|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:929 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-07-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/984 PW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Hennepkwekerij. Appellant heeft de vooronderstelling dat in een door hem gehuurde woning aangetroffen hennepkwekerij hij daarvan exploitant is geweest en de opbrengst hem ten goede is gekomen niet ontzenuwd. Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat de exploitatie van de hennepkwekerij in zijn woning buiten zijn medeweten heeft plaatsgevonden, heeft het college dat standpunt terecht niet geloofwaardig geacht. Nu appellant geen melding heeft gemaakt van de hennepkwekerij op zijn adres, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft daarnaast geen inzicht gegeven in de omvang en de aard van de activiteiten, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. | | Trefwoorden | : | kwekerij | | | | Uitspraak | 24/984 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 maart 2024, 23/3635 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand in verband met een hennepkwekerij die in de woning van appellant is aangetroffen en waarvan hij geen melding heeft gemaakt. Appellant voert aan dat de exploitatie van de hennepkwekerij buiten zijn medeweten heeft plaatsgevonden in de periode dat hij in het buitenland verbleef. De Raad volgt appellant hierin niet. Het hoger beroep slaagt niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.E. Beukers, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beukers, H. Lazar als tolk en [naam bewindvoerder] , de bewindvoerder van appellant. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Diepenbroek.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 1 september 2020 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet. Hij stond sinds 16 augustus 2010 ingeschreven op het adres X te [woonplaats] .
1.2.
Appellant heeft in de periode van 29 september 2021 tot en met 14 februari 2022 in het buitenland verbleven. Het college heeft de bijstand van appellant vanwege te lang verblijf in het buitenland ingetrokken over de periode van 28 oktober 2021 tot en met 14 februari 2022 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 28 oktober 2021 tot en met tot en met 31 december 2021 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 1 februari 2022 is door de politie een hennepkwekerij aangetroffen op adres X met in totaal 173 planten. Het Regionaal Coördinatiepunt Aanpak Hennepteelt van de politie heeft hiervan melding gedaan bij de sociale recherche. Dit was aanleiding voor de sociale recherche een onderzoek te starten naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 5 juli 2022.
1.4.
Met een besluit van 8 november 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 19 juni 2023 (bestreden besluit), heeft het college het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 september 2020 tot en met 27 oktober 2021 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van algemene en bijzondere bijstand over deze periode tot een bedrag van € 19.368,22 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. In de woning van appellant op het adres X is een hennepkwekerij aangetroffen. De aanwezigheid van een hennepkwekerij in zijn woning rechtvaardigt de vooronderstelling dat appellant exploitant is geweest van deze hennepkwekerij. In het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 27 februari 2022 (ontnemingsrapport) heeft de politie na onderzoek geconcludeerd dat er zes eerder gerealiseerde oogsten zijn geweest en de exploitatie vermoedelijk rond 22 augustus 2020 is begonnen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 114.383,70. De onderzoeksbevindingen maken de stelling van appellant dat alle attributen voor de hennepkwekerij tijdens zijn verblijf in het buitenland en zonder zijn medeweten naar zijn woning zijn gebracht niet geloofwaardig. Doordat appellant geen informatie heeft verschaft over deze hennepkwekerij, heeft hij niet voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. De bijstand is terecht herzien (lees: ingetrokken) en teruggevorderd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De hier te beoordelen periode loopt van 1 september 2020 tot en met 27 oktober 2021.
4.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Schending inlichtingenverplichting
4.3.
Niet in geschil is dat de politie op 1 februari 2022 een hennepkwekerij in de door appellant gehuurde woning op adres X heeft aangetroffen.
4.4.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen rechtvaardigt het feit dat in een door een betrokkene gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen, de vooronderstelling dat die betrokkene daarvan exploitant is geweest en dat de opbrengst hem ten goede is gekomen. Deze vooronderstelling is een (bewijs)vermoeden dat weerlegbaar is. Betrokkene kan zich hiertegen verweren door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan de vooronderstelling ten grondslag zijn gelegd, of door andere feiten te stellen die het in de vooronderstelling besloten vermoeden ontzenuwen.
4.5.
Appellant heeft aangevoerd dat hij geen weet had van de aangetroffen hennepkwekerij op zijn adres. Voorafgaand aan zijn verblijf in het buitenland vanaf 29 september 2021 tot en met 14 februari 2022 was namelijk geen sprake van een hennepkwekerij. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de verklaring van zijn fysiotherapeut dat zij appellant op 1, 2, 8 en 15 juni 2021 aan huis heeft behandeld en haar niets is opgevallen in de woning. Ook heeft appellant een emailbericht ingebracht van netbeheerder Liander N.V. van 16 augustus 2021, waarin wordt bevestigd dat een monteur onderweg is naar adres X om een storing te verhelpen. Appellant voert aan dat als sprake zou zijn geweest van een hennepkwekerij op zijn adres voorafgaand aan zijn verblijf in het buitenland, de fysiotherapeut en de monteur dit hadden opgemerkt. Dit geldt zeker nu sprake was van een kleine woning. Daarbij komt dat het inkomen en de bestedingen van appellant in de periode van september 2020 tot en met oktober 2021 niet zijn gewijzigd ten opzichte van het eerdere en latere inkomsten- en uitgavenpatroon. De bewindvoerder heeft dit op 13 september 2023 schriftelijk verklaard en ter zitting nog bevestigd. De braaksporen die op 17 januari 2022 door de politie zijn opgemerkt en het aangetroffen DNA van een andere persoon op de voorwerpen in de hennepkwekerij, bevestigen het standpunt van appellant dat hij niets te maken had met de hennepkwekerij. Bovendien is de gekozen aanvangsdatum voor de kwekerij ‘in augustus 2020’ slechts een schatting.
