgesloten en anders kan voelen van de andere werknemers, maar dat is geen omstandigheid die leidt tot de conclusie dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn. Omdat vaststaat dat de eerste drie geselecteerde functies geschikt zijn, blijven de gronden tegen de overige geselecteerde (reserve)functies buiten bespreking.



8.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen recht heeft op een ZW-uitkering en WIA-uitkering. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.

De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.












griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Op 30 juni 2025 is een nagenoeg gelijkluidend besluit op bezwaar tegen de afwijzing van de ZW-uitkering genomen. Ter zitting is gebleken dat dit besluit per abuis is verstuurd. Het beroep richt zich voor zover het ziet op de afwijzing van de ZW-uitkering tegen het bestreden besluit van 20 juni 2025.


Dit volgt uit artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoekt in bezwaar of de eerste verzekeringsarts de beperkingen van iemand juist heeft vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoekt vervolgens of de eerste arbeidsdeskundige juist heeft vastgesteld welk werk iemand kan doen met die beperkingen.


Dit volgt uit artikel 19aa, eerste lid, onder b, van de Ziektewet.


Dit volgt uit artikel 5 van de Wet WIA.


Dit volgt uit artikel 19ab, eerste lid, van de Ziektewet dan wel artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 24 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1654), onder 4.4.


Zie de uitspraak van de Raad van 19 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:246).
Link naar deze uitspraak