Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:4518 
 
Datum uitspraak:08-07-2026
Datum gepubliceerd:21-07-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:C/16/612042 / KL ZA 26-14 C/16/612042 / KL ZA 26-14
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kort geding. Eisers vorderen gebiedsverbod en voorschot op schadevergoeding. Gedaagden vorderen aanwijzing van noodweg en verbod op fotograferen en filmen. Gebiedsverbod wordt jegens één gedaagde toegewezen. Alle andere vorderingen worden afgewezen.
Trefwoorden:box 3
burgerlijk wetboek
landbouwgrond
pachtkamer
perceel
waterschap
 
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/612042 / KL ZA 26-145


Vonnis in kort geding van 8 juli 2026


in de zaak van




1 [eiser sub 1] ,
te [plaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser sub 1] ,
2. [eiser sub 2],
te [plaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser sub 2] ,3. [eiser sub 3],
te [plaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser sub 3] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
advocaat: mr. W.M. Bijloo,

tegen




1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
advocaat: mr. B. Nijman.





1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 juni 2026, met producties 1 tot en met 21,
- de producties 22 tot en met 28 van [eisers c.s] ,
- de producties 1 tot en met 6 van [gedaagden c.s]



1.2
Op 30 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat op 14 juli 2026 vonnis zal worden gewezen.





2De kern van de zaak


2.1

[eiser sub 2] en [eiser sub 3] zijn de ouders van [eiser sub 1] . [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] zijn getrouwd geweest en waren gemeenschappelijk eigenaar van een perceel landbouwgrond. Dit perceel lag tegen het woonerf, met een woning en gebouwen, van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] aan. De Pachtkamer heeft het gemeenschappelijke perceel in twee gelijke delen gesplitst en daarbij het zuidwestelijke deel, inclusief het toegangspad aan de zuidzijde, aan [eiser sub 1] toebedeeld (kadastraal perceel [perceel 1] ) en het noordoostelijke deel aan [gedaagde sub 1] (kadastraal perceel [perceel 2] ). De situatie ter plaatste wordt inzichtelijk door de volgende afbeelding, waarin het perceel van [eiser sub 1] blauw is ingekleurd:

*I.v.m. mogelijke herleidbaarheid naar personen is de afbeelding verwijderd.*

Het perceel in de zuidwestelijke hoek van het perceel van [eiser sub 1] , is het woonperceel van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] . Het perceel [perceel 3] is in erfpacht bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Het perceel [perceel 4] is eigendom van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Aan de zuidzijde van perceel [perceel 3] bevindt zich een sloot en (gedeeltelijk) een toegangsweg. Tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] , en het perceel [perceel 4] bevinden zich een sloot en (gedeeltelijk) een toegangsweg die over het perceel van [eiser sub 1] en (gedeeltelijk) over het perceel van [gedaagde sub 1] loopt.



2.2

[eisers c.s] stellen dat [gedaagden c.s] na de splitsing van het perceel zonder recht of titel gebruikmaken van het perceel van [eiser sub 1] en dat [gedaagden c.s] daarbij schade veroorzaken. Zij vorderen een verbod voor [gedaagden c.s] om het perceel te (laten) betreden, en een voorschot op schadevergoeding.



2.3

[gedaagden c.s] betwisten dat [gedaagde sub 2] gebruikmaakt van het perceel. Zij erkennen dat [gedaagde sub 1] gebruikmaakt van het perceel, maar stellen onder meer dat hij wel gebruik moet maken van het perceel van [eiser sub 1] om bij zijn eigen perceel (in de foto aangegeven met nummer [perceel 2] ) te komen. Daarom vorderen zij in reconventie een bepaling dat zij bij wijze van noodweg gebruik mogen maken van het perceel van [eiser sub 1] .



2.4
De voorzieningenrechter wijst het gebiedsverbod ten aanzien van [gedaagde sub 1] toe en wijst het gebiedsverbod ten aanzien van [gedaagde sub 2] af. Ook het voorschot op de schadevergoeding en de tegenvorderingen van [gedaagden c.s] worden afgewezen.





3De beoordeling


In conventie




[eisers c.s] hebben een spoedeisend belang



3.1

[eisers c.s] vorderen, onder meer, een gebiedsverbod. Volgens hen kan [eiser sub 1] niet vrijelijk over haar eigendom beschikken en voelen [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zich niet veilig op hun eigen erf. Daarmee is het spoedeisend belang bij hun vordering gegeven.


