|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:5014 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | SHE 25/1928 en 25/1876 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | De rechtbank is van oordeel dat de vergunde Bed & Breakfast-accommodatie van 228 m2 is te beschouwen als nevenactiviteit bij de reeds gevestigde paardenhouderij. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunde activiteiten niet een zodanige invloed hebben op het woon- en leefklimaat van eisers dat het college hierom de gevraagde omgevingsvergunning had moeten weigeren. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de omgevingsvergunning expliciet is bepaald dat geen toestemming wordt verleend voor horecamatige nevenactiviteiten en enkel een eetgelegenheid ten behoeve van de logiesfunctie is vergund met een maximale oppervlakte van 39,36 m2 . | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | gewassen | | | glastuinbouwbedrijf | | | landbouw | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | stallen | | | varkenshouderij | | | varkensstallen | | | veehouderij | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/1928 en SHE 25/1876
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser 1,
(gemachtigde: mr. N.M.C.H. Crooijmans),
[eiser]
, [eiser] , [eiser] , [eiser] en [eiser] uit [plaatsnaam] , eisers 2,
(gemachtigde: J. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boekel, het college,
(gemachtigden: mr. F.K. van den Akker, mr. K. van de Loo en mr. D. Mallik).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam vennootschap] V.O.F. uit [plaatsnaam] , vergunninghoudster.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een gebouw voor groepsaccommodatie op het adres [adres] . Eiser 1 en eisers 2 zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het geschil.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn, maar ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand te laten. Dat betekent dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Vergunninghoudster heeft op 1 december 2020 een aanvraag voor de activiteit bouwen ingediend ten behoeve van een B&B-accommodatie van 228 m2 met tien logieskamers, een ontvangstruimte, keuken, ontbijtzaal en een bijeenkomstruimte op het adres [adres] . Tevens zijn hierbij behorende overkappingen met een oppervlakte van 58 m2 aangevraagd. Het college heeft hiervoor op 23 maart 2021 een omgevingsvergunning verleend.
4. Tegen dit besluit hebben eisers ieder afzonderlijk bezwaar gemaakt. Deze bezwaren zijn aangehouden vanwege een beroepsprocedure tegen het destijds geldende bestemmingsplan “Omgevingsplan: [naam omgevingsplan] ”, dat later is vervangen door achtereenvolgens het bestemmingsplan “Omgevingsplan: [naam omgevingsplan] ” en het bestemmingsplan “Omgevingsplan: herziening [naam omgevingsplan] ”.
5. Op 23 juli 2024 heeft vergunninghoudster, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 juni 2024 over genoemde bestemmingsplannen, een aanvraag ingediend voor de activiteit planologisch strijdig gebruik ten behoeve van een groepsaccommodatie van 228 m2, bestaande uit tien kamers met elk twee bedden en voorzien van een eigen badkamer, een eetgelegenheid, een ontbijtzaal/lunchroom/eetcafé voor bezoekers en passanten van 47,5 m2 en een vergaderruimte op de verdieping van 48,3 m2.6. Op 28 augustus 2024 heeft het college hiervoor aan vergunninghoudster een gewijzigde omgevingsvergunning verleend.
7. Op 22 mei 2025 heeft vergunninghoudster een gewijzigde aanvraag ingediend, die ziet op een oppervlakte van het logiesgebouw van 220 m2, bestaande uit acht B&B logieskamers voor elk maximaal 2 personen, een eetgelegenheid, te weten een ontbijtzaal/eetcafé ten behoeve van deze logiesfunctie van 39,36 m2 en een vergaderruimte ten behoeve van deze logiesfunctie van 48,3 m2. Tevens ziet de aanvraag op het realiseren van overkappingen behorende bij de verblijfsrecreatieve nevenfunctie van in totaal 58 m2. Daarbij is sprake van een overdekt terras met een oppervlakte van 32 m2 en een overkapping bij de entree, met een oppervlakte van 24,8 m2.
8. Met de bestreden besluiten van 24 juni 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de besluiten van 23 maart 2021 en 28 augustus 2024 herroepen en opnieuw, naar aanleiding van de gewijzigde aanvraag van 22 mei 2025, een omgevingsvergunning verleend. Hierbij is toestemming verleend voor een logiesfunctie in een logiesgebouw van 220 m2 bestaande uit acht B&B logieskamers, een eetgelegenheid (ontbijtzaal/eetcafé) ten behoeve van de logiesfunctie van 39,36 m2 en een vergaderruimte voor de logiesfunctie van 48,28 m2. Tevens is het bouwen en gebruiken van overkappingen behorende bij de verblijfsrecreatieve nevenfunctie van 58 m2 vergund.
9. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder SHE 25/1928. Het beroep van eisers 2 is geregistreerd onder SHE 25/1876.
10. Het college heeft verweerschriften overgelegd.
11. Derde-partij heeft een nader stuk ingediend.
12. De rechtbank heeft de beroepen op 18 februari 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en diens gemachtigde, [naam] en de gemachtigden van het college. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [naam] , [naam] en [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Ingetrokken beroepsgronden
13. Ter zitting heeft eiser 1 de beroepsgrond dat het college bij het nemen van het besluit van 23 maart 2021 niet heeft onderkend dat de aanvraag van 1 december 2020 al in strijd was met het destijds geldende bestemmingsplan zodat tweemaal op dezelfde aanvraag is beslist, ingetrokken.
