Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:331 
 
Datum uitspraak:21-07-2026
Datum gepubliceerd:21-07-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:24/969
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Lbv. Afwijzing subsidie voor gedeelte van de melkveestal waar machinekamer, tanklokaal en melktank staan. Het College oordeelt dat de machinekamer en het tanklokaal zich binnen de buitenmuren van de romp van de melkveestal bevinden. De minister heeft de oppervlakte hiervan ten onrechte niet meegeteld. De melktank bevindt zich buiten de buitenmuren en die oppervlakte is terecht niet subsidiabel geacht. Het College stelt zelf de toe te kennen subsidie vast.
Trefwoorden:landbouw
subsidies
veehouderij
Wetreferenties:Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/969

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen


[naam 1] , te [vestigingsplaats] (melkveebedrijf)
(gemachtigde: [naam 2] )

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels)




Procesverloop in beroep

Het melkveebedrijf heeft tegen het besluit van 8 oktober 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.

De minister heeft verweerschriften ingediend.

De zitting was op 22 juni 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.




Inleiding


1.1
Het melkveebedrijf heeft op 10 november 2023 subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) aangevraagd. Voor de melkveestal heeft het melkveebedrijf als oppervlakte 1507,10 m2 opgegeven.



1.2
Met het besluit van 28 mei 2024, zoals na bezwaar gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag gedeeltelijk ingewilligd en een subsidie van maximaal € 2.442.224,97 toegekend. De aanvraag is afgewezen voor het gedeelte van de melkveestal waar de machinekamer, het tanklokaal en de melktank gesitueerd zijn (64,17 m2), omdat dit volgens de minister geen dierenverblijf betreft.



1.3
In een aanvullend verweerschrift van 8 juni 2026 heeft de minister zijn standpunt gewijzigd in die zin dat de niet-subsidiabele oppervlakte 35 m2 bedraagt. De melktank bevindt zich buiten de buitenmuren van de romp van de stal. De machinekamer en het tanklokaal zijn op de situatietekening en de milieutekening aan alle kanten begrensd door dubbele lijnen. Dat duidt er volgens de minister op dat de oppervlakte van deze ruimten buiten de buitenmaat van de romp van de stal valt. De totale subsidiabele oppervlakte van de melkveestal bedraagt daarmee nu 1507 m2 – 35 m2 = 1472 m2.




Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.



Beoordeling van het beroep

3 In deze procedure gaat het om de vraag of de machinekamer, het tanklokaal en de melktank (in totaal 35 m2) behoren tot het dierenverblijf.

4 De oppervlakte van de machinekamer en het tanklokaal bedraagt (afgerond) 22 m2. Het College is van oordeel dat dit deel van de stal zich binnen de buitenmuren van de romp van de melkveestal bevindt. Een buitenmuur is de muur aan de voorkant, achterkant of zijkant van een gebouw, die beschermt tegen weersinvloeden en bijdraagt aan de isolatie en structurele stabiliteit. De machinekamer en het tanklokaal worden aan twee kanten begrensd door zo’n buitenmuur, op de tekening weergegeven met dubbele lijnen. Dat op de tekening ook de binnenmuren met dubbele lijnen zijn weergegeven, is daarbij niet van belang. Binnen een stalruimte kunnen zich ook andere dragende muren bevinden.

5 De melktank staat buiten de buitenmuren van de stal. Partijen zijn het daar ook over eens. Het College volgt de minister in het standpunt dat de oppervlakte van de melktank, 13 m2, hiermee niet subsidiabel is. Dat de melktank wel op de fundering van de stal staat, is daarbij niet van belang. Doorslaggevend is of de melktank zich binnen de buitenmuren van de romp van het dierenverblijf bevindt.

6 Uit 4 en 5 volgt dat de minister de oppervlakte van de machinekamer en het tanklokaal van 22 m2 ten onrechte niet heeft meegeteld bij de berekening van het subsidiebedrag. Het beroep is daarom gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen wat betreft de hoogte van het subsidiebedrag. Het College zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 28 mei 2024 in zoverre te herroepen en de toe te kennen subsidie vast te stellen op € 2.476.242,79. Hierbij is het College van de volgende gegevens uitgegaan.

7 De gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 bedraagt voor de melkveestal € 664,80. De minister heeft bij de berekening van het subsidiebedrag 51,17 m2 (64,17 m2- 35 m2 + 22 m2) te weinig aan staloppervlakte betrokken. 51.17 m2 x € 664,80 = € 34.017,82. Het totaal aan toe te kennen subsidie bedraagt dan € 2.442.224,97 + € 34.017,82 = € 2.476.242,79.

8 Het College veroordeelt de minister in de door het melkveebedrijf gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting; waarde per punt € 666,- en wegingsfactor 1; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij het College; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

9 Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door het melkveebedrijf betaalde griffierecht van € 187,- aan hem vergoeden.




Beslissing

Het College:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de hoogte van de toegekende subsidie is gehandhaafd op € 2.442.224,97;


herroept het besluit van 28 mei 2024 in zoverre, stelt de toe te kennen subsidie vast op € 2.476.242,79 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan het melkveebedrijf te vergoeden;


veroordeelt de minister in de proceskosten van het melkveebedrijf tot een bedrag van € 3.200,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. R.C. Stam en mr. H.R. Kranenborg, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.






w.g. A. Venekamp w.g. M.L. Bosman





Bijlage


Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv)


Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
(…)

dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop;
(…).

Artikel 9. Bijdrage waardeverlies
1. De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid.
2 De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld voor het desbetreffende dierenverblijf, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en c.
Link naar deze uitspraak