Het gebiedsverbod wordt toegewezen ten aanzien van [gedaagde sub 1]




3.2

[eisers c.s] vorderen een verbod voor [gedaagden c.s] om het perceel van [eiser sub 1] te (laten) betreden. Een gebiedsverbod is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht van [gedaagden c.s] op de persoonlijke levenssfeer, waaronder het recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van zo’n ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden – van (ernstig) onrechtmatig handelen en/of een concrete reële dreiging daarvan – die zo’n inbreuk kunnen rechtvaardigen. Om een gevorderd gebiedsverbod te rechtvaardigen moet onder meer aannemelijk zijn dat [gedaagden c.s] zich stelselmatig begeeft op het perceel van [eiser sub 1] of dat er een reële dreiging is dat zij dat zullen doen. Het is aan [eisers c.s] om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die een dergelijk verbod kunnen rechtvaardigen.



3.3

[gedaagde sub 1] heeft erkend dat hij het perceel van [eiser sub 1] heeft betreden en bewerkt, of heeft laten bewerken, en dat hij gebruikmaakt van het kavelpad op het perceel van [eiser sub 1] , om (het kavelpad op) zijn eigen perceel [perceel 2] te bereiken. Dit volgt ook uit de vele door [eisers c.s] overgelegde foto’s en video’s. [gedaagde sub 1] heeft aangegeven van plan te zijn het perceel van [eiser sub 1] op deze manier te blijven gebruiken. Hij meent namelijk dat hij in de hoger beroepsprocedure tegen het vonnis van de Pachtkamer gelijk zal krijgen. [gedaagde sub 1] stelt dat hij het kavelpad bij wijze van noodweg in de zin van artikel 5:57 Burgerlijk Wetboek (BW) mag gebruiken. Volgens [gedaagde sub 1] kan hij zijn perceel namelijk alleen via het perceel van [eiser sub 1] bereiken, omdat zijn perceel geen andere ontsluiting heeft. Hij meent dat hij het perceel van [eiser sub 1] daarom niet zonder recht of titel gebruikt.



3.4
Het vonnis van de Pachtkamer is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het staat [gedaagde sub 1] niet vrij om in strijd met de door de Pachtkamer besliste splitsing van percelen gebruik te blijven maken van het perceel van [eiser sub 1] , alleen omdat hij denkt in de genoemde hoger beroepsprocedure gelijk te zullen krijgen.



3.5

[eisers c.s] hebben uitvoerig toegelicht dat [gedaagde sub 1] wél op andere wijze dan over haar perceel zijn perceel kan bereiken. Zo zou hij zijn perceel kunnen bereiken via het openbaar vaarwater aan de noordoostzijde van het perceel [perceel 4] . Ook zou hij zijn perceel kunnen bereiken via de dam die van het noordoostelijke punt van zijn perceel naar perceel [perceel 3] loopt. Ook zou [gedaagde sub 1] zelf een dam als ontsluiting kunnen aanleggen tussen deze twee percelen. Tot slot zou [gedaagde sub 1] zijn perceel kunnen bereiken via de dam die van het zuidoostelijke punt van zijn perceel naar kadastraal perceel [perceel 4] loopt. Ook tussen die beide percelen zou [gedaagde sub 1] volgens [eisers c.s] een dam als ontsluiting kunnen aanleggen.



3.6

[gedaagden c.s] vinden dat dit geen reële mogelijkheden zijn. Zij stellen dat de twee bestaande dammen niet breed genoeg zijn voor de door hen gebruikte landbouwmachines. Die kunnen namelijk wel 4 meter breed zijn. Daarnaast stellen zij dat zij zonder vergunning van het waterschap geen ontsluiting mogen aanleggen tussen het perceel van [gedaagde sub 1] en de percelen [perceel 3] en [perceel 4] . Ten aanzien van perceel [perceel 3] , dat zij in erfpacht hebben, stellen zij dat de erfverpachter, het Rijksvastgoedbeheer (hierna: RVB), geen toestemming zal geven voor het gebruik van de toegangsweg op dat perceel ten behoeve van het perceel [perceel 2] .



3.7

[eisers c.s] betwisten dat [gedaagde sub 1] geen gebruik kan maken van de dammen met zijn landbouwmachines. Volgens hen zijn de genoemde dammen namelijk 5 à 6 meter breed. Ter onderbouwing hebben zij ook foto’s van de dammen overgelegd. [gedaagden c.s] hebben daarop niet verder toegelicht waarom [gedaagde sub 1] toch geen gebruik zou kunnen maken van de twee dammen. Dat [gedaagde sub 1] dat niet zou kunnen, is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken. Dat betekent dat niet vastgesteld kan worden dat het kavelpad op dit moment de enige wijze is waarop [gedaagde sub 1] zijn perceel kan bereiken.