Dit geldt ook voor de beroepsgrond dat het college geen toepassing heeft kunnen geven aan de in artikel 122, onder h, van het bestemmingsplan “Omgevingsplan: Herziening 2023” opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van 10% voor het vergroten van de oppervlakte van gebouwen voor nevenactiviteiten tot 220 m2. Deze beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Relevante wet- en regelgeving
14. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Feiten
15. Het bestreden besluit ziet op een perceel in het buitengebied van de gemeente Boekel. In het verleden was hier een varkenshouderij gevestigd. In de loop der jaren is de varkenshouderij gedeeltelijk omgevormd tot een paardenhouderij. Vergunninghoudster wenst de varkenshouderij volledig te beëindigen en wil een nevenactiviteit in de vorm van (verblijfs)recreatie ontplooien bij de paardenhouderij. De verblijfsrecreatieve functie is voorzien ten oosten van de bestaande bedrijfsbebouwing, waar momenteel de binnenrijhal met stallen en bijbehorende voorzieningen vergund zijn. De hiervoor verleende vergunning zal worden ingetrokken nadat de omgevingsvergunning voor de verblijfsrecreatieve functie onherroepelijk is geworden.
Planologisch kader
16. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten niet in overeenstemming is met het destijds geldende bestemmingsplan “Omgevingsplan: Herziening 2023” (het bestemmingsplan). De aangevraagde verblijfsrecreatieve nevenactiviteit is strijdig met het gebruiksverbod in artikel 74, aanhef en onder a, van de planregels en met de bouwregel in artikel 105, aanhef en onder b, van de planregels. Om het bouwplan mogelijk te maken heeft het college toepassing gegeven aan artikel 82.1, aanhef en onder h, en aan artikel 122, aanhef en onder h, van het bestemmingsplan.
Aanvullende aanvraag
17. Eisers stellen dat het college de aanvraag van 23 juli 2024 en de daaropvolgende aanvraag van 22 mei 2025 ten onrechte niet heeft beschouwd als nieuwe aanvragen, maar als aanvullingen op de aanvraag van 1 december 2020. Volgens eisers is het bouwplan bij deze aanvragen dusdanig gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan van 1 december 2020, dat niet kan worden gesproken van ondergeschikte wijzigingen.
Ter zitting hebben eisers aanvullend gesteld dat ingeval de aanvragen die zijn ingediend na de verleende omgevingsvergunning van 23 maart 2021 waren beschouwd als nieuwe aanvragen, hierop de Omgevingswet van toepassing zou zijn geweest en er hierom participatie had moeten plaatsvinden.
18. Het college heeft hierover in de verweerschriften en ter zitting gesteld dat niet relevant is of het de aanvraag van 25 juli 2024 terecht heeft aangemerkt als een wijziging van de aanvraag van 1 december 2020 dan wel had moeten beschouwen als een nieuwe aanvraag. Ook als sprake was van een nieuwe aanvraag, naast de oorspronkelijke aanvraag van 1 december 2020, had het college na de herroeping van de besluiten van 23 maart 2021 en 28 augustus 2024 opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van 1 december 2020. Ook in dat geval had het college die aanvraag, zoals gewijzigd op 28 mei 2025, mede moeten aanmerken als een aanvraag voor de activiteit “handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening”, omdat het bouwplan waarop deze aanvraag ziet wegens de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024 niet langer past binnen het bestemmingsplan.
Volgens het college moet voor de vraag welke wijziging van de aanvraag heeft plaatsgevonden uitsluitend een vergelijking worden gemaakt tussen de oorspronkelijke aanvraag van 1 december 2020 en de definitieve wijziging van de aanvraag van 28 mei 2025.
19. Voor de vraag of de aanvraag van 1 december 2020 als grondslag voor het door het college te nemen besluit heeft te gelden, dan wel door de nadien ingediende aanvullingen niet meer als oorspronkelijke aanvraag kan worden aangemerkt, is met name van belang of de aanvullingen, op zichzelf maar ook in onderling verband beschouwd, van ondergeschikte aard zijn. Het antwoord op die vraag bepaalt welk recht door het college moet worden toegepast. De vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard dient per concreet geval te worden beoordeeld.
20. Niet in geschil is dat de oorspronkelijke aanvraag van 1 december 2020 zag op het bouwen van een logiesgebouw met een oppervlakte van 228 m2. Het betrof een groepsaccommodatie met tien B&B logieskamers met ontvangstruimte, keuken, ontbijtzaal en een bijeenkomstruimte. Daarnaast zag het bouwplan op een bijbehorende overkapping van 58 m2.
21. De aanvraag van 23 juli 2024 ziet, zoals hiervoor reeds is aangegeven, op de activiteit planologisch strijdig gebruik ten behoeve van een groepsaccommodatie van 228 m2, bestaande uit tien kamers met elk twee bedden en voorzien van een eigen badkamer, een eetgelegenheid, een ontbijtzaal/lunchroom/eetcafé voor bezoekers en passanten van 47,5 m2 en een vergaderruimte op de verdieping van 48,3 m2.22. In de bestreden besluiten is gesteld dat uit de aanvraag van 23 juli 2024 blijkt dat er naast de verblijfsrecreatieve nevenfunctie horecamatige nevenactiviteiten zijn toegevoegd aan de aanvraag. Dit gaat, zo stelt het college, niet enkel om het ruimtelijk toelaten van wat op 1 december 2020 is aangevraagd, maar om een uitbreiding van plannen. Deze horeca-activiteiten zijn ook voor passanten en staan daardoor volledig los van de paardenhouderij of de verblijfsrecreatieve nevenfunctie. Dit trekt aanvullende bezoekers aan. Gezien deze overwegingen kan niet worden gezegd dat hier sprake is van dezelfde ruimtelijke uitstraling als bij de aanvraag van 1 december 2020. Voor dit deel had vergunninghoudster dus een nieuwe aanvraag dienen te doen en had dit niet via een aanvulling vergund kunnen worden, aldus het college.
