|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2025:2566 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-09-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 27-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 200.326.023_01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2025:403, een zaak over een voergeldovereenkomst die zich in hoger beroep toespitst op de ingeroepen tekortkoming in de nakoming van de contractuele verplichting om alle door de varkens van de voergeldgever geproduceerde mest af te voeren uit de stal van de voergeldnemer. | | Trefwoorden | : | mestopslag | | | minas | | | stallen | | | varkens | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.326.023/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. D.D. Dielissen-Breukers te Eindhoven,
tegen
[xx] Varkenshandel B.V.,
gevestigd te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: [xx] ,
advocaat: mr. A.M. Engelen te Velp, gemeente Land van Cuijk,
als vervolg op het tussenarrest van 18 februari 2025 in het hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 augustus 2021 en 23 november 2022 (zaak C/01/362782 / HA ZA 20-604). Het hof zet de nummering uit het tussenarrest voort.
8Het verdere geding in hoger beroep
8.1
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- het hiervoor genoemde tussenarrest waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft bepaald en heeft bepaald dat [appellant] zijn standpunt over het verjaringsverweer tegen vordering D tot betaling van € 847,-- aan VVO-kosten vooraf schriftelijk toezendt;
- de mondelinge behandeling, waar:
partijen zijn verschenen, [appellant] in persoon en voor [xx] bestuurder [persoon A] ;
de advocaten de zaak hebben bepleit, mr. Dielissen-Breukens aan de hand van pleitaantekeningen;
zijn ingebracht de vooraf namens [appellant] toegezonden:
o akte inbreng productie met productie 34;
o de akte uitlating verjaringsverweer;
[xx] het tegen vordering D tot betaling van € 847,-- aan VVO-kosten opgeworpen verjaringsverweer nadrukkelijk heeft laten vallen.
8.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
Kern van de zaak in hoger beroep
8.3
Deze zaak over een voergeldovereenkomst spitst zich in hoger beroep toe op de ingeroepen tekortkoming in de nakoming van de contractuele verplichting om alle door de varkens van de voergeldgever geproduceerde mest af te voeren uit de stal van de voergeldnemer.
9De verdere beoordeling
Samenvatting van het voorafgaande
9.1
Het hof volhardt bij de al in het tussenarrest gegeven beslissingen en zal die zo nodig hierna verkort samengevat aanhalen. Voor zover [appellant] ter zitting standpunten herhaalt waarover het hof in het tussenarrest al heeft beslist, ziet het hof geen aanleiding om op die beslissingen terug te komen. [appellant] stelt zelf ook niet dat en/of waarom die beslissingen nu zouden moeten worden heroverwogen.
9.2
Het hof roept kort samengevat in herinnering dat partijen (voormalige) vleesvarkensbedrijven zijn, die op 1 januari 2008 een voergeldovereenkomst hebben gesloten waarbij voergeldnemer [appellant] tegen betaling van voergeld, varkens van voergeldgever [xx] in zijn stal hield en verzorgde (rov. 6.1.b). De voergeldovereenkomst is door opzegging van [xx] beëindigd per 31 december 2014 (rov. 6.1.d). Aan het hof ligt niet ter beslissing voor de in het beroepen eindvonnis in dictum i uitgesproken veroordeling van [xx] tot betaling van € 2.580,-- aan resterend voergeld (rov. 6.8). Dit hoger beroep beperkt zich tot de vorderingen A tot en met H, waarbij vordering B tot betaling van buitengerechtelijke kosten alleen voorligt voor een hoger bedrag dan de door de rechtbank in dictum ii toegewezen € 383,-- (rov. 6.12).
Vorderingen A tot en met H
9.3.1
[appellant] legt aan de voorliggende vorderingen A tot en met H in de kern ten grondslag dat [xx] tekort is geschoten in de nakoming van de contractuele verplichting om alle door haar varkens geproduceerde mest af te voeren uit zijn stal.
9.3.2
Het hof roept in herinnering dat bij de beoordeling hiervan in ieder geval tot uitgangspunt dient:
- dat de door [appellant] genoemde capaciteit van de mestopslag totaal 1.900 m3 bedraagt;
dat de afspraak ‘Minas is nul’ zo moet worden uitgelegd dat het in de putten aanwezige niveau aan mest als nulllijn wordt genomen, niet dat de putten leeg moesten zijn;
dat uit de ingebrachte vervoersbewijzen niet is af te leiden dat [xx] alle mest heeft afgevoerd die zij moest afvoeren (rov. 6.17.a).
9.3.3
Voor het geval dat de door [appellant] aan de vorderingen A tot en met H ten grondslag gelegde tekortkoming van [xx] - dus: dat [xx] niet alle door haar varkens geproduceerde mest heeft afgevoerd uit de stal van [appellant] - uiteindelijk niet mocht komen vast te staan, oordeelt het hof reeds nu dat dan geen van de voorliggende vorderingen A tot en met H toewijsbaar zal zijn.
Vordering A tot betaling van € 33.275,-- aan mestafvoerkosten
9.4.1
Zoals het hof reeds in het bijzonder met betrekking tot vordering A nadrukkelijk heeft beslist, rust op [appellant] het bewijs (van zijn stelling) dat [xx] over de contractperiode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2014 ongeveer 1.068 ton dierlijke mest c.q. 5.831 kilogram fosfaat te weinig heeft afgevoerd uit zijn stal. De door [appellant] ingebrachte stukken van onder meer ir. [persoon B] (van Optimus Advies) en de bij de rechtbank hierover al afgelegde getuigenverklaringen zijn hiervoor onvoldoende (rov. 6.17.b en 6.17.c).
9.4.2
Nu [appellant] na de in het tussenarrest al gegeven beslissingen ter zitting nog nadrukkelijk aangeeft een deskundigenonderzoek mogelijk te achten en zelfs aandringt:
(…) op benoeming van een onafhankelijk deskundige om zijn stellingen (…) te staven (spreekaantekeningen alinea 14),
zal het hof een onderzoek gelasten door een of meer deskundigen, waarbij het hof voorshands denkt aan een deskundige op het gebied van de mestboekhouding. Het hof is voornemens om aan de deskundige(n) de volgende vragen voor te leggen:
1. Kunt u vaststellen en gemotiveerd aangeven:
a. of [xx] over de contractperiode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2014 alle door haar varkens geproduceerde mest heeft afgevoerd uit de stal van [appellant] ?
b. zo nee: waarom niet?
c. zo ja:
1. hoeveel ton dierlijke mest c.q. kilogram fosfaat heeft [xx] over die periode te weinig afgevoerd uit de mestputten bij de stal(len) van [appellant] ?
2. wat zouden de mestafvoerkosten daarvan hebben bedragen, berekend naar het prijspeil van 1 januari 2015?
2. Kunt u aangeven of en in hoeverre uw voornoemde antwoorden worden beïnvloed en/of anders luiden als daarbij:
a. buiten beschouwing moeten blijven de hoeveelheden mest en fosfaat die zijn geproduceerd door de blijkens productie 2 bij de akte van 26 januari 2022 in december 2014 door [xx] aangevoerde varkens/biggen van [persoon C] ? en/of
b. mede moet worden betrokken de blijkens productie 20 bij memorie van antwoord door [xx] in 2015 uit de stal(len) van [appellant] nog afgevoerde hoeveelheden mest en fosfaat?
3. Wat acht u verder van belang om ten behoeve van het hof op te merken?
9.4.3
Partijen zullen zich bij akte kunnen uitlaten over de deskundigheid en (bij voorkeur eensluidend) het aantal en de perso(o)n(en) van te benoemen deskundige(n). Ook zullen partijen suggesties kunnen doen voor de vraagstelling.
Het hof zal [appellant] op wie de bewijslast van de te onderzoeken feiten rust, met het voorschot op de deskundigenkosten belasten.
Het hof gaat ervan uit dat partijen de deskundige(n) desverlangd zo nodig zullen machtigen om de door de deskundige(n) nodig geachte relevante gegevens bij instanties op te vragen en/of in te zien.
Vordering E tot betaling van vervangende schadevergoeding
9.5.1
Ter onderbouwing van vordering E had [appellant] in de kern slechts gesteld dat er door de aan [xx] verweten uitgebleven afvoer van mest:
(…) onvoldoende ruimte [hof: was] om de mestopslag aan derden te verhuren. (…)
Het niet kunnen verhuren is nog steeds aan de orde, nu [appellant] zonder dat [xx] de
kosten van mestafvoer betaalt niet in staat is dat zelf te laten doen. Hij beschikt niet over
voldoende financiële middelen hiervoor. Deze situatie duurt derhalve al (sinds 2015) (…) voort.
(…) Hierdoor heeft [appellant] schade geleden. Gangbare vergoedingen voor mestopslag bedragen tussen de € 2,00 en € 3,00 per ton per jaar (…) Indien wordt uitgegaan van gemiddeld € 2,50 per ton en een periode van zeven en een halfjaar dan komt dit neer op
€ 20.625,00 (…), te vermeerderen met een bedrag van € 229,17 per maand vanaf juli 2022 totdat [xx] de kosten van mestafvoer aan [appellant] heeft vergoed. (…) (conclusie na enquête tevens akte vermeerdering va eis van 3 augustus 2022 alinea’s 30 tot en met 32).
9.5.2
Zoals het hof reeds in het bijzonder met betrekking tot vordering E heeft overwogen:
mag [appellant] niet-nakoming van zijn schadebeperkingsplicht niet rechtvaardigen met zijn eigen financieel onvermogen om de mest van de varkens van [xx] zelf te (hebben) kunnen afvoeren om vervolgens zijn mestopslag aan derden te (hebben) kunnen verhuren;
berekent [appellant] de schade op € 20.625,-- over de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2022 plus € 229,17 per maand vanaf 1 juli 2022, maar rijst de vraag in hoeverre de schade die daardoor tot zelfs vandaag zou worden geleden, nog in causaal (conditio sine qua non)verband staat met een mogelijke tekortkoming van [appellant] ;
heeft [appellant] zijn stal met ingang van 1 januari 2015 blijkens de met [persoon C] gesloten voergeldovereenkomst aan [persoon C] in gebruik gegeven voor zo’n 986 dierplaatsen, met de in die overeenkomst met [persoon C] voor [appellant] vastgelegde inkomsten en mestafvoerverplichtingen (rov. 6.18.b).
9.5.3
Ondanks die (hiervoor geciteerde) vage onderbouwing en de in het tussenarrest al gegeven overwegingen volstaat [appellant] ter zitting met een verwijzing naar zijn in de stukken verwoorde standpunt. Naast het hiervoor aangehaalde citaat heeft [appellant] hierover naar de kern genomen evenwel nog slechts gesteld:
[appellant] kan zijn stallen en de mestputten nog steeds niet gebruiken, nu deze mestputten
nog steeds niet geleegd zijn. [appellant] is niet in staat om dat zelf te laten doen omdat hij
geen financiële middelen heeft. De gevorderde schade bedraagt € 20.625,00. Dit loopt
nog op met een bedrag van € 229,17 per maand vanaf juli 2022 tot het afvoeren van de
mest heeft plaatsgevonden. (memorie van grieven alinea 47).
9.5.4
Reeds het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat vordering E tot betaling van vervangende schadevergoeding voor het niet kunnen benutten van mestputten wegens onvoldoende onderbouwing niet toewijsbaar is. Dat geldt nog temeer als daarbij ook nog in aanmerking wordt genomen dat onduidelijk blijft hoeveel mest van varkens van [persoon C] sinds 1 januari 2015 in de mestputten van [appellant] werd opgevangen, hoeveel ruimte die mestputten toen nog boden voor eventuele mest van anderen en dat [appellant] niet voldoende concretiseert in hoeverre hij de overige beschikbare mestruimte sinds 1 januari 2015 daadwerkelijk aan anderen zou hebben verhuurd. Reeds hierom is vordering E uiteindelijk niet toewijsbaar.
Conclusie
9.6
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat partijen zich nu eerst dienen uit te laten over de in rov. 9.4.3. bedoelde onderwerpen. Onder aanhouding van elke verdere beslissing beslist het hof nu als volgt.
10De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2025 voor akte aan de zijde van [appellant] voor het in rov. 9.4.3. vermelde doel, waarna [xx] gelegenheid voor antwoordakte zal worden gegeven;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, I.B.N. Keizer en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffier rolraadsheer | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|