Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2023:10642 
 
Datum uitspraak:10-11-2023
Datum gepubliceerd:29-07-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 22/3595
Rechtsgebied:Bestuursstrafrecht
Indicatie:Boete opgelegd aan slachthuis omdat varkens die overbleven geen/onvoldoende strooisel en drinkwater hadden. Overtredingen terecht vastgesteld, geen matiging van de boete, geen schending van de hoorplicht. Wel wordt het besluit vernietigd omdat de bestuurdlijke dwangsom onjuist is vastgesteld.
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
stallen
varkens
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 22/3595

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),

en

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. L. Harteveld, mr. P. van Bennekom en mr. F. van der Wal).




Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000,- omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 juli 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 27 juli 2022 beroep ingesteld.

Bij besluit van 16 juni 2023 heeft verweerder het besluit van 27 juli 2022 ingetrokken en opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2023. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.




Overwegingen

1. In het rapport van bevindingen van 26 januari 2022 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van regulier toezicht op 2 februari 2021 omstreeks 7:00 uur bevond bij het slachthuis van eiseres te [plaats] . In dat rapport is, voor zover hier van belang, het volgende beschreven:


“Op 2 februari 2021 omstreeks 7.00 uur is gebleken dat het welzijn van een koppel biggen welke is blijven overliggen gedurende de nacht van 1 februari 2021 naar 2 februari 2021 niet was geborgd. Het welzijn van het koppel is geschaad en hierdoor is deze dieren niet elke vorm van vermijdbare spanning bespaard gebleven.



Omstreeks 7.00 uur bevond ik, senior toezichthoudend dierenarts, mij in de stal van [eiseres] . Ik deed de AM (antemortem) keuring voor het slachten. Ik trof daar een koppel biggen aan van circa 100 stuks in stal nummer 4. Ik zag dat er geen passend strooisel meer aanwezig was. Het strooisel wat ik aantrof was nat en doordrenkt met urine en mest. Het zag eruit als blubber en het strooisel was niet droog. Ik zag dat de vloeren nat waren en dat de dieren in hun eigen urine en mest lagen.



Ik vroeg aan de stalmedewerker wanneer deze biggen waren aangekomen op het slachthuis. Hij meldde mij dat ze gistermiddag (maandag 1 februari 2021) al op het bedrijf gelost zijn, zie bijlage aanvoerbonnen [eiseres] 01-02-2021. Ik heb de bedrijfsleider [naam] ook naar de stal laten komen om mijn bevindingen te laten zien.



Ik stelde vast dat er tijdens het overliggen niet goed voor de dieren is gezorgd. De hokken moeten voorzien worden van passend strooisel (voldoende en droog) en er dient voldoende voer en drinkwater aanwezig te zijn.



Ik zag namelijk dat er geen of in ieder geval onvoldoende passend strooisel aanwezig was in de hokken. Ik zag bij mijn keuring dat de stallen natte vloeren hadden. De biggen konden niet liggen op een droge ondergrond. Ik stelde vast dat de biggen in hun eigen urine en mest lagen.



Bovendien zag ik dat de dieren over onvoldoende drinkwater beschikten. Ik zag dat er slechts 1 drinknippel aanwezig was voor circa 100 biggen. Dit is te weinig voor een dergelijke groep dieren. Gezien de grootte van het aantal dieren (100 stuks) is het fysiek onmogelijk dat al deze dieren gedurende hun verblijf op de stal in het slachthuis onbeperkt toegang gehad hebben tot voldoende drinkwater.



Omdat aan alle bovenstaande normen niet is voldaan is de exploitant in gebreke gebleven goede welzijnsomstandigheden te creëren voor de overgebleven biggen. Het welzijn van de dieren is hierdoor geschaad en dit heeft spanning veroorzaakt bij de dieren.”


2. Op basis van dit rapport van bevindingen heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van in totaal € 5.000,- voor de volgende beboetbare feiten:
a. a) varkens die niet binnen twaalf uur na aankomst zijn geslacht, waren niet voorzien van een adequate hoeveelheid strooisel of gelijksoortig materiaal dat een mate van comfort waarborgt dat is afgestemd op de diersoort en het aantal dieren. Hierdoor werd geen doeltreffende afvoer gegarandeerd en er niet voor gezorgd dat urine en uitwerpselen op adequate wijze werden geabsorbeerd.
Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 5.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met artikel 15, eerste lid, in verbinding met bijlage III, punt 1.2, van Verordening (EG) nr. 1099/2009.
b) zoogdieren die na het uitladen niet onmiddellijk naar de slachtplaats werden gebracht, konden niet via adequate voorzieningen over voldoende drinkwater beschikken.
Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 5.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met artikel 15, eerste lid, gelet op bijlage III, punt 1.6, van Verordening (EG) nr. 1099/2009.


2.1.
Met het besluit van 16 juni 2023 heeft verweerder het besluit van 27 juli 2022 (met kenmerk 2022-0017918) ingetrokken, de bezwaren van eiseres (gedeeltelijk) gegrond verklaard, het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding toegewezen en aan eiseres een dwangsom toegekend van € 724,-.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een beboetbaar feitencomplex. De schriftelijke waarschuwing (van 10 december 2020) kan niet dienen als grondslag voor het opleggen van de boete.