23. Naar het oordeel van de rechtbank had het college de aanvraag van 23 juli 2024 als een nieuwe aanvraag moeten beschouwen, zoals het college in feite zelf ook aangeeft, omdat horeca-activiteiten voor passanten extra verkeersbewegingen en een hogere geluidbelasting voor de omgeving met zich kunnen brengen. Bij de beoordeling van de aanvraag van 23 juli 2024 en de daaropvolgende aanvraag van 28 mei 2025 had het college, gelet op de data van deze aanvragen en artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet omgevingswet, daarom uit moeten gaan van de Omgevingswet die met ingang van 1 januari 2024 in werking is getreden. Dat de horecamatige nevenactiviteit bij de aanvraag van 28 mei 2025 weer is komen te vervallen en deze aanvraag een ondergeschikte wijziging zou betreffen van de aanvraag van 1 december 2020 leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021.Dit betoog slaagt. Overkappingen
24. Eisers voeren verder aan dat de toegestane maximale oppervlakte van 200 m2 voor de nevenactiviteit wordt overschreden, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de oppervlakte van de overkappingen, zijnde 58 m2. De overkappingen maken onderdeel uit van het gebouw en staan ten dienste van de nevenactiviteit. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat de overkappingen dienen ter ondersteuning van de horeca en dat mensen die hierdoor gebruik zullen gaan maken van de buitenruimte hinder kunnen veroorzaken, waarmee het college in de belangenafweging rekening had dienen te houden.
25. Het college heeft hierover gesteld dat de overkappingen weliswaar onderdeel uitmaken van het logiesgebouw, maar dat uit artikel 154.9 van het bestemmingsplan volgt dat overkappingen niet meetellen voor de oppervlakte van het gebouw. In dit geval zijn de overkappingen namelijk niet gelegen tussen buitenwerkse gevelvlakken en/of scheidingsmuren. Daardoor is de oppervlakte van het logiesgebouw 219,98 m2.
Verder heeft het college naar voren gebracht dat van de overkapping alleen gebruik wordt gemaakt door bezoekers van de B&B, waarbij het om maximaal zestien personen kan gaan. Het nuttigen van ontbijt en avondeten onder een overkapping kan niet worden geacht hinder te veroorzaken.
26. Ingevolge artikel 154.9 van het bestemmingsplan wordt bij de toepassing van deze regels de oppervlakte van een bouwwerk als volgt gemeten: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
27. Gelet op deze voorgeschreven meetwijze en de situering van de overkappingen heeft het college terecht gesteld dat de oppervlakte van de overkappingen niet dient te worden betrokken bij de bepaling van de oppervlakte van het bouwwerk. Dat de overkappingen onderdeel uitmaken van het gebouw en ten dienste staan van de nevenactiviteit leidt niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is dat de overkappingen anderszins niet zouden passen in het bestemmingsplan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt ten aanzien van de oppervlakte van de overkappingen.Dit betoog slaagt niet.
Nevenactiviteit
28. Eiser 1 voert verder aan dat, gezien de kleine marges in de paardenhouderij, de recreatieve activiteit in feite de hoofdbron van inkomsten is en daarmee de belangrijkste activiteit. Hij stelt dat het college dit standpunt in het bestreden besluit onvoldoende heeft weerlegd. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024 over de bestemmingsplanwijziging, waarin de Afdeling duidelijk heeft overwogen dat het college niet heeft onderbouwd dat sprake is van een nevenactiviteit. Eisers 2 hebben hierover gesteld dat een nevenactiviteit per definitie uitgaat van het bestaan van een hoofdactiviteit. Volgens hen voorziet de vergunning in een zelfstandige, niet agrarische en qua schaal te categoriseren aanmerkelijke hoofdactiviteit die ten onrechte word bestempeld als kleinschalige nevenactiviteit. Op het oog hebben de opstallen van de huidige hoofdactiviteit de uitstraling van een agrarisch bedrijf. Feitelijk staan de opstallen (van de voormalige varkenshouderij) echter voor een groot deel leeg. Hoewel de inrichting uiterlijk de indruk wekt van een volwaardige paardenhouderij, hebben eisers 2 duidelijk de indruk dat het gaat om het hobbymatig houden van paarden. Voor zover eisers 2 hebben kunnen beoordelen beantwoordt de paardenhouderij niet aan de gangbare definitie van een bedrijf, waarbij een van de kernwaarden een reëel en objectief uitzicht op winst is en zicht op continuïteit van de activiteiten. Daarbij wijzen zij op uitlatingen van de initiatiefnemers, waarbij is gesteld dat het ontplooien van een nevenactiviteit een financieel noodzakelijke stap is en beoogd is om een vaste bron van inkomsten te genereren nu er in de paardenhouderij zoals die ter plekke wordt uitgeoefend er niets tot weinig overblijft. Als sprake is van het hobbymatig houden van paarden dan ontbreekt het aan de voor een nevenactiviteit noodzakelijke hoofdactiviteit, zijnde een volwaardig agrarisch bedrijf. Daarmee vervalt de grondslag om een vergunning te verlenen voor een nevenactiviteit, aldus eisers 2.
29. Het college heeft hierover gesteld dat de door eiser 1 genoemde uitspraak van de Afdeling niet gaat over de toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor een verblijfsrecreatieve nevenactiviteit. Evenmin zag de voorafgaande tussenuitspraak van 17 augustus 2022 hierop. Die uitspraken gaan over de wijziging van een bestemmingsplan dat veel meer toeliet dan nu is vergund.