4.6.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet de in 4.4 bedoelde vooronderstelling heeft ontzenuwd. Daarbij is het volgende van belang.
4.7.
Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat de exploitatie van de hennepkwekerij in zijn woning buiten zijn medeweten heeft plaatsgevonden en dat alle attributen voor de hennepkwekerij na zijn vertrek op 29 september 2021 naar het buitenland, naar zijn woning zijn gebracht, heeft het college dat standpunt terecht niet geloofwaardig geacht. Het college heeft, onder verwijzing naar de bevindingen in het ontnemingsrapport, aannemelijk gemaakt dat al veel eerder dan op 29 september 2021 sprake was van een hennepkwekerij in de woning van appellant. Zo was in de kweekruimtes sprake van een brede rand van op kalk gelijkende afzetting op de vijverfolie en aan de onderzijde van de plantenpotten, een dikke niet doorbroken stoflaag op onder meer de lampenkappen, een afgeschreven koolstoffilter en een nog in gebruik zijnde, gedeeltelijk verbruikte koolstoffilter, een afgewerkte laag potgrond voorzien van Perlite in de achtertuin en kabels met daarop de productiedata 15 maart 2019, 21 februari 2018 respectievelijk 9 oktober 2017. Op de zolder werden ook 125 gebruikte plantenpotten aangetroffen. Aan de hand van drie aangetroffen lege flacons van vijf liter aan groeimiddelen, de gebruiksaanwijzing bij deze flacons en het aantal aangetroffen hennepplanten is vervolgens berekend dat de hennepkwekerij is aangevangen rond 22 augustus 2020. Die aanvangsdatum wordt ondersteund door de verklaring van de buurman van appellant dat hij in oktober 2020 voor het eerst een hennepgeur geroken heeft die hij vooral waarnam als hij zich bevond op zijn vliering, grenzend aan de vliering van de woning op adres X. Het college heeft dan ook mogen uitgaan van de aanvang van de exploitatie van de hennepkwekerij in augustus 2020.
4.8.
Dat de behandelend fysiotherapeut, die in juni 2021 vier keer bij appellant thuis is geweest, bij de politie heeft verklaard dat haar toen niets is opgevallen en niets heeft geroken, anders dan sigarettenlucht, kan niet afdoen aan de bevindingen in het ontnemingsrapport. Hierbij komt dat zij niet in de kamers is geweest die als kweekruimte zijn gebruikt en dat ook niet uitgesloten is dat de fysiotherapeut aan het begin van een kweekcyclus op adres X was en om die reden geen henneplucht heeft waargenomen. In de overgelegde e-mail van Liander van 16 augustus 2021 is weliswaar vermeld dat de monteur onderweg is naar het adres van appellant, maar over het vervolg is niets bekend. Ter zitting van de Raad heeft appellant bovendien tegenstrijdig verklaard over het tijdstip en de dag waarop de monteur aanwezig zou zijn geweest. Wat appellant heeft aangevoerd over de braaksporen die de politie op 17 januari 2022 heeft aangetroffen, kan hem, gelet op het voorgaande, ook niet baten.
4.9.
Nu appellant geen melding heeft gemaakt van de hennepkwekerij op zijn adres, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De exploitatie van een hennepkwekerij is immers een voor de bijstand relevant gegeven. Ook als zou worden aangenomen dat appellant niet de exploitant was, zoals appellant heeft betoogd, dan zou betrokkene met het faciliteren van een hennepkwekerij in zijn woning inkomsten kunnen verwerven. Betrokkenheid bij een hennepkwekerij moet daarom worden gemeld bij de bijstandverlenende instantie, ook als een ander de hennepkwekerij zou exploiteren en de betrokkene daarmee verder geen bemoeienis zou hebben. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.
4.10.
De stelling van appellant dat hij met de hennepteelt geen inkomsten heeft verworven, zodat er onverminderd recht is op bijstand, treft geen doel. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet ervan worden uitgegaan dat appellant in het kader van de exploitatie op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht waarmee inkomsten zijn of zouden kunnen worden verworven. Appellant heeft geen inzicht gegeven in de omvang en de aard van deze activiteiten, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Conclusie en gevolgen
4.11.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 september 2020 tot en met 27 oktober 2021 in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
(getekend) E.J.M. Heijs
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:CRVB:2019:1384.
In het ontnemingsrapport wordt op basis van literatuur ervan uitgegaan dat een koolstoffilter na vier voltooide oogsten moet worden vervangen.
Zie de uitspraak van 18 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1179 onder 4.7.2, en van 27 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1852 onder 4.4.3. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|