|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:20384 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 22-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 24/8888 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen de afwijzing van een verzoek tot handhavend optreden tegen het gebruik van de ontsluitingsweg op het [perceel 1] in [plaats 1]; beroep gegrond omdat het college in het verweerschrift een nieuwe motivering ten grondslag legt aan het bestreden besluit; handhavend optreden onevenredig; rechtsgevolgen in stand. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8888
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eisers
(gemachtigden: mr. O.E. de Maes Janssens-de Vries en mr. E. van Brandwijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van [gemeente 1] , het college
(gemachtigden: mr. A.M. van de Laar en mr. J.C.L. de Bruijn).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats 2] , belanghebbenden
(gemachtigde: mr. D.T.J.T. Boerman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek tot handhavend optreden tegen het gebruik van de ontsluitingsweg op het perceel [perceel 1] in [plaats 1] door belanghebbenden. Eisers zijn het niet eens met de motivering van de afwijzing van het verzoek tot handhavend optreden. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek tot handhavend optreden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 3 december 2023 heeft de eigenaar van het perceel [perceel 1] te [plaats 1] , een handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot het gebruik van dit perceel door belanghebbenden.
2.1.
Met het besluit van 12 februari 2024 (het primaire besluit) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.
2.2.
Met het besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij het primaire besluit gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben nadere stukken overgelegd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Het beroep is tegelijk behandeld met de beroepen met zaaknummers SGR 24/9016 en SGR 25/3660. [eiser 1] en de gemachtigden van eisers zijn verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] . Belanghebbenden en hun gemachtigde zijn verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers zijn mede-eigenaar van het perceel [perceel 2] in [plaats 2] , gemeente [gemeente 2] . Op dit perceel bevinden zich de zogenoemde [gebouwen] die in het verleden onderdeel zijn geweest van een complex van Defensie. Eisers wensen de [gebouwen] te gebruiken voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten, overeenkomstig een daarvoor verleende omgevingsvergunning. Het perceel waarop de [gebouwen] staan is grotendeels omringd door water en de enige beschikbare ontsluitingsweg is de niet-openbare ontsluitingsweg op het perceel [perceel 1] in [plaats 1] .
3.1.
Belanghebbenden wonen aan de [adres] in [plaats 1] . Op 3 december 2023 heeft de eigenaar van het perceel [perceel 1] in [plaats 1] een handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot het gebruik dat belanghebbenden maken van de op het perceel liggende ontsluitingsweg.
3.2.
Met het primaire besluit heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, met als motivering dat de verzoeker om handhaving geen last kan hebben van geluids-, stof- en lichtoverlast door het gebruik van de ontsluitingsweg door belanghebbenden.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft het college het handhavingsverzoek, met wijziging van de motivering, opnieuw afgewezen. Volgens het college kunnen belanghebbenden een beroep doen op het overgangsrecht, omdat het gebruik van de ontsluitingsweg door belanghebbenden op het moment van inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan reeds bestond en steeds onafgebroken is voortgezet.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden en is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) komen te vervallen. Als een verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het handhavingsverzoek is op 3 december 2023 ingediend. Dat betekent dat dat in deze zaken de Wabo van toepassing blijft.
Is sprake van een overtreding?
5. Het betoog van eisers strekt er niet toe dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden. Eisers keren zich tegen de motivering die daaraan ten grondslag ligt. Aanleiding voor dit betoog is het feit dat het college voor hetzelfde gebruik wel jegens eisers handhavend optreedt, terwijl het college niet handhavend optreedt tegen belanghebbenden. Volgens eisers is het college in beide gevallen niet bevoegd om handhavend op te treden. Over het handhavend optreden tegen gebruik van de ontsluitingsweg door eisers oordeelt de rechtbank in de uitspraak in zaak SGR 24/9016. In onderhavige zaak betogen eisers dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van een overtreding door belanghebbenden. Volgens eisers ligt daarom onvoldoende onderzoek ten grondslag aan het bestreden besluit en wordt het niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Eisers voelen zich hierin gesterkt doordat het college zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift afstand heeft genomen van zijn motivering en de afwijzing van het verzoek tot handhavend optreden met een andere, nieuwe, motivering onderbouwt.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het college in zijn brief van 12 september 2025 heeft onderkend dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. In eerste instantie was het college voornemens een nieuw besluit te nemen, maar het college heeft ervoor gekozen om een nieuwe motivering voor de afwijzing van het verzoek tot handhavend optreden op te nemen in het verweerschrift.
5.2.
In het verweerschrift stelt het college zich voor het eerst op het standpunt dat het gebruik dat belanghebbenden van de ontsluitingsweg maken wel degelijk een overtreding oplevert. Het college ziet echter alsnog geen reden om handhavend op te treden, omdat het gaat om een overtreding van geringe aard en ernst. Het college onderbouwt dit door erop te wijzen dat het in het geval van belanghebbenden gaat om het gebruik van een kleiner gedeelte van de ontsluitingsweg dan in het geval van eisers en dat daarom sprake is van gebruik met een beperktere ruimtelijke uitstraling.
5.3.
Omdat het college in het verweerschrift een nieuwe motivering ten grondslag legt aan het bestreden besluit, wordt het bestreden besluit niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
5.4.
Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen “ [bestemmingsplan 1] ” en “ [bestemmingsplan 2] ”. De ontsluitingsweg heeft, voor zover hier van belang, de bestemming “Bedrijf - Agrarisch bedrijventerrein”.
5.5.
Het gebruik van de ontsluitingsweg door belanghebbenden is in strijd met de bestemming, omdat dit niet kan worden aangemerkt als gebruik van een toegangsweg ten behoeve van de (agrarische) bestemming. De rechtbank verwijst naar wat in de uitspraak in de zaak SGR 24/9106 onder 5.1 is overwogen over de uitleg van ‘bij de bestemming behorende voorzieningen’. Vanwege deze strijd met het bestemmingsplan is sprake is van een overtreding.
Beginselplicht tot handhaving
6. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Kon het college zich op het standpunt stellen dat handhavend optreden onevenredig is?
7. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat de overtreding van geringe aard en ernst is. De rechtbank acht daarbij van belang dat belanghebbenden ten behoeve van hun woning gebruik maken van een klein gedeelte van de ontsluitingsweg en dat bovendien aannemelijk is dat op dit gedeelte veel minder verkeersbewegingen zullen plaatsvinden dan bij het beoogde gebruik van de [gebouwen] . Bovendien is sprake van een minder grote afwijking van het bestemmingsplan, omdat het gaat om gebruik van een kleinere oppervlakte aan gronden die alleen mogen worden gebruikt ten behoeve van de (agrarische) bestemming. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college daarom, ook in het licht van het belang van belanghebbenden bij het gebruik van de ontsluitingsweg ten behoeve van hun woning, afzien van handhavend optreden. Zoals overwogen in de uitspraak in de zaak SGR 24/9016 is de rechtbank van oordeel dat dit gebruik niet gelijk is aan het door eisers gewenste gebruik van de ontsluitingsweg ten behoeve van de [gebouwen] .
7.1.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college in het verweerschrift alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat van handhavend optreden moet worden afgezien. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.
Conclusie en gevolgen
8. Uit wat onder 5.3 is overwogen, blijkt dat het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het college in het verweerschrift alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat van handhavend optreden moet worden afgezien, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder a, van de Awb.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 oktober 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 17.1, aanhef en onder d, van de regels van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|