In de beoordelingsregels voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden in de artikelen 82.1 en 122 van het bestemmingsplan is volgens het college niet bepaald dat een verblijfsrecreatieve nevenfunctie ondergeschikt moet blijven aan de hoofdfunctie paardenhouderij of dat die alleen is toegestaan bij een volwaardig agrarisch bedrijf. Een verblijfsrecreatieve nevenfunctie is toelaatbaar bij een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 153.7 van de planregels, mits wordt voldaan aan de beoordelingsregels. Aan de omschrijving van paardenhouderij is voldaan. Uit artikel 82.1 volgt ook niet dat een verblijfsrecreatieve nevenactiviteit geen zelfstandig karakter mag hebben noch dat het een agrarisch karakter moet hebben. Ter zitting is door het college aanvullend gesteld dat de ondergeschiktheid van de nevenfunctie die wel vereist is in het kader van de toegelaten bebouwing ten behoeve van nevenactiviteiten reeds volgt uit het feit dat het bestemmingsplan een maximale oppervlakte van 200 m2 aan bebouwing voor nevenactiviteiten toestaat. Het gaat hier om een beperkt gebouw met een beperkte oppervlakte met acht kamers en hooguit zestien mensen, waardoor de ruimtelijke uitstraling van de aangevraagde verblijfsrecreatieve nevenactiviteit beperkter is dan die van de agrarische bebouwing en paardenhouderij.
30. De uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024 ging over (onder meer) het bestemmingsplan “Omgevingsplan: [naam omgevingsplan] 4”. Artikel 23.3, eerste lid, van dit bestemmingsplan luidde: “Toegestaan is het gebruik van de gronden voor de volgende ondergeschikte functie:a. recreatieve activiteiten met in afwijking van het bepaalde in Artikel 92 lid b, sub 2 een maximaal oppervlak aan bebouwing van 970 m2, uitsluitend bestaande uit:- een groepsaccommodatie met maximaal 48 bedden;- 4 vakantiewoningen bij [adres] maximaal 8 bedden en een gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 160 m2;- een horecavoorziening uit de categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten met een maximaal gebruiksoppervlak van 100 m2;- een zaalaccommodatie behorende bij Rietven 4 overeenkomstig categorie 1a 'lichte horeca' in de Staat van Horeca-activiteiten met een maximaal gebruiksoppervlak van 100 m².b. de activiteiten onder a worden als een ondergeschikte functie gezien als de activiteiten een beperkte ruimtelijke omvang hebben en als de hoofdfunctie paardenhouderij ruimtelijk qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel duidelijk als hoofdfunctie herkenbaar blijft.”
31. Het college heeft terecht gesteld dat in het bestemmingsplan “Omgevingsplan: Herziening 2023” waaraan het college de aanvraag van 28 mei 2025 diende te toetsen, anders dan in het bestemmingsplan dat bij de Afdeling ter toetsing voorlag, niet is bepaald dat een verblijfsrecreatieve nevenfunctie ondergeschikt moet blijven aan de hoofdfunctie paardenhouderij, behoudens voor zover het betreft de toegelaten bebouwing ten behoeve van nevenactiviteiten. Tevens is van belang dat de onder artikel 23.1, eerste lid, van het bestemmingsplan “Omgevingsplan: [naam omgevingsplan] ” toegestane functies veel omvangrijker zijn dan de activiteiten die bij het bestreden besluit zijn vergund.
Gelet hierop is geen sprake van een vergelijkbare situatie.
32. De rechtbank stelt vast dat in het bestemmingsplan “Omgevingsplan: herziening 2023” niet is bepaald wat onder een nevenactiviteit/nevenfunctie dan wel hoofdactiviteit/hoofdfunctie dient te worden verstaan.
In artikel 153.96 is wel een omschrijving opgenomen van een paardenhouderij, te weten: een agrarisch bedrijf dat geheel of overwegend is gericht op: het houden, melken, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden en/of; het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij. Het begrip agrarisch bedrijf is in artikel 153.7 van de planregels gedefinieerd als een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren, zijnde (onder meer) een paardenhouderij.
Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het bestemmingsplan ter plaatse een paardenhouderij is toegestaan en dat er paarden worden gehouden. Het houdt partijen verdeeld of het houden/opfokken etcetera van paarden op het perceel de hoofdfunctie is.
33. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft het college onder meer toepassing gegeven aan artikel 82.1, aanhef en onder h, van het bestemmingsplan om het bouwplan mogelijk te maken. Hierin is bepaald dat door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning om van het bepaalde in artikel 74 af te wijken wordt verleend voor de vestiging van verblijfsrecreatieve nevenfuncties bij agrarisch bedrijven en Wonen, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.2 onder a. Niet in geschil is dat wordt voldaan aan artikel 3.2, onder a, van het planregels. Verder is de rechtbank, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende aannemelijk geworden dat met de paardenhouderij sprake is van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 153.7 van de planregels. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat voor de paardenhouderij in 2018 een omgevingsvergunning beperkte milieutoets is verleend en een melding Activiteitenbesluit in 2019 is gedaan, die wijzen op activiteiten met een bedrijfsmatige omvang. Verder heeft vergunninghoudster onbetwist gesteld dat zij onder meer een gecertificeerde hengstenhouderij heeft, paarden fokt en aan geboorte- en drachtigheidsbegeleiding doet, waarbij gebruik wordt gemaakt van 40 paardenboxen op het perceel. Uit artikel 82.1 volgt niet, zoals het college terecht heeft gesteld, dat met de paardenhouderij een hogere omzet moet worden gegenereerd dan met de verblijfsrecreatieve activiteiten om als hoofdfunctie te kunnen worden aangemerkt. Evenmin volgt uit artikel 82.1 dat een verblijfsrecreatieve nevenactiviteit geen zelfstandig karakter mag hebben noch dat het een agrarisch karakter moet hebben. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college op goede gronden gesteld dat de aanvraag ziet op een nevenactiviteit/nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf en dat wordt voldaan aan artikel 82.1, onder h, van het bestemmingsplan.
34. Wel geldt op grond van artikel 105, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan bij de beoordeling van de toegelaten bebouwing ten behoeve van nevenactiviteiten dat de omvang van de nevenfunctie gelet op de ruimtelijke uitstraling (aard van de activiteit, het daadwerkelijke fysieke ruimtegebruik en de verschijningsvorm) ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie. Nu de oppervlakte van het vergunde logiesgebouw 220 m2 bedraagt en de projectlocatie een omvang heeft van 30.460 m2, met een aanwezig bouwvlak van ongeveer 1,5 hectare met daarop de in de aanvraag van 28 mei 2025 aangegeven (overige) bebouwing aan paardenstallen en varkensstallen van in totaal 3.365 m2, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat wordt voldaan aan artikel 105, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan.
Dit betoog slaagt niet.
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
35. Eiser 1 voert tevens aan dat uit het bestreden besluit niet volgt dat het college heeft getoetst of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en in de aanvraag is evenmin een toereikende motivering voor een goed woon- en leefklimaat opgenomen. Het college is daarmee te gemakkelijk voorbijgegaan aan de toetsing aan de beoordelingsregels voor verblijfsrecreatieve nevenfuncties, aldus eisers. Ter zitting hebben eisers 2 gesteld dat zij vrezen voor overlast in de avonduren, omdat de omgevingsvergunning ook horeca omvat en er aldus feesten kunnen worden gehouden.
36. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.
37. In artikel 82.2 a t/m i van het bestemmingsplan zijn algemene beoordelingsregels gegeven voor het afwijken van artikel 74, en onder aa t/m ah zijn specifieke beoordelingsregels voor verblijfsrecreatieve nevenfuncties opgenomen.
38. De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing zoals opgenomen in de gewijzigde aanvraag van 28 mei 2025, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, zowel is ingegaan op de algemene beoordelingsregels als op de specifieke beoordelingsregels. Uit het bestreden besluit volgt dat het college van oordeel is dat in de aanvraag genoegzaam is gemotiveerd dat geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij realisatie van het bouwplan.
39. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is, onder de Wabo, onderdeel van een goede ruimtelijke ordening, zodat de stelling van eiser 1 dat hieraan niet is getoetst door het college op dit punt feitelijk onjuist is.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde activiteiten niet een zodanige invloed hebben op het woon- en leefklimaat van eisers dat het college hierom de gevraagde omgevingsvergunning had moeten weigeren. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de omgevingsvergunning expliciet is bepaald dat geen toestemming wordt verleend voor horecamatige nevenactiviteiten en enkel een eetgelegenheid ten behoeve van de logiesfunctie is vergund met een maximale oppervlakte van 39,36 m2. Het college heeft er daarom vanuit kunnen gaan dat voor feesten die onaanvaardbare hinder met zich zouden kunnen brengen voor de omwonenden niet behoeft te worden gevreesd. Verder is in dit kader van belang dat eiser 1 niet nader heeft onderbouwd waarom hetgeen in de aanvraag is gesteld over de toets aan een goede ruimtelijke ordening niet zou kloppen of welke belangen ten onrechte niet zouden zijn meegenomen.
Dit betoog slaagt niet.
Onderbouwing bezwaren in bezwaarfase
40. Eisers 2 hebben er verder op gewezen dat in het bestreden besluit ten aanzien van enkele bezwaargronden is gesteld dat zij deze bezwaren onvoldoende hebben onderbouwd dan wel gemotiveerd. Eisers 2 zijn van mening dat het college hen bij onduidelijkheden om verduidelijking had moeten vragen, bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting, temeer gezien de lange duur van de bezwaarfase en het feit dat met vergunninghoudster wel de nodige communicatie heeft plaatsgevonden waarop de aanvraag is aangepast. Nu het college onderdelen van hun bezwaar als onduidelijk heeft afgedaan, is het bestreden besluit volgens eisers 2 onzorgvuldig tot stand gekomen.
41. Het college heeft hierover gesteld dat eisers 2 niet hebben toegelicht op welke onderdelen van hun bezwaar onzorgvuldig zou zijn besloten. In het besluit op bezwaar heeft het college weliswaar bij enkele bezwaargronden van eisers 2 overwogen dat deze niet duidelijk zijn toegelicht, maar die gronden zijn wel betrokken in de heroverweging.
42. De rechtbank stelt vast dat eisers 2 na de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024 inzake de bestemmingsplannen in de gelegenheid zijn gesteld om de bezwaren nader aan te vullen, van welke gelegenheid eisers 2 ook gebruik hebben gemaakt door de indiening van een aanvullend bezwaarschrift bij brief van 7 oktober 2024. Vervolgens zijn eisers 2 op 11 november 2024 in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren in een hoorzitting nader toe te lichten. Weliswaar stellen eisers 2 op zich terecht dat het op de weg van het college had gelegen om een nadere toelichting te vragen op de bezwaren in de hoorzitting als die voor het college niet geheel duidelijk waren, maar anderzijds is wel inhoudelijk ingegaan op deze bezwaren en hebben eisers 2 niet aangegeven waarom de reactie hierop onjuist of onvolledig is. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.
Advies hoorcommissie
43. Eisers 2 stellen dat het volledige advies van de hoorcommissie niet aan hen is verstrekt.
In het besluit op bezwaar is slechts sprake van één alinea waarin het standpunt van de hoorcommissie is weergegeven. Eisers 2 zijn van mening dat dit onzorgvuldig is.
Het verslag van de hoorzitting is wel door hen ontvangen.
44. Het college heeft hierover gesteld dat ten tijde van de bezwaarprocedure de gemeente Boekel nog geen adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb had. Er is daarom geen separaat advies opgemaakt. Het mondelinge advies van de hoorcommissie is in het besluit op bezwaar opgenomen.
45. De rechtbank stelt vast dat door partijen niet is betwist dat ten tijde van de bezwaarfase geen sprake was van een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb. Dientengevolge is ook het bepaalde in artikel 7:13, zesde lid, van de Awb niet aan de orde, waarin is bepaald dat over de bezwaren een apart (schriftelijk) advies wordt uitgebracht.