3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit punt 1.2 van bijlage III van Verordening (EG) nr. 1099/2009 volgt dat dieren die niet binnen twaalf uur na aankomst zijn geslacht, moeten worden voorzien van strooisel of een gelijksoortig materiaal dat een doeltreffende afvoer moet garanderen of ervoor zorgen dat urine en mest op adequate wijze worden geabsorbeerd. Uit punt 1.6 van bijlage III van Verordening (EG) nr. 1099/2009 volgt dat zoogdieren die na het uitladen niet onmiddellijk naar de slachtplaats worden gebracht steeds via adequate voorzieningen over voldoende drinkwater moeten kunnen beschikken. Niet valt in te zien waarom het feitencomplex niet onder de voorschriften in de punten 1.2 en 1.6 van bijlage III van Verordening (EG) nr. 1099/2009 zou vallen. Uit het rapport van bevindingen blijkt immers dat de dieren op 1 februari 2021 in de middag zijn gelost en dat ze een nacht op het slachthuis moesten overblijven. Verder is beschreven dat het strooisel nat was en doordrenkt met urine en mest. Het zag er uit als blubber. De vloeren waren nat en de dieren lagen in hun eigen urine en mest. Verder is beschreven dat de dieren over onvoldoende drinkwater beschikten, omdat er maar één drinknippel was voor ongeveer 100 dieren.



3.2.
Volgens verweerder volgt uit zijn beleid dat voor overtredingen als hier aan de orde eerst een waarschuwing wordt gegeven. Verweerder heeft in dat verband verwezen naar de schriftelijke waarschuwing van 10 december 2020. Hieruit volgt dat er op 15 juli 2020 camerabeelden zijn uitgelezen van 25 en 26 juni 2020, 27 tot 29 juni 2020 en 4 tot 6 juli 2020, waarbij een overtreding van artikel 15, eerste lid, in verbinding met bijlage III, punten 1.2, 1.6 en 2.1 van Verordening (EG) nr. 1099/2009 is geconstateerd. Voor zover eiseres heeft willen aanvoeren dat de schriftelijke waarschuwing niet als grondslag voor het opleggen van de boete kan dienen omdat hiertegen geen bezwaar en beroep heeft opengestaan, overweegt de rechtbank dat eiseres de waarschuwing in deze procedure inhoudelijk had kunnen aanvechten, maar dat niet heeft gedaan.

4. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, omdat er geen voornemen kenbaar is gemaakt (eiseres is niet op de hoogte van een voornemen tot oplegging van een boete) waardoor eiseres ook geen mogelijkheid heeft gehad voor het indienen van een zienswijze. Eiseres is in haar belangen geschaad, omdat het op 2 februari 2021 geconstateerde feitencomplex ruim een jaar later bij het primaire besluit van 25 februari 2022 bekend is gemaakt.



4.1.
Het voornemen van verweerder is gedateerd op 1 februari 2022. Dit voornemen is geadresseerd aan [eiseres] ter attentie van [naam] , [adres] [adres] . Eiseres stelt dit voornemen niet te hebben ontvangen. Daardoor heeft eiseres niet met een zienswijze op het voornemen kunnen reageren. Voor zover er hierdoor sprake is van een gebrek, passeert de rechtbank dit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu eiseres door dit gebrek niet in haar belangen is geschaad. Dat de feiten op 2 februari 2021 zijn geconstateerd en dat het rapport van bevindingen volgens eiseres pas met het primaire besluit van 25 februari 2022 kenbaar zijn gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat een medewerker van eiseres op de dag van de inspectie van de bevindingen op de hoogte is gesteld en dat een rapport van bevindingen is aangezegd: “Ik bracht [naam], als bedrijfsleider van [eiseres], van mijn bevindingen op de hoogte en zegde ter zake een rapport van bevindingen aan.” Op dat moment kon eiseres weten welke vaststellingen de toezichthouder heeft gedaan en wat haar werd verweten.

5. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, omdat diverse schendingen door verweerder niet in het boetebedrag zijn verdisconteerd.



5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb legt het bestuursorgaan een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. In wat eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot matiging van de boete.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder in augustus 2022 tot incasso van het boetebedrag is overgegaan zonder de uitspraak van de rechtbank af te wachten.



6.1.
De rechtbank begrijpt dit betoog van eiseres aldus dat zij hiermee wil bereiken dat de betalingsverplichting wordt opgeschort tot aan de uitspraak op het beroep. Daarbij heeft eiseres echter geen belang meer, nu de rechtbank thans uitspraak doet op het beroep.

7. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat verweerder in het besluit van 16 juni 2023 ten onrechte niet de volledige bestuurlijke dwangsom heeft toegekend.



7.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Eiseres heeft verweerder op 16 juni 2022 in gebreke gesteld. De rechtbank oordeelt dat, nu verweerder het besluit van 27 juli 2022 heeft ingetrokken en heeft vervangen door het besluit van 16 juni 2023, hij de maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- heeft verbeurd. Verweerder was op 16 juni 2023 immers al meer dan 42 dagen in gebreke (artikel 4:17, eerste lid, van de Awb).





Conclusie en gevolgen

8. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 27 juli 2022, is niet-ontvankelijk omdat eiseres geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep, nu het besluit van 27 juli 2022 is ingetrokken.

9. Het beroep tegen het besluit van 16 juni 2023 is gegrond omdat de bestuurlijke dwangsom op een te laag bedrag is vastgesteld. Het besluit van 16 juni 2023 zal in zoverre worden vernietigd. Tevens zal de rechtbank de dwangsom bepalen op € 1.442,-. Het besluit van 16 juni 2023 blijft voor het overige in stand.

10. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1). In het besluit van 16 juni 2023 heeft verweerder reeds een vergoeding van € 1.194,- voor de in bezwaar gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toegekend (1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 597,- en wegingsfactor 1).





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 27 juli 2022 niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 juni 2023 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de bestuurlijke dwangsom betreft;


stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2023.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak