Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:355 
 
Datum uitspraak:28-07-2026
Datum gepubliceerd:28-07-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:26/348
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Vierde verzoek om herziening is niet-ontvankelijk omdat het onredelijk laat is ingediend.
Trefwoorden:landbouw
pachtwet
Wetreferenties:Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/348


uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 op het verzoek van



[naam 1], te [woonplaats], verzoeker

om herziening van de uitspraak van het College van 1 september 2016 met zaaknummer 14/240.




Procesverloop

Met de uitspraak van 1 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:261) heeft het College het beroep van verzoeker tegen beslissingen over de toepassing van spoedbestuursdwang en over daarvoor in rekening gebrachte kosten ongegrond verklaard. Daarnaast heeft het College het beroep van verzoeker tegen twee (ingetrokken) kostenbesluiten niet-ontvankelijk verklaard.

Met de op 14 augustus 2018 door het College ontvangen brief heeft verzoeker het College verzocht deze uitspraak te herzien (het eerste herzieningsverzoek).

Met de uitspraak van 6 november 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:583) heeft het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het eerste herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat het onredelijk laat was ingediend.

Met de uitspraak van 21 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:214) heeft het College het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van 6 november 2018 ongegrond verklaard.

Op 29 september 2021 heeft verzoeker het College opnieuw verzocht de uitspraak van 1 september 2016 te herzien (het tweede herzieningsverzoek).

Met de uitspraak van 29 augustus 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:454) heeft het College het tweede herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat het onredelijk laat was ingediend.

Met de op 9 december 2024 door het College ontvangen brief, aangevuld op 3 april 2025, 3 juni 2025 en 26 augustus 2025, heeft verzoeker het College nog een keer verzocht de uitspraak van 1 september 2016 te herzien (het derde herzieningsverzoek).

Met de uitspraak van 17 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:104) heeft het College het derde herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat het onredelijk laat was ingediend.

Met de op 30 april 2026 door het College ontvangen brief heeft verzoeker wederom verzocht de uitspraak van 1 september 2016 te herzien (het vierde herzieningsverzoek).



Overwegingen


Geen zitting


1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot dit oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Awb bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.


Wettelijk kader


2 In artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


Brief van verzoeker van 30 april 2026


3 In de op 30 april 2026 ontvangen brief van verzoeker heeft hij, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Hierbij een tegenspraak tegen de uitspraak het gaat hier om een pachtwet. wat u niet vermeld u als rechter moet de wet tog kennen is met de eerst uitspraak niet aan gedacht […] dus zie het als een grote fout van het college van beroep […]. moeten de wet pachtwet tog kennen en zich aan houden”

Bij de brief heeft verzoeker een deel van een door een deskundige uitgebracht rapport gevoegd waarin deze de Pachtwet aanhaalt.


Beoordeling door het College



Duiding brief van 30 april 2026


4 Voor zover verzoeker met zijn brief van 30 april 2026 heeft bedoeld hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van het College van 17 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:104) op zijn derde herzieningsverzoek is dat niet mogelijk. Tegen die uitspraak staat geen hoger beroep open. Gelet op de bewoordingen in de brief komt verzoeker op tegen de eerste uitspraak. Dat is, naar het College begrijpt, de uitspraak van 1 september 2016. Het College merkt de op 30 april 2026 ontvangen brief van verzoeker daarom aan als een verzoek om die uitspraak te herzien. Het gaat dan om zijn vierde verzoek om herziening van die uitspraak.


Onredelijk laat-criterium


5 Zoals het College in de uitspraken van 6 november 2018, 21 mei 2019, 29 augustus 2023 en 17 maart 2026 heeft overwogen, hanteert hij bij de beoordeling van een verzoek om herziening, hoewel de indiening ervan niet aan enige wettelijke termijn is gebonden, het “onredelijk laat-criterium”. De indiening van een herzieningsverzoek wordt als onredelijk laat aangemerkt als het is ingediend meer dan een jaar na het bekend worden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden (nova) dan wel, als daarin geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Een verzoek om herziening is niet-ontvankelijk en wordt niet inhoudelijk beoordeeld als het onredelijk laat is ingediend.

6 Verzoeker heeft in zijn brief van 30 april 2026 de Pachtwet aangehaald en een deel van een door een deskundige uitgebracht rapport bijgevoegd waarin melding wordt gemaakt van die wet. Het deskundigenrapport betreft, gelet op wat onder 4.2 in de uitspraak van 17 maart 2026 is overwogen, een stuk dat betrekking heeft op een rechtszaak tussen verzoeker en Bouwburo [naam 2] bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant. Het deskundigenrapport is gevolgd op een beschikking van de kantonrechter van 29 januari 2019 waarbij deze een deskundige heeft benoemd. Het College gaat ervan uit dat verzoeker heeft bedoeld te stellen dat, gelet op het deskundigenrapport, sprake is van nova als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

7 Zoals het College in zijn uitspraak van 17 maart 2026 onder 4.2 heeft overwogen moet er, omdat verzoeker zelf partij was in de genoemde rechtszaak, van worden uitgegaan dat hij in of vlak na 2019 al kennis heeft genomen van het deskundigenrapport. Het vierde herzieningsverzoek dateert van 30 april 2026. Het is daarmee ingediend meer dan een jaar na het bekend worden met de daarin gestelde nova. Met de uitspraak van 17 maart 2026 heeft het College het derde herzieningsverzoek, waarbij verzoeker onder meer hetzelfde deskundigenrapport had ingebracht, niet-ontvankelijk verklaard, omdat het onredelijk laat was ingediend. Het College ziet geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.


Slotsom


8 Het herzieningsverzoek is niet-ontvankelijk.

9 De staatssecretaris (voorheen: de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (staatssecretaris) hoeft geen proceskosten te vergoeden.

10 Verzoeker heeft inmiddels vier keer verzocht de uitspraak van 1 september 2016 te herzien. Hij is het eenvoudigweg niet eens met die uitspraak. Al zijn verzoeken zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat ze onredelijk laat waren ingediend. Gezien de eerdere uitspraken en het daarin weergegeven toetsingskader kon het verzoeker redelijkerwijs duidelijk zijn dat ook zijn voorliggende verzoek geen kans van slagen had. Het College wijst verzoeker er nogmaals op dat het rechtsmiddel herziening niet is gegeven om, anders dan vanwege enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en ook niet om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

11 Als verzoeker nog een keer om herziening van de uitspraak van 1 september 2016 verzoekt onder herhaling van dezelfde argumenten, kan dat betekenen dat wordt geoordeeld dat met het aanwenden van dat rechtsmiddel misbruik wordt gemaakt van procesrecht. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat een volgend herzieningsverzoek al om die reden niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het zou daarnaast kunnen betekenen dat verzoeker, gelet op het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb, wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht wordt veroordeeld in de proceskosten van de staatssecretaris als daar door de staatssecretaris om zou worden verzocht.



Beslissing

Het College verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.



S.C. Stuldreher de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen


Afschrift verzonden aan partijen op:




Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Link naar deze uitspraak