Het bestreden besluit is op dit punt echter wel verwarrend, nu op pagina 1 van het bestreden besluit van 24 juni 2025 onder het kopje “Advies hoorcommissie” is aangegeven dat naar aanleiding van de hoorzitting door de hoorcommissie is geadviseerd. Dit suggereert dat wel sprake is van een zodanige adviescommissie en van een schriftelijk advies. Dit neemt niet weg dat eisers 2 daardoor niet in hun belangen zijn geschaad, omdat in het bestreden besluit voldoende duidelijk is omschreven wat de bezwaren van eisers zijn en wat het advies hierover is. De rechtbank acht het bestreden besluit daarom niet onzorgvuldig genomen.
Dit betoog slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
46. Het beroep in beide zaken is gegrond omdat het college het verkeerde recht heeft toegepast bij de beoordeling van de aanvraag van 28 mei 2025 die aan de bestreden besluiten ten grondslag ligt. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Aanleiding hiervoor is dat ook ingeval de Omgevingswet het toetsingskader zou zijn geweest bij de beoordeling van de aanvraag van 28 mei 2025, het de rechtbank niet is gebleken dat op grond van de geldende regelgeving van de raad van de gemeente Boekel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in dit geval sprake zou zijn geweest van een participatieplicht. Evenmin is de rechtbank gebleken dat de materiële normstelling bij nieuw recht in dit geval zou zijn gewijzigd. Het bestemmingsplan waaraan is getoetst maakt immers deel uit van het (tijdelijke deel van het) Omgevingsplan gemeente Boekel. Niet aannemelijk is geworden dat de belangen van eisers zijn geschaad omdat (ten onrechte) aan de Wabo is getoetst.
47. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het college voor een logiesgebouw en de bijbehorende overkappingen een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Dat betekent dat vergunninghoudster gebruik mag maken van verleende omgevingsvergunning.
48. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan eiser 1 en eisers 2 vergoeden.
49. Eiser 1 krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00, omdat de gemachtigde van eiser 1 een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Eisers 2 hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 24 juni 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eiser 1 en eisers 2, elk afzonderlijk, moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiser 1.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van mr.J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:13
1. Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:
a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,
b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en
c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.
2. Indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.
3. Het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.
4. (..).
5. Een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en wordt in de gelegenheid gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven.
6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.
7. Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.
Bestemmingsplan “Omgevingsplan: Herziening 2023”
Ter plaatse van het perceel [adres] gelden de navolgende bestemmingsvlakken:
Peelontginningenlandschap
Bouwen - Agrarische bedrijfsbebouwing
Specifieke regels voor paardenhouderij
Verkeer
Bebouwd gebied
Herziening reparatie regels
Functieverandering met afwijking in het agrarisch landschap
Innovatieregeling
Agrarisch landschap
Verklarende regels
Agrarisch bedrijf - Paardenhouderij
Nadere regels voor alle archeologische waarden
Functieverandering met melding in het agrarisch landschap
Bomen en houtopstanden
Waarde - Archeologie 3
Algemene regels
Bouwen - Bedrijfs- of dienstwoningen
Afwijken bouwregels bebouwd gebied
Verboden gebruik agrarisch landschap
Open gebied
Vogelbeheergebied
Welstandsregels
Afwijken bouwregels open gebied
Artikel 3 Agrarisch landschap
3.1
Gebiedsbeschrijving
(..)
Het agrarisch landschap is aangemerkt als zone in de luwte. In eerste instantie is hier ruimte voor grondgebonden landbouw, wonen en nevenfuncties bij landbouw en wonen: (agro)toerisme en kleinschalige verblijfsrecreatie. (..)
3.2
Toelaatbaar gebruik
3.2.1
Huidige en rechtstreeks toelaatbare gebruik
In het agrarisch landschap zijn toegestaan:
a. toekomstige activiteiten die passend zijn binnen artikel 3.1 Gebiedsbeschrijving en waaraan ingevolge het bepaalde in artikel 81, artikel 82 en/of artikel 85 medewerking kan worden verleend;
b. het bestaande en toelaatbare gebruik zoals aangeduid op de verbeelding en in dit plan, met bijbehorende voorzieningen zoals groen, natuurlijke waterzuivering en nutsvoorzieningen;
c. agrarisch grondgebruik waaronder in ieder geval ook wordt verstaan:
1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met dien verstande dat deze voorzieningen niet zijn toegestaan op de gronden met de functie Groen;
2. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide;
3. beweiding door manegepaarden;
4. met dien verstande dat de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden uitsluitend is toegestaan indien een minimale afstand van 50 m vanaf de fruitbomen tot de functie Wonen wordt aangehouden;
d. waterlopen;
e. tuinen;
f. in- en uitritten bij functies;
g. de volgende nevenfuncties bij agrarische bedrijven: 1 t/m 3. (..).
h. aan -huis -gebonden beroepen;
i. overige op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
j. kleinschalig dagrecreatief medegebruik van onbebouwde gronden mits geen onevenredige aantasting van de openheid plaatsvindt;
k. evenementen waarbij geldt:
1.een- of meerdaagse evenementen op dezelfde locatie zijn ten hoogste 3 keer per kalenderjaar toegestaan;
2. uitsluitend evenementen die als passend worden beschouwd bij de toegelaten functie zijn meer dan 3 keer per kalenderjaar toegestaan;
l. nieuwe natuurgebieden en nieuwe landschapselementen.
Artikel 74 Verboden gebruik
Het is verboden:
a. het bestaande gebruik zoals bedoeld in artikel 3.2.1 onder b te veranderen in ander gebruik dan genoemd in artikel 3.2.1 in sub c tot en met l;
b. zand, specie en andere materialen en producten, op te slaan, te storten of te bergen en/of materialen en materieel te stallen behalve wanneer dit noodzakelijk is voor het op de toegelaten functie gerichte gebruik van de gronden;
c. mestzakken en/of foliebassins aan te leggen behalve op de gronden waar bedrijfs-bebouwing mag worden gebouwd ten behoeve agrarische bedrijven.