3.8
Zelfs als [gedaagde sub 1] zijn perceel niet via de bestaande dammen zou kunnen bereiken, geldt het volgende. [eisers c.s] betwisten dat [gedaagde sub 1] geen dam(men) als ontsluiting mag aanleggen tussen de genoemde percelen. [gedaagden c.s] hebben daarop niet verder toegelicht dat zij geen ontsluiting mogen aanleggen. De voorzieningenrechter kan daarom niet vaststellen dat, als al een vergunning is vereist voor het aanleggen van een ontsluiting, het waterschap die vergunning niet aan [gedaagde sub 1] zou willen verlenen. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde sub 1] ook aangegeven dat hij enkele jaren geleden wel bereid was om een ontsluiting tussen zijn perceel en perceel [perceel 4] aan te leggen. [gedaagde sub 1] is daar nu niet meer toe bereid, omdat het aanleggen van een ontsluiting betekent dat op perceel [perceel 4] ook een kavelpad moet worden aangelegd, wat kosten en oppervlakteverlies tot gevolg zou hebben. Dat mag zo zijn, maar dat vormt geen rechtvaardiging om het perceel van [eiser sub 1] te blijven gebruiken. Ook heeft de voorzieningenrechter niet kunnen vaststellen dat, als toestemming van de erfverpachter is vereist voor het aanleggen van een ontsluiting tussen het perceel van [gedaagde sub 1] en kadastraal perceel [perceel 3] , de erfverpachter die toestemming niet aan [gedaagde sub 1] zou willen geven. Evenmin hebben [gedaagden c.s] aannemelijk gemaakt dat het RVB het Eric als pachter verbiedt, of zal verbieden, het pachtland en de daarvan deeluitmakende toegangsweg te gebruiken om via de dam op zijn land te komen en van zijn land te gaan.



3.9
Het beroep van [gedaagde sub 1] dat hij gerechtigd is het kavelpad bij wijze van noodweg te gebruiken gaat niet op. Omdat [gedaagde sub 1] zich stelselmatig zonder recht of titel heeft begeven en begeeft op het perceel van [eiser sub 1] en er een reële dreiging is dat [gedaagde sub 1] dat zal blijven doen, zal het door [eisers c.s] gevorderde gebiedsverbod ten aanzien van [gedaagde sub 1] worden toegewezen.


Het gebiedsverbod wordt afgewezen ten aanzien van [gedaagde sub 2]




3.10

[gedaagden c.s] betwisten dat [gedaagde sub 2] persoonlijk gebruikmaakt van het perceel van [eiser sub 1] . [eisers c.s] hebben niet kunnen aantonen dat [gedaagde sub 2] het perceel van [eiser sub 1] wel persoonlijk heeft betreden en/of betreedt. Dat blijkt bijvoorbeeld niet uit de foto’s en video’s die zij hebben overgelegd. Ook hun stelling dat [gedaagde sub 2] als maat van de maatschap Melkveebedrijf [bedrijf] betrokken is bij de inbreuk door [gedaagde sub 1] als medemaat op het eigendomsrecht van [eiser sub 1] , kan er niet toe leiden dat [gedaagde sub 2] een gebiedsverbod wordt opgelegd. Daarvoor is namelijk vereist dat [gedaagde sub 2] zich stelselmatig begeeft op het perceel van [eiser sub 1] of dat er een reële dreiging is dat hij dat zal doen. Dat is niet gebleken. Het gebiedsverbod wordt dan ook afgewezen ten aanzien van [gedaagde sub 2] .



[eiser sub 2] en [eiser sub 3] hebben belang bij het gebiedsverbod




3.11

[gedaagden c.s] betwisten dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] belang hebben bij het gevorderde gebiedsverbod. Op de foto’s is volgens [gedaagden c.s] niet te zien dat [gedaagde sub 1] zich op het terrein van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] begeeft, of dat enige bedreiging of contact tussen [gedaagde sub 1] enerzijds, en [eiser sub 2] en [eiser sub 3] anderzijds heeft plaatsgevonden. Daarom vinden zij dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.



3.12
Uit het dossier en alles wat partijen naar voren hebben gebracht blijkt dat zich de afgelopen jaren meerdere incidenten hebben voorgedaan. Daarbij is [eiser sub 2] door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] fysiek en verbaal ernstig belaagd. Dat is bijvoorbeeld de reden geweest dat de Pachtkamer de pachtovereenkomst tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] enerzijds, en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] anderzijds heeft ontbonden. Dat maakt dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] er ook belang bij hebben dat [gedaagde sub 1] niet meer gebruikmaakt van het perceel van [eiser sub 1] , dat direct aan hun erf en gebouwen grenst.


De gevorderde dwangsom wordt toegewezen




3.13
De voorzieningenrechter zal aan het gebiedsverbod, zoals gevorderd, een dwangsom verbinden. Daarvoor is een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 1] het verbod schendt, met een maximum van € 250.000,-, redelijk.


Het voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen




3.14

[eisers c.s] stellen dat [eiser sub 1] schade heeft geleden doordat [gedaagden c.s] haar perceel gebruiken. Volgens hen kan [eiser sub 1] daardoor de Box 3-belasting over het perceel niet betalen. Voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in kort geding moeten [eisers c.s] feiten en omstandigheden stellen die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed het voorschot van € 45.000,- als onmiddellijke voorziening moet worden toegewezen. [eisers c.s] hebben echter niet duidelijk gemaakt hoe hoog de Box 3-belasting is die [eiser sub 1] niet zou kunnen betalen. Daarom hebben zij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat een voorschot op schadevergoeding van € 45.000,- moet worden toegewezen.


In reconventie



De vordering tot gebruik bij wijze van noodweg wordt afgewezen




3.15

[gedaagden c.s] vorderen dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 5:57 BW bepaalt dat zij, althans [gedaagde sub 1] , bij wijze van noodweg gebruik mogen maken van het perceel van [eiser sub 1] .



3.16
In het midden kan blijven of het in kort geding mogelijk is te bepalen dat [gedaagden c.s] ‘bij wijze van noodweg’ gebruik mogen maken van het perceel van [eiser sub 1] . Die vordering kan namelijk alleen worden toegewezen als [gedaagde sub 1] uitsluitend via het perceel van [eiser sub 1] zijn eigen perceel kan bereiken. Zoals hiervoor onder punt 3.5 tot en met 3.8 is overwogen, is dat niet het geval. Daarom wordt de vordering afgewezen.


Het gevorderde verbod tot fotograferen en filmen wordt afgewezen




3.17

[eisers c.s] hebben door de jaren heen vele foto’s en video’s gemaakt. In deze procedure hebben zij een grote hoeveelheid daarvan als producties overgelegd. Daarop is onder meer te zien hoe [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en/of derden zich op het erf van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] begeven, of zich daarlangs, en op het perceel van [eiser sub 1] , begeven. [gedaagden c.s] willen dat het [eisers c.s] verboden wordt om zulke foto’s en video’s te (laten) maken. Zij stellen namelijk dat daarmee inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van hen en van derden, terwijl [eisers c.s] geen enkel belang hebben bij het fotograferen en filmen.



3.18
In de vele procedures die tussen partijen hebben plaatsgevonden, hebben [eisers c.s] de gemaakte foto’s en video’s ter onderbouwing van hun stellingen als bewijsstukken overgelegd. Dat is ook zo in deze zaak. Daaruit volgt al het belang van [eisers c.s] om vanaf het erf van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] het perceel van [eiser sub 1] te fotograferen en filmen. Dat geldt des te meer omdat [gedaagde sub 1] nu een gebiedsverbod krijgt opgelegd, op straffe van een dwangsom. Als [gedaagde sub 1] dit gebiedsverbod overtreedt, hebben [eisers c.s] er belang bij dat zij daar bewijs van kunnen overleggen. Daarom wordt het gevorderde verbod op fotograferen en filmen afgewezen. Omdat het [gedaagde sub 1] verboden wordt het perceel van [eiser sub 1] te betreden en [gedaagde sub 2] dat perceel niet heeft betreden en evenmin betreedt, vormen de van dat perceel gemaakte video’s en foto’s geen inbreuk op hun privacy.


In conventie en in reconventie


De proceskosten worden gecompenseerd



3.19
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld en er tussen hen sprake is (geweest) van een familierelatie, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten in conventie en in reconventie geheel te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.






4De beslissing

De voorzieningenrechter


in conventie



4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] het perceel, inclusief toegangsweg, kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [sectie] nummer [perceel 1] groot 14,3075 ha, gelegen nabij de [straat] te Nagele niet meer te betreden of te laten betreden,



4.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eisers c.s] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 4.1 voldoet, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,



4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



4.4
wijst het meer of anders gevorderde af,


in reconventie




4.5
wijst de vorderingen van [gedaagden c.s] af,


in conventie en in reconventie




4.6
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op
8 juli 2026.

5984



Rb. Midden-Nederland 7 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2130.


Productie 22 aan de zijde van [eisers c.s]


Rb. Midden-Nederland 7 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2130.


Rb. Midden-Nederland 7 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2130, rov. 3.40.
Link naar deze uitspraak