Artikel 82 Functieverandering met afwijking in het agrarisch landschap
82.1
Afwijking van verbod op functiewijziging
Omgevingsvergunning om van het bepaalde in artikel 74 af te wijken wordt - mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.2 onder a - door het bevoegd gezag verleend voor de volgende functies:
a. de vestiging van een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Wonen, Dierenkliniek, Tuincentrum - evenemententerrein, Manege, Horeca- of Detailhandel is of wordt beëindigd;
b. het gebruik ten behoeve van Wonen op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Bedrijf uit een hogere milieucategorie, Bedrijf agrarisch-technisch of agrarisch verwant bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum - evenemententerrein, Manege, Horeca- of Detailhandel is of - in samenhang met de toepassing van de afwijking - wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
c. vergroting van de oppervlakte in gebruik voor Wonen tot een oppervlakte van maximaal 1.500 m²;
d. de realisering van een bedrijfwoning bij bedrijven en instellingen waar nog geen bedrijfswoning aanwezig is;
e. de vestiging van een Agrarisch bedrijf - paardenhouderij op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - veehouderij is of wordt beëindigd;
f. de vestiging van een paardenhouderij of paardrijactiviteiten bij wijze van neventak bij een agrarisch bedrijf;
g. de aanleg van recreatieve wandel-, fiets- of ruiterpaden;
h. de vestiging van een verblijfsrecreatieve nevenfuncties bij agrarische bedrijven en Wonen;
i. de vestiging van horecamatige nevenactiviteiten uit de categorie 1a of 1b van de Staat van Horeca-activiteiten met een oppervlakte in gebruik van meer dan 40 m2;
j. de vestiging van kleinschalige bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
k. de aanleg van lage permanente teeltondersteunende voorzieningen;
l. de aanleg van fruitboomgaarden op een afstand van minder dan 50 m van de functie Wonen.
82.2
Beoordelingsregels afwijking
Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:
algemeen geldende beoordelingsregels:
a. met het indienen van een aanvraag om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid wordt een volledige onderbouwing op basis van de beoordelingsregels overlegd en de relevante gegevens en bescheiden verstrekt;
b. de genoemde functies zijn toegestaan mits passend binnen de in artikel 3.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten;
c. voor een afwijking zoals bedoeld in artikel 82.1 onder a, b, c, d, e en f geldt dat er sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing die:
1. ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2 Beleidsnotitie
erfbeplanting;
2. en voor zover de locatie is gelegen in het 'Peelontginningenlandschap', voldoet aan de
betreffende onderdelen van de beleidsregels voor landschappelijke inpassing zoals
opgenomen in Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids;
3. en voor zover de locatie is gelegen in de Overgang Kampenlandschap met enken naar
Peelontginningenlandschap' voldoet aan de betreffende onderdelen van de beleidsregels voor landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids;
d. voor een afwijking zoals bedoeld in artikel 82.1 onder a, b en e geldt dat er sprake is van
kwaliteitsverbetering van het landschap in brede zin zoals opgenomen in Vitaal Buitengebied Boekel, waardering;
1. (..);
2. (..);
e. de landschappelijke inpassing en/of bijdrage aan de kwaliteit van het landschap wordt gerealiseerd alvorens het beoogde gebruik wordt geëffectueerd; dit wordt als voorwaar-delijke gebruiksbepaling aan de omgevingsvergunning gekoppeld;
f. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
g. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen gerealiseerd;
h. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de functievlakken Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of binnen 10-6
-contouren van deze leidingen gerealiseerd;
i. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
beoordelingregels verblijfsrecreatieve nevenfuncties:
aa. er vindt geen onevenredige aantasting van de openheid plaats;
ab. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2 Beleidsnotitie erfbeplanting;
ac. er worden niet meer dan 25 standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie gerealiseerd;
ad. bij de realisering van standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie wordt tevens voorzien in parkeren op eigen erf;
ae. bij de realisering van overnachtingsmogelijkheden in woningen of bijgebouwen wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 3 Beleidsregels bed & breakfast;
af. de inrichting op perceelsniveau is afgestemd op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
ag. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
ah. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
Hoofdstuk 4 Wat mag ik op deze locatie bouwen?
artikel 87 Bebouwing in open gebied
87.1
Toegelaten bebouwing open gebied
Ten behoeve van de toegelaten functies zijn toegestaan:
a. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, waarvoor de maatvoeringen gelden zoals weergegeven in artikel 87.2;
87.2
Specifieke regels voor bebouwing in open gebied
Voor de ten behoeve van de functie toegelaten bebouwing geldt het volgende:
i. overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten dienste van het gebruik zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 4 m;
Artikel 91 Bebouwd gebied
91.1
Toegelaten bebouwing bebouwd gebied
Ten behoeve van de toegelaten functies zijn toegestaan:
a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvoor de maatvoeringen gelden zoals weergegeven in regels en/of op de verbeelding;
b. voor zover de oppervlakte, dakhelling, goothoogte of bouwhoogte of de afstand ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan meer of minder dan bepaald onder a bedraagt geldt de bestaande oppervlakte, dakhelling, goothoogte of bouwhoogte of de afstand als maximum of minimum.
Artikel 105 Bouwen - nevenactiviteiten
Voor de in 91.1 toegelaten bebouwing geldt het volgende:
a. bouwen ten behoeve van nevenactiviteiten is toegestaan mits de omvang van de nevenfunctie gelet op de ruimtelijke uitstraling (aard van de activiteit, het daadwerkelijke fysieke ruimtegebruik en de verschijningsvorm) ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
b. de oppervlakte van gebouwen voor nevenactiviteiten bedraagt maximaal 200 m² met dien verstande dat:
1. de oppervlakte van gebouwen ter plaatse van de functie Graszoden en grindbedrijf ten behoeve van het graszoden- en grindbedrijf maximaal 400 m² mag bedragen;
2. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ter plaatse van de functie Groepsaccommodatie, ten behoeve van twee groepsaccommodaties maximaal 650 m2 mag bedragen;
3. de gezamenlijke oppervlakte van de vijf glampingtenten ter plaatse van de functie Bedrijf aan de [adres] , maximaal 320 m² mag bedragen, waarvan maximaal 64 m² per glampingtent;
4. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ter plaatse van de [adres] ten behoeve van de Nevenactiviteit bij Bedrijf agrarisch-technisch of agrarisch verwant bedrijf bedraagt maximaal 2.040 m²;
5. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ter plaatse van de [adres] ten behoeve van de functie Verblijfsrecreatie bedraagt maximaal 1.200 m²;
c. de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag ten hoogste 6 m respectievelijk 10 m bedragen; voor zover de goothoogte of bouwhoogte ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan meer bedraagt geldt de bestaande goothoogte of bouwhoogte als maximum;
d. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2 Beleidsnotitie erfbeplanting;
e. indien landschappelijke inpassing is voorgeschreven wordt deze landschappelijke inpassing gerealiseerd alvorens het bouwwerk in gebruik wordt genomen; dit wordt als voorwaardelijke gebruiksbepaling aan de omgevingsvergunning gekoppeld.
Artikel 122 Afwijken bouwregels
Omgevingsvergunning om van het bepaalde in artikel 91 Bebouwd gebied - en gelet op de samenhang daarmee ook van artikel 95 Bouwen - woningen tot en met artikel 107 Bouwen - zendmast en artikel 112 Maximale oppervlakte bebouwd tot en met artikel 121 Maximale goothoogte - af te wijken wordt verleend voor:
a. voorgeschreven hoogte van erf- en terreinafscheidingen;
b. vergroting (hoogten en inhoud) van bedrijfs- of dienstwoningen en woningen;
c. vergroting (hoogten en oppervlakte) van bijgebouwen bij de woning;
d. de herbouw van woningen en bijgebouwen zoals bedoeld in artikel 95 onder i op een andere locatie binnen het functievlak;
e. de voorgeschreven afstand van gebouwen tot de grens van de functie Verkeer;
f. voorgeschreven goot- en bouwhoogten voor bedrijfs- of dienstgebouwen zoals bedoeld in Bouwen - overige niet- agrarische bebouwing;
g. voorgeschreven goot- en bouwhoogten voor bedrijfs- of dienstgebouwen zoals bedoeld in Bouwen - agrarische bedrijfsbebouwing;
h. afwijkingen van overige maten met ten hoogste 10%;
i. de voorgeschreven dakhelling voor de realisering van een plat dak bij:
1. gebouwen gelegen in het Cultuurhistorisch vlak - Huize [naam] , die in de directe nabijheid worden gerealiseerd van rijks- of gemeentelijke monumenten;
2. rijks- of gemeentelijke monumenten gelegen in het Cultuurhistorisch vlak - Huize [naam] ;
j. overschrijding van bouwgrenzen voor zover van belang voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover noodzakelijk in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het te bebouwen vlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot;
k. de oprichting en aanleg van zonnepanelen en/of de oprichting van windturbines waarbij de toelaatbaarheid niet is beperkt tot de toegelaten functie;
l. het bouwen op een afstand van minder dan 10 m van monumentale bomen of Natuur Netwerk Brabant op gronden aangeduid als Cultuurhistorisch vlak - Huize [naam] ;
hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:
algemene beoordelingsregels:
m. nut en noodzaak van de gevraagde afwijking zijn aangetoond;
n. de waardevolle open ruimtes tussen de (cultuurhistorisch waardevolle) linten en aangeduide buurtschappen ('open kamers') blijven gehandhaafd en worden waar mogelijk versterkt; linten en buurtschappen blijven als losse elementen herkenbaar;
o. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de karakteristiek van objecten die als 'karakteristiek pand' zijn aangeduid;
p. de doorzichten vanuit de omliggende structuren op de open ruimtes blijven gehandhaafd; indien mogelijk kunnen nieuwe doorzichten worden gerealiseerd;
q. de kwaliteit van het landschap zoals beschreven in Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids wordt niet aangetast;
r. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en aangrenzende functies;
s. de verkeersveiligheid wordt niet aangetast;
t. er is geen sprake van ontoelaatbare radarverstoring;
u. er is geen sprake van een ontoelaatbare verstoring van het vliegverkeer;
v. met het indienen van een aanvraag om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid wordt een volledige onderbouwing op basis van de beoordelingsregels overlegd en de relevante gegevens en bescheiden verstrekt;
Artikel 153 Begrippen
153.7 Agrarisch bedrijf
een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf (Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf), een veehouderij (Agrarisch bedrijf - veehouderij), een glastuinbouwbedrijf (Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf), een paardenhouderij (Agrarisch bedrijf - paardenhouderij) of een overig agrarisch bedrijf (Agrarisch bedrijf - overig bedrijf). Mest wordt niet tot de voortgebrachte agrarische producten gerekend.
153.96 Paardenhouderij:
een agrarisch bedrijf dat geheel of overwegend is gericht op: het houden, melken, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden en/of; het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij.
Artikel 154 Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
154.1 Afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot bouwperceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
154.2 (..)
154.3 (..)
154.4 Bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
154.5 Dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
154.6 Breedte, lengte en diepte van een gebouw
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.
154.7 Goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
154.8 (..).
154.9 Oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
154.10 Vloeroppervlakte
de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.
Tezamen genoemd: eisers.
ECLI:NL:RVS:2024:2606; hierbij is de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie" op het perceel Rietven 4 vernietigd alsmede artikel 23.3 van de planregels.
Zie daartoe de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:443.
ECLI:NL:RVS:2021:443.
ECLI:NL:RVS:2024:2606.
ECLI:NL:RVS:2022:2